← België

Arrest 197017 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.017 Rolnummer: A. 150682/IX-4487 Zaak: Arrest 197017 - Tucht (openbaar ambt) - 19/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.017 van 19 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.017 van 19 oktober 2009 in de zaak A. 150.682/IX-4487. In zake : Ilona VAN HAANDEL, die woonplaats kiest bij advocaat K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A tegen : de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ilona VAN HAANDEL op 14 april 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 februari 2004 van de burgemeester van de stad ANTWERPEN waarbij zij gestraft wordt met de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege vanaf 18 juli 2001; Gelet op het arrest nr. 135.028 van 20 september 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 21 oktober 2004 door de verzoekende partij; Gezien de memorie van antwoord van de verwerende partij en de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2009; IX-4487-1/6 Gehoord het verslag van kamervoorzitter A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CLONEN die, loco advocaat K. CRAUWELS, verschijnt voor verzoekster, en van advocaat P. VAN DER STRATEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 135.028 van 20 september 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing werd verworpen. Volledigheidshalve dient daaraan toegevoegd te worden dat de burgemeester op 22 november 2004 de bestreden beslissing nog aangevuld heeft met een artikel 2bis waarin gesteld wordt dat de weddegedeelten die aan verzoekster uitbetaald werden voor de periode waarin zij preventief geschorst werd, niet teruggevorderd wordt. De rechtspleging 2. De memorie van antwoord is niet binnen de reglementair voorgeschreven termijn ingediend. Overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt zij uit de debatten geweerd. De grond van de zaak 3.1. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeels- leden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de redelijke termijn. IX-4487-2/6 Zij ontwikkelt het middel als volgt: overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet vervalt de tuchtvordering wanneer het inleidend verslag niet binnen de zes maanden na de kennisneming van de feiten aan het betrokken personeelslid betekend is; het tweede lid van artikel 56 nuanceert dat beginsel maar uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat het beginsel van de zorgvuldigheidsverplichting bij de feitenvinding toch centraal staat, zodat er alleen gebruik van gemaakt kan worden wanneer de tuchtvervolging betrekking heeft op feiten die de betrokkene ontkent of waarvan de juiste toedracht nog niet achterhaald is kunnen worden; in dit geval is er een “omstandig intern vooronderzoek” gebeurd -met de verklaringen van verzoekster en van VAN DEN BROECK- dat de tuchtoverheid toeliet om met kennis van zaken te oordelen of er een tuchtvordering ingesteld diende te worden en noch het strafonderzoek, noch het vonnis van de correctionele rechtbank kon dit vooronderzoek verduidelijken aangezien verzoekster de feiten nooit heeft betwist en zij ook nooit tegengesproken zijn door het slachtoffer. Bovendien heeft de tuchtoverheid bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening gehouden met de verzachtende omstandigheden die in het vonnis van de correctionele rechtbank naar voren werden geschoven, maar heeft zij enkel acht geslagen op het misbruik van het dienstwapen, hetgeen reeds van meet af aan overduidelijk was. Zeker nu het dossier na haar mutatie naar de lokale politie van Antwerpen op 1 januari 2002 aan een andere tuchtoverheid was overgemaakt, moest zij er niet langer van uitgaan dat de tuchtoverheid zou wachten op het einde van de gerechtelijke procedure. In ieder geval had de tuchtoverheid de verplichting om de gerechtelijke overheid “regelmatig (

  1. te)bevragen” naar stukken die het inleiden van de tuchtvordering mogelijk konden maken en in dat kader moet erop gewezen worden dat de procureur des Konings op 19 juni 2001 aan de federale politie medegedeeld heeft dat er voor inzage en kopie van het strafdossier alleen moest gewacht worden op het verhoor van het slachtoffer en de wedersamenstelling, maar het bestuur heeft in de daarop volgende tijdspanne geen enkel initiatief genomen om inzage van het dossier te krijgen om dan uiteindelijk op 20 december 2001 aan verzoekster mede te delen dat het resultaat van het gerechtelijk onderzoek afgewacht zou worden. De burgemeester van Antwerpen heeft op zijn beurt op 1 maart 2002 een brief aan de procureur des Konings gericht en uit zijn antwoord van 13 september 2003 en 3 oktober 2003 blijkt dat het onderzoek op 10 september 2002 afgesloten was zodat de tuchtoverheid op dat ogenblik inzage had kunnen krijgen van het dossier. Een en ander doet besluiten dat het inleidend verslag slechts IX-4487-3/6 op 1 september 2003 aan verzoekster betekend is maar dat de tuchtvordering toen reeds verjaard was. Minstens is de redelijke termijn overschreden, aangezien er bijna drie jaar verstreken zijn tussen de feiten en het opleggen van de tuchtstraf, terwijl artikel 56 van de tuchtwet het bestuur niet verplicht om met de tuchtvorde- ring te wachten, terwijl verzoekster reeds tijdens het administratief vooronderzoek -afgesloten in november 2001- de feiten had toegegeven en terwijl de zaak toch relatief eenvoudig was en verzoekster steeds loyaal aan de ondervragingen heeft meegewerkt, maar de verwerende partij na de kennisneming van de feiten op 11 januari 2002 geen enkel initiatief genomen heeft; 3.2. De algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in zijn arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 inzake DARVILLE aangenomen dat een wettelijke bepaling waarbij de tuchtoverheid de mogelijkheid wordt geboden om, ingeval van strafrechtelijke vervolgingen, de tuchtvordering uit te stellen totdat de gerechtelijke overheid haar ingelicht heeft over de uitkomst van de strafprocedure, niet verhindert dat de tuchtoverheid oog moet hebben voor het beginsel van de redelijke termijn, zodat zij de tuchtrechtelijke vervolging alleen mag uitstellen wanneer zij, rekening houdend met de onderzoeks- mogelijkheden waarover zij beschikt, geen beoordeling kan geven van de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd. Aangezien het betrokken personeelslid niet te lang in onzekerheid mag worden gelaten aangaande zijn lot en het bestuur het dossier van het personeelslid met bekwame spoed moet behandelen, rust op dat bestuur de verplichting om het administratief onderzoek zo grondig mogelijk te voeren, zodanig dat het er zich van kan vergewissen dat het in redelijkheid onmogelijk is om uitspraak te doen vóórdat de strafrechter een definitieve beslissing genomen heeft. 3.3. De Raad van State aligneert zich voor de onderhavige zaak op dat arrest van de algemene vergadering. Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet stelt een vervaltermijn in waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Krachtens artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet wordt die vervaltermijn verlengd wanneer de feiten het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek of van een strafvervol- ging, maar die bepaling verplicht het bestuur niet om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek beëindigd hebben. Omdat het bestuur ertoe verplicht is binnen een redelijke termijn klaarheid te brengen in de situatie van het betrokken personeelslid, moet de door artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet geboden mogelijkheid om het begin van de tuchtvordering uit te stellen dan IX-4487-4/6 ook opgevat worden als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik gemaakt mag worden wanneer het bestuur er niet in slaagt om zonder het straf- dossier in te zien of de uitslag van de strafrechtelijke procedure af te wachten een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal vastgesteld worden dat de tucht- vordering niet tijdig ingesteld is. 3.4. In dit geval blijkt uit het dossier dat, wat het relaas van de feiten betreft, het inleidend verslag van 28 augustus 2003 niet verschilt van de nota van 16 november 2001 opgemaakt door de vooronderzoeker. Daar was reeds uit gebleken dat verzoekster de feiten bekende en uit de verklaring van het slachtoffer bleek ook dat het incident een tragisch ongeval betrof te wijten aan volkomen ondoordacht en onbeheerst optreden van verzoekster. Noch het strafdossier, noch de gerechtelijke uitspraak blijken de tuchtoverheid voorts ten nutte geweest te zijn bij de redactie van het inleidend verslag. In de nota van 23 november 2001 van de directeur-generaal van de Algemene Directie Bestuurlijke Politie wordt ook niet verduidelijkt waarom de hogere tuchtoverheid van oordeel was dat zij, met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikte, nog geen tuchtvordering kon instellen maar integendeel wenste te wachten op het resultaat van het gerechtelijk dossier. De mogelijke overweging dat de directeur-generaal op dat ogenblik oog kan gehad hebben voor het feit dat het oorspronkelijk feitenrelaas melding maakte van bedreigingen vanwege verzoekster, kan die beslissing niet onderbouwen, aangezien op dat ogenblik toch reeds was bekend geraakt dat alle gegevens wezen in de richting van een ongeval. 3.5. Een en ander leidt de Raad van State thans tot de vaststelling dat de tuchtoverheid op grond van de door verzoekster tijdens het voorafgaand onderzoek afgelegde bekentenissen en de informatie die tijdens dat onderzoek werd ingewonnen, over voldoende inlichtingen beschikte om voor de feiten die haar op 15 juni 2001 ter kennis waren gebracht, de tuchtprocedure op te starten binnen de termijn bepaald in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet en dat de verwerende partij IX-4487-5/6 niet aantoont dat zij goede redenen had om de tuchtvordering uit te stellen wegens het ontbreken van gegevens die zij enkel na de afloop van de gerechtelijke procedure in het dossier kon betrekken. De verwerende partij beroept zich aldus ten onrechte op de toepassing van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 24 februari 2004 van de burgemeester van de stad ANTWERPEN waarbij Ilona VAN HAANDEL gestraft wordt met de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 oktober 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4487-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.017 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.028 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.