id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.018 Rolnummer: A. 156038/IX-4672 Zaak: Arrest 197018 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 19/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-22 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.018 van 19 oktober 2009 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.018 van 19 oktober 2009 in de zaak A. 156.038/IX-
- In zake : Wim PIETERAERENS, die woonplaats kiest te SINT-LIEVENS-HOUTEM, Steenbergstraat 41 tegen : het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten, dat woonplaats kiest bij advocaten K. LEUS en W. DEPESTER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wim PIETERAERENS op 28 september 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten van 9 juli 2003 om onmiddellijk een einde aan zijn stage te stellen en hem niet te benoemen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 oktober 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter A. VANDENDRIESSCHE; IX-4672-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. SWARTEBROECKX die, loco advocaat I. MARTENS, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat W. DEPESTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- De verzoeker, politiecommissaris in de politiezone Schaarbeek - Evere - Sint-Joost-ten-Node, stelt zich in 2002 kandidaat om als enquêteur aangesteld te worden bij de dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten (hierna ‘Vast Comité P’). Op 27 januari 2003 deelt de voorzitter van het Vast Comité P aan de verzoeker het volgende mee: “Ik heb het genoegen u te melden dat, in navolging van het voorstel op basis van artikel 19 van de wet van 18 juli 1991, geformuleerd door het Hoofd van Dienst Enquêtes, het Vast Comité P tijdens zijn plenaire vergadering van 27 januari 2003, beslist heeft u te benoemen in de hoedanigheid van enquêteur en u toe te laten tot een proefperiode van zes maanden die ingaat op het ogenblik dat uw detachering een aanvang neemt. [...]” 1.
- Met een brief van 9 juli 2003 deelt de directeur-generaal van de dienst Enquêtes van het Vast Comité P aan de verzoeker het volgende mee: “Onderwerp: Beëindiging stage
- Op 16 en 17 juni 2003 werd een vorming bestuurlijke politie ingericht ten behoeve van de leden van de dienst enquêtes. U lichtte mij ervan in dat ingevolge een operatie van uw echtgenote u hieraan niet kon deelnemen en verlof wenste te nemen, wat ook werd toegestaan.
- Uit het opleidingsdossier blijkt dat u op die dagen deelgenomen hebt aan een vorming ingericht door de federale politie tot het behalen van het rij- bewijs D.
- Uit ons gesprek van 9 juli 2003 onthoud ik dat u tijdens die twee dagen wel in staat was om uw familiale toestand te combineren met die van de vereiste aanwezigheid op de cursus rijbewijs maar blijkbaar niet met die van een aanwezigheid op de cursus bestuurlijke politie. Uit ons gesprek volgt IX-4672-2/12 eveneens dat dit wel had mogelijk geweest. U heeft terzake evenwel geen enkel initiatief genomen om toch op die cursus aanwezig te zijn, desge- vallend met mogelijke modaliteiten.
- Eveneens op 9 juli 2003 heb ik u gezegd dat ik het ongepast vond dat in uw bureau een Amerikaanse vlag was aangebracht. De reden waarom dit ongepast was ontging u echter volledig, daar waar deze nochtans voor de hand liggend is en volgt uit de elementaire principes inzake verhoor.
- Beide voorvallen, en in hoofdorde het eerste, maken dat u niet langer mijn vertrouwen geniet en ik u niet zal voorstellen ter benoeming.
- Zoals u op 9 juli 2003 mondeling medegedeeld, heeft in die optiek uw stage dan ook totaal geen verder nut meer en wordt ze beëindigd op 9 juli 2003 om 24 hr. Ik heb u hierbij gevraagd al het dienstmateriaal terug te bezorgen aan het secretariaat of aan mijzelf.” 1.
- Op dezelfde dag deelt de directeur-generaal van de dienst Enquêtes het volgende mee aan de voorzitter van het Vast Comité P: “Onderwerp: Beëindiging stage mr. PlETERAERENS
- Op 16 en 17 juni 2003 werd een vorming bestuurlijke politie ingericht ten behoeve van de leden van de dienst enquêtes.
- Mr. PIETERAERENS zei mij hieraan moeilijk te kunnen deelnemen omwille van een operatie van zijn echtgenote. Hij heeft dan ook voor die dagen (en de drie daaropvolgende) verlof genomen.
- Achteraf verneem ik dat betrokkene op 16 en 17 juni (en de rest van de week) een cursus rijbewijs categorie D heeft gevolgd, ingericht door de federale politie - speciale school.
- Uit een gesprek dat ik daaromtrent had met hem in de loop van ochtend van 9 juli 2003 bleek overduidelijk dat zijn verlof enkel nodig was om de kinderen van en naar school te brengen en dat dit combineerbaar was met de cursus rijbewijs D. Maar, dat was even combineerbaar geweest met het volgen van de cursus bestuurlijke politie. Betrokkene heeft geen enkel inspanning gedaan om een voor de dienst belangrijke vorming, als stagiair dan toch nog te trachten, eventueel mits modaliteiten die vorming te volgen, maar er de voorkeur aangegeven een andere - niet voor onze dienst belangrijke cursus - te volgen .
- Aansluitend moet ik ook vaststellen dat betrokkene in zijn bureau een grote Amerikaanse vlag heeft aangebracht. Ook daarop heb ik hem aangesproken met de vraag of hij zelf niet inziet dat dit niet kan. Het antwoord daarop bleef uit en hij zag niet in dat dit neerkomt op een gebrek aan elementaire kennis inzake verhoor aangezien een aantal van de door ons te verhoren mensen mogelijks op hun ongemak zijn in een dergelijk verhoorlokaal.
- Beide punten samen maken dat ik betrokkene niet zal voorstellen ter benoeming: betrokkene geniet niet meer mijn vertrouwen en voor dit soort dingen is er geen tweede kans.
- Betrokkene werd mondeling van mijn beslissing ingelicht wat maakt dat het verderzetten van de stage totaal overbodig is geworden en door mij beëindigd wordt op 9 juli om middernacht. Tevens heb ik op 9 juli omstreeks 10.15 Hr de Directeur CGL telefonisch ingelicht en werd een fax verstuurd aan CGL.” IX-4672-3/12 1.
- Nog dezelfde dag komt het Vast Comité P in plenaire zitting bijeen en beslist het volgende: “[...] La réunion débute à 15h
- À la suite de la réception du courrier du 9 juillet 2003, dont une copie est annexée au présent procès-verbal, du Directeur général du Service d'enquêtes, le Président réunit le Comité en séance plénière afin qu'une décision puisse être prise au sujet de la proposition formulée dans ledit courrier de mettre fin au stage de Monsieur Wim Pieteraerens lequel stage a pris cours le 1er avril 2003 pour une durée de six mois. Sont présents Messieurs le Président André Vandoren, Gil.L. Bourdoux et Walter Peeters. En présence du greffier, le Président appelle téléphoniquement Monsieur Guy Cumps et lui expose - le haut-parleur étant allumé - la situation. Après examen du dossier, le Comité décide d'adopter à quatre voix la proposition du Directeur général du Service d'enquêtes, Monsieur Rik Vandeputte étant excusé. Le Comité décide donc qu'il est mis fin au stage de Monsieur Wim Pieteraerens au sein du Service d'enquêtes à dater de ce jour à minuit. La réunion prend fin à 15h
- [...]” Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt niet aan de verzoeker betekend. Zij wordt per fax meegedeeld aan de korpschef van de politiezone waar de verzoeker tewerkgesteld was vóór zijn detachering en aan de directeur van de dienst CGL. 1.
- Op 5 september 2003 richt de verzoeker een schrijven aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers waarin hij zich beklaagt over de wijze waarop hij behandeld is en verzoekt hij hem de zaak te onderzoeken zodat vastgesteld kan worden dat tegen de verzoeker een onrechtvaardige maatregel is genomen en dat hij zijn functie opnieuw zal kunnen opnemen. 1.
- Op 19 september 2003 antwoordt de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers het volgende : “[...] Rekening houdende met het persoonlijke karakter van het dossier en gelet op het feit dat het Comité bevoegd is om autonoom beslissingen te nemen IX-4672-4/12 aangaande zijn personeel, zal ik informatie inwinnen aangaande de gevolgde procedure. Daarnaast moge ik u wijzen op het feit dat tot nu toe bij de Vaste Comités gedetacheerde leden van de diensten Enquêtes statutair gezien deel blijven uitmaken van de dienst van waaruit zij gedetacheerd werden. [...]” In een andere brief van dezelfde datum deelt de Kamervoorzitter aan de verzoeker onder meer het volgende mee: “Het zou misschien nuttig zijn om een afschrift te vragen aan de voorzitter van het comité P van de beslissing die in plenaire vergadering genomen werd aangaande de beëindiging van uw stage.” 1.
- De verzoeker geeft gevolg aan deze suggestie en richt op 7 oktober 2003 een brief aan de voorzitter van het Vast Comité P waarin hij om een afschrift vraagt van de beslissing die het Vast Comité P in plenaire zitting genomen heeft. De verzoeker wijst er in die brief op dat het de benoemende overheid is die ontslag verleent en dat, bij gebrek aan document waarin het ontslag wordt meegedeeld “hij in se nog niet ontslagen is”. De verzoeker zet tevens nogmaals uiteen waarom hij zich niet kan neerleggen bij de bestreden beslissing. Met een brief van 19 oktober 2003 deelt de verzoeker aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers onder meer mee dat hij nog geen afschrift van de bestreden beslissing ontvangen heeft. 1.
- Met een brief van 3 november 2003 richt de verzoeker zich ook tot Cl. M., volksvertegenwoordiger en tevens lid van de begeleidingscommissie van het Vast Comité P, met een verzoek tot onderzoek in de hoop op een mogelijke rehabilitatie. 1.
- Met een brief van 25 november 2003 deelt de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de verzoeker het antwoord mee dat hij van de voorzitter van het Vast Comité P mocht ontvangen. In de brief van de voorzitter van het Vast Comité P wordt het volgende gesteld: IX-4672-5/12 “Naar aanleiding van uw schrijven van 29 september 2003 met betrekking tot het beëindigen van de stage van de heer PIETERAERENS kunnen wij U de volgende informatie verstrekken:
- Op 1 april 2003 werd de heer Pieteraerens toegelaten tot de stage bij de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P.
- Op 9 juli werd de voorzitter, in de voormiddag, schriftelijk in kennis gesteld door de Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P van het feit dat hij een einde had gesteld aan de stage van de heer Pieteraerens met onmiddellijke ingang om de volgende redenen: Op 16 en 17 juni 2003 werd een vorming bestuurlijke politie ingericht bij de Dienst Enquêtes ten behoeve van de leden van deze dienst. De heer Pieteraerens vroeg aan de Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes niet te moeten deelnemen aan deze vorming. Hij wenste verlof te bekomen ingevolge een heelkundige ingreep die zijn echtgenote diende te ondergaan. De Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes vernam dat de heer Pieteraerens tijdens die dagen een opleiding was gaan volgen bij de federale politie tot het behalen van een rijbewijs D en dat hij bijgevolg wel had kunnen deelnemen aan de opleiding bestuurlijke politie! Op 9 juli had de Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes een gesprek met de heer Pieteraerens waaruit bleek dat deze laatste wel aanwezig had kunnen zijn op de opleiding georganiseerd door de Dienst Enquêtes en dat de heer Pieteraerens de opleiding tot het bekomen van het rijbewijs D opzettelijk verzwegen had. Daarnaast werd hem door de Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes ook nog een opmerking gemaakt met betrekking tot het ongepast aanbrengen van een Amerikaanse vlag in zijn bureau en dit ingevolge de tijdsgebonden omstandigheden (oorlog in Irak). De Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes deelde hem mee dat hij omwille van deze feiten en in hoofdorde omwille van het eerste voorval geen vertrouwen meer kon hebben in de heer Pieteraerens en dat hij onmiddellijk een einde stelde aan zijn stage en dat hij hem niet zou voorstellen om benoemd te worden.
- Gezien het schriftelijk verslag van de Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes heeft de voorzitter diezelfde dag een vergadering van het Vast Comité P samengeroepen en om 15.30 uur werd door de griffier van onze instelling een proces-verbaal opgesteld waarin werd opgenomen dat het Vast Comité P kennis genomen had van de beslissing van de Directeur-generaal en deze goedkeurde.
- Dezelfde dag werd door de Directeur-generaal van de Dienst Enquêtes een brief gericht aan de heer Pieteraerens waarbij hij hem officieel in kennis stelde van hun gesprek en van zijn beslissing. Tevens werd de hiërarchie waarvan de heer Pieteraerens afhing ingelicht.
- Op 1 augustus 2003 richtte de heer griffier van het Vast Comité P een brief aan de heer Pieteraerens om van hem de terugbetaling te vorderen van een bedrag met betrekking tot de maaltijdcheques. In deze brief wordt klaar en duidelijk gerefereerd naar de beëindiging van zijn stage-detachering. IX-4672-6/12
- Het is maar op 10 oktober 2003 dat wij een schrijven ontvangen van de heer Pieteraerens waarbij hij ons meedeelt dat hij zich niet kan neerleggen bij de beslissing van het Vast Comité P. Besluit Wij denken te mogen stellen dat de beëindiging van de stage van de heer Pieteraerens volledig volgens de regulerende regels plaats gevonden heeft en wij kunnen ook stellen dat het Vast Comité P in geen geval bereid is de heer Pieteraerens terug in dienst te nemen. Wij blijven te uwer beschikking indien U in dit dossier bijkomende informatie wenst te bekomen.” Er liggen geen bewijzen voor dat de bestreden beslissing zelf aan de verzoeker werd meegedeeld. De rechtspleging 2.
- De verwerende partij heeft met een brief van 5 oktober 2009 aan de Raad van State een “toelichtende nota” bezorgd, waarin zij het verweer, ontwikkeld in de memorie van antwoord en de laatste memorie, inhoudelijk aanvult. De verzoeker verzet zich tegen het in aanmerking nemen van deze memorie. 2.
- Met deze toelichtende memorie, een stuk dat niet in het procedurereglement voorzien is, wordt geen rekening gehouden. Inzonderheid in dit geval niet omdat zij er in wezen toe strekt het verweer van de verwerende partij tegen het ambtshalve opgeworpen middel, volledig te herschrijven, waardoor de verzoekende partij en de auditeur-verslaggever de mogelijkheid ontnomen wordt om op de geëigende wijze hun standpunt daaromtrent te bepalen. Het veranderen van raadsman kan geen reden zijn om een niet in het procedurereglement voorziene memorie in overweging te nemen. De ontvankelijkheid van het beroep 3.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvanklijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij betoogt dat de verzoeker reeds bij brief van 9 juli 2003 in kennis werd gesteld van de beëindiging van zijn stage. 3.
- De verzoeker repliceert dat hij op 9 juli 2003 enkel kennis gekregen heeft van de beslissing van de directeur-generaal van de dienst Enquêtes, IX-4672-7/12 die slechts een voorstel inhield om zijn stage te beëindigen en dat hij pas met de ontvangst van de brief van 19 november 2003 van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers op de hoogte gebracht is van de bestreden beslissing. Hij voegt daaraan toe dat de beslissing zelf, hoewel zij zijn rechtstoestand wijzigde, hem nooit ter kennis gebracht werd met de mededeling dat hij de mogelijkheid had er een annulatieberoep tegen in te stellen. 3.
- De beslissing om de stage van een personeelslid te beëindigen betreft zijn administratief statuut, dat door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten uiterst summier is geregeld. Met name bepaalde artikel 20 van deze wet, zoals die van toepassing was ten tijde van de bestreden beslissing, wat volgt: “De leden van de Dienst Enquêtes P worden, op voordracht van de directeur- generaal van de Dienst Enquêtes P, benoemd en afgezet door het Vast Comité P. Ten minste de helft van de leden worden, voor een vernieuwbare termijn van vijf jaar, gedetacheerd uit een politiedienst of uit een bestuur waarin zij ten minste vijf jaar ervaring hebben opgedaan in ambten die verband houden met de activiteiten van de politiediensten. De leden van de Dienst Enquêtes P leggen dezelfde eed af als de directeur- generaal van de Dienst. Zij behouden in de dienst of het bestuur waaruit zij gedetacheerd zijn hun rechten op bevordering en op weddeverhoging. Om benoemd te kunnen worden, moeten zij beschikken over de nodige kwaliteiten van loyaliteit, discretie en integriteit voor de verwerking van gevoelige gegevens of houder zijn van een veiligheidsmachtiging van het niveau ‘zeer geheim’, krachtens de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen. Minstens vier leden van de Dienst Enquêtes moeten over deze veiligheidsmachtiging beschikken. De aanstelling, naar gelang het geval, in de graad van hoofdcommissaris van politie of van commissaris van politie wordt van rechtswege toegekend aan de commissaris van politie of aan de hoofdinspecteur van politie die door het Vast Comité P is benoemd met toepassing van het eerste lid vanaf het ogenblik van zijn eedaflegging en ten vroegste op 1 april
- De aanstelling blijft geldig zolang het betrokken personeelslid lid blijft van de Dienst Enquêtes. Het lid van de Dienst Enquêtes dat is aangesteld met toepassing van deze wet geniet geen enkele weddetoeslag gebonden aan deze aanstelling.” Afgaand op het door de wetgever geschapen kader, waarbij het Vast Comité P bevoegd wordt gemaakt om de leden van de dienst te benoemen en af te zetten, en bij gebrek aan een specifieke reglementering ter zake, wordt aangenomen dat het Vast Comité P bevoegd is om de belangrijke beslissingen te nemen inzake de administratieve loopbaan van de personeelsleden. Onmiskenbaar IX-4672-8/12 heeft de beëindiging van een stage dergelijk karakter. Terecht stelt de verzoeker dan ook dat de beslissing van 9 juli 2003 van de directeur-generaal om zijn stage te beëindigen niet de eindbeslissing is waartegen hij een annulatieberoep moest indienen, maar dat het slechts gaat om een voorstel aan het bevoegd orgaan, het Vast Comité P. De verwerende partij bewijst niet dat zij de verzoeker kennis gegeven heeft van de beslissing die het Vast Comité P op 9 juli 2003 genomen heeft en dat zij daarbij de formaliteiten in acht genomen heeft die bepalend zijn voor de aanvang van de termijn voor het indienen van een annulatieberoep. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde 4.
- In zijn verslag werpt de auditeur-verslaggever ambtshalve een middel op, afgeleid uit het ontbreken van een rechtsgrond voor de bestreden beslissing. Hij wijst er op dat de verwerende partij voor de aanstelling van de verzoeker een proefperiode van zes maanden heeft ingelast alvorens tot diens definitieve aanstelling over te gaan terwijl artikel 20 van de wet van 18 juli 1991, noch enige andere bepaling van die wet, in de mogelijkheid voorziet om een dergelijke proefperiode in te lassen alvorens tot een definitieve aanstelling over te gaan. De verwerende partij heeft aldus een voorwaarde aan de wet toegevoegd. De auditeur-verslaggever besluit dat nu de aanstelling van de verzoeker onwettig is in de mate dat aan die aanstelling een proefperiode van zes maanden gekoppeld wordt, ook de bestreden beslissing, die een einde stelt aan de proefperiode, onwettig is. 4.
- De bestreden beslissing heeft betrekking op de beëindiging van de stage van de verzoeker als lid van de dienst Enquêtes P. Artikel 20 van de wet van 18 juli 1991, hiervoor geciteerd, regelt het administratief statuut van de leden van de dienst. Er wordt bepaald wie de leden benoemt en afzet, de duur van het mandaat wordt bepaald en de situatie van de leden die vanuit de politiediensten gedetacheerd worden, wordt nader gepreciseerd. Dit algemeen wettelijk kader verleent aan het betrokken bestuur een zeer ruime discretionaire bevoegdheid om het statuut van de betrokkenen nader in te vullen, IX-4672-9/12 met dien verstande dat de enkel het Vast Comité P beslissingsbevoegdheid heeft. De wet verbiedt derhalve niet dat het bestuur een daadwerkelijke aanstelling van de leden laat voorafgaan door een stageperiode en zich dienovereenkomstig de mogelijkheid voorbehoudt om een kandidaat die niet voldoet uit te sluiten van de definitieve aanstelling. De verzoeker is bij beslissing van 27 januari 2003 door het Vast Comité P benoemd in de hoedanigheid van enquêteur en toegelaten tot een proefperiode van zes maanden vanaf zijn detachering uit zijn oorspronkelijke politiedienst. Hij heeft die aanstelling op proef als zodanig niet betwist; zij lag overigens in de lijn van de bekendmaking van de vacature waarop hij ingegaan is en waarin de kandidaten was medegedeeld dat zij onderworpen konden worden “aan een stageperiode van zes maanden waarna, bij positieve beoordeling door het Hoofd van de Dienst Enquêtes, het Vast Comité P tot benoeming kan overgaan”. De verzoeker toont niet aan dat de beslissing van de verwerende partij om hem een proeftijd te laten doorlopen onregelmatig is. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat, binnen het aangehaald reglementair kader, het Vast Comité P niet bevoegd was om hem, als aangesteld op proef, uit de dienst te verwijderen. Het ambtshalve opgeworpen middel kan niet worden aangenomen. 5.
- In een eerste middel stelt de verzoeker dat de bestreden beslissing een verdoken tuchtmaatregel uitmaakt, aangezien hij “afgezet [werd] wegens bepaalde feiten en niet omwille van slecht presteren”, en dat zijn rechten van verdediging geschonden zijn. Hij betoogt dat uit niets blijkt dat hij slecht presteerde en dat hij nooit negatieve bemerkingen gekregen heeft, zodat zijn afzetting niets te maken heeft met zijn presteren, maar alles met een sanctionering. Het gaat om een verdoken tuchtstraf die opgelegd is met miskenning van zijn rechten van verdediging en zonder dat het geëigend orgaan zich heeft kunnen uitspreken over het bewijs van de feiten en de evenredigheid van de opgelegde straf. 5.
- De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing geen disciplinair karakter heeft, maar een ordemaatregel betreft die steunt op de gedraging van de verzoeker. De verzoeker heeft ruim de gelegenheid gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen en hij verheelt niet dat hij zijn hiërarchische meerdere om de tuin geleid heeft. IX-4672-10/12 5.
- In zijn memorie van wederantwoord gaat de verzoeker nader in op de beperkte mogelijkheden van tegenspraak die hij gekregen heeft. 5.
- Het middel roept de vraag op naar het tuchtrechtelijk karakter van de bestreden beslissing en, in bevestigend geval, of daarvoor de geëigende procedure gevolgd is, inzonderheid of de verzoeker de mogelijkheid gekregen heeft om zich op de gepaste wijze te verdedigen. Met een tuchtmaatregel beoogt het bestuur een ambtenaar te bestraffen voor onaangepast gedrag, terwijl een ordemaatregel ertoe strekt de goede werking van de dienst te verzekeren zonder de bedoeling om de ambtenaar te straffen. Het enkele feit dat het bestuur aan een bepaalde gedraging van een ambtenaar een administratieve maatregel koppelt bevat het bewijs niet van de bedoeling om te straffen. Van dat oogmerk wordt niet gewaagd in de bestreden beslissing, noch in het voorstel van de directeur-generaal. Het kan ook niet afgeleid worden uit gegevens van het dossier waarop de verzoeker de aandacht vestigt. Op grond van de gegevens aangereikt door de verzoeker kan de Raad van State niet besluiten dat de verwerende partij hem op een verdoken wijze een tuchtmaatregel opgelegd heeft. De subsidiaire vraag naar de miskenning van de rechten van de verdediging in het kader van een opgelegde tuchtstraf is dan ook niet aan de orde. Het middel is niet gegrond.
- Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van het ambtshalve opgeworpen middel en het eerste middel. Er is reden om het onderzoek van de zaak voort te zetten. IX-4672-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 oktober 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4672-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.018 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.325 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.