← België

Arrest 197049 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.049 Rolnummer: A. 80732/X-8494 Zaak: Arrest 197049 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.049 van 20 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.049 van 20 oktober 2009 in de zaak A. 80.732/X-8494. In zake : Marcel PISCADOR, wonende te 9000 GENT, Gustaaf Vander Meerschestraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. tussenkomende partij : de c.v. VOLKSHAARD, die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie H. GEINGER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Quatre Brasstraat 6. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel PISCADOR op 16 oktober 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 augustus 1998 van de gemachtigde ambtenaar waarbij aan de c.v. VOLKSHAARD de vergunning wordt verleend voor het slopen van twee rijwoningen en het oprichten van een meergezinswoning met 15 appartementen en een eengezinswoning gelegen te Gent, Stropkaai, kadastraal bekend sectie H, nr. 294/l en f/3; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 31 maart 1999 ingediend door de c.v. VOLKSHAARD; Gelet op de beschikking van 28 april 1999 die de tussenkomst van de c.v. VOLKSHAARD toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-8.494-1/12 Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 5 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 mei 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LACHAERT, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat E. DE VYLDER, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. SONCK, die loco advocaat H. GEINGER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Met een ter post aangetekende brief van 19 augustus 1999 dient de verzoeker een bijkomende memorie van wederantwoord in. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling X-8.494-2/12 bestuursrechtspraak van de Raad van State voorziet niet in de mogelijkheid tot het indienen van een dergelijk stuk. Het wordt om deze reden uit de debatten geweerd. 2. De feiten 2.1. Op 29 september 1988 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent aan de n.v. UCO een verkavelingsvergunning met betrekking tot een grond gelegen tussen de Stropkaai en de Sint-Juliaanstraat, kadastraal bekend sectie H, nrs. 293/o/3, 293/p/3, 294/k en 300/g/2. De stedenbouwkundige voorschriften luiden onder meer: “ (...) Art. 2. BEBOUWING HOOFDGEBOUWEN Deze zullen ingeplant worden op de bouwlijn, binnen de gearceerde zones volgens afbeelding op het bijgevoegd verkavelingsplan. De straatgevels zullen een maximale breedte van 8 m hebben, met uitzondering voor de loten 40, 41 & 42. Het maximaal hoogteverschil tussen de onderste trede van de ingangsdeur en de bovenkant van de kroonlijst bedraagt 5,70 m met uitzondering voor de loten 1, 37, 38, 39, 40, 41 en 42, waarvoor deze maat gebracht wordt op 8,60 m. De kroonlijsthoogten en nokhoogten moeten per nieuw op te richten huizengroep gelijk zijn. (...)”. 2.2. Bij besluit van 31 maart 1992 wordt een wijziging van de verkavelingsvergunning toegestaan aan de n.v. IMUCO voor de loten 22, 23, 24, 25, 40, 41 en 42, kadastraal bekend sectie H, nr. 294/k en deel nrs. 293/p/3 en 300/g/2. Onder meer wordt artikel 2 als volgt gewijzigd: “Art.2. BEBOUWING HOOFDGEBOUWEN Deze zullen ingeplant worden op de bouwlijn, binnen de gearceerde zones volgens afbeelding op het bijgevoegd verkavelingsplan. De loten 40, 41 en 42 mogen desgevallend samengevoegd worden tot één bouwperceel voor het oprichten van een gemeenschapshuis onder hetzelfde gabarit als voorgesteld voor de woningen afzonderlijk. Het maximaal hoogteverschil tussen de onderste trede van de ingangsdeur en de bovenkant van de kroonlijst bedraagt 5,70 m met uitzondering voor de loten 1, 37, 38, 39. Wat betreft de loten 40, 41, 42, 43, 23-deel en 24-deel is de kroonlijsthoogte 8,60 m voor het op te richten bouwvolume langs de Stropkaai. De achtergelegen bouwvolumes hebben een kroonlijsthoogte van 5,70 m. De kroonlijsthoogten en nokhoogten moeten per nieuw op te richten groep huizen gelijk zijn (...)”. X-8.494-3/12 2.3. Op 10 april 1997 ontvangt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent, van de tussenkomende partij, een nieuwe aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning. Deze aanvraag heeft betrekking op de samengevoegde loten 40, 41, 42 en een deel van de loten 23 en 24. De aanvraag beoogt de verkavelingsvergunning op drie punten te wijzigen, met name: “1) Een bouwvolume met bouwdiepte max. 13.20 en hoogte 4 bouwlagen voorzien van een plat dak waarvan de 4de bouwlaag slechts gedeeltelijk is bebouwd en harmonisch aansluit aan de naastliggende gebouwen. 2) Een achterliggende zone (13.2 m vanaf de rooilijn kant Stropkaai), wordt voorzien voor bijgebouwen met max. hoogte 3 m. afmetingen van deze zone zie plan. De inplanting binnen deze zone is vrij. 3) De gevels worden uitgevoerd in paramentmetselwerk met natuurlijke kleuren en bepleistering. Buiten deze wijziging blijven de stedenbouwkundige voorschriften van de verkaveling geldig”. 2.4. Op 7 mei 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de wijziging van de verkavelingsvergunning om de reden dat meer dan één vierde van de eigenaars van een lot binnen de verkaveling zich tegen de voorgenomen wijziging hebben verzet. 2.5. Op 19 januari 1998 dient de tussenkomende partij overeenkomstig het toen van kracht zijnde artikel 46 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een vergunningsaanvraag in voor “het slopen van 2 aanpalende woningen” en “het opbouwen van nieuwbouw 15 aanleunflats en 1 rijwoning” op het perceel gelegen te Gent, Stropkaai 47/50 - G. Vanden Meerschestraat, kadastraal bekend sectie H, nrs. 294/l en 294/f/3. 2.6. Het perceel is volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan, doch wel binnen de omschrijving van de hoger vermelde verkaveling van 29 september 1988, zoals gewijzigd op 31 maart 1992. Het perceel omvat de loten 40, 41, 42, 24 (deel) en 23 (deel) van deze verkaveling. De verzoeker is eigenaar van lot 25 van de verkaveling en het perceel van de tussenkomende partij paalt aan de tuin van de verzoeker. X-8.494-4/12 2.7. Op 5 maart 1998 brengt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent een gunstig advies uit waaraan enkele bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Het advies wordt als volgt gemotiveerd: “(...) Het college van burgemeester en schepenen stelt vast dat het ingediend ontwerp afwijkt van de bepalingen van de verkavelingsvergunning op volgende punten: Belangrijke delen van de dakverdieping, respectievelijk 14,45 m, 12,35 m en 9,60 m breed (af te werken met hellend dak) worden als volwaardige 3e verdieping ingericht door zogenaamde dakhelling in het vlak van de gevel afgewerkt met plat dak. Deze afwijking wordt GUNSTIG geadviseerd om volgende redenen: De stedenbouwkundige aanleg van de verkaveling wordt niet in het gedrang gebracht en de rechten van de aanpalenden worden niet geschaad. (...)”. 2.8. Op 27 augustus 1998 verleent de gemachtigde ambtenaar, onder meer gelet op bovenvermeld advies van het college van burgemeester en schepenen, aan de tussenkomende partij de bestreden vergunning voor “het slopen van 2 rijwoningen en het oprichten van een meergezinswoning met 15 appartementen en een eengezinswoning”. 3. Ontvankelijkheid 3.1. Omtrent zijn belang zet de verzoeker in zijn verzoekschrift uiteen “eigenaar (te zijn) in dezelfde verkaveling van het lot nr. 25” en tevens “de onmiddellijke buur (te zijn) van het voorgenomen project”. 3.2. De verwerende partij betwist bij wege van exceptie het belang van de verzoeker. Zij stelt ter zake dat de eigendom van de verzoeker weliswaar paalt aan het perceel van de tussenkomende partij waardoor in hoofde van de verzoeker een vermoeden van belang wordt gecreëerd, maar dat de verzoeker echter niet over een nadeel beschikt, vermits de gebouwen “een eind uit elkaar gelegen zijn” en het “slechts de tuinen (zijn) die aan elkaar palen”. “Het gebouw waarvoor een vergunning verleend werd, ligt niet onmiddellijk in het gezichtsveld van de verzoeker”, waardoor deze laatste volgens de verwerende partij niet doet blijken van het wettelijk vereiste belang. 3.3. Als antwoord op deze exceptie stelt de verzoeker dat “het vermoeden van het bestaan van een persoonlijk belang speelt in het voordeel van concluant” en dat het “dan ook aan (de verwerende partij) (

  1. is)(...) dit vermoeden te X-8.494-5/12 ontkrachten”. De verzoeker verwijst naar de door hem voorgelegde fotoreeks waaruit moet blijken dat “het op te richten perceel uitermate dicht op het perceel van concluant zal aansluiten” en dat hij bijgevolg “wel degelijk doet blijken van het wettelijk vereist belang”. 3.4. De tussenkomende partij stelt aangaande het belang “zich met betrekking tot de door (de verwerende partij) opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid naar de wijsheid van (
  2. de)Raad (te gedragen)”. 3.5. De verzoekende partij die op een deugdelijke wijze aantoont dat zij de eigenaar is van een pand of een perceel dat paalt aan datgene waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is verleend, doet in beginsel daardoor alleen al blijken van het wettelijk vereiste belang bij de vernietiging van de stedenbouwkundige vergunning voor die constructie. In casu wordt niet betwist dat de verzoeker eigenaar is van lot 25 van de verkaveling en de tuin van de verzoeker onmiddellijk paalt aan het perceel van de tussenkomende partij. Rekening houdend met de omvang van de beoogde werken en de nabijheid van het perceel van de verzoeker kan ten deze niet ernstig worden betwist dat de verzoeker blijk geeft van het wettelijk vereiste belang bij de vernietiging van de bouwvergunning. De exceptie kan niet worden aangenomen. 4. Ten gronde 4.1. Eerste middel Standpunten van de partijen 4.1.1. In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 55 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). Meer bepaald betwist de verzoeker dat in casu toepassing kon worden gemaakt van de mogelijkheid tot afwijking van de verkavelingsvoorschriften voorzien in artikel 49 van het gecoördineerde decreet. Volgens de verzoeker diende daarentegen artikel 55, § 2 van het gecoördineerde decreet te worden toegepast. X-8.494-6/12 De verzoeker stelt dat de bestreden vergunning niet kon worden verleend, vermits “vooreerst een wijziging van de verkavelingsvoorwaarden diende aangevraagd en toegestaan” en dat “pas nadien de bouwvergunning kon worden verleend”. Uit de door de verwerende partij eerst gevoerde procedure overeenkomstig artikel 55 van het gecoördineerde decreet, moet volgens de verzoeker blijken dat de verwerende partij “zelf initieel van oordeel was dat een wijziging van de verkavelingsvoorwaarden diende aangevraagd en vergund” te worden. De verzoeker stelt dat een aanvraag tot het wijzigen van het uiterlijk van een gebouw slechts als afwijking aanzien kan worden als niet tevens de dakhelling zodanig veranderd wordt dat men een plat dakverdiep voorziet waar het stedenbouwkundig voorschrift van de verkaveling hellende daken wenst. Volgens de verzoeker is het in casu zo dat “het dak boven de derde verdieping (...) van een hellend dak naar een plat dak (wordt) omgeturnd”. Verder stelt de verzoeker nog dat “niet alleen wegens de vormgeving van de derde verdieping (...) de beslissing (...) door een procedure houdende de wijziging van de verkavelingsvoorwaarden (dient) te worden voorafgegaan, doch ook wegens de aanwending van de derde verdieping”, vermits deze “niet langer als een dakverdieping, doch als een volwaardige derde verdieping met woongelegenheid (wordt) aangewend”. 4.1.2. De verwerende partij repliceert dat de verzoeker voorbijgaat aan “het feit dat de bouwaanvraag slechts een beperktere afwijking van de verleende verkavelingsvergunning betrof, dan de (...) gevraagde, maar geweigerde, verkavelingswijziging” die “op meerdere punten dan de veranderingen aan het dak” betrekking had. Volgens de verwerende partij moet worden besloten dat de verzoeker deze verandering in de plannen niet betwist, “aangezien (hij) in zijn verzoekschrift niet meer dezelfde bezwaren inroept die hij tegen deze wijziging tot verkaveling inriep”. Verder stelt de verwerende partij nog dat “de bouwaanvraag die (de tussenkomende partij) indiende (...) slechts af(week) van de verleende verkavelingsvergunning op één bepaald punt, met name doordat delen van de dakverdieping als volwaardige derde verdieping werden ingericht door een dakhelling in het vlak van de gevel af te werken met een plat dak. De andere delen van het dak zouden worden afgewerkt met een hellend dak. Deze afwijking van de verkavelingsvergunning heeft duidelijk betrekking op de afmeting, plaatsing en uiterlijk van het bouwwerk, zodat zij onder de limitatief opgesomde gevallen van art. 49 (van het gecoördineerde decreet) kan worden gerekend”. Tot slot stelt de X-8.494-7/12 verwerende partij dat “door het creëren van 15 aanleunflats en 1 eengezinswoning op de loten 40, 41, 42 en delen van 23 en 24, (...) geen inbreuk (wordt) gemaakt op deze bestemming”, vermits de stedenbouwkundige voorschriften nergens bepalen “dat het dakverdiep niet als volwaardige woongelegenheid zou mogen worden aangewend”. 4.1.3. In zijn memorie van wederantwoord verwijst de verzoeker uitvoerig naar de verkavelingsvoorschriften en naar briefwisseling waaruit moet blijken dat “het gebouw in ontwerp voorzien wordt van een plat dak”, terwijl “de verkavelingsvoorschriften (...) een hellende dakvorm (bepalen)” en terwijl “platformdaken (...) niet (worden) toegelaten”. Verder dupliceert de verzoeker dat de gemachtigde ambtenaar er ten onrechte vanuit ging “dat de wijziging van een hellend dak (zadeldak) naar een plat dak een door het artikel 49 (...) toegestane afwijking van de voorschriften van een goedgekeurde verkavelingsvergunning betreft”. De verzoeker stelt “dat het in casu een essentiële/structurele afwijking betreft die bijgevolg niet onder de toepassing van artikel 49 (...) ressorteert”. Dit moet bovendien blijken “uit het feit dat er door deze afwijking een volwaardige derde verdieping met woongelegenheid, waar dit voordien een dakverdieping was en dus zonder woongelegenheid, gecreëerd wordt”, zodat “niet alleen de vorm maar ook de bestemming van de derde verdieping wordt gewijzigd”, wat niet onder het toepassingsgebied van artikel 49 van het gecoördineerde decreet zou vallen. Tot slot betwist de verzoeker “met de meeste klem” dat de bestreden bouwvergunning “een beperktere afwijking van de verleende verkavelingsvergunning betrof dan de afwijking voorzien in de eerder ingediende aanvraag tot wijziging van de verkaveling” en stelt hij dat zijn bezwaren “steeds dezelfde zijn geweest en de huidige (...) gevoerde procedure (ten volle) bewijst (...) dat (hij) nooit zijn instemming met de verandering in de plannen betuigd heeft”. 4.1.4. In haar memorie zet de tussenkomende partij uiteen dat “het college van burgemeester en schepenen een gemotiveerd gunstig advies betreffende de afwijking” heeft gegeven en dat dientengevolge “alleen de vraag (rijst) of voormelde afwijking al dan niet valt onder ‘de afmetingen, de plaatsing en het uiterlijk van het bouwwerk’ in de zin van art. 49 van het decreet”. De tussenkomende partij stelt dat “de verkavelingsvergunning (...) geenszins (verbiedt) dat in de hellende daken zogenaamde kapellen, eventueel voorzien van een plat dak zoals te dezen, worden ingewerkt”, dat “dergelijke dakkapellen (...) kennelijk (moeten) worden beschouwd als afwijkingen van de voorschriften van de X-8.494-8/12 verkavelingsvergunning in de zin van art. 49 van het decreet” en dat de kapellen “qua omvang niet tot gevolg hebben dat dit dak geen hellend dak maar een ‘platformdak’ is”. Voorts stelt de tussenkomende partij, verwijzend naar de bestemmingsvoorschriften, dat de verzoeker “geenszins (aanvoert noch aantoont) dat het ontwerp van 15 aanleunflats voor mindervaliden en één woning voor begeleid wonen onverenigbaar zou zijn met deze bestemmingsvoorschriften” en dat “de verkavelingsvergunning m.b.t. de hoofdgebouwen nergens enige beperking of voorschrift bevat aangaande het aantal bouwlagen”, zodat “de inrichting van de dakverdieping als woongelegenheid (...) geenszins strijdig (
  3. is)met de bestemmingsvoorschriften”. Beoordeling 4.1.5. Volgens de verzoeker vallen de gevraagde afwijkingen niet onder de toepassing van artikel 49 van het gecoördineerde decreet, zodat toepassing had dienen gemaakt te worden van de bepalingen tot wijziging van de verkavelingsvergunning opgenomen in artikel 55, § 2 van dat decreet. Artikel 49 van het gecoördineerde decreet bepaalt: “Op met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft”. Op grond van deze bepaling is de bevoegdheid van de overheid om afwijkingen van een verkavelingsvergunning toe te staan aan een dubbele restrictie onderworpen, met name dat de afwijkingen enkel betrekking mogen hebben op de perceelsafmetingen, alsmede op de afmetingen, de plaatsing en het uiterlijk van de gebouwen, en dus niet op de bestemming, en dat geen afwijkingen mogen worden toegestaan die afbreuk doen aan de essentiële gegevens van de verkavelingsvergunning, dit wil zeggen, die niet geacht kunnen worden in overeenstemming te zijn met de algemene strekking van de verkavelingsvergunning. In casu wordt met toepassing van deze bepaling een afwijking verleend om de dakverdieping in te richten als een nagenoeg volwaardige derde verdieping door een zogenaamde dakhelling in de gevelvlakken te voorzien, af te werken met een plat dak. X-8.494-9/12 4.1.6. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoeker aan dat “wegens de aanwending van de derde verdieping (...) als een volwaardige derde verdieping met woongelegenheid (...) een voorafgaandelijke wijziging van de verkavelingsvoorwaarden (vereist is)”, vermits “de bestemming van de derde verdieping wordt gewijzigd”. Met de verwerende partij en de tussenkomende partij dient te worden vastgesteld dat de verkavelingsvoorschriften als bestemming voor de loten 40, 41 en 42 enkel voorzien dat deze loten mogen “samengevoegd worden tot één bouwperceel voor het oprichten van een gemeenschapshuis onder hetzelfde gabarit als voorgesteld voor de woningen afzonderlijk” en dat de verkavelingsvoorschriften met betrekking tot de hoofdgebouwen nergens enige beperking of enig voorschrift bevatten aangaande het aantal woonlagen. Er dient bijgevolg te worden vastgesteld dat wat dit betreft niet wordt afgeweken van de verkavelingsvoorschriften. 4.1.7. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoeker aan dat “het dak boven de derde verdieping (...) van een hellend dak naar een plat dak (wordt) omgeturnd”. Wat betreft de vormgeving van het dak van het hoofdgebouw stelt de verkavelingsvergunning: “De dakhellingen zullen begrepen zijn tussen 40/ en 55/, deze zullen liefst bedekt worden met traditionele pannen. Platformdaken worden niet toegelaten”. Uit deze bepaling blijkt dat hellende daken als een essentieel gegeven van de betrokken verkavelingsvergunning dienen te worden beschouwd, vermits platformdaken uitdrukkelijk niet worden toegelaten. Uit de plannen gevoegd bij de aanvraag blijkt dat het dak van het beoogde gebouw, ook al is het voorzien van een aantal uitsprongen met een plat dak in het hellend dak, nog wel degelijk als een hellend dak te beschouwen is. De voorliggende aanvraag voorziet immers niet over de gehele oppervlakte van het gebouw in een plat dak. In die omstandigheden betreft de aanvraag van de tussenkomende partij wel degelijk een aanvraag tot wijziging van het uiterlijk van het gebouw in de zin van artikel 49 van het gecoördineerde decreet en doet de voorliggende aanvraag geen afbreuk aan een essentieel gegeven van de verkavelingsvergunning, zodat toepassing kon gemaakt worden van de meergenoemde decreetbepaling. Het eerste middel is ongegrond. X-8.494-10/12 4.2. Tweede middel Standpunt van de partijen 4.2.1. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 1, 3, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen. De verzoeker acht de betrokken bepalingen geschonden, vermits nooit een openbaar onderzoek is georganiseerd, terwijl hiertoe een verplichting bestaat indien voor het gebied waarin het bewuste perceel gelegen is, geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en het perceel niet is gelegen binnen een behoorlijk vergunde verkaveling. 4.2.2. De verwerende partij repliceert dat de verzoeker “hierbij uit het oog (verliest) dat het perceel wel in een vergunde verkaveling is gelegen”. 4.2.3. De tussenkomende partij voert in haar memorie aan dat “dit middel (...) manifest elke feitelijke grondslag (mist)”, vermits het perceel wel degelijk in een vergunde verkaveling is gelegen. Beoordeling 4.2.4. Met de verwerende partij en de tussenkomende partij dient te worden vastgesteld dat onbetwistbaar vaststaat dat voor het voorliggend perceel wel degelijk een verkavelingsvergunning voorhanden is. Bijgevolg mist dit middel feitelijke grondslag. Het tweede middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-8.494-11/12 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8.494-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.