← België

Arrest 197053 - Milieuvergunningen - 20/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:200

§ 2

DRO; dit kan enkel voor zover de inrichting door de beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt; verder wordt hierin gesteld dat sociaal-culturele of recreatieve activiteiten hoe dan ook slechts op occasionele basis kunnen worden toegestaan; in de bestreden milieuvergunning wordt er niet op rechtsgeldige wijze de toepassing van

§ 2

DRO gemoti- veerd; de nabestemming wordt in het gedrang gebracht omwille van de bodemverontreiniging door de motorcrossactiviteiten; de impact van de activiteit is groot (geluidshinder, verkeersoverlast) en er is bij het inrichten van 10 wedstrijdweekends geen sprake van een activiteit op occasionele basis; - voor eenzelfde gebied levert men 2 milieuvergunningen klasse I af; in 1992 werd een vergunning afgeleverd voor het opvullen van de groeve tot het maaiveld zodanig dat de percelen dienstig worden voor landbouwuitbating terwijl er nu in eerste aanleg voor dezelfde percelen een vergunning werd afgeleverd voor het houden van motorcrossen; deze vergunningen zijn niet VII-37.373-4/21 verenigbaar aangezien de motorcrossactiviteiten bodemverontreiniging met zich meebrengen; - de dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van minder dan 75 m waardoor er een grote geluidshinder ondervonden wordt; toch wordt nergens melding gemaakt van maatregelen om de geluidshinder te beperken (zoals geluidsdempers, geluidsomwalling, etc.); - in realiteit wordt er veel meer gebruik gemaakt van het terrein dan de aangevraagde wedstrijden; ook buiten de wedstrijden is er geluidsoverlast; de geluidsoverlast is eveneens afkomstig van de omroepinstallatie die het lawaai van de motoren ver overstijgt; na de wedstrijd duurt het nog lang vooraleer de rust terugkeert omdat er na de wedstrijd nog lang gefeest wordt; - de activiteiten gebeuren niet op de opgegeven oppervlakte van 4,5 ha maar op een veel grotere oppervlakte namelijk 10,5 ha; bijgevolg is deze activiteit MER-plichtig; - op de Provinciale Milieuvergunningscommissie werd opgemerkt dat er in het verleden geen PV's werden opgemaakt; klachten werden echter eerder mondeling behandeld zonder dat daarvan een proces-verbaal werd opgesteld; wanneer men aan de politie of gemeente vraagt om een proces-verbaal op te stellen wordt daar geen gevolg aan gegeven; de veelvuldige protesten die thans geuit worden bewijzen dat de omwonenden zich in het verleden welwillend hebben getoond maar dat de maat nu vol is; sinds de uitbating in 1992 werden er nooit geluidsmetingen gedaan zodat de geluidshinder voor de omwonenden nooit objectief werd vastgesteld; - in de maanden met weinig regen worden er grote stofwolken en -concentra- ties geproduceerd die zich verspreiden over een grote afstand in de omgeving; - andere verplicht vergunbare activiteiten zijn niet in de huidig afgeleverde vergunning opgenomen; zo zijn er een aantal opslagplaatsen voor p-produkten, het permanent oppompen van grondwater om het grondwater- peil kunstmatig laag te houden met een vaste dieselmotor die dag en nacht staat te draaien; de toegelaten geluidsnorm voor deze activiteit is dan ook ver overschreden; - de plaatselijke, landelijke wegen zijn niet voorzien om grote verkeersstro- men te verwerken, hierdoor wordt er bij het inrichten van een crosswedstrijd grote verkeershinder ervaren; bijkomende maatregelen om de verkeershinder te beperken en het sluipverkeer te voorkomen zijn noodzakelijk; er zijn in de nabije omgeving geen parkeerterreinen beschikbaar; - conform de VLAREM-wetgeving moet de veroorzaakte hinder tot een minimum beperkt worden door toepassing van de Beste Beschikbare Technieken; er zijn onvoldoende maatregelen genomen om de hinder tot een minimum te beperken: er zijn geen maatregelen genomen om de geluidshin- der te beperken, noch om de stofhinder te voorkomen, noch om eventuele waterverontreiniging te voorkomen; Gelet op het horen op 21 oktober 2008 door de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie van de aanvrager, die hij dit horen inzonderheid de argumenten van beroeper poogt te weerleggen: - bij aanvang van dit horen wordt door de raadsman van Ludo Janssens een nota overhandigd waarin op verschillende beroepsargumenten wordt ingegaan; de raadsman verduidelijkt tijdens het horen de belangrijkste standpunten uit de nota; - de raadsman beweert dat de negatieve elementen van de motorcross té veel werden opgeklopt; de problemen rond de exploitatie zijn pas begonnen vanaf het moment dat bekend werd gemaakt dat de Vlaamse Regering het circuit van Brecht heeft voorgesteld als permanent circuit voor gemotoriseerde sporten; VII-37.373-5/21 - de raadsman stelt dat de beroepindieners argumenten als verkeersoverlast en geluidshinder niet met metingen hebben gestaafd; - het argument dat de inrichting onderworpen is aan de MER-plicht wordt weerlegd aangezien motorcrossterreinen enkel MER-plichtig zijn wanneer de oppervlakte van de rijbaan van het circuit groter is dan 5 ha wat in Brecht niet het geval is; - om de geluidsoverdracht te beperken aan de bron is de exploitant afhankelijk van de producenten van motoren; nieuw geproduceerde crossmotoren mogen maar een decibelvermogen van 94 dB(A) ontwikkelen; motoren met een geluidsproductie van meer dan 105 dB(A) worden volgens het wedstrijdre- glement uit de wedstrijd gehaald; - tijdens het horen wordt verklaard dat er een geluidsstudie voor het crosster- rein is; - na raadpleging van de kaarten van de landschapsatlas en atlas onroerend erfgoed, de ecosysteemkwetsbaarheidskaarten, de boskarteringskaarten, de biologische waarderingskaarten, de kaarten van Natura 2000, de VEN en IVON gebieden en de kaarten waterkwaliteit werden noch de betreffende percelen noch de onmiddellijke omgeving aangeduid als hebbende enige bijzondere natuurwaarde; - op de percelen wordt sinds 1989 gereden, tot voor kort waren er nooit bezwaren met 1 uitzondering van een klacht over een fout geplaatst verkeersbord; - de raadsman stelt dat de dichtstbijzijnde woning (70 m) gelegen is in een ontginningsgebied waar er hogere richtwaarden voor geluid zijn dan in een landbouwgebied, respectievelijk 60 dB(A) in plaats van 50 dB(A); - de raadsman bespreekt de toepassing van

§ 2

Decreet Ruimtelijke Ordening; er kan aan de zonevreemdheid van een inrichting ontkomen worden mits door de vergunningverlenende overheid op gemotiveerde wijze toepassing wordt gemaakt van

§ 2

DRO; de toepassing van dit artikel vereist: o dat enkel activiteiten van sociaal-cultureel of recreatief medegebruik in aanmerking komen; de aangevraagde activiteit is recreatief; o dat enkel activiteiten met een beperkte impact die de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt in aanmerking komen; aangezien de nabestemming, zijnde agrarisch gebied, binnen dit en 5 jaar (de termijn die gevraagd wordt voor het motorcrossterrein) niet zal verwezenlijkt zijn; gelet op de aanduiding van het terrein als permanent circuit voor motorsport door de Vlaamse Regering en het opstellen van het RUP is het een redelijke verwachting dat de terreinen nooit meer landbouwkundig gebruikt zullen worden; daarom moet de impact van de activiteit beoordeeld worden ten opzichte van de reële bestemming, zijnde een ontginningsgebied; een groeve is met zijn reliëfverschillen een ideaal crossparcours waar geen ingrepen meer hoeven te gebeuren; o dat de activiteiten op occasionele basis moeten ingericht worden; occasioneel in

§2

DRO betekent dat er van een eventueel permanente vergunning occasioneel gebruik mag worden gemaakt; occasioneel peilt derhalve naar het daadwerkelijke gebruik van de inrichting in de tijd; dit kan in dit geval geen probleem zijn aangezien het gaat om 10 wedstrijddagen en 10 oefendagen; bijgevolg zijn de voorwaarden van

§ 2

DRO vervuld; - er is duidelijk een evenwicht tussen de weekends waarop er wordt ingericht en waarop er niet wordt ingericht; er wordt gedurende maximum 10 weekends ingericht hetgeen onmogelijk in onevenwicht kan zijn met de 52 weekends die een jaar telt; bovendien zijn deze weekends voldoende verspreid over de maanden zodat er geen onevenwicht is binnen elke maand; VII-37.373-6/21 - bij iedere motorcross wordt van de deelnemers een sterk milieubewustzijn gevraagd en men moet bijzondere milieumaatregelen nemen (onder meer groene mat; onmiddellijk verwijderen van gevallen motoren etc.); - er is geen sprake van een verkeersproblematiek; uit een luchtfoto blijkt het aantal voertuigen dat aan het terrein parkeert zeer goed mee te vallen; er is nauwelijks enig ander verkeer, zodat enkel rekening gehouden moet worden met het verkeer van het evenement en het zeer spaarzame lokale verkeer; Gelet op het besluit van 24 juli 2003 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, waarbij een vergunning werd verleend voor het exploiteren van een inrichting met 5 motorcross- en 5 autocrosswedstrijden per jaar met een geluidsemissie van meer dan 98 dBA, voor een termijn tot 24 juli 2008; Gelet op het ongunstige advies van 23 september 2008 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; Gelet op het ongunstige advies van 13 oktober 2008 van de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; Gelet op het ongunstige advies van 21 oktober 2008 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; Gelet op de ligging van de inrichting in een uitbreiding van een ontginnings- gebied met als nabestemming agrarisch gebied volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977; Gelet op de ligging van de inrichting op een afstand van ongeveer: - 1050 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; - 575 m van een natuurgebied; Overwegende dat artikel l45sexies, §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, stelt: 'in alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het soci- aal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderwor- pen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan'; Overwegende dat de aangevraagde activiteit zonder twijfel een recreatieve activiteit is, die ook reeds sedert 1993 op die locatie wordt uitgeoefend; dat de activiteiten daarenboven, mede gelet op de opgelegde bijzondere voorwaarden, slechts een beperkte impact hebben en de realisatie van de algemene bestem- ming niet in het gedrang brengen; Overwegende dat het hier gaat om slechts 10 wedstrijddagen met bijhorende oefenritten per jaar; dat hiermee voldaan wordt aan de vereiste dat dergelijke activiteit enkel op occasionele basis kan worden toegestaan; Overwegende dat daarenboven de Vlaamse Regering in de ministeriële nota VR/2007/14.12/DOC.1400TER het terrein 'Kraaienhorst' te Brecht heeft voorgesteld als één van de mogelijke plaatsen voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten; dat hierbij voorgesteld wordt dat het aantal manifestaties beperkt blijft tot het huidige aantal zijnde 5 autocross- en 5 motorcrosswedstrijden maar dat er extra trainingsdagen zullen bijkomen op woensdag tussen 13u00 en 21u00 en op zaterdag tussen l3u00 en 18u00; dat één en ander echter nog geconcretiseerd moet worden in het PRUP met bijhorend planMER en de milieuvergunning/stedenbouwkundige vergunning met bijhorende project-MER's; Overwegende dat het derhalve aangewezen is om een milieuvergunning voor een beperkte termijn van 5 jaar te geven, in de veronderstelling dat dit VII-37.373-7/21 voldoende tijd biedt om via een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan de nodige bestemmingswijzigingen door te voeren met het oog op een definitieve planologische oplossing; Overwegende dat beroep wordt aangetekend tegen de vergunning in eerste aanleg voor de hernieuwing van de exploitatie van een inrichting met 5 motorcross- en 5 autocrosswedstrijden per jaar met een geluidsemissie van meer dan 98 dB(A) voor een beperkte termijn van 5 jaar; dat 5 beroepschriften afkomstig zijn van buurtbewoners en 1 beroepschrift van een actiecomité; Overwegende dat dit terrein sinds 1993 vergund is voor het houden van motorcrossen; dat vergunningen werden verleend voor telkens 5, 4 en 5 jaar; dat er tijdens de vergunningsprocedures van eerste aanleg in 2003 één bezwaar werd ingediend in verband met een verkeersverbod; dat er nu in het kader van het openbaar onderzoek 124 bezwaren werden ingediend in april 2008 in eerste aanleg; dat deze bezwaren handelen over aspecten als ligging, geluidshinder, mobiliteit, stofhinder, ...; Overwegende dat de huidige aanvraag de hernieuwing van de milieuvergun- ning betreft; dat er 5 autocross- en 5 motorcrossweekends (op oefendagen van 14 tot 18 uur en op wedstrijddagen van 8 tot 18 uur) per jaar worden aan- gevraagd zonder extra trainingsdagen; dat enkele van de bezwaren van de beroepindieners betrekking hebben op het aanduiden door de Vlaamse Regering van het terrein 'Kraaienhorst' als een plaats voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten; dat dergelijke bezwaren in de evaluatie van het huidige dossier buiten beschouwing worden gelaten omdat in het huidige dossier geen trainingsdagen worden aangevraagd; Overwegende dat er voor de site twee milieuvergunningen werden afgeleverd: dat er enerzijds aan de NV Floren en Cie een milieuvergunning werd verleend voor het opvullen van de kleigroeve met niet-verontreinigde grond tot het maaiveld; dat er anderzijds een vergunning werd afgeleverd aan MC Motorcross St-Lenaarts voor de exploitatie van een motorcrossterrein; Overwegende dat de beroepindieners argumenteren dat beide vergunningen niet compatibel zijn omdat de motocrossactiviteiten bodemverontreiniging kunnen veroorzaken; dat hierdoor de uiteindelijke nabestemming na opvullen, namelijk landbouwgebied, in het gedrang komt; Overwegende dat het gehele terrein onverhard is waardoor mogelijks bodemverontreiniging zou kunnen voorkomen; dat het echter verplicht is om gebruik te maken van milieumatten bij het tanken en bij het herstellen van de voertuigen; dat hierdoor de kans op bodemverontreiniging klein is; Overwegende dat enkel bij calamiteiten op het circuit verontreiniging van de ondergrond mogelijk is ten gevolge van het leeglopen van benzinetanks en oliekarters; dat de ondergrond van het circuit bestaat uit klei waardoor het insijpelen van verontreinigende stoffen in de ondergrond minimaal is; dat bij calamiteiten de verontreinigde stoffen van de grond kunnen opgeschept worden; dat globaal gezien kan verwacht worden dat het effect van dit type verontreiniging beperkt is; Overwegende dat permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen met een oppervlakte van 5 ha of meer aan een project-M.E.R. moeten onderworpen worden of een activiteit is waarvoor men een gemotiveerd verzoek tot ontheffing kan indienen; dat voor het bepalen van de oppervlakte enkel de oppervlakte van de rijbanen zelf wordt bedoeld; dat de betrokken percelen een oppervlakte hebben van ongeveer 7,7 ha; dat de rijbanen slechts een oppervlakte van 4,5 ha innemen; dat het betreffende motorcrossterrein bijgevolg niet MER-plichtig is; Overwegende dat er in de beroepschriften sprake is van ernstige geluidshin- der; dat de dichtstbijzijnde woning gelegen is op amper 70 m van het circuit; dat 3 woningen binnen een straal van 200 m van de piste liggen; dat er verder VII-37.373-8/21 nog 6 andere woningen binnen een straal van 500 m gelegen zijn; dat al deze woningen gelegen zijn in agrarisch gebied; Overwegende dat de 4 dichtstbijzijnde woningen ten noorden en noordoos- ten van het circuit gelegen zijn; dat de omwonenden bij de overheersende windrichting, hetzij zuidwesten wind, meer geluidshinder kunnen ondervinden; Overwegende dat het circuit zich in een put van de kleigroeve bevindt; dat deze put maar enkele meters diep is met wanden die schuin af lopen zodat het geluiddempende karakter minimaal is; Overwegende dat door de opvulwerkzaamheden van NV Floren en Cie de bodem van de put langzaamaan gelijk zal komen met het maaiveld; dat er daardoor steeds minder geluiddempende werking van de wanden zal zijn; Overwegende dat er voor het circuit in Brecht geen geluidsstudie aan de milieuvergunningsaanvraag werd toegevoegd; dat de exploitant niet aantoont aan de hand van geluidsmetingen dat de geluidshinder ter hoogte van de woningen tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat de exploitant na de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 21 oktober 2008, waarin hij verklaart te beschikken over een geluidsstudie, geen geluidsstudie voor het circuit te Brecht kon voorleggen; Overwegende dat er door de exploitant geen maatregelen worden voorge- steld om het geluidsniveau tot een minimum te beperken zoals bijvoorbeeld geluidsbermen, geluidsschermen of reducerende maatregelen aan de bron; dat het bijgevolg noodzakelijk is dat er een geluidsstudie wordt uitgevoerd door een erkend deskundige geluid waarin geluidsreducerende maatregelen worden voorgesteld om de geluidsoverlast ter hoogte van de woningen tot een aanvaardbaar niveau te beperken; Overwegende dat er ook geluidsoverlast is afkomstig van de omroepinstalla- tie; dat deze installatie zo wordt opgesteld dat het geluid gericht wordt naar het circuit toe dus weg van de dichtstbijzijnde woningen; dat het geluid van de omroepinstallatie echter steeds het geluid van de motoren moet overstijgen waardoor deze installatie bijdraagt aan de geluidsoverlast; dat het geluid gereduceerd kan worden door een verbeterd omroepsysteem waarbij er meerdere boxen worden opgesteld verspreid over het terrein met een beperkte geluidsemissie per box en een bevestiging op een lagere hoogte; dat dit aspect mee moet worden bekeken in de geluidsstudie; Overwegende dat ook na de wedstrijden hinder wordt ondervonden van feestende deelnemers; dat de exploitant na de wedstrijd enkel nog een huldiging voorziet zonder parade teneinde de rust zo snel mogelijk te herstellen; Overwegende dat er door de beroepindieners wordt gesteld dat er aan wild-crossen wordt gedaan; dat het terrein echter omheind is met geplastificeer- de ursusdraad van ongeveer 1,80 m hoog zodat wild-crossen onmogelijk is; Overwegende dat, gezien de soort van activiteit en de ondergrond (klei), stofhinder op het terrein en in de nabije omgeving reëel is; dat dit zich uit in de bezwaren van de omwonenden waar wordt gesproken van stofhinder ten gevolge van de exploitatie; Overwegende dat de exploitant als maatregel tegen stofhinder het terrein nat sproeit; dat dit momenteel gebeurt met een traktorsproei-installatie; Overwegende dat de plaatselijke, landelijke wegen niet voorzien zijn om grote verkeersstromen te verwerken; dat er nochtans voor een wedstrijd 3000 of meer bezoekers ontvangen worden; dat de omwonenden hierdoor verkeers- hinder ervaren; Overwegende dat de omliggende weiden bij een wedstrijd dienst doen als parking; dat er aan de Kraaienhorst ten westen van het terrein een onverharde parking ligt; dat er ten zuiden van het terrein een tweede onverharde parking is; Overwegende dat de huidige toegang tot het terrein gelegen is aan de Kraaienhorst; dat de verkeersstroom via de Kraaienhorst en de Paaltjesdreef vrij VII-37.373-9/21 snel tot op de N153 Oostmalsebaan kan komen; dat het verkeer van daaruit richting Sint-Lenaarts/Brecht en richting Oostmalle/Malle kan rijden; Overwegende dat er een nieuwe toegang rechtstreeks van de Oostmalsebaan naar het terrein en de parking gepland is; dat deze momenteel nog niet gebruikt kan worden omdat op deze plaats nog klei-ontginning gebeurt; dat hij gebruik van de rechtstreekse toegang geen landelijke wegen meer gebruikt moeten worden; Overwegende dat de exploitant ervoor zorgt dat de Kraaienhorst bij een wedstrijd aan noordelijke zijde ter hoogte van het motorcrossterrein wordt versperd; dat de omwonenden op die manier een uitweg hebben langs de weg Groot Veerle zonder al te veel gehinderd te worden door de bezoekers van de wedstrijd; Overwegende dat er volgens de beroepindienders opslagplaatsen voor P-produkten aanwezig zijn zonder dat deze vergund zijn; dat er inderdaad twee witte tanks aanwezig zijn; dat het hier niet gaat om opslag van P-producten maar om opslag van water waarvoor een milieuvergunning niet nodig is; Overwegende dat er met een vaste dieselmotor regenwater uit de groeve wordt gepompt; dat deze pomp enkel overdag aanstaat op dagen dat het in het kader van een wedstrijd nodig is het regenwaterpeil in de groeve te verlagen; dat er zeer recent een klasse 3-melding werd ingediend om deze activiteit te akteren; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen gedeelte- lijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing op te wijzigen". V. Onderzoek van de vordering 10. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 11. De verzoekers voeren in een eerste middel het volgende aan: "Het eerste middel is genomen uit de schending van

§ 2

Decreet Ruimtelijke Ordening (hierna 'DRO'), van artikel 17.6 van het besluit van 28 december 1972 (hierna 'Inrichtingsbesluit'), de bindende en verordenen- de kracht van het Gewestplan Turnhout, meer bepaald de bestemming uitbreidingsgebied bij een ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied en schending van de formele en materiële motiveringsplicht, het VII-37.373-10/21 zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur; Het motorcrosscircuit is gelegen in een uitbreidingsgebied van een ontginningsgebied met nabestemming landbouwgebied. Het gebruik van het goed voor een motorcrosscircuit is principieel in strijd met de voorschriften van de gewestplanbestemming en met de nabestemming volgens hetzelfde, evenals met de voorwaarde om de nabestemming te realiseren die werd opgelegd in de stedenbouwkundige vergunning van 14 september 1992, die werd afgeleverd aan de NV Floren en Cie.

§ 2

DRO, dat werd ingevoegd bij artikel 4, 2/ van het Decreet van 22 april 2005, voorziet evenwel de mogelijkheid om een beperkt aantal activiteiten mee toe te laten die niet in overeenstemming zijn met de algemene bestemming. In de bestreden beslissing wordt aangaande de overeenstemming van het gebruik met

§ 2

het volgende overwogen: 'Overwegende dat de aangevraagde activiteit zonder twijfel een recreatieve activiteit is, die ook reeds sedert 1993 op die locatie wordt uitgeoefend; dat de activiteiten daarenboven, mede gelet op de bijzondere voorwaarden, slechts een beperkte impact hebben en de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen; Overwegende dat het hier gaat om slechts 10 wedstrijddagen met bijhorende oefenritten per jaar; dat hiermee voldaan wordt aan de vereiste dat dergelijke activiteit enkel op occasionele basis kan worden toegestaan; Overwegende dat daarenboven de Vlaamse Regering in de ministeriële nota het terrein 'Kraaienhorst' te Brecht heeft voorgesteld als één van de mogelijke plaatsen voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten; dat hierbij voorgesteld wordt dat het aantal manifestaties beperkt blijft tot het huidige aantal zijnde 5 autocross- en motorcrosswedstrijden maar dat er extra trainingsdagen zullen bijkomen op woensdag tussen 13u00 en 21u00 en op zaterdag tussen 13u00 en 18u00, dat één en ander echter nog geconcretiseerd moet worden in het PRUP met bijhorend planMER en de milieuvergun- ning/stedenbouwkundige vergunning met bijhorende project-MER's; Overwegende dat het derhalve aangewezen is om een milieuvergun- ning voor een beperkte termijn van 5 jaar te geven, in veronderstelling dat dit voldoende tijd biedt om via een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan de nodige bestemmingswijzigingen door te voeren met het oog op een definitieve planologische oplossing'. In de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat er voldaan zou zijn aan de vereisten van

§ 2

DRO, omdat de impact van de motorcross beperkt is ten gevolge van de bijzondere voorwaarden en omdat de motor- crossactiviteiten 'slechts' tien wedstrijddagen met bijhorende oefenritten worden georganiseerd. Deze oefenritten zijn in feite bijhorende oefendagen nu uit de beslissing van de deputatie blijkt dat een milieuvergunning werd verleend met als bijzondere voorwaarden het houden van 10 wedstrijden met oefenritten op de dag voorafgaand aan de wedstrijddag van 14 uur tot 18 uur en op de wedstrijddag zelf vanaf 8 uur. Dit betekent dat telkens op de dag voorafgaand aan een wedstrijddag ook gecrosst zal worden. Er wordt aldus een milieuvergunning afgeleverd voor het exploiteren van een motorcrosscircuit gedurende minstens 20 dagen per jaar. Dit is een gemiddelde van meer dan één keer per maand motorcrossactiviteiten. Verwerende partij oordeelt dat tien wedstrijddagen met bijhorende oefendagen (tien dagen meer) slechts een occasioneel karakter vertonen in de zin van

§ 2DRO.

Verwerende partij oordeelt eveneens dat VII-37.373-11/21 de motorcrossactiviteiten slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van de algemene bestemming van het terrein, m.n. agrarisch gebied. Verwerende partij schendt

§ 2DRO door zo te oordelen.

(...)

§ 2DRO bepaalt:' '§ 2.

In alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voorzover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Voor niet van stedenbouwkundige vergunningsplicht vrijgestelde werkzaamheden, handelingen of wijzigingen die verbonden zijn met occasionele of hoogdynamische sociaal-culturele of recreatieve activitei- ten kan slechts een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning worden afgeleverd, of een stedenbouwkundige vergunning met als voorwaarde dat de werkzaamheden, handelingen of wijzigingen in kwestie slechts gedurende een specifieke periode of op bepaalde momenten aanwezig kunnen zijn. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan'.

§ 2

DRO werd ingevoegd als decretaal ingrijpen om duidelijkheid te verschaffen inzake het recreatief medegebruik in bestemmings- gebieden die niet voor recreatie zijn aangeduid. Dit ingrijpen kwam er onder meer na de omzendbrief RO 99/1 van 2 maart 1999 van Vlaams Minister Eddy Baldewijns over de advisering m.b.t. de verenigbaarheid van omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoertuigen zoals bepaald in rubriek 32.9, 1/ en 2/ van VLAREM I, Bijlage 1, vastgelegd bij artikel 1 van het besluit van 26 juni 1996. In deze omzendbrief werd bepaald dat recreatief medegebruik door motorcrossactiviteiten slechts mogelijk was indien: - Er slechts sprake was van een beperkt aantal activiteiten (maximaal drie per jaar); - De activiteit van korte duur was; - Er geen langdurige impact op de omgeving was; - Er geen bouwvergunningsplichtige activiteiten mee gepaard gaan; De basisidee van deze omzendbrief bestond erin dat bepaalde activiteiten verenigbaar zijn met de bestemming doordat de frequentie en de duur waarmee zij de ruimte innemen zo gering zijn dat het gebruik van de grond volgens de geldende plannen van aanleg niet wordt gehinderd of voor lange tijd ongeschikt zou worden. (...) In het ingevoegde

§ 2

wordt bepaald dat overal activiteiten toegelaten zijn gericht op het recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Het dient aldus om een gebruik te gaan naast het gebruik volgens zijn bestemming, een medegebruik, dat de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengt. De parlementaire voorbereiding schrijft niet limitatief voor wat een beperkte impact kan zijn: - het beperkte ruimtebeslag (dat geldt bijvoorbeeld voor lijnvormige infrastructuren, zoals wandelwegen, ruiterpaden en fietspaden of infrastruc- tuur met een kleine oppervlakte, zoals een picknicktafel, een zitbank, een informatiebord); VII-37.373-12/21 - de tijdelijkheid van de ingreep (zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehou- den); - de afwezigheid van weerslag op het terrein (zoals bij het overvliegen van een agrarisch gebied met modelvliegtuigen, of het waterskiën. Bovendien (als tweede voorwaarde) kunnen recreatieve activiteiten die milieuvergunningsplichtig zijn (klasse I of II) slechts op occasionele basis worden toegestaan. De parlementaire voorbereiding geeft niet limitatief aan wat onder een occasionele basis verstaan wordt: 'het organiseren van een occasionele motorcross in agrarisch gebied na de oogst van de landbouwgewassen, onder analoge beperkingen opgenomen in de betwiste omzendbrief RO 99/01 van 2 maart 1999 van minister Eddy Baldewijns'. (...) In de bestreden beslissing wordt geponeerd dat dankzij de opgelegde bijzonder voorwaarden in de beslissing van de deputatie, de activiteiten slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van de algemene bestemming. Nu het uitbreidingsgebied volledig ontgonnen is, dient echter de nabestem- ming landbouwgebied gerealiseerd te worden, wat onmogelijk is zolang motorcrosswedstrijden gehouden worden in de kleiputten. De NV Floren en Cie beschikt sinds 19 juni 2008 over de milieuvergunning om de kleigroeve op de site 'Kraaienhorst' op te vullen met niet-verontreinigde grond om zo de nabestemming landbouwgebied te realiseren. Op grond van artikel 17.6.3 Inrichtingsbesluit dient in ontginningsgebieden na de stopzetting van de ontginning de toekomstige bestemming te worden geëerbiedigd. Zolang deze kleigroeve gebruikt blijft worden voor motorcrossactiviteiten kan deze nabestemming nooit gerealiseerd worden, hoewel sinds 19 juni 2008 vaststaat dat de nabestemming agrarisch gebied de definitieve bestemming van het gebied is, die doorgevoerd moet worden. Wanneer het voorwerp van een milieuvergunning niet de daadwerkelijke verwezenlijking van een nabestem- ming totstandbrengt, en meer nog, deze verhindert, is de vergunning wederrech- telijk afgeleverd. Uw Raad oordeelde ook reeds dat er weliswaar uit geen enkele bepaling beperkingen kunnen worden afgeleid met betrekking tot de aard van de activiteiten die zullen of moeten worden uitgevoerd om de oorspronkelijke of toekomstige bestemming van het gewestplan te realiseren, maar dat wél vereist is dat de door het gewestplan voorziene nabestemming nog effectief kan worden gerealiseerd. Een vergunning die een landschap getekend door kleiputten laat bestaan, verhindert de realisatie van een landbouwgebied. Landbouwgebied vereist de opvulling van de putten. Het blijven bestaan van deze putten impliceert dat het gebruik van dit terrein voor motorcrossactivitei- ten allesbehalve een beperkte impact heeft op algemene bestemming van het terrein. Integendeel, dit gebruik heeft een dermate grote impact op de realisatie van de algemene bestemming dat de bestemming niet gerealiseerd kan worden en staat dan ook in schril contrast met de beperkte impact die de decreetgever voor ogen had. Door te oordelen dat het gebruik van het terrein voor motorcrossactiviteiten een beperkte impact heeft op de algemene bestemming van landbouwgebied, schendt verwerende partij

§ 2

. (...)

§ 2bepaalt bovendien uitdrukkelijk dat het moet gaan om recreatief medegebruik.

In casu is gebruik van het terrein voor landbouw- doeleinden onmogelijk. Het enige gebruik waartoe het terrein zich leent is het gebruik als motorcrossterrein. (...) VII-37.373-13/21 Voor milieuvergunningsplichtige activiteiten die gericht zijn op het recreatief medegebruik geldt bovendien de vereiste dat deze activiteiten uitsluitend op occasionele basis plaatsvinden. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat het houden van tien wedstrijden en oefenritten op een jaar een occasioneel karakter heeft, zonder dit te onderbouwen en dus zonder dit afdoende te motiveren. Evenwel levert verwerende partij tegelijkertijd een milieuvergunning klasse 1 af voor een permanente omloop voor gemotoriseerde voertuigen met een geluidsemissie van meer dan 98dB. Het karakte(r) van de permanente omloop is volledig in strijd met het occasioneel karakter dat

§ 2voorschrijft en met wat de decreetgever hiermee voor ogen had.

Met het verlenen van een milieuvergunning voor een permanente omloop wordt een permanent gebruiksrecht toegekend aan de exploitant van de inrichting. Bovendien blijft de aanleg van het terrein zoals hij is, met putten, zonder dat na het einde van de activiteit het terrein terug kan gebruikt worden voor het gebruik waarvoor het bestemd is, met name landbouwgrond. Op occasionele basis kan dergelijk gebruik niet verantwoord worden. Dit gebruik heeft een permanent karakter door de toestand van het terrein dat zuiver in functie van de motorcrossactiviteiten gehandhaafd wordt en door het permanent gebruiksrecht dat de exploitant van de inrichting hiermee krijgt. Zelfs los van het permanent karakter van de omloop is het aantal wedstrijden niet als occasioneel te omschrijven. Tien wedstrijddagen en de dag daarvoor gehouden oefendagen levert een totaal van vijftien dagen op, waarop motorcrossactiviteiten plaats zullen vinden. Dit is een gemiddelde van meer dan één keer per maand. Dit zijn motorcrossactiviteiten die regelmatig en niet occasioneel worden georgani- seerd. Een occasionele motorcrossactiviteit is een jaarlijkse, tweemaal jaarlijkse of hoogstens driemaal jaarlijkse wedstrijd. Een omloop waarop meer dan drie maal per jaar een motorcrossactiviteit plaatsvindt, is overigens op basis van de VLAREM rubrieken een permanente omloop. In de parlementaire voorbereiding wordt bovendien uitdrukkelijk verwezen naar de voorwaarden die in de omzendbrief 99/01 werden opgelegd, met name een frequentie van maximum drie wedstrijden per jaar, beperkte impact, korte duur, en zonder stedenbouwkundige verplichtingen. Het voorwerp van deze milieuvergunning kan al aan minstens drie van deze voorwaarden niet voldoen. De motorcrossactiviteiten hebben aldus geen occasioneel karakter en zijn niet in overeenstemming met

§ 2DRO.

Verwerende partij schendt dit artikel wanneer zij oordeelt dat de aanvraag aan de vereisten van dit artikel voldoet. (...) Verwerende partij neemt het toekomstig RUP mee in overweging bij haar beoordeling. Verwerende partij kan echter geen milieuvergunning afleveren, gestoeld op de overweging dat een toekomstig RUP voor de nodige planologi- sche oplossing zal zorgen. Zolang geen RUP is goedgekeurd dat de bestemming van het gebied wijzigt, is de milieuvergunning in strijd met de bestemming. Nu hierboven is gebleken dat ook

§ 2

geen uitkomst biedt voor de permanente omloop, kan geen milieuvergunning afgeleverd worden. Het eerste middel is ernstig".

  1. De verwerende partij antwoordt dat artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. te dezen werd toegepast. De drie voorwaarden, die moeten vervuld zijn voor de toepassing van deze bepaling, zijn vervuld: een motorcrossactiviteit is een handeling van sociaal-cultureel of recreatief medegebruik; deze activiteit heeft VII-37.373-14/21 slechts een beperkte impact op de realisatie van de algemene bestemming; deze activiteit wordt slechts op occasionele basis ingericht.
  2. De tussenkomende partij benadrukt in essentie dat de nabestem- ming van het terrein, namelijk agrarisch gebied, nog niet aan de orde is. Voorts is er geen sprake van een permanent circuit doch gaat het om occasioneel gebruik in de normale betekenis van het woord. Beoordeling
  3. De inrichting is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen in een uitbreiding van een ontginningsgebied met als nabestemming agrarisch gebied. De exploitatie van de inrichting lijkt op het eerste gezicht strijdig met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Het organiseren van motorcrosswedstrijden is geen ontginnings- noch een landbouwactiviteit. De verwerende partij meent dit ook, vermits zij toepassing maakt van artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O. dat er precies op gericht is bepaalde werkzaamheden, handelingen, wijzigingen, activiteiten of inrichtingen toe te staan die strikt genomen onverenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften.
  4. Artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O., zoals ingevoegd bij artikel 4, 2/, van het decreet van 22 april 2005 tot wijziging van het D.R.O. bepaalt wat volgt: "In alle gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen, kunnen naast de werkzaamheden, handelingen en wijzigingen die gericht zijn op de realisatie van de bestemming ook werkzaamheden, handelingen en wijzigingen, activiteiten of inrichtingen worden toegestaan die gericht zijn op het sociaal- culturele of recreatieve medegebruik, voorzover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen. Voor niet van stedenbouwkundige vergunningsplicht vrijgestelde werkzaam- heden, handelingen of wijzigingen die verbonden zijn met occasionele of hoogdynamische sociaal-culturele of recreatieve activiteiten kan slechts een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning worden afgeleverd, of een steden- bouwkundige vergunning met als voorwaarde dat de werkzaamheden, handelingen of wijzigingen in kwestie slechts gedurende een specifieke periode of op bepaalde momenten aanwezig kunnen zijn. Sociaal-culturele of recreatieve activiteiten waarvan de inrichtingen onderworpen zijn aan de milieuvergunningsplicht kunnen hoe dan ook slechts op occasionele basis worden toegestaan". VII-37.373-15/21 VII-37.373-16/21 Uit deze bepaling lijkt het volgende te kunnen afgeleid worden: - activiteiten of inrichtingen van recreatief medegebruik kunnen worden toegestaan in gebieden waar ze volgens het gewestplan niet thuishoren; - ze mogen slechts een beperkte impact hebben, wat betekent dat ze de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang mogen brengen; - recreatieve activiteiten waarvan de inrichting onderworpen is aan de milieuvergun- ningsplicht, kunnen slechts op occasionele basis worden toegestaan. Deze elementen lijken uitdrukkelijk in de beoordeling van de aanvraag te moeten worden betrokken en lijken tot uiting te moeten komen in de bestreden beslissing zelf. In de memorie van toelichting bij het decreet dat artikel 145sexies invoegde in het D.R.O. (Parl. St., Vl. Parl. 2004-2005, nr. é/1, 8 e.v.), wordt verduidelijkt wat moet worden verstaan onder een beperkte impact op het gebied: - een beperkt ruimtebeslag (bijvoorbeeld een lijnvormige infrastructuur zoals een wandelpad); - de tijdelijkheid van de ingreep (waarbij als voorbeeld wordt gegeven: "zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehouden"); - de afwezigheid van een weerslag op het terrein (bijvoorbeeld overvliegen van een agrarisch gebied door modelvliegtuigen). In deze memorie van toelichting (Parl. St., Vl. Parl. 2004-2005, nr. é/1, 13) wordt ook gepreciseerd dat de toelaatbaarheid van "hoogdynamische activiteiten" (bijvoorbeeld een motorcross) veel strikter moet worden bekeken dan die van "laagdynamische activiteiten" (bijvoorbeeld wandelen).
  5. Vast staat dat de inrichting milieuvergunningsplichtig is, wat, voor de toepassing van artikel 145sexies, § 2, van het D.R.O., betekent dat de activiteiten slechts op occasionele basis kunnen worden toegestaan. Er worden te dezen tien wedstrijden per jaar toegestaan. De wedstrijden gaan ook gepaard met oefenwed- strijden. Dit alles lijkt te betekenen dat er tien weekends per jaar grotendeels worden gevuld met wedstrijden en oefenwedstrijden. VII-37.373-17/21 In de voornoemde memorie van toelichting wordt gehandeld drie motorcrosswedstrijden per jaar als voorbeeld van een organisatie op occasionele basis. Het aantal van drie wedstrijden per jaar werd ook naar voor geschoven in de omzendbrief RO 99/01 van 2 maart 1999 over de advisering met betrekking tot de verenigbaarheid van "omlopen voor wedstrijden, test- en oefenritten met motorvoer- tuigen" zoals bepaald in rubriek 32.9, 1/ en 2/ van Vlarem I, Bijlage 1, vastgesteld bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni
  6. Het aantal van tien wedstrijden per jaar, toegelaten in het bestreden besluit, zit daar gevoelig boven. In de motivering van het bestreden besluit wordt omtrent het medegebruik op occasionele basis het volgende overwogen: "Overwegende dat het hier gaat om slechts 10 wedstrijddagen met bijhorende oefenritten per jaar; dat hiermee voldaan wordt aan de vereiste dat dergelijke activiteit enkel op occasionele basis kan worden toegestaan". Op het eerste gezicht lijkt deze redengeving, in het licht van onder meer de voornoemde memorie van toelichting, niet afdoende. Om die reden alleen al lijkt aan het middel een voldoende graad van ernst te kunnen worden toegeschreven.
  7. Het eerste middel is ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
  8. Inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voeren de verzoekers het volgende aan: "Verzoekende partijen lijden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de zin van artikel 17 Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. De bestreden beslissing heeft immers een onmiddellijk, rechtstreekse en nadelige weerslag op de rechtstoestand van verzoekende partijen. VII-37.373-18/21 Verzoekende partijen wonen allebei in de onmiddellijke nabijheid, op ongeveer 70 meter van het motorcrosscircuit. Dit motorcrosscircuit is gelegen in een ontgonnen uitbreidingsgebied van een ontginningsgebied met nabestem- ming agrarisch gebied. De definitieve bestemming die momenteel dient doorgevoerd te worden is aldus agrarisch gebied. De vergunning voor de exploitatie van het motorcrosscircuit veroorzaakt direct nadelige gevolgen. De exploitatie van het circuit, strijdig met de planbestemming, veroorzaakt ernstige hinder voor verzoekende partijen. Deze hinder bestaat uit stofhinder, geluidshinder en geurhinder. In de eerste plaats veroorzaakt het circuit geluidshinder. Elke motor verspreid meer dan 100 Db. De bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing dat een geluidsstudie moet uitgevoerd worden waarin concrete maatregelen worden voorgesteld om de geluidsoverlast ter hoogte van de woningen tot een aanvaardbaar niveau te beperken doet daaraan niets af. Er wordt aangenomen dat voor een motorcrosscircuit in principe een afstand van minstens 1.500 meter nodig is om tot een immissiewaarde van 50 dB te komen opzichtens de op deze afstand gelegen woningen. Verzoekende partijen wonen op 70 meter van het circuit. Geluidsbeperkende maatregelen kunnen nooit een aanvaardbaar laag geluidsniveau garanderen. Tien weekends per jaar moeten zij aldus een halve zaterdag en een gehele zondag van 's morgens vroeg een enorm zware geluidsoverlast verdragen. Naast het tergende geluid van motoren, komt daarbij het geluid van omroepinstallaties, menselijke aanwezigheid en dergelijke meer. Dit betekent dat bijna één maal per maand verzoekende partijen een totaal ondraaglijk weekend moeten meemaken waarbij zij onder meer niet rustig in hun tuin kunnen zitten. Tientallen motors die een dergelijke geluidsoverlast veroorzaken, hebben aldus een enorme impact op de gezond- heid en de leefomstandigheden van verzoekende partijen, die hierdoor een ernstig nadeel lijden. In de tweede plaats veroorzaakt het circuit ernstige stofhinder. Verwerende partij ziet dit hoogstens als een probleem van stoffige ondergrond die kan worden natgespoten. Evenwel is de stofhinder veel omvangrijker. De uitlaten van de motoren en auto's veroorzaken fijn stof. De stofproblematiek is ook een problematiek van fijn stof en CO2 vervuiling. Natsproeien van grond kan bovendien niet volstaan om het stof dat de voertuigen en de toeschouwers doen opwaaien te vermijden. In de derde plaats veroorzaakt het circuit ernstige mobiliteitsproblemen en verkeershinder. Gedurende minstens 10 weekends per jaar worden wedstrijden georganiseerd die duizenden toeschouwers aantrekken die allemaal met eigen vervoer komen. Parking is niet voorzien. Er wordt geparkeerd op de naburige weiden. De mobiliteit van verzoekende partijen wordt hier enorm door belemmerd. Ten slotte is de geurhinder ten gevolge van de uitlaatgassen van rondcros- sende auto's en moto’s die snel rijden op een hindernissenparcours zeer ernstig. Verzoekende partijen lijden een ernstig nadeel. (...) Dit ernstig nadeel is bovendien moeilijk te herstellen, nu de hinder waaraan verzoekende partijen worden blootgesteld door de exploitatie van het circuit onmogelijk post factum in geld kan worden vergoed. Het nadeel bestaat immers precies in het verlies van het rustig genot van hun eigendom, telkens wanneer de bestreden beslissing wordt uitgevoerd. De milieuvergunning impliceert geluids-, geur-, stof- en verkeershinder die onmogelijk te herstellen valt van zodra de bestreden beslissing ten uitvoer wordt gelegd. Verzoekende partijen lijden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel". VII-37.373-19/21
  9. De verwerende en de tussenkomende partijen leggen er de nadruk op dat de omloop sedert 1993 in gebruik is en dat er nooit een klacht over dit gebruik is geuit. Voorts wijzen ze op de maatregelen en de bijzondere vergunnings- voorwaarde, die in het bestreden besluit zelf zijn opgenomen, om eventuele geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Wat de aangevoerde stof-, geur- en de verkeershinder betreft, wijzen zij deze af als niet ernstig. Beoordeling
  10. De uiteenzetting van de verzoekers overtuigt. Zij wonen in de onmiddellijke nabijheid van de omloop. Op het eerste gezicht lijkt te kunnen worden aangenomen dat de aangevoerde geluidshinder op zich reeds een ernstig nadeel meebrengt. Er wordt immers een vergunning verleend voor wedstrijden met gemotoriseerde voertuigen met een geluidsemissie van meer dan 98 dB en dit voor tien weekends per jaar. In de adviezen van de afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuver- gunningscommissie wordt gesteld dat, vermits er door de exploitant geen maatregelen worden voorgesteld om het geluidsniveau tot een minimum te beperken, de geluidshinder voor de omwonenden niet tot een aanvaardbaar niveau wordt gereduceerd. Weliswaar wordt in het bestreden besluit de bijzondere milieu- voorwaarde opgenomen dat een geluidsstudie moet worden uitgevoerd waarin concrete geluidsreducerende maatregelen worden voorgesteld, doch hiermee hebben de verzoekers geen zekerheid dat het geluidsniveau zal worden gereduceerd tot een bepaald niveau. Aan de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan. VII-37.373-20/21 BESLISSING
  11. Het verzoek van Ludo Janssens tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  12. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 27 maart 2009 waarbij de beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 26 juni 2008 houdende het verlenen van de vergunning aan Ludo Janssens om een omloop voor gemotoriseerde sporten, gelegen aan de Kraaienhorst te Brecht, verder te exploiteren, gedeeltelijk gegrond worden verklaard, de beroepen beslissing wordt aangevuld met een bijzondere voorwaarde en zij voor het overige wordt bevestigd.
  13. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit.
  14. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig oktober tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit : Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Pierre Barra VII-37.373-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.053 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.