id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.056 Rolnummer: A. 154265/X-11999 Zaak: Arrest 197056 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.056 van 20 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.056 van 20 oktober 2009 in de zaak A. 154.265/X-11.
- In zake : de b.v.b.a. DUKAMA, die woonplaats kiest bij advocaat J. BELEYN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 tegen : de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. DUKAMA op 29 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 maart 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant “in zoverre dit besluit haar beroep voor de regularisatie van de verbouwingen aan een eigendom gelegen te Ternat, Steenvoordestraat, kadastraal bekend als sectie A, nr. 515t, niet inwilligt”; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 26 september 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2009; X-11.999-1/21 Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BELEYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging De memorie van antwoord van de verwerende partij werd laattijdig ingediend en wordt bijgevolg uit de debatten geweerd.
- De feiten 2.
- De verzoekende partij vraagt op 31 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat de vergunning strekkende tot “regularisatie : verbouwing van schuur tot feestzaal + taverne + woning” met betrekking tot een goed, gelegen te Ternat, Steenvoordestraat 41, kadastraal gekend sectie A, nrs. 317 en 313/t. Het voormelde perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 2.
- In de “begeleidende nota” bij de voormelde aanvraag wordt gepreciseerd dat het om de regularisatie gaat van het “verbouwen herberg met paardenstallen tot herberg met feestzaal en woning” en wordt, wat de “overeenstemming en verenigbaarheid met ruimtelijke context” betreft, het volgende gesteld : X-11.999-2/21 “De aanvraag omhelst het regulariseren van een herberg met feestzaal en woning. Vroeger bevonden er zich in het gebouw alleen maar varkens en koeiestallen. In 1983 heeft de toenmalige huurder van het gebouw, dhr. Van Cauwenlaert Ludo, een aanvraag ingediend tot het inrichten van een manège, verhuur van paardehokken en herberg. Deze aanvraag werd gunstig geadviseerd op 19 oktober 1983 (...). In juni 1983 heeft dezelfde huurder een aanvraag ingediend om raamopeningen te plaatsen in de voormalige koeiestal. Ook deze aanvraag werd goedgekeurd. (...)”. 2.
- Op 23 mei 2003 verleent de gemachtigde ambtenaar het volgende ongunstig advies over de aanvraag : “Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project Het voorgelegd project voorziet het regulariseren van een verbouwing van stal/schuur naar taverne, feestzaal en woongelegenheid. Oorspronkelijk werd het bestaande gebouw vergund als varkensstal (vergunning dd. 19.12.1969); de taverne bevindt zich in een aanleunend oude schuur. Nadien werd de stal ingericht als paardenstal-manège met taverne. Oorspronkelijk maakte het perceel deel uit van een groter geheel, zijnde en hoevecomplex en werd hiervan afgesplitst. Op zijn beurt is het gebouw nu afgesplitst van de bedrijfswoning, opgericht op het links aanpalend perceel. Bij uitvoering werden de afmetingen van de vergunde varkensstal niet gevolgd of later gewijzigd. De nieuwe bestemming is taverne met feestzaal en woongelegenheid. De afmetingen van het gebouw bedragen 31,87m op een breedte van 10.10m en een hoogte van ± 2.60m voor de feestzaal en 3.48m voor de taverne, afgedekt met zadeldak. Het gebouw staat ingeplant met een relatief grote achteruitbouw t.o.v. de Steenvoordestraat, op korte afstand van de Steenvoordebeek en in de linkerperceelsgrens. Voor het gebouw ligt een grindverharding van ± 40m op 39m, dienstig als parking. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening De bestemming van het gebouw is handel-horeca en wonen. Hierdoor is de bestemming niet verenigbaar met het planologisch voorschrift, toepasselijk voor agrarische gebieden( artikel 11). Door het voorzien van een bijkomende woongelegenheid en in een afgesplitst bedrijfsgebouw kan niet worden afgeweken van de voorschriften van het gewestplan zoals voorzien bij artikel 145 bis van het decreet. Het voorzien van een handelsactiviteit met woongelegenheid is zonevreemd en overschrijdt de ruimtelijke draagkracht van het gebied. De ruime verharding van ± 40m x 39m voor het gebouw en dienstig als parking is als storend waar te nemen in het landschap en schaadt de goede ruimtelijke uitbouw. Algemene conclusie Om bovenvernoemde redenen is het ingediend project NIET verantwoord”. 2.
- Op 3 juni 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat de gevraagde regularisatievergunning. X-11.999-3/21 2.
- De verzoekende partij stelt tegen de voormelde weigeringsbeslissing een administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Daarin stelt zij dat “in zijn advies de gemachtigde ambtenaar evenwel op een aantal essentiële punten bijzonder onduidelijk is geweest” en dat “de gemachtigde ambtenaar zo niet is nagegaan wanneer de bestemming taverne, feestzaal en woongelegenheid tot stand gekomen is en of op dat ogenblik daarvoor wel een vergunning vereist was”. 2.
- Op 23 maart 2004 beslist de bestendige deputatie het administratief beroep van de verzoekende partij niet in te willigen. Dit is het bestreden besluit, waarvan de overwegingen aangaande het “onderzoek” en de “motivering” als volgt luiden : “Situering & beschrijving omgeving: Het perceel van de aanvraag is gelegen op het einde van een doodlopende straat, de Steenvoordestraat te Ternat. De onmiddellijke omgeving heeft een grote landschappelijke waarde. Achter het perceel loopt de Steenvoordebeek. Op ongeveer 200 m terug in de straat bevindt zich een landelijk woonlint aan de overzijde van de straat met eengezinswoningen. Rechts van het perceel is er de voormalige hoeve, links is er een eengezinswoning in open bebouwing. Beschrijving aanvraag/ontwerp: De aanvraag beoogt de regularisatie van het verbouwen van een schuur tot feestzaal, taverne en woning. De totale oppervlakte van het gebouw bedraagt 10.10 m op 31.87 m. De taverne heeft een lengte van 7.88 m, een kroonlijsthoogte van 3.58 m en een nokhoogte van ±7 m. De woning en de feestzaal bevinden over de rest van de lengte in een lager volume (kroonlijsthoogte ± 2.50 m, nokhoogte ± 4.30 m). Voor het gebouw ligt er een parking in grindverharding over een oppervlakte van ongeveer 840 m². Rechts van het gebouw, aansluitend op de taverne is een terras in klinkers aangelegd met afmetingen ±7 m op ±13 m. Planologische context: Voor het gebied, waarin het perceel gelegen is, bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. Het perceel is evenmin gelegen binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (KB van 7 maart 1977) is het betrokken perceel gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De artikels 11 en 15 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen zijn van kracht. De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze integrerend deel uitmaakt van een leefbaar bedrijf en eveneens para-agrarische bedrijven (artikel 11). Bij landschappelijk waardevolle gebieden dient in de eerste plaats het bestaande landschapskarakter zoveel mogelijk bewaard te blijven en moet bijzondere aandacht worden besteed aan de esthetische aspecten van nieuwe inplantingen of verbouwingen. Het doel is het landschap beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur X-11.999-4/21 aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen (artikel 15). Externe adviezen: Er werd een ongunstig advies verleend door de afdeling Land van AMINAL op 26 maart 2003 om volgende redenen: - de ontwikkelde handelsactiviteiten in de voormalige bedrijfsruimten zijn van zuiver zonevreemde aard - de aanwezige agrarische structuren worden bijkomend geschaad Er werd een gunstig advies verleend door de afdeling waterlopen op 20 maart 2003 ivm de inplanting langs de Steenvoordebeek. Openbaar onderzoek: Tijdens het openbaar onderzoek werden geen schriftelijke bezwaren ingediend. Historiek: Op 19 december 1969 werd een vergunning verleend voor het bouwen van een varkensstal. In 1979 werd een vergunning verleend voor het oprichten van een landelijke woning links van de varkensstal. Op 16 juni 1983 werd een vergunning verleend voor het vergroten van 2 bestaande ramen en het plaatsen van een derde raam en deur. Op 13 oktober 1983 werd een milieuvergunning verleend voor het uitbaten van een manège, verhuur van paardenhokken en herberg. Beoordeling: De aanvraag is niet in functie van een agrarisch of para-agrarisch bedrijf en hierdoor niet verenigbaar met het planologisch voorschrift van agrarische gebieden. Artikel 145bis van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voorziet dat onder bepaalde voorwaarden, als uitzonderingsregel, de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning. Het perceel maakte oorspronkelijk deel uit van een hoevecomplex waarbij in 1969 een vergunning werd verleend voor het bouwen van een varkensstal met oppervlakte 10 m op 31.50 m. In 1979 werd een vergunning verleend voor het oprichten van een landelijke woning links van het gebouw in kwestie. Hierbij werd de voorwaarde gesteld dat de bestaande ouderlijke woning omgevormd moest worden tot bedrijfsgebouw en in geen geval nog voor bewoning in aanmerking mag komen. Op het inplantingsplan van 1979 staat het gebouw in kwestie nog opgetekend als varkensstal. Later, einde 1983 werd voor het gebouw in kwestie een milieuvergunning verleend voor het uitbaten van een manège - verhuur van paardenhokken - herberg. De vergunningsplicht voor het wijzigen van bestemmingen werd vastgelegd bij het Besluit van de Vlaamse Executieve houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen en is verschenen in het Belgisch Staatsblad op 30 augustus
- Dit is nog geen jaar nadat de melding werd gedaan voor het gebouw dat het werd gebruikt als manège. Bijkomend wordt vermeld dat bij het bevolkingsregister in de Steenvoordestraat 41, het gebouw in kwestie, voor het eerst twee personen staan ingeschreven in
- Hieruit moet besloten worden dat zowel de feestzaal als de woning werden ingericht na 1984 en dat toen reeds een stedenbouwkundige vergunning voor de bestemmingswijziging moest aangevraagd worden. Volgens artikel 145bis §2 mag afgeweken worden van de voorschriften van het gewestplan voor het wijzigen van het gebruik van een bestaand vergund, eventueel leegstaand landbouwbedrijf, met als nieuw gebruik uitsluitend wonen op voorwaarde dat: - de bedrijfswoning en de bijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen, krijgen als nieuw gebruik wonen met uitsluiting van meergezinswoningen, X-11.999-5/21 maar met inbegrip van tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft - de bedrijfsgebouwen van dit landbouwbedrijf mogen niet afgesplitst worden van de bedrijfswoning en kunnen enkel een nieuw gebruik krijgen als woningbijgebouwen, of als accommodatie voor tijdelijke verblijfsgelegenheden op voorwaarde dat landbouw als nevenbestemming nog aanwezig blijft. Voorliggende aanvraag wenst in de bedrijfsgebouwen een woning met feestzaal en taverne onder te brengen. In 1979 werd een vergunning verleend voor het oprichten van een landelijke woning bij het bestaande landbouwbedrijf. Het is in strijd met het hierboven vernoemde artikel 145bis §2 om een bijkomende woongelegenheid te vergunnen. De functie van feestzaal en taverne is evenmin toegestaan volgens dit artikel. De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de bestendige deputatie het beroep niet inwilligen om volgende redenen: - de aanvraag is niet in functie van een agrarisch of para-agrarisch bedrijf en hierdoor niet verenigbaar met het planologisch voorschrift van agrarische gebieden - in 1979 werd een vergunning verleend voor het bouwen van een landelijke woning op voorwaarde dat de ouderlijke woning omgevormd wordt tot bedrijfsgebouwen. Op het toenmalig inplantingsplan staat het gebouw in kwestie opgetekend als varkensstal. - de aanvraag is tevens in strijd met artikel 145bis §2 wat betreft de toegelaten bestemmingswijzigingen - de afdeling Land bracht een ongunstig advies uit gelet op de zuiver zonevreemde aard van de activiteiten in de voormalige bedrijfsruimten Gehoord in vergadering van 23 maart 2004, Mter. Ghysels. Tijdens de hoorzitting stelt Mter Ghysels dat moet rekening gehouden worden met het decreet van 4 juni
- Artikel 7 zegt dat de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken niet geldt voorzover bepaalde handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijke kwetsbare gebieden, voor zover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële, stedenbouwkundige voorschriften inzake bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg. Tevens zegt artikel 8 o.a. dat voor de misdrijven waarvan de eigenaar kan aantonen dat ze werden gepleegd voor 1 mei 2000, in principe steeds het middel van de meerwaarde kan worden aangewend, met enkele uitzonderingen. Mter Ghysels stelt dat hieruit volgt dat de decreetgever zelf het verder gedogen heeft bekrachtigd en dat het onredelijk is dat dergelijk gebouw in deze omstandigheid niet zou vergund worden. Ongeacht of in voorliggende aanvraag de hierboven vermelde wetgeving inzake de strafbepalingen van toepassing is en het bouwwerk al dan niet met een meerwaarde kan gedoogd worden, heeft de decreetgever duidelijk geen regelgeving voorzien om naast het gedogen een vergunning voor dergelijke werken of handelingen te voorzien en is het ook niet mogelijk om hiervoor een stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Gehoord het verslag van gedeputeerde Jean-Pol Olbrechts, bevoegd voor ruimtelijke ordening, beslist de bestendige deputatie het beroep niet in te willigen”. 2.
- In het arrest nr. 56/2005 van 8 maart 2005 heeft het Grondwettelijk Hof onder meer het volgende gesteld : X-11.999-6/21 “B.
- De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 192bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals ingevoegd bij artikel 54 van het decreet van 21 november 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 146 en 160 van de Grondwet, met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en met de beginselen van rechtszekerheid, scheiding van de machten en de niet- retroactiviteit in strafzaken, doordat de bestreden bepaling geldt met terugwerkende kracht vanaf 9 september 1984, zonder dat hiervoor dwingende omstandigheden van algemeen belang zouden zijn aangevoerd, terwijl dergelijke omstandigheden een noodzakelijke voorwaarde zijn om retroactieve wetsbepalingen, die invloed hebben op hangende rechtsgedingen, te verantwoorden. (...) B.6.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever met artikel 54 van het decreet van 21 november 2003 beoogde het besluit van 17 juli 1984 met terugwerkende kracht te bekrachtigen voor de periode van zijn gelding, zijnde van 9 september 1984 tot en met 30 april 2000 : ‘In een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen werd het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 1984, (…) onwettig verklaard op grond dat de in de aanhef van het besluit ingeroepen redenen tot staving van de hoogdringendheid, op grond waarvan werd nagelaten het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State in te winnen, niet deugdelijk waren. (…) Dit brengt met zich mee dat een aantal overtreders op louter procedurele gronden aan veroordeling en aan het opleggen van een herstelmaatregel zouden kunnen ontsnappen, hoewel ze op ieder ogenblik konden weten in overtreding te handelen.’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1800/1, p. 20) ‘Er dient voorkomen dat in verband met het besluit van 17 juli 1984 een zeer uiteenlopende rechtspraak kan ontstaan met betrekking tot de hiervoor weergegeven omstandigheden waarin dit besluit tot stand kwam. (…) Het is dus noodzakelijk de inhoudelijke regeling die naar het oordeel van het Hof van Beroep van Antwerpen op formeel onregelmatige wijze zouden zijn opgelegd, retroactief en ongewijzigd te bekrachtigen bij decreet; m.a.w., de door dit Hof buiten toepassing verklaarde verordening bij decreet te valideren met ingang van de dag waarop dit besluit in werking trad.’ (...) (...) B.
- Een overtreding van artikel 192bis van het stedenbouwdecreet wordt strafrechtelijk gestraft door artikel 99, § 1, 6/, junctis de artikelen 146 en 147, van dat decreet. Een overtreding van artikel 44, § 1, 7/, van de stedenbouwwet, ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van 28 juni 1984 houdende aanvulling van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (Belgisch Staatsblad, 30 augustus 1984), werd eveneens strafrechtelijk gestraft door artikel 64, vierde lid, van de stedenbouwwet, ingevoegd bij artikel 2 van het voormelde decreet. B.
- Het vroegere artikel 44, § 1, 7/, van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 voorzag reeds in een vergunningsplicht voor het wijzigen voor de hoofdfunctie van een gebouw. Dat artikel bepaalde evenwel dat het wijzigen van het gebruik van een gebouw slechts vergunningsplichtig is, ‘voor zover deze wijziging is opgesomd in een door de Vlaamse regering vast te leggen lijst’. X-11.999-7/21 Bijgevolg kon de door de vroegere bepaling voorgeschreven vergunningsplicht voor gebruikswijzigingen geen toepassing vinden zonder de vaststelling van die lijst in een uitvoeringsbesluit. B.9.
- Doordat het Hof van Beroep van Antwerpen in een arrest van 18 oktober 1999 het voormelde besluit van 17 juli 1984 buiten toepassing heeft verklaard omdat het oordeelde dat de dringende noodzakelijkheid die was aangevoerd om niet het voorafgaande advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State in te winnen onvoldoende was gemotiveerd, is een rechtsonzekerheid ontstaan die de decreetgever heeft willen verhelpen. Die rechtsonzekerheid is des te groter daar de vaststelling, door voormeld Hof van Beroep, enkel inter partes geldt en het een besluit betreft dat gedurende meer dan vijftien jaar is toegepast. B.9.
- Wanneer een verordenende maatregel mogelijk als onwettig kan worden beschouwd overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, komt het in de regel toe aan de overheid die de betrokken norm heeft aangenomen, die te herstellen met inachtneming van de vormvoorschriften die zij niet had nageleefd. Te dezen heeft de decreetgever een oplossing willen zoeken voor de wettelijke onmogelijkheid waarin de Vlaamse Regering zich bevond om, gelet op de vervanging van de basiswetgeving, het bij besluit van 14 april 2000 opgeheven besluit van 17 juli 1984 te herstellen, dat wil zeggen het aannemen van een decretale bepaling in 2003 met terugwerkende kracht tot 9 september
- B.
- Er moet evenwel worden nagegaan of het door de decreetgever aangewende procédé redelijk verantwoord is. B.
- Het overnemen van de inhoud van een besluit in een decretale bepaling heeft tot gevolg dat de Raad van State en de hoven en rechtbanken zich niet kunnen uitspreken over die inhoud. B.12.
- Zoals opgemerkt in B.6.1, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 21 november 2003 dat het inzonderheid de bedoeling van de decreetgever was te vermijden dat in verband met het besluit van 17 juli 1984 een uiteenlopende rechtspraak zou ontstaan. B.12.
- Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 18 oktober 1999 werd het besluit van 17 juli 1984 onwettig verklaard wegens de miskenning van de raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State, zoals die is voorgeschreven bij artikel 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Evenwel hebben datzelfde Hof van Beroep en de Raad van State dat besluit reeds meerdere malen toegepast. De beslissing waarbij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1984 onwettig was verklaard, steunde op het niet-naleven van vormvoorschriften die de Vlaamse Regering in acht moest nemen. Aan de handeling die de decreetgever opnieuw heeft verricht, kleven niet de vormgebreken die het besluit van de Vlaamse Regering van 17 juli 1984 konden aantasten. B.
- De vaststelling, in een arrest dat enkel inter partes geldt, van een vormelijke tekortkoming bij het totstandkomen van een besluit waarvan de inhoud niet wordt betwist, kan niet tot gevolg hebben dat de decreetgever in de onmogelijkheid zou zijn om de rechtsonzekerheid die door die vaststelling is ontstaan, te verhelpen. Vermits de inhoud van de decretale bepaling overeenstemt met de inhoud van het besluit, is de vergunningsplichtige handeling op voldoende precieze wijze omschreven en kan eenieder op wie de strafbepalingen van het stedenbouwdecreet toepasselijk is, op grond ervan de feiten en nalatigheden kennen die zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen, zodat te dezen geen afbreuk wordt gedaan aan de vereiste van de non-retroactiviteit van de strafwet. B.
- Bovendien heeft de decreetgever, door de bestreden bepaling in de plaats te stellen van dat besluit en door impliciet te bevestigen dat de reeds verleende vergunningen verworven blijven op de data waarop zij werden X-11.999-8/21 afgegeven, een maatregel genomen die in de bijzondere omstandigheden vermeld in B.6.1 een verantwoording vindt. B.
- Het middel is niet gegrond”.
- Over de gegrondheid van het beroep 3.
- Het eerste middel 3.1.
- Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 44 van de Stedenbouwwet, zoals gewijzigd door het decreet van 28 juni 1984, artikel 42 van het Stedenbouwdecreet, artikel 145bis DRO, het besluit van de Vlaamse Executieve van 17 juli 1984, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet en genomen uit machtsoverschrijding, en tevens genomen uit de schending van de verworven rechten” : “Doordat, de bestendige deputatie impliciet maar zeker oordeelt dat ten tijde van de wijziging van de bestemming van de varkensstal dit vergunningsplichtig was, Dat de deputatie overweegt: ‘De vergunningsplicht voor het wijzigen van de bestemmingen werd vastgelegd bij het Besluit van de Vlaamse Executieve houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen en is verschenen in het Belgisch Staatsblad op 30 augustus
- Dit is nog geen jaar nadat de melding werd gedaan voor het gebouw dat het werd gebruikt als manège. Bijkomend wordt vermeld dat bij het bevolkingsregister in de Steenvoordestraat 41, het gebouw in kwestie, voor het eerst twee personen staan ingeschreven in
- Hieruit moet besloten worden dat zowel de feestzaal als de woning werden ingericht na 1984 en dat toen reeds een stedenbouwkundige vergunning voor de bestemingswijziging moest aangevraagd worden’. Terwijl, de gebruikswijziging maar eerst bij decreet van 28 juni 1984 vergunningsplichtig werd voor zover die gebruikswijziging opgenomen is op een lijst die door de Vlaamse Executieve wordt vastgesteld, Dat het gebruik van de varkensstal en de schuur al vóór het in voege treden van deze vergunningsplicht werd gewijzigd van een agrarische bestemming naar een commerciële bestemming, te weten manège met verhuur van paardenhokken en herberg, wat blijkt uit de exploitatievergunning die op 13 oktober 1983 werd verleend, Dat door deze niet vergunningsplichtige bestemmingswijziging verworven rechten zijn ontstaan om ter plaatse deze gebouwen verder te gebruiken voor een commerciële bestemming, Dat de verzoekende partij enkel de commerciële bestemming verder zet met haar taverne-restaurant en kleine feestzaal, Dat deze bestemming volledig gerealiseerd is binnen het oorspronkelijke volume van de gebouwen, Dat voor zover de wijziging van manège en verhuur van paardenhokken met herberg naar herberg met restaurant en een kleine feestzaal als een bestemmingswijziging wordt beschouwd, quod non, deze wijziging niet voorkomt op de lijst die de Vlaamse Executieve op 17 juli 1984 heeft X-11.999-9/21 vastgesteld (schending van artikel 44 van de Stedenbouwwet, zoals gewijzigd door het decreet van 28 juni 1984, artikel 42 van het Stedenbouwdecreet en het besluit van de Vlaamse Executieve op 17 juli 1984), Dat bovendien het besluit van de Vlaamse Executieve van 17 juli 1984 tot stand gekomen is met schending van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (...), Dat het besluit van de Vlaamse Executieve van 17 juli 1984 bijgevolg, gelet op artikel 159 van de Grondwet, niet mag worden toegepast, dat er bij gebreke aan wettige lijst er geen vergunningsplicht was tot 2000 (...), Dat artikel 145bis DRO bijgevolg ten onrechte werd toeg(e)past (schending van artikel 145bis DRO en machtsoverschrijding). Het eerste middel is gegrond”. 3.1.
- Beoordeling 3.1.2.
- Het kwestieuze gebouw is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.1.2.
- Artikel 3 van het besluit van 17 juli 1984 van de Vlaamse regering houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen trad in werking op 9 september 1984 en bepaalde toentertijd wat volgt : “(...) Wanneer het gebruik van een vergund gebouw gewijzigd wordt wat de hoofdfunctie betreft, naar een nieuw gebruik, dan wordt deze gebruikswijziging geacht een belangrijke ruimtelijke weerslag te hebben op de onmiddellijke omgeving wanneer het gaat om een gebouw gelegen in een agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied en het nieuwe gebruik bestaat uit een ander dan een agrarisch gebruik. Voor deze gebruikswijzigingen dient voorafgaandelijk een vergunning bekomen te worden krachtens de in artikel 44, paragraaf 1, punt 7, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, gestelde regelen”. Artikel 192bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna DRO), zoals het werd ingevoegd bij artikel 54 van het decreet van 21 november 2003 tot wijziging van het eerst vermelde decreet, bepaalde op het ogenblik van het bestreden besluit wat volgt : “Tot de dag waarop de in artikel 99, § 1, 6/, bedoelde lijst van vergunningsplichtige functiewijzigingen in werking treedt en met terugwerkende kracht vanaf 9 september 1984, worden eveneens de hierna vermelde gebruikswijzigingen geacht vergunningsplichtig te zijn vanwege de belangrijke ruimtelijke weerslag op de onmiddellijke omgeving : (...) 3/ wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik is niet agrarisch”. X-11.999-10/21 3.1.2.
- Aangenomen dient te worden dat de wijziging van de bestemming manège - verhuur van paardenhokken - herberg, zijnde een in hoofdzaak recreatieve functie, naar de bestemming feestzaal - taverne - woning, waardoor de voormelde recreatieve hoofdfunctie wordt verlaten voor een andere niet-agrarische functie, een vergunningsplichtige gebruikswijziging uitmaakt in de zin van het voormelde artikel 3 van het besluit van 17 juli 1984 van de Vlaamse regering en artikel 192bis, 3/ DRO. 3.1.2.
- Gelet op het voorgaande en op grond van de overwegingen dat “de vergunningsplicht voor het wijzigen van bestemmingen werd vastgesteld bij het Besluit van de Vlaamse Executieve houdende het vergunningsplichtig maken van sommige gebruikswijzigingen en is verschenen in het Belgisch Staatsblad op 30 augustus 1984”, “dit is nog geen jaar nadat de melding werd gedaan voor het gebouw dat het werd gebruikt als manège”, en dat “bijkomend wordt vermeld dat bij het bevolkingsregister in de Steenvoordestraat 41, het gebouw in kwestie, voor het eerst twee personen staan ingeschreven in 1993”, kon de verwerende partij terecht besluiten “dat zowel de feestzaal als de woning werden ingericht na 1984 en dat toen reeds een stedenbouwkundige vergunning voor de bestemmingswijziging moest aangevraagd worden”. Minstens toont de verzoekende partij het tegendeel niet aan. 3.1.2.
- De door de verzoekende partij aangevoerde onwettigheid van het voormelde besluit van 17 juli 1984 van de Vlaamse regering is niet van aard het bestreden besluit te vitiëren, gelet op het bepaalde in artikel 192bis DRO. De omstandigheid dat deze laatste bepaling niet uitdrukkelijk in het bestreden besluit wordt vermeld, is niet van aard om anders te oordelen. Het middel is niet gegrond. Prejudiciële vraag In haar toelichtende memorie vraagt de verzoekende partij de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : “Schendt artikel 192bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003, het wettigheidsbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet alsmede bij artikel 7 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en het gelijkheids- en nondiscriminatiebeginsel gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de X-11.999-11/21 Grondwet, doordat het welbepaalde gebruikswijzigingen retro-actief vergunningsplichtig stelt ?”. Vermits het onder randnummer 2.7 geciteerde arrest nr. 56/2005 van 8 maart 2005 van het Grondwettelijk Hof, waarin een beroep tot vernietiging van artikel 192bis DRO, zoals ingevoegd bij artikel 54 van het decreet van 21 november 2003, werd verworpen, een voldoende antwoord bevat op de door de verzoekende partij geformuleerde prejudiciële vraag, hoeft deze vraag op grond van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/ van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof niet meer te worden gesteld. 3.
- Het tweede middel 3.2.
- Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de “artikelen 33, 104 en 106 van de Grondwet, het algemeen grondwettelijk beginsel van verbod van delegatie (potestas delegata delegari non potest), tenzij voor bijkomstige en aanvullende bevoegdheden, van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de Staatssecretarissen en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet en schending van artikel 19 van het Inrichtingsbesluit” : “Doordat, de bestendige deputatie in het bestreden besluit de regularisatie voor de tenten en de parking weigert omdat deze volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. 7 maart 1977) gelegen zijn in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, Dat het koninklijk besluit van 7 maart 1977 tot vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse niet ondertekend is door een minister maar door een staatssecretaris, te weten de heer Marc Eyskens die in de regering Tindemans I (25 april 1974 tot 18 april 1977), na 15 oktober 1976 de heer Luc Dhoore opvolgd is, Terwijl, luidens artikel 106 van de Grondwet geen akte van de Koning gevolgen kan hebben, wanneer zij niet medeondertekend is door een minister, dat overeenkomstig artikel 33 van de Grondwet de machten moeten uitgeoefend worden op de wijze bij de Grondwet bepaald, dat luidens artikel 104 van de Grondwet de Koning bepaalt wat de bevoegdheid van de staatssecretarissen is en binnen welke perken zij het recht van medeondertekening kunnen krijgen en het verbod van delegatie enkel toelaat dat bijkomstige en aanvullende bevoegdheden kunnen overgedragen worden (...), Dat artikel 106 van de Grondwet een regel is, in tegenstelling tot artikel 159 van de Grondwet, die zich ook tot het actieve bestuur richt, Dat de bevoegdheden van de staatssecretarissen geregeld werden bij koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de Staatsecretarissen, dit besluit houdt rekening met het principiële verbod van delegatie door in artikel 3 de medeondertekening voor de staatssecretarissen uit te sluiten voor de verordenende bevoegdheid. Reglementaire koninklijke besluiten moeten steeds ondertekend worden door een minister (artikel 2,3/ K.B. 24 maart 1972). Het X-11.999-12/21 koninklijk besluit van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is een reglementair besluit en diende dus door een minister te worden ondertekend. Dat te vergeefs beroep zal worden gedaan op het koninklijk besluit van 11 december 1975 dat de heer Luc Dhoore toevoegt aan de Minister van Vlaamse aangelegenheden en hem in zijn hoedanigheid van staatssecretaris van ruimtelijke ordening de bevoegdheid geeft om in afwijking van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 reglementaire koninklijke besluiten in verband met streek- en gewestplannen alleen met de Koning te ondertekenen, zonder dat een minister tekent. Het koninklijk besluit van 11 december 1975 strijdt met de artikelen 33, 104 en 106 van de Grondwet, het verbod van delegatie door een essentiële bevoegdheid, namelijk het ondertekenen van reglementaire koninklijke besluiten, te delegeren aan een staatssecretaris en moet dus buiten toepassing gelaten worden (artikel 159 Grondwet). Het koninklijk besluit van 16 oktober 1976 dat de heer Marc Eyskens benoemt in opvolging van de heer Luc Dhoore en dat de bevoegdheden van de heer Eyskens omschrijft door verwijzing naar het koninklijk besluit van 11 december 1975 is door dezelfde onwettigheid aangetast. Het gaat immers om de voortzetting van de onwettigheid onder een andere naam. Ook dit besluit moet buiten toepassing gelaten worden (artikel 159 Grondwet). Het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de staatssecretarissen dat hen uitsluit van ondertekening van reglementaire koninklijke besluiten is zelf een reglementair koninklijk besluit (...). Benoemingsbesluiten van een individuele staatssecretaris zoals het koninklijk besluit van 11 december 1975 (Dhoore) en het koninklijk besluit van 16 oktober 1976 (Eyskens) kunnen daarvan dan ook niet afwijken (patere legem quam ipse fecisti). De individuele benoemingsbesluiten werden door het Auditoraat (verslag voorafgaand aan het arrest Van Laethem, nr. 108.832) beschreven als regelingen van inwendige orde. Een regel van inwendige orde kan geen afbreuk doen aan een reglementair koninklijk besluit door in strijdt met dat reglementair koninklijk besluit een bevoegdheid toe te kennen. Deze afwijking strijdt ook met artikel 104 van de Grondwet. Ook om deze redenen moeten de koninklijke besluiten van 11 december 1975 en 16 oktober 1976 buiten toepassing gelaten worden voor zover zij afwijken van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 (artikel 159 Grondwet). Voor de volledigheid moet opgemerkt worden dat het koninklijk besluit van 2 augustus 1972 betreffende de bevoegdheid van de staatssecretarissen voor Huisvesting en Ruimtelijke Ordening door dezelfde onwettigheid aangetast is. Zou men oordelen dat de koninklijke besluiten van 11 december 1975 en 16 oktober 1976 dan toch reglementair van aard zijn, moet opgemerkt worden dat geen van beiden voorgelegd is aan de Afdeling Wetgeving van de Raad van State voor advies. In het voorbij gaan aan deze adviesvereiste is zelfs in het geheel geen beroep gedaan op de hoogdringendheid. Ook in dat geval moeten deze koninklijke besluit bijgevolg buiten toepassing gelaten worden (artikel 159 Grondwet). Voor de volledigheid moet weerom opgemerkt worden dat het koninklijk besluit van 2 augustus 1972 betreffende de bevoegdheid van de staatssecretarissen voor Huisvesting en Ruimtelijke Ordening door dezelfde onwettigheid aangetast is. Aangezien het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse alleen ondertekend is door een staatssecretaris en niet door een minister kan deze akte volgens de duidelijke bewoordingen van artikel 106 van de Grondwet geen gevolgen hebben. Door de weigering te steunen op een bestemming van dat gewestplan geeft de deputatie in strijd met artikel 106 van de Grondwet wel gevolgen aan dat gewestplan. De deputatie diende het beroep en de aanvraag dus enkel te X-11.999-13/21 beoordelen op grond van de goede plaatselijke ordening, wat zij nadrukkelijk niet gedaan heeft (schending van artikel 19 van het Inrichtingsbesluit). Het middel is gegrond”. 3.2.
- Beoordeling 3.2.2.
- De volgende regelgeving is dienaangaande relevant : De artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de staatssecretarissen luiden als volgt : “Artikel
- Onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 2, 3, 4, heeft de Staatssecretaris, in de aangelegenheden die hem zijn toegewezen, alle bevoegdheden van een Minister. Art.
- Benevens de medeondertekening van de Staatssecretaris is die van de Minister waaraan hij is toegevoegd vereist voor : 1/ koninklijke besluiten waarbij een ontwerp van wet bij de Wetgevende Kamers of een ontwerp van decreet bij de Cultuurraad wordt ingediend; 2/ de bekrachtiging en afkondiging van wetten en van decreten; 3/ reglementaire koninklijke besluiten; 4/ koninklijke besluiten houdende oprichting van een betrekking van de rangen 15 tot 17 in een ministerie of van dezelfde belangrijkheid in een instelling van openbaar nut, of houdende benoeming in een zodanige betrekking”. Artikel 3 van hetzelfde besluit bepaalt dat de verordenende bevoegdheid door de staatssecretaris niet wordt uitgeoefend dan met instemming van de minister aan wie hij is toegevoegd. Luidens het koninklijk besluit van 2 augustus 1972 was de handtekening van de minister waaraan de staatssecretaris was toegevoegd niet verplicht voor het vaststellen van streek- en gewestplannen. Dat besluit, dat uitwerking had met ingang van 28 maart 1972, is later opgeheven bij koninklijk besluit van 17 december
- Bij koninklijk besluit van 11 december 1975 wordt de heer L. DHOORE, staatssecretaris voor streekeconomie en voor ruimtelijke ordening en huisvesting, toegevoegd aan de minister van Vlaamse aangelegenheden, met ingang van 11 april 1975, belast met de uitoefening, in het Vlaamse Gewest, van de bij het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de staatssecretarissen bepaalde machten inzake de materies opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 april 1975 tot afbakening, binnen het raam van de bevoegdheden van het ministerie van openbare werken, van de aangelegenheden waarin een verschillend regionaal beleid, geheel of gedeeltelijk, verantwoord is. In “afwijking van de artikelen 2, 3/, en 3, van voormeld koninklijk besluit van 24 maart 1972 ” : X-11.999-14/21 - medeondertekent hij alleen de reglementaire koninklijke besluiten in verband met de streek- en gewestplannen en met de gemeentelijke plannen van aanleg; - ondertekent hij alleen de reglementaire ministeriële besluiten betreffende de ontwerpen van gewestplannen. Bij koninklijk besluit van 16 oktober 1976 wordt de heer Mark EYSKENS benoemd tot staatssecretaris voor streekeconomie en voor ruimtelijke ordening en huisvesting en wordt hij, met onmiddellijke ingang, belast met “de bevoegdheden die aan de heer L. DHOORE werden toevertrouwd bij het koninklijk besluit van 11 december 1975 met als opschrift ‘Staatssecretaris-Bevoegdheden’, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 januari 1976”. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 1977 houdende bepaling van de bevoegdheden van de staatssecretarissen met gewestelijke bevoegdheid bepaalt : “In ieder van de drie gewesten, is de Staatssecretaris voor Streekeconomie belast met de uitoefening, onder het gezag van de Minister aan wie hij is toegevoegd en volgens de modaliteiten bepaald bij het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de Staatssecretarissen, van de bevoegdheden inzake de hierna vermelde materies die geregionaliseerd werden door de wet van 1 augustus 1974 tot oprichting van de gewestelijke instellingen, in voorbereiding van de toepassing van artikel 107quater van de Grondwet, alsmede door haar voormelde uitvoeringsbesluiten : - beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw met inbegrip van het grondbeleid, de stadsvernieuwing en de gezondmaking van verlaten industriële oorden; - (...)”. Voormeld besluit had uitwerking vanaf 3 juni 1977 (artikel 3 van het besluit van 22 juni 1977). In artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 juni 1977 houdende uitbreiding van de bevoegdheden van de Staatssecretaris voor Vlaamse Streekeconomie is ten slotte het volgende bepaald : “Bij afwijking van de artikelen 2, 3/, en 3 van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 betreffende de Staatssecretarissen, mag de Staatssecretaris voor Streekeconomie, toegevoegd aan de Minister van Vlaamse Aangelegenheden, - de reglementaire koninklijke besluiten in verband met de streek- en gewestplannen en met de gemeentelijke plannen van aanleg alleen medeondertekenen; - de reglementaire ministeriële besluiten betreffende de ontwerpen van gewestplannen alleen ondertekenen”. Die regeling had eveneens uitwerking met ingang van 3 juni 1977 (artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 juni 1977). X-11.999-15/21 Het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart
- Het is “van Koningswege” ondertekend door de staatssecretaris voor ruimtelijke ordening en huisvesting, Mark EYSKENS. 3.2.2.
- Ten tijde van de vaststelling van het gewestplan Halle- Vilvoorde - Asse bij het koninklijk besluit van 7 maart 1977 was dus het hoger vermelde koninklijk besluit van 16 oktober 1976 in voege waarbij Mark EYSKENS in zijn hoedanigheid van staatssecretaris voor ruimtelijke ordening wordt belast met “de bevoegdheden die aan de heer L. DHOORE werden toevertrouwd bij het koninklijk besluit van 11 december 1975 ...”. Dit impliceert, gelet op het hoger vermelde koninklijk besluit van 11 december 1975, dat Mark EYSKENS bevoegd was het koninklijk besluit houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse alleen mede te ondertekenen. 3.2.2.
- De verzoekende partij voert ten onrechte aan dat het koninklijk besluit van 16 oktober 1976 met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, omdat het niet aan het voorafgaandelijk advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State was voorgelegd. Luidens het toenmalige artikel 2, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moeten immers o.m. “reglementaire uitvoeringsbesluiten” aan het bedoelde advies worden voorgelegd. Het koninklijk besluit van 16 oktober 1976 komt voor als een benoemingsbesluit, waarbij aan Mark EYSKENS de bevoegdheden van zijn voorganger Luc DHOORE worden toevertrouwd. Dergelijk besluit, dat louter de bevoegdheden van de ene staatssecretaris overdraagt naar een andere staatssecretaris, en dat in hoofdzaak een regeling van inwendige organisatie van de regering is, heeft niet het reglementair karakter dat het voorafgaandelijk advies van de afdeling wetgeving zou noodzaken. 3.2.2.
- Hoewel een koninklijk besluit tot vaststelling van een gewestplan een zeker reglementair karakter heeft, gelet op de bindende en de verordenende kracht ervan, is het toch niet van dezelfde aard als een puur reglementair koninklijk besluit dat een aantal abstracte rechtsregels vastlegt. Het gewestplan doet niet meer dan de bestemmingen van de gronden die onder zijn toepassingsveld vallen, bepalen, dit grotendeels binnen het kader vastgelegd in het koninklijk besluit van X-11.999-16/21 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, dat wel een zuiver reglementair besluit is. Wanneer de koninklijke besluiten van 11 december 1975 en 16 oktober 1976 de staatssecretaris voor ruimtelijke ordening o.m. de bevoegdheid verlenen alleen de “reglementaire koninklijke besluiten in verband met de ... gewestplannen” mede te ondertekenen, wordt ter zake dan ook geen wezenlijke afbreuk gedaan aan het opzet van het koninklijk besluit van 24 maart 1972 en kan dan ook niet van een onaanvaardbare afwijking worden gewaagd. De koninklijke besluiten van 11 december 1975 en 16 oktober 1976 kunnen om dezelfde reden evenmin geacht worden een met de artikelen 33, 104 en 106 van de Grondwet strijdige delegatie van bevoegdheden in te houden. Bijgevolg was Mark EYSKENS, als staatssecretaris voor ruimtelijke ordening, krachtens het koninklijk besluit van 16 oktober 1976, wel degelijk bevoegd om het gewestplan mede te ondertekenen, en om dit alleen te doen. Het middel is niet gegrond. 3.
- Het derde middel 3.3.
- Het aangevoerde derde middel In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 1 EP EVRM, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en met toepassing van artikel 159 van de Grondwet”: “Doordat, de bestendige deputatie in het bestreden besluit de regularisatie weigert omdat de goederen volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. 7 maart 1977) gelegen zijn in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, Terwijl, het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, hetzij bijna 27 jaar geleden! Dat de bestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ voor de percelen waarop de aanvraag betrekking heeft alle relevantie verloren heeft, dat de bevoegde overheden gedurende die 27 jaar geen enkel initiatief genomen hebben om die bestemming te realiseren, dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Ternat dit erkent wanneer het een exploitatievergunning aflevert voor een manège, verhuur van paardenhokken en een herberg, dat bovendien subsidies worden toegekend aan landbouwers om hun landbouwgrond niet te gebruiken overeenkomstig zijn agrarische bestemming, dat voor de betrokken percelen de bestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ dan ook duidelijk moet herzien worden, dat het kennelijk onredelijk en onzorgvuldig is om een achterhaalde bestemming toe te passen, Dat artikel 2 DROG wel bepaalt dat de plannen blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening, maar dat deze X-11.999-17/21 bepaling de bevoegde overheid niet van haar verplichting ontslaat om de wet tijdig uit te voeren, dat dit betekent dat de plannen tijdig moeten worden herzien, dat een herziening zich opdringt wanneer het de bevoegde overheid duidelijk is of zou moeten zijn dat de bestaande bestemming achterhaald is of achterhaald zou kunnen zijn, dat daarvoor geen termijn moet voorgeschreven zijn (...), Dat wanneer de Raad van oordeel zou zijn dat artikel 2 DROG verplicht tot toepassing van een plan waarvan vast staat dat de bestemming voor het betrokken perceel achterhaald is en dat al lange tijd had moeten worden herzien, hierover een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld, zoals geformuleerd in het beschikkend gedeelte van onderhavig beroep, Dat er wat de herziening van de gewestplannen in het algemeen en het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse in het bijzonder betreft, er wel een termijn is, dat de bevoegde minister bij de besprekingen van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de Stedenbouwwet verklaarde: ‘De gewestplannen omvatten een inschatting van deze behoeften gedurende een periode van tien jaar. We moeten op halflange termijn werken en ons niet laten verleiden tot het smeden van toekomstplannen.’ (Parl. St., Senaat, 1968-69, nr. 559, blz. 4; Parl. Hand. 19 oktober 1970, blz. 16; Parl. St., Kamer, 1970-71, nr. 773/2, blz. 3 en 10). Dat deze periode van 10 jaar, waarna de plannen algeheel dienen te worden herzien duidelijk de maatstaf was, dat dit volgt uit de samenlezing van verschillende bepalingen van de Stedenbouwwet/decreet, dat artikel 33 DROG nog steeds bepaalt dat wanneer binnen een termijn van tien jaren, te rekenen van de inwerkingtreding van een plan van aanleg, de onroerende goederen die moeten verworven worden voor de uitvoering van de voorschriften van het plan van aanleg niet zijn aangekocht of de onteigeningsprocedure niet is begonnen, de eigenaar de bevoegde instantie kan verzoeken om van de onteigening af te zien, dat ook de vordering in planschade verjaart na tien jaar te rekenen van de inwerkingtreding van een plan van aanleg, dat deze termijn al bijna 17 jaar verstreken is, Dat beroeper er mocht op vertrouwen dat de bestemming tijdig zou worden herzien, Dat een eigendom die een verouderde bestemming heeft, een bestemming heeft die niet realiseerbaar is, hetgeen hierop neer komt dat de eigendom geen stedenbouwkundige bestemming heeft, hetgeen strijdt met het gelijkheidsbeginsel (...), Dat in zoverre deze ongelijkheid zou afgeleid worden uit artikel 2 DROG hierover een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld, zoals geformuleerd in het beschikkend gedeelte van onderhavig beroep Dat het in stand houden van een verouderde bestemming of het schromelijk nalaten om de bestemming tijdig te herzien, een eigendomsbeperking uitmaakt die strijdt met artikel 1 EP EVRM, Dat de gewestplanbestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ ter plaatse aldus onwettig geworden is omwille van het achterhaald karakter en derhalve buiten toepassing dient gelaten te worden (artikel 159 Grondwet)”. 3.3.
- Beoordeling 3.3.2.
- Artikel 2, § 1 van het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), bepaalt wat volgt : X-11.999-18/21 “(...) De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald (...)”. Het gewestplan is een instrument om de ruimtelijke ordening voor de toekomst vast te stellen. De verordenende kracht ervan verhindert dat de door de verzoekende partij aangevoerde omstandigheden tot de ongeldigheid en niet- verbindendheid van het bestemmingsvoorschrift leiden. 3.3.2.
- In haar verzoekschrift vraagt de verzoekende partij de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : “Schendt artikel 2 DROG de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 16 van de Grondwet, samengelezen met artikel 1 Eerste Protocol EVRM, doordat deze bepaling dwingt tot toepassing van een bestemmingsvoorschrift dat al lange tijd had moeten worden herzien omdat het achterhaald is en niet voor realisering in aanmerking komt, zodat voor de betrokken eigendom in feite geen stedenbouwkundige bestemming is vastgelegd, daar waar eenieder er recht op heeft dat voor zijn eigendom een realiseerbare stedenbouwkundige bestemming wordt vastgelegd ?”. De verzoekende partij toont niet aan dat de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied te dezen achterhaald zou zijn en niet voor realisering in aanmerking komt. Het betoog van de verzoekende partij dat de bevoegde overheden gedurende 27 jaar geen initiatief hebben genomen om de gewestplanbestemming te realiseren, impliceert dat een dergelijk initiatief door de overheden vereist zou zijn geweest om het achterhaald zijn van de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied voor haar percelen te voorkomen, wat te dezen niet wordt aangetoond. De omstandigheid dat het college van burgemeester en schepenen van Ternat een exploitatievergunning voor een manège, verhuur van paardenhokken en een herberg heeft afgeleverd, volstaat op zichzelf evenmin om het achterhaald zijn van de gewestplanbestemming aan te tonen. Voorts wordt niet aangetoond dat subsidies zouden worden toegekend om ieder agrarisch gebruik van de percelen van de verzoekende partij te ontmoedigen, zodat hiermee evenmin het achterhaald zijn van de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied voor deze percelen wordt aangetoond. Aangezien de prejudiciële vraag van een niet aangetoonde premisse uitgaat, moet zij niet worden gesteld. X-11.999-19/21 3.3.2.
- Geen enkele decretale bepaling verplicht de overheid voorts om een gewestplan na een bepaalde termijn te herzien. Het betoog van de verzoekende partij dat deze termijn tien jaar zou bedragen, kan niet worden bijgetreden. Haar verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheiden bij de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de Stedenbouwwet, naar artikel 33 van het gecoördineerde decreet en naar de tienjarige verjaringstermijn inzake planschade volstaat daartoe niet. Het eerst in de laatste memorie aangevoerde betoog van de verzoekende partij dat deze termijn dertig jaar zou bedragen, overeenkomstig de burgerrechtelijke termijn voor verkrijgende verjaring, is onontvankelijk. Hetzelfde geldt voor de eerst in de laatste memorie van de verzoekende partij aangevoerde schending van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-11.999-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig oktober 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.999-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.056 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div