id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.057 Rolnummer: A. 174190/X-12901 Zaak: Arrest 197057 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:42 Fiche Arrest nr 197.057 van 20 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.057 van 20 oktober 2009 in de zaak A. 174.190/X-12.
- In zake: Hélène d’UDEKEM d’ACOZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Clive Van Aerde kantoor houdend te 8200 BRUGGE, Rijselstraat 274 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 juni 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 25 april 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende inwilliging van het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 13 januari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij Hélène d’UDEKEM d’ACOZ de stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het herbouwen van een landwoning aan de Couthoflaan 36 te Proven-Poperinge, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 292/c. II. Verloop van de rechtspleging
- Met het arrest nr. 171.346 van 22 mei 2007 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft op 4 juni 2007 het verzoekschrift tot voortzetting ingediend. X-12.901-1/6 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag neergelegd. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Met een beschikking van 22 juni 2009 is de datum van de terechtzitting vastgesteld op 11 september
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Clive Van Aerde, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Rudy Verschraegen, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij beslissing van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is sinds 1999 eigenares van een landhuis met bijbehorende grond, gelegen aan de Couthoflaan 36 te Poperinge (Proven), kadastraal bekend sectie C, nr. 292/c. Die eigendom is gelegen op circa 250 à 275 meter van de Couthoflaan en is ermee verbonden via een private weg. 3.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 augustus 1979 vastgestelde gewestplan Ieper-Poperinge is het voormelde perceel gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Voor het gebied waarin het perceel is begrepen, bestaat er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Evenmin is X-12.901-2/6 het perceel gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 3.
- Een bouwaanvraag die de verzoekster op 30 augustus 1999 (datum van het ontvangstbewijs) heeft ingediend tot het “verbouwen” van de voormelde “landwoning”, is op 3 mei 2000 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Poperinge geweigerd. 3.
- Bij proces-verbaal van 3 januari 2001 wordt door de stedenbouwkundige inspecteur de uitvoering vastgesteld en stilgelegd van als volgt omschreven werken aan de kwestieuze woning: “sloping van de zuidwestelijke gevel van de bestaande landwoning en bouwen aldaar van een nieuwe binnenspouwmuur, alsmede het heraanleggen, verbreden tot 4 meter en bijkomend verharden met steenbrokken van het toegangspad, zonder vergunning”. 3.
- Op 21 augustus 2002 weigert het schepencollege een door de verzoekster op 19 februari 2002 (datum van het ontvangstbewijs) ingediende aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het “verbouwen” van de “landwoning” en het “regulariseren (van een) reeds gedeeltelijk heropgebouwde zijgevel”. Het beroep daartegen is op 6 maart 2003 door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen ontvankelijk en gegrond bevonden, zodat aan de verzoekster de vergunning is verleend. Tegen dat besluit van de bestendige deputatie heeft de gemachtigde ambtenaar op 2 april 2003 een beroep ingesteld bij de Vlaamse minister, bevoegd voor ruimtelijke ordening. Aan die minister heeft de verzoekster op 9 maart 2004 een brief gestuurd waarin zij verklaart, enerzijds, dat ze afstand doet van “de bouwaanvraag ingediend op 19/02/2002 met betrekking (tot) het verbouwen van een woning gelegen Couthoflaan, 36 (...) Proven” alsmede van “de bouwvergunning” die haar is “toebestemd (...) door de Bestendige Deputatie van 06/03/2003”, en anderzijds, dat ze “met betrekking tot (het) herbouwen van deze woning (...) een nieuwe bouwaanvraag (zal) indienen bij het Gemeentebestuur van de stad Poperinge”. Gelet op de voormelde brief van 9 maart 2004 heeft de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening op 2 maart 2005 besloten om het beroep van de gemachtigde ambtenaar in te willigen en de beslissing van 6 maart 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen te vernietigen. Hij heeft daartoe overwogen dat de voorliggende aanvraag ingevolge de voormelde brief “zonder voorwerp is geworden en het X-12.901-3/6 dossier als afgesloten dient beschouwd te worden” alsook dat “teneinde de procedure te beëindigen het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient ingewilligd te worden omdat anders door de bestendige deputatie een stedenbouwkundige vergunning zou verleend blijven aan iemand die reeds te kennen heeft gegeven af te zien van de aanvraag”. 3.
- Op 11 maart 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekster bij het college van burgemeester en schepenen van Poperinge een nieuwe aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het “herbouwen van een landwoning” met een volumevermeerdering van 407 m³ naar 569 m³. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek dat over die aanvraag is gehouden, zijn geen bezwaarschriften ingediend. 3.
- Het college van burgemeester en schepenen brengt op 21 april 2004 een gunstig preadvies uit over de aanvraag. Ook het advies van 18 mei 2004 van de afdeling Wegen en Verkeer West-Vlaanderen, district Ieper, is gunstig. Door de afdeling Land van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap wordt op 19 mei 2004 een voorwaardelijk gunstig advies uitgebracht. De gemachtigde ambtenaar brengt op 7 juli 2004 een ongunstig advies uit. 3.
- Omwille van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar weigert het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 14 juli 2004 de gevraagde vergunning. 3.
- Tegen dat weigeringsbesluit stelt de verzoekster bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen beroep in. Dat beroep wordt op 13 januari 2005 ontvankelijk en gegrond bevonden, zodat de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend. 3.
- De gemachtigde ambtenaar stelt daartegen bij de bevoegde Vlaamse minister op 10 februari 2005 beroep in. X-12.901-4/6 3.
- Bij het bestreden besluit van 25 april 2006 heeft de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening dat beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en het besluit van 13 januari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen vernietigd. 3.
- Op 6 november 2001 heeft de stedenbouwkundig inspecteur bij de procureur des Konings van het parket te Ieper een herstelvordering ingeleid. De wederrechtelijk uitgevoerde werken worden daarin omschreven als volgt : “zonder in het bezit te zijn van de voorafgaande en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen een grond te hebben gebruikt voor het slopen van de zuidwestelijke gevel van de bestaande landwoning en het bouwen aldaar van een nieuwe binnenspouwmuur, alsmede het heraanleggen, verbreden tot 4 meter en bijkomend verharden met steenbrokken van het toegangspad”. Er wordt een “herstel in de oorspronkelijke staat” gevorderd, namelijk : “de afbraak van de wederrechtelijk verbouwde verkrotte woning, het supprimeren van de wederrechtelijk aangelegde toegangsweg en het verwijderen van alle afbraakmateriaal van de woning en van alle uitbraakproducten afkomstig van de toegangsweg, buiten het terrein”. 3.
- In een proces-verbaal van vaststelling van 6 augustus 2007 wordt met betrekking tot het betrokken perceel de sloop “van een woning met bijhorend schuurtje en ingestorte bakoven” vastgesteld. 3.
- Bij tussenvonnis van 10 december 2007 verklaart de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement Ieper de voormelde herstelvordering zonder voorwerp “inzoverre deze er op gericht was ‘de afbraak van de wederrechtelijk verbouwde verkrotte woning en het verwijderen van alle afbraakmateriaal van de woning buiten het terrein’ te bevelen”. Voorts worden de debatten heropend om de herstelvordering, voor het overige, voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Herstelbeleid voor te leggen. 3.
- Uit een stuk dat de verzoekster per brief van 22 juli 2009 aan de Raad van State heeft bezorgd, blijkt dat met betrekking tot de toegangsweg bij besluit van 12 mei 2009 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, een stedenbouwkundige vergunning is afgegeven onder de X-12.901-5/6 voorwaarden dat de verbrede weg in geen geval permanent wordt verhard en dat de wegbreedte maximum 3 meter bedraagt. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve aangevoerd dat de vordering onontvankelijk is omdat de vergunningverlenende overheid in geval van vernietiging van het bestreden besluit verplicht is om de gevraagde vergunning opnieuw te weigeren, zodat in hoofde van de verzoekster het rechtens vereiste belang ontbreekt. De Raad van State kan evenwel thans nog niet vooruitlopen op -laat staan de wettigheid beoordelen van- een nog te nemen beslissing.
- Het is derhalve noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat ook de middelen door een lid van het auditoraat worden onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. BESLISSING
- De Raad van State heropent de debatten.
- De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.901-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.057 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.346 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.387 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div