← België

Arrest 197137 - Milieuvergunningen - 22/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.137 Rolnummer: A. 183375/VII-36987 Zaak: Arrest 197137 - Milieuvergunningen - 22/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:43 Fiche Arrest nr 197.137 van 22 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. VIIe KAMER nr. 197.137 van 22 oktober 2009 in de zaak A. 183.375/VII-36.987 In zake : Greet DECLERCK-NOTELÉ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te Leuven Vaartstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te Avelgem Kasteelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA VERHAEREN BETON EN ASFALT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te Mechelen Antwerpsesteenweg 18 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 mei 2007 , strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 19 maart 2007 waarbij, enerzijds, het ministerieel besluit nr. AMV/00141220/1001 van 23 februari 2006 wordt ingetrokken en, anderzijds, een aantal beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 september 2005, houdende het verlenen aan de BVBA Verhaeren Beton en Asfalt van de milieuvergunning voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimber- gen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing tot verlening van de milieuvergunning wordt bevestigd, met dien verstande dat het gebruik van VII-36.987-1/31 aardgas voor de werking van de asfaltbetoncentrale verplicht wordt gesteld en de bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 178.890 van 24 januari 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 april 2008. De tussenkomende partij heeft laattijdig een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 september 2009. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Heidi Vanhorebeek, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekster, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Thomas Ryckalts, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-36.987-2/31 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten De gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat : 3. Op 29 april 2005 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimbergen. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort : - de opslag van 10.580 ton bitumen, freesasfalt en asfalt; - het lozen van 57,6 m3/uur - 14.550 m3/jaar bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater; - één transformator met een nominaal vermogen van 1.000 kVA; - het stallen van vijf voertuigen; - één compressor en een koelinstallatie met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 18,5 kW; - de opslag van 480 liter gassen (zuurstof, propaan en acetyleen) in verplaatsbare recipiënten; - de opslag van 378 kilogram schadelijke, corrosieve, irriterende en oxyderende stoffen (antikleef, antivries en reinigingsproducten); - de opslag van 60.000 liter gasolie in een bovengrondse dubbelwandige houder; - de opslag van 1.328 liter P4-producten (smeerolie) en 1.000 liter afvalolie; - een brandstofverdeelinstallatie met één slang; - een laboratorium voor kwaliteitscontrole; - een inrichting voor het behandelen van metalen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van tien kW; - een asfaltbetoncentrale met een totaal vermogen van 973 kW; - de opslag van minerale producten op een terrein met een totale oppervlakte van 2,09 hectare; - twee stookinstallaties (droog- en paralleltrommel), met een thermisch vermogen van respectievelijk 20 Mw en 9,7 Mw. 4. Tijdens het openbaar onderzoek van voornoemde aanvraag worden 27 bezwaarschriften ingediend waarin de bezwaarindieners onder meer wijzen op stofhinder, geurhinder en verkeersoverlast ten gevolge van de exploitatie van de inrichting. VII-36.987-3/31 5. Op 8 september 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. De milieuvergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende bijzondere voorwaarden : "Artikel 1 Ingevolge art. 4.2.5.1.1.§ 1 van Vlarem II dient er geen meetgoot geplaatst te worden maar een controleput na het bufferbekken. Artikel 2 In afwijking van de sectorale bepalingen zal gewerkt worden vanaf 5.00 uur en desgevallend 's nachts en tijdens de weekends. De nachtwerkzaamheden (voor 5.00

  1. u)dienen beperkt te worden tot 50 nachten/jaar. Het aantal weekenddagen incl. feestdagen dient beperkt tot max. 10. Artikel 3 Alle preventieve maatregelen opgenomen in bijlage D.4.1.6/E en bijlage D.4.10/4.11 (energiestudie) van de milieuvergunningsaanvraag dienen onverminderd uitgevoerd te worden. Artikel 4 Om de verkeersafwikkeling van en naar de inrichting op een voor de omgeving zo gunstig mogelijke wijze te laten verlopen, dient de exploitant een bedrijfsvervoersplan betreffende het te volgen traject van het wegtransport op te stellen waarin rekening gehouden wordt met het advies van het College van Burgemeester en Schepenen van Grimbergen. Artikel 5 De laadplaats voor transportwagens van warm asfalt dient zodanig bouwkundig aangepast te worden dat de vrijkomende emissies afgezogen kunnen worden en verspreid via de schoorsteen. Artikel 6 De stoffilters dienen jaarlijks onderhouden en zo nodig vervangen te worden. Artikel 7 Om stofhinder te voorkomen dienen over het ganse terrein sprinklers geïnstalleerd te worden. Artikel 8 Binnen een termijn van 1 jaar na de datum van onderhavige beslissing dient de exploitant een rapport op te stellen waarin de overschakeling op aardgas onderzocht wordt. Dit rapport dient overgezonden te worden aan de bestendige deputatie en aan de afdeling Milieu-inspectie". 6. Tegen de beroepen beslissing worden verscheidene beroepen ingesteld bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, door respectievelijk : - het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen; - de tussenkomende partij die een verdubbeling van het aantal vergunde weekenddagen wenst te verkrijgen; - Bart Laeremans, Steven Dupont, Marie-Claire Wachtelaer en Marc Coenen, in hun hoedanigheid van inwoner en gemeenteraadslid van de gemeente Grimbergen; - Ria Turcksin, gemeenteraadslid te Grimbergen; VII-36.987-4/31 - de VZW Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen; - 251 omwonenden van de geplande inrichting. 7. In het kader van de beroepsprocedure worden adviezen verleend : (
  2. a)de afdeling Natuur deelt op 8 november 2005 mee dat de exploitatie van de inrichting "naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen heeft op natuurwaarden waarvan de wijzigingen vergunningsplichtig is of op natuurgebieden die in uitvoering van het gewestelijk beleid als prioritair te beschermen beschouwd worden"; in een later advies van 1 december 2005 stelt zij echter dat wel een negatieve impact kan worden verwacht op het nabijgelegen natuurgebied "Domein van Borgt" en dat, om de verwachte negatieve impact te beperken, gevraagd wordt het gebruik van de best beschikbare technieken voor asfaltbetoncentrales als voorwaarde in de milieuvergunning op te nemen en dat voorgesteld wordt de aanleg van een groenscherm tussen de inrichting en het betrokken natuurgebied te voorzien; (
  3. b)de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM) verleent op 21 november 2005 en 23 november 2005 drie gunstige adviezen met betrekking tot de vergunningsaanvraag; (
  4. c)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert op 28 november 2005 eveneens gunstig; (
  5. d)de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 2 december 2005 gunstig mits de in eerste aanleg opgelegde voorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden; (
  6. e)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 5 december 2005 voor om de ingestelde beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen mits wijziging en aanvulling van de exploitatievoorwaarden en mits de inrichting zal werken op aardgas. 8. Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2006 worden de ontvankelijk bevonden beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard. De beroepen beslissing wordt in die zin gewijzigd dat de verplichting wordt opgelegd om aardgas te gebruiken voor de werking van de asfaltbetoncentrale, en dat vervolgens de bijzondere exploitatievoorwaarden, eensdeels, worden gewijzigd waardoor het aantal weekenddagen waarop werkzaamheden mogen plaatsvinden, wordt uitgebreid tot maximaal twintig dagen en, anderdeels, worden aangevuld met zeven bijkomende voorwaarden. Ten gevolge van voornoemd besluit zien de bijzondere exploitatievoorwaarden er als volgt uit : VII-36.987-5/31 "Artikel 1 Ingevolge art. 4.2.5.1.1.§ 1 van Vlarem II dient er geen meetgoot geplaatst te worden maar een controleput na het bufferbekken. Artikel 2 In afwijking van de sectorale bepalingen zal gewerkt worden vanaf 5.00 uur en desgevallend 's nachts en tijdens de weekends. De nachtwerkzaamheden (voor 5.00
  7. u)dienen beperkt te worden tot 50 nachten/jaar. Het aantal weekenddagen, inclusief feestdagen dient beperkt tot maximaal 20. Artikel 3 Alle preventieve maatregelen opgenomen in bijlage D.4.1.6/E en bijlage D.4.10/4.11 (energiestudie) van de milieuvergunningsaanvraag dienen onverminderd uitgevoerd te worden. Artikel 4 Om de verkeersafwikkeling van en naar de inrichting op een voor de omgeving zo gunstig mogelijke wijze te laten verlopen, dient de exploitant een bedrijfsvervoersplan betreffende het te volgen traject van het wegtransport op te stellen waarin rekening gehouden wordt met het advies van het College van Burgemeester en Schepenen van Grimbergen. Artikel 5 De laadplaats voor transportwagens van warm asfalt dient zodanig bouwkundig aangepast te worden dat de vrijkomende emissies afgezogen kunnen worden en verspreid via de schoorsteen. Mede op basis van de resultaten van de geurstudie van 18 november 2005, wordt de laadplaats voorzien van snelsluitende poorten aan beide zijden. Artikel 6 De stoffilters dienen jaarlijks onderhouden en zo nodig vervangen te worden. Artikel 7 Om stofhinder te voorkomen dienen over het ganse terrein sprinklers geïnstalleerd te worden. Artikel 8 Binnen een termijn van 1 jaar na de datum van onderhavige beslissing dient de exploitant een rapport op te stellen waarin de overschakeling op aardgas onderzocht wordt. Artikel 9 De droogtrommel dient ingekapseld te worden volgens de bepalingen vermeld in de geluidsstudie van 25 november 2005. De zeefinstallatie en de paralleltrommel dienen eveneens ingekapseld te worden; Artikel 10 De aanvoer van grondstoffen (met uitzondering van bitumen, recyclage-asfalt en vulstof) dient te gebeuren via het kanaal; Artikel 11 De opslag van fijn zand, kalksteen en porfier dient overdekt te worden; Artikel 12 Er dient een veeginstallatie voorzien te worden die de verharde oppervlakte regelmatig reinigt; Artikel 13 De schouw dient een hoogte te hebben van minstens 39 m; Artikel 14 De opslagbunkers aan de zijkanten van het terrein dienen een hoogte te hebben van minstens 3 m; Artikel 15 Binnen de maand na inwerkingtreding van de installatie dient een controlemeetprogramma met betrekking tot de luchtemissies opgestart te worden". VII-36.987-6/31 De overige bepalingen van de beroepen beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant worden bevestigd. 9. Voornoemd besluit van 23 februari 2006 wordt vervolgens aangevochten bij de Raad van State. Bij arrest van de Raad van State nr. 166.541 van 11 januari 2007 wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 23 februari 2006 bevolen. 10. Na het schorsingsarrest brengt de afdeling Stedenbouwkundig Beleid op 25 januari 2007 een nieuw advies uit over de vergunningsaanvraag. In dat advies wordt het volgende gesteld : "De aanvraag betreft het bekomen van een milieuvergunning voor de exploitatie van een nieuwe inrichting, zijnde een asfaltbetoncentrale. Bij Ministerieel Besluit van 23 februari 2006 werd een milieuvergunning gegeven die na een beroep bij de Raad van State is geschorst op 11 januari 2007, voornamelijk omwille van de motivering inzake de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting. Concreet werd enkel getoetst aan de bestemming industriegebied, terwijl er nog een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift 'gebied voor watergebonden bedrijven' van toepassing is. Het arrest stelt tevens dat er geen antwoord werd geformuleerd op het beroepsargument dat 'het betreffende gebied niet werd ingericht'. De grond is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gedeeltelijk gewijzigd en definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering op 17 juli 2000, gelegen in een gebied voor watergebonden bedrijven. Artikel 21 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse stelt dat dit gebied bestemd is voor de vestiging van bedrijven waarvan de werking op één of andere wijze verbonden is met de aanwezigheid van waterinfrastructuur. Er kan pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven worden verleend nadat de overheid het gebied heeft ingericht. Bij de inrichting van het gebied wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone. De bestaande niet-watergebonden bedrijven kunnen verder ontwikkelen in het gebied. Ze worden echter niet vervangen door andere niet- watergebonden bedrijfsactiviteiten. Het betrokken voorschrift vereist geen ordeningsplan, want dat wordt niet uitdrukkelijk gesteld in het voorschrift, maar legt door de bedoelde 'inrichting' wel de nadruk op een kwalitatieve invulling van het gebied. Volledigheidshalve kan nog gemeld worden dat er geen bijzonder plan van aanleg of verkaveling bestaat. In de bewuste zone voor watergebonden bedrijvigheid zijn reeds verschillende bedrijven aanwezig. De omliggende industrieterreinen zijn bebouwd. De omliggende industrieën naar de kanaalzone toe bestaan uit afvalverwerkende bedrijven met beperkte en lage bebouwingshoogte. De meeste bedrijven werden reeds vóór de gewestplanwijziging van 2000 vergund. Voor bepaalde terreinen was er zelfs bedrijvigheid in de jaren '70. De inrichting van betrokken zone is dus voldoende bekend. Het terrein is verbonden met de Westvaartdijk via een 240 meter lange inrit. Het projectgebied wordt begrensd langs noordelijke, zuidelijke en oostelijke VII-36.987-7/31 zijde door een gebied voor watergebonden bedrijven en langs de westelijke zijde, aan de overkant van de Fabriekstraat en de Humbeeksesteenweg, ligt het natuurpark 'Van Borght' met daarachter - op een afstand van ongeveer 200 meter van de geplande inrichting - een woongebied. Het terrein ligt langs de westelijke zijde tevens parallel met het kanaal Brussel-Willebroek. Deze ligging biedt als voordeel dat de grondstoffen (zand en stenen) voor 90% via het kanaal zullen kunnen worden aangevoerd. Er wordt met andere woorden voldaan aan de bestemmingsvoorschriften. De minister bevoegd voor ruimtelijke ordening heeft op 28 april 2006 beslist het bouwberoep van de particulier in te willigen op voorwaarde dat plan 7/7 'plan toegangsweg' wordt nageleefd. Daarmee werd dus de stedenbouwkundige vergunning toegekend. Tegen deze beslissing werd op 31 mei 2006 door omwonenden een verzoekschrift tot vordering tot schorsing ingediend bij de Raad van State. Het arrest van de Raad van State nr.163.155 van 4 oktober 2006 heeft de vordering tot schorsing verworpen. Aangaande de thans wel geschorste milieuvergunning verzocht de uitbater ten aanzien van de door de bestendige deputatie toegestane vergunning een afwijking en vraagt hij om maximum 20 weekenddagen te mogen werken in plaats van de opgelegde 10 weekenddagen met de bedoeling om mobiliteitsproblemen, die ecologisch en economisch nadelig zijn te vermijden. Dit element op zich heeft weinig of geen impact op de ruimtelijke ordening, hoewel het ook afhangt van aard en locatie van de aan- en afvoerroutes van grondstoffen en producten (bvb. als die door woongebied lopen). Daarnaast werd ook door derden, o.a. omwonenden, het college van burgemeester en schepenen, een milieuvereniging..., beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie inzake milieuvergunning. De aangehaalde elementen in deze beroepsschriften hebben in hoofdzaak betrekking op : stof- en geurhinder, toenemende verkeerslast, de ligging in de nabijheid van een natuurgebied, gezondheidsrisico's en dergelijke, zaken die vooral van milieutechnisch aard zijn of met de uitbating te maken hebben en eveneens op zich geen ruimtelijke ordeningsaspecten betreffen, gelet op de geldende gewestplanbestemming ter plaatse. Gelet op de verenigbaarheid van de inrichting met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, zoals hierboven aangehaald, wordt over de aanvraag een gunstig advies uitgebracht. Het voorstellen van de voorwaarden, nodig om de hinder van de inrichting te beperken tot een voor de woon- en natuurlijke omgeving aanvaardbaar niveau, behoort tot de bevoegdheid van de Afdeling Milieuvergunningen". 11. Op 19 maart 2007 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur een besluit waarbij het door de Raad van State geschorste besluit van 23 februari 2006 wordt ingetrokken. Tegelijk neemt de minister een nieuwe beslissing over de grond van de zaak die, behoudens de motivering, volledig identiek is aan het ingetrokken besluit. Het bestreden besluit wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de afdeling Natuur op 1 december 2005 een gunstig advies heeft geformuleerd, op voorwaarde dat de exploitant de beste beschikbare technieken voor asfaltbetoncentrales zou toepassen; dat er tevens wordt voorgesteld een groenscherm te voorzien; overwegende dat uit de VII-36.987-8/31 volgende overwegingen van dit besluit zal blijken dat aan deze voorwaarden voldaan wordt; Overwegende dat de Raad van State met het arrest nr. 166.541 van 11 januari 2007 de schorsing heeft bevolen van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit nr. AMV/141220/l00l van 23 februari 2006 waarbij de beroepen ingesteld tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 september 2005, houdende het verlenen aan de bvba Verhaeren Beton en Asfalt van de vergunning voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard; dat de Raad van State stelt dat het tweede middel, waarin de schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel wordt opgeworpen, ernstig is, omdat de inrichting enkel werd getoetst aan de bestemming industriegebied, terwijl er nog een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift 'gebied voor watergebonden bedrijven' van toepassing is; dat bij de milieuhygiënische beoordeling van de vergunningsaanvraag wel werd ingegaan op de watergebondenheid van de geplande asfaltbetoncentrale, maar dat dit volgens de Raad van State los staat van de stedenbouwkundige toetsing; dat het bovenvernoemde arrest tevens stelt dat er geen antwoord werd geformuleerd op het beroepsargument dat 'het betreffende gebied niet werd ingericht'; Overwegende dat, mede gelet op hoger vermeld arrest van de Raad van State, het aangewezen is om het ministerieel besluit nr. AMV/l4l220/1001 van 23 februari 2006 in te trekken en opnieuw uitspraak te doen over de beroepen ingesteld tegen het bestreden besluit van de bestendige deputatie; Overwegende dat de afdeling Stedenbouwkundig Beleid een nieuw en eveneens gunstig advies heeft geformuleerd op 25 januari 2007, waarvan de overwegingen kunnen bijgetreden worden; Overwegende dat artikel 21 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse stelt dat een gebied voor watergebonden bedrijven bestemd is voor de vestiging van bedrijven waarvan de werking op één of andere wijze verbonden is met de aanwezigheid van waterinfrastructuur; dat er pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven kan worden verleend nadat de overheid het gebied heeft ingericht; dat bij de inrichting van het gebied aandacht wordt besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone; dat de bestaande niet-watergebonden bedrijven verder kunnen ontwikkelen in het gebied; dat ze echter niet worden vervangen door andere niet-watergebonden bedrijfsactiviteiten; Overwegende dat het betrokken voorschrift geen ordeningsplan vereist, want dat wordt niet uitdrukkelijk gesteld in het voorschrift, maar dat het door de bedoelde 'inrichting' wel de nadruk legt op een kwalitatieve invulling van het gebied; dat er volledigheidshalve nog kan gemeld worden dat er geen bijzonder plan van aanleg of verkaveling bestaat; Overwegende dat in bewuste zone voor watergebonden bedrijven reeds verschillende bedrijven aanwezig zijn; dat de omliggende industrieterreinen zijn bebouwd; dat de omliggende industrieën naar de kanaalzone toe bestaan uit afvalverwerkende bedrijven met beperkte en lage bebouwing(s)hoogte; dat de meeste bedrijven reeds vóór de gewestplanwijziging van 2000 werden vergund; dat voor bepaalde terreinen er zelfs bedrijvigheid was in de jaren '70; dat de inrichting van betrokken zone dus voldoende bekend is; Overwegende dat het terrein verbonden is met de Westvaartdijk via een 240 m lange inrit; dat het projectgebied wordt begrensd langs noordelijke, zuidelijke en oostelijke zijde door een gebied voor watergebonden bedrijven en langs de westelijke zijde, aan de overkant van de Fabriekstraat en de Humbeeksesteenweg, ligt het natuurpark 'Van Borght', met daarachter - op een afstand van ongeveer 200 m van de geplande inrichting - een woongebied; dat VII-36.987-9/31 het terrein langs de westelijke zijde tevens parallel ligt met het kanaal Brussel-Willebroek; dat deze ligging als voordeel biedt dat de grondstoffen (zand en stenen) voor 90% via het kanaal zullen kunnen worden aangevoerd; dat er met andere woorden, ook volgens de afdeling Stedenbouwkundig Beleid, wordt voldaan aan de bestemmingsvoorschriften; Overwegende dat de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening op 28 april 2006 de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor de bouw van de asfalt(beton)centrale en de toegangsweg, op voorwaarde dat plan 7/7 'plan toegangsweg' wordt nageleefd; dat in deze beslissing wordt bevestigd dat de inrichting verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift 'gebied voor watergebonden bedrijven' en met de onmiddellijke omgeving en goede plaatselijke ordening; Overwegende dat het watergebonden karakter van de inrichting duidelijk kan afgeleid worden uit de gegevens verstrekt in de milieuvergunningsaanvraag, en in het bijzonder het gegeven dat de grondstoffen voor 90 % via het kanaal zullen worden aangevoerd; dat ook in de overeenkomst van de exploitant met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik van de waterweg de watergebondenheid van het bedrijf wordt bevestigd; Overwegende dat bijgevolg kan worden gesteld dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, bestaanbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, en, mede gelet op de hiernavolgende overwegingen inzake hinderaspecten, verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag het exploiteren van een nieuwe asfaltcentrale betreft; Overwegende dat de jaarlijkse productie van asfalt ingeschat wordt op 150.000 ton/jaar; dat de volgende grondstoffen worden gebruikt : zand, steenslag, recyclage asfalt, bitumen en vulstof; Overwegende dat om een goede hechting te krijgen met de bitumen, stenen, zand en vulstof droog moeten zijn; dat voor de vulstof, die wordt opgeslagen in een silo, geen droging nodig is; dat de droging van de stenen en het zand gebeurt door verwarming in de droogtrommel; Overwegende dat in deze roterende trommel er een rechtstreeks contact is tussen de granulaten en de warmtestroom afkomstig van de vlam van de brander; dat de brander geïntegreerd is in de droogtrommel en er dus geen aparte verbrandingskamer aanwezig is; dat de hete gasstroom in tegenrichting stroomt met de beweging van de stenen en het zand, waardoor deze materialen gedroogd worden; dat de hete gasstroom een deel van de fijnste materialen meeneemt en dat deze via een voorafscheider en een ontstoffingsinstallatie (doekenfilters) uit de afgassen worden verwijderd; Overwegende dat het fijne stof dat in de doekenfilters wordt afgescheiden, wordt opgeslagen in een silo en wordt gerecycleerd als vulstof in het asfaltmengproces terwijl het grove stof bij het zand wordt gevoegd; Overwegende dat de warme, gedroogde mineralen via een warme ladder naar de zeefinstallatie worden gebracht waar ze uitgezeefd worden in 6 fracties; dat onder de zeefinstallatie zich de warme wachtsilo's bevinden van waaruit de materialen in een weeginstallatie gebracht worden om in de juiste verhouding in de menger gemengd te worden met bitumen en vulstof; Overwegende dat in de menger de verschillende grondstoffen worden. samengebracht en worden gemengd tot asfalt; dat vanuit de menger het asfalt via een verrijdbare bak naar de wachtsilo's gaat; dat het warme asfalt vanuit de wachtsilo's in de vrachtwagens wordt gestort die het asfalt naar de werven brengen; Overwegende dat asfaltmengsels ook kunnen bereid worden met gerecycleerd asfalt dat dan in de plaats komt van de nieuwe steenslag; dat het een asfaltrecyclering met warme toevoeging via een paralleltrommel is; dat in VII-36.987-10/31 deze paralleltrommel het asfalt wordt gedroogd en voorverwarmd, analoog aan de droging van de primaire granulaten in de primaire trommel; dat er geen teerhoudend asfaltpuin-granulaat wordt gebruikt; Overwegende dat de droogtrommel en de paralleltrommel een thermisch vermogen hebben van respectievelijk 20 en 9,7 MW; dat bijgevolg de rubriek 'verbrandingsinstallaties met een totaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW' van toepassing is; dat de droogtrommels bijgevolg ingedeeld zijn als een BKG-inrichting; dat bijgevolg een energiestudie werd bijgevoegd aan de milieuvergunningsaanvraag; dat de aanbevolen maatregelen in de energiestudie betrekking hebben op: - het verlagen en optimaal regelen van de luchtfactor bij de branders; - het verhogen van de thermische isolatie van de bitumenopslag en van de silo's met hete mineralen; - het plaatsen van energietellers; - de overdekte opslag van de grondstoffen dient verder geëvalueerd te worden; dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat alle preventieve maatregelen opgenomen in de energiestudie onverminderd dienen uitgevoerd te worden; Overwegende dat het drogen van de granulaten in de droogtrommel en het opwarmen van het recyclageasfalt in de paralleltrommel de belangrijkste bron van luchtemissies zijn bij asfaltcentrales; dat de afgassen van de droogtrommel, de paralleltrommel en de afgezogen lucht ter hoogte van de menger via de voorafscheider en de ontstoffingsinstallatie naar de schouw zullen worden geleid; dat de leverancier van de installatie de garantie geeft dat na de stoffilter de concentratie stof slechts 20 mg/Nm³ bedraagt; Overwegende dat met betrekking tot asfaltbetoncentrales voor de parameter CO een emissiegrenswaarde van 500 mg/Nm³ en een richtwaarde van 100 mg/Nm³ geldt; dat voor de overige parameters de algemene emissiegrenswaarden voor lucht gelden; Overwegende dat in afdeling 4.4.4. van titel II van het Vlarem de meetstrategie en de toetsing van de meetwaarden van de parameters SO2, NOx en stofdeeltjes worden bepaald; dat naargelang de massastroom de parameters maandelijks of continu dienen gemeten te worden; Overwegende dat in de nota, ingediend op 29 november 2005, de exploitant stelt dat hij bereid is binnen een maand na inwerkingtreding van de installatie een controlemeetprogramma op te starten; dat dit bijgevolg wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de stoffilters jaarlijks dienen onderhouden te worden en zo nodig te vervangen; Overwegende dat de beroepsindieners verwijzen naar het ontbreken van een duidelijk en opvolgbaar onderhoudsprogramma voor de ontstoffingsinstallatie; dat de exploitant in een nota, ingediend op 29 november 2005, stelt dat de automatische controle van de druk over de mouwfilters wel degelijk deel uitmaakt van de standaarduitrusting van deze installatie; dat bij wijziging in drukval de controlekamer automatisch wordt verwittigd door middel van signalisatie op het controlepaneel; Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt vermeld dat het afgas via een schouw van 32 meter in de atmosfeer wordt geloosd; dat in voormelde nota van de exploitant gesteld wordt dat deze hoogte niet correct blijkt te zijn en dat op het doorsnedeplan, bijgevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag is af te leiden dat de schouwhoogte minstens 39 m zal zijn; dat dit overigens ook als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag wordt vermeld dat wordt voorzien om de trommels te stoken met gasolie, maar dat de installatie ook op aardgas kan werken en dat deze optie nog verder bekeken zal worden; dat VII-36.987-11/31 vervolgens als bijzondere voorwaarde in de bestreden beslissing werd opgelegd dat binnen een termijn van 1 jaar na datum van de beslissing de exploitant een rapport dient op te stellen waarin de overschakeling op aardgas wordt onderzocht; dat in de nota ingediend op 29 november 2005, de exploitant stelt dat hij bereid is om aardgas te gebruiken in plaats van aardolie en dat het gebruik van aardgas zonder probleem als bijkomende voorwaarde mag opgelegd worden; dat deze techniek de BBT is volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat door het gebruik van aardgas in plaats van aardolie de emissies nog zullen verminderen; dat dit bijgevolg wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat om de diffuse stofemissie te beperken de volgende maatregelen zullen genomen worden: - de aan- en afrit voor de vrachtwagens en het terrein zelf worden volledig verhard; - een snelheidsbeperking van 5 km/u zal worden opgelegd ter voorkoming van stofopstuiving op het terrein door de aan- en afrijdende vrachtwagens; - in droge periodes kunnen terrein en wegen bijkomend door besproeiing vochtig gehouden worden; - de opslag van de vulstof gebeurt in gesloten silo's met overvulbeveiliging met alarmsignaal; op de silo's is ook een stoffilter voorzien; - het transport van de vulstof naar de asfalt(beton)centrale gebeurt via stofdichte transportelementen; - de installatie zal nagenoeg volledig ingekapseld zijn, waardoor ook de diffuse stofemissies zullen beperkt worden; - stofopstuiving bij het lossen van schepen kan voldoende beperkt worden door voorzichtig te handelen (voorzichtige manipulatie van de grijpers); - een groenscherm wordt voorzien; dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat over het ganse terrein sprinklers dienen geïnstalleerd te worden; Overwegende dat de gemeente Grimbergen in zijn beroepschrift stelt dat een bandenwasinstallatie dient voorzien te worden; dat het terrein zelf volledig wordt verhard en dat deze techniek niet als de BBT beschouwd wordt volgens de BBT-studie voor asfalt(beton)centrales van het VITO; dat deze voorwaarde bijgevolg niet wordt weerhouden; dat de gemeente ook stelt dat een veeginstallatie dient voorzien te worden die de verharde oppervlakte regelmatig reinigt; dat deze techniek wel als de BBT beschouwd wordt volgens voormelde BBT-studie; dat het bijgevolg opportuun is dit op te leggen als bijzondere voorwaarde; dat verder door de gemeente wordt voorgesteld om de bulkopslagen aan minerale stoffen te overdekken; dat het opslaan van het fijn materiaal in silo's of in overdekte boxen als BBT wordt beschouwd volgens de voormelde BBT-studie; dat dit bijgevolg ook wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; dat de gemeente ook stelt dat een groenscherm dient aangelegd te worden; dat een groenscherm zal worden aangelegd zoals opgelegd in de stedenbouwkun- dige vergunning; dat tenslotte de gemeente ook voorstelt om bij het lossen van de schepen de grondstoffen te besproeien; dat volgens de exploitant dit besproeien geen toegevoegde waarde heeft aangezien deze grondstoffen bij het lossen reeds een vochtgehalte hebben van 10 tot 15 % en gezien het feit dat hoe vochtiger de grondstoffen zijn, hoe meer energie er nodig is voor het droogproces; dat dit bijgevolg niet wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; dat artikel 5.30.0.3 van titel II van het Vlarem overigens reeds maatregelen oplegt om stofhinder bij het laden en lossen van stuivende minerale stoffen te beperken; Overwegende dat een geurstudie werd uitgevoerd door een erkend deskundige in de discipline 'lucht' op 18 november 2005, waarin een inschatting werd gemaakt van de geuremissies van de geplande asfalt(beton)centrale; dat VII-36.987-12/31 de belangrijkste bronnen voor geuremissies voor een asfalt(beton)centrale de volgende zijn: emissies uit de schoorsteen tijdens productie, diffuse emissies uit de centrale tijdens productie, diffuse emissies uit het laadstation tijdens laden van vrachtwagens en ademverliezen uit bitumentanks en piekemissies tijdens vullen van bitumentanks; dat wat de diffuse emissie op de centrale betreft, belangrijke maatregelen werden genomen; dat de procesonderdelen in een gesloten uitvoering zijn en onder lichte onderdruk staan; dat er bijgevolg van het hele proces geen dampen naar buiten kunnen ontsnappen, tenzij via de centrale afzuiging; dat deze afzuiging, samen met de dampen van de beide trommels is aangesloten op een mouwenfilter en op de schoorsteen; dat indien er zich toch nog ergens lekken voordoen, deze worden opgevangen in de inkapseling; dat deze techniek de BBT is volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat de emissies bij het laden van de vrachtwagens met warme asfalt bij deze asfalt(beton)centrale vermeden worden door te voorzien in een gesloten laadstation (aan beide zijden worden snelsluitende poorten voorzien, zodat het laden van de vrachtwagens binnen kan gebeuren); dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de laadplaats voor transportwagens van warm asfalt zodanig bouwkundig dient aangepast te worden dat de vrijkomende emissies afgezogen kunnen worden en verspreid via de schoorsteen; dat het evenwel opportuun is dit aan te vullen met het volgende: 'en dat de laadplaats wordt voorzien van snelsluitende poorten aan beide zijden'; dat er tevens voorzien is in een procedure waarbij de vrachtwagens onmiddellijk afgedekt worden met een zeil, zodat ook bij het wegrijden geen diffuse emissies meer optreden van het warme asfalt; dat deze technieken de BBT zijn volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat wat de bitumentanks betreft, er ventielen worden voorzien die ademverliezen moeten beperken; dat enkel bij hoge overdruk in de tanks deze kleppen om veiligheidsredenen opengaan; dat bovendien de verschillende tanks met elkaar in verbinding staan, zodat deze lucht nog kan gebufferd worden en niet onmiddellijk naar buiten ontsnapt; dat verder wordt geopteerd om bij het lossen van de vrachtwagens met bitumen pompen te gebruiken in plaats van perslucht; dat deze techniek BBT is volgens de BBT-studie voor de asfalt(beton)centrales van de VITO; dat op deze manier geen overmaat lucht in de tank wordt ingeblazen en dat enkel de hoeveelheid lucht die ingenomen wordt door nieuw bitumen in de tank ontsnapt; dat dit volume via een dampretoursysteem terug naar de vrachtwagen wordt gestuurd; dat in de studie wordt voorgesteld om de inkapseling volledig te maken; dat namelijk in de huidige plannen de zeef niet ingekapseld zal worden; dat deze bijkomende inkapseling een positief effect zal hebben op het vermijden van eventuele diffuse emissies; dat dit bijgevolg wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; dat verder in de studie wordt gesteld dat het bedrijfsterrein relatief gunstig ligt ten opzichte van de dichtstbijzijnde woonwijk, gezien het terrein ten noordoosten ligt van de woonwijk en de woonwijk bijgevolg niet in de overheersende windrichting ligt; dat uit de simulaties blijkt dat, zelfs rekening gehouden met de hoogteverschillen van het terrein, er noch geurhinder te verwachten valt voor de inwoners van de dichtstbijzijnde woonwijk, noch voor de overige woningen/wijken in de omgeving van het bedrijf (richting Vilvoorde, Verbrande Brug), veroorzaakt door de emissies van de asfalt(beton)centrale; dat ook blijkt dat een verhoging van de schoorsteen naar 60 m niet zinvol is en niet aanbevolen wordt om de dampen uit de paralleltrommel mee te verbranden in de droogtrommel, zoals de gemeente Grimbergen had voorgesteld gezien een schouwhoogte van 39 m waarmee in de simulaties gerekend werd, reeds ervoor VII-36.987-13/31 zorgt dat de immissiegrenswaarden niet overschreden (en zelfs niet benaderd) worden; dat nog dient opgemerkt te worden dat in deze simulatie rekening werd gehouden met een schouwhoogte van minstens 39 m in plaats van 32 m, zoals in de milieuvergunningsaanvraag werd vermeld; dat het bijgevolg opportuun is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de schouwhoogte minstens 39 m dient te bedragen; dat in de milieuvergunningsaanvraag nog een aantal andere maatregelen ter beperking van de geurhinder worden opgesomd: - het gerecycleerd granulaatasfalt wordt langzaam opgewarmd ter beperking van geurhinder; - de behandelingstemperatuur voor het bitumen wordt beperkt; - de wachtsilo's voor de warme gemengde asfalt zijn voorzien van automatisch sluitende laaddeuren; - er wordt geen gebruik gemaakt van het additief 'Trinidad', dat bekend staat om voor geurhinder te zorgen; - het gebruik van antikleefmiddel wordt beperkt en er wordt een weinig vluchtige en biologische afbreekbare verbinding voor gebruikt; dat de voorgaande maatregelen allen beschouwd worden als de BBT volgens de voormelde BBT-studie; dat veel van deze maatregelen ter beperking van geurhinder ook de beperking van de gasvormige emissies in de hand werken; dat bijgevolg kan gesteld worden dat, mits inkapseling van de zeefinstallatie, de geurhinder voor omwonenden tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; Overwegende dat op 25 november 2005 een geluidsstudie werd uitgevoerd door een erkend deskundige in de discipline 'geluid'; dat de inrichting zal ingeplant worden langs de Fabrieksweg, op circa 200 m van een woonkern; dat de centrale zelf wordt voorzien op de noordelijke helft van het bedrijfsterrein, op een afstand van circa 100 m van de Fabrieksweg; dat het terrein aan drie zijden omgeven is door opslagbunkers met een wandhoogte van minstens 3 m; dat de aan- en afvoer van het materiaal aan de noordelijke zijde zal gebeuren, op ruim 150 m van de Fabrieksweg; dat de belangrijkste onderdelen van de inrichting, uit oogpunt van geluid, de volgende zijn : de droogtrommel, de paralleltrommel, de filter met afzuiginrichting, de schouw en de zeefinrichting die zich boven in de toren bevindt; dat eventuele andere elementen de volgende zijn : doseer- en transportbandsystemen, elevatoren, mengers, silo's en laadsystemen; dat de algemene aanvoer van grondstoffen, zand en steenslag langs het kanaal gebeurt; dat deze grondstoffen vanaf de kade met vrachtwagens via de noordelijk gelegen toegangsweg naar de opslagbunkers worden gebracht; dat de voeding van de centrale gebeurt met één bulldozer, die de granulaten uit de verschillende bunkers ophaalt en vervolgens in de doseersilo's stort; dat de geluidsmetingen uitgevoerd werden aan de rand van het woongebied; dat zoals reeds werd vermeld de activiteiten zullen aanvangen om 5 uur 's morgens (nachtperiode) en eindigen tijdens de dagperiode; dat in de bestreden beslissing werd opgelegd dat er 50 nachten per jaar gedurende de gehele nacht mag gewerkt worden; dat een oorspronkelijk omgevingsgeluid tijdens de dagperiode en de nachtperiode gemeten werd van respectievelijk 54,5 dB en 38,9 dB; dat bijgevolg de richtwaarden met 4,5 dB worden overschreden tijdens de dagperiode; dat in de geluidsstudie wordt gesteld dat overdag het specifiek geluid van het bedrijf de richtwaarde van 49,5 dB niet mag overschrijden; dat 's avonds en 's nachts hetzelfde geldt voor een richtwaarde van 40 dB; dat de prognose van het geluid een specifiek geluid geeft van 42,9 dB ter hoogte van de woonkern; dat bijgevolg dit een overschrijding is van de VII-36.987-14/31 richtwaarde voor de nacht; dat de overschrijding veroorzaakt wordt door de vrijstaande droogtrommel; dat er ook een prognose werd gedaan na inkapseling van de droogtrommel; dat hierbij het specifieke geluid ter hoogte van de woonkern 38,3 dB zal bedragen; dat kan geconcludeerd worden dat met de ingekapselde droogtrommel de richtwaarde van 40 dB voor 's nachts kan gerespecteerd worden; dat gezien het voorgaande het opportuun is als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de droogtrommel dient ingekapseld te worden, zoals in de geluidsstudie wordt aangegeven; dat dient opgemerkt te worden dat in de studie wordt gesteld dat de paralleltrommel ingekapseld staat opgesteld; dat gezien dit niet duidelijk staat omschreven in de milieuvergunningsaanvraag, dit ook wordt opgelegd; dat bij inschakeling van de paralleltrommel, welke ingekapseld zal worden, de productie voor 50 % zal geleverd worden door de droogtrommel en voor 50 % door de paralleltrommel; dat in deze situatie het specifieke geluid ter hoogte van de woonkern ook 38,3 dB zal bedragen, en dat dus de richtwaarde gerespecteerd wordt; dat verder in de geluidsstudie wordt vermeld dat de impact van intern verkeer op het bedrijfsterrein verwaarloosbaar is en dat uit oogpunt van verkeersdruk de gehanteerde drempelwaarde die geldt voor een weg met gemengd verkeer (Westvaartdijk) niet wordt overschreden; dat de verkeersdruk nu op 76 % van de drempelwaarde ligt en dat met de asfalt(beton)centrale erbij dit zou stijgen naar 80 %; dat in de milieuvergunningsaanvraag nog een aantal andere maatregelen ter beperking van geluidshinder worden opgesomd: - de transformator en de compressor worden in een gebouw geplaatst; - de storttrechters voor granulaat worden voorzien van slijtvaste rubberen bekleding en de storthoogte van de granulaten in de storttrechters wordt beperkt; dat de voorgaande maatregelen allen beschouwd worden als de BBT-techniek volgens de voormelde BBT-studie; dat nog dient gesteld te worden dat in de geluidsstudie rekening werd gehouden met opslagbunkers met een hoogte van minstens 3 m; dat het bijgevolg opportuun is deze hoogte op te leggen als bijzondere voorwaarde; dat bijgevolg kan geconcludeerd worden dat de geluidshinder, mits inkapseling van de droogtrommel en de paralleltrommel, voor de omwonenden tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; Overwegende dat de grondstoffen voor 90 % via het kanaal zullen worden aangevoerd; dat in de overeenkomst van het bedrijf met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik van de waterweg de watergebondenheid van het bedrijf wordt bevestigd; dat het recyclage-asfalt wegens de onmiddellijke nabijheid van 2 breekinstallaties daar aangekocht kan worden; dat het bindmiddel bitumen via de weg wordt aangevoerd in geïsoleerde tankwagens; dat bitumen op temperatuur dient gehouden te worden omdat het bij afkoeling niet vloeibaar genoeg meer is om nog verpompt te kunnen worden; dat ook de vulstof wordt aangevoerd via vrachtwagens; dat de afstand, via de gemeenschappelijke toegangsweg, van het bedrijfsterrein tot de aanwezige loskade circa 240 m bedraagt; dat in het kader van de stedenbouwkundige vergunning een plan 7/7 'plan toegangsweg' werd opgesteld en dat de stedenbouwkundige vergunning (ook voor de toegangsweg) werd verleend op voorwaarde dat dit plan wordt nageleefd; dat deze weg zich in industriegebied bevindt en niet langs woningen loopt; dat deze toegangsweg voldoende uitgerust is voor de vooropgestelde activiteiten; dat in de voormelde geluidsstudie werd gesteld dat uit oogpunt van verkeersdruk de gehanteerde drempelwaarde die geldt voor een weg met gemengd verkeer (Westvaartdijk) niet wordt overschreden; dat de verkeersdruk VII-36.987-15/31 nu op 76 % van de drempelwaarde ligt en dat met de asfalt(beton)centrale erbij dit zou stijgen naar 80 %; dat in de bestreden beslissing de volgende bijzondere voorwaarde werd opgelegd: 'om de verkeersafwikkeling van en naar de inrichting op een voor de omgeving zo gunstig mogelijke wijze te laten verlopen, dient de exploitant een bedrijfsvervoerplan betreffende het te volgen traject van het wegtransport op te stellen waarin rekening gehouden wordt met het advies van het college van burgemeester en schepenen van Grimbergen'; dat volgens de exploitant het aantal transportbewegingen van vrachtwagens 6.800 per jaar zal bedragen en enkel zal gebruik gemaakt worden van de Westvaartdijk; dat in het opgelegde bedrijfsvervoerplan de impact van de transportbewegingen verder zal geëvalueerd worden en dat hierdoor een optimale spreiding van de transportbewegingen zal gebeuren; dat gezien het voorgaande het opportuun is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de aanvoer van grondstoffen (met uitzondering van bitumen, recyclage-asfalt en vulstof) dient te gebeuren via het kanaal; Overwegende dat in de bestreden beslissing als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat in afwijking van de sectorale bepalingen kan gewerkt worden vanaf 5.00 uur, dat de nachtwerkzaamheden dienen beperkt te worden tot 50 nachten/jaar en dat het aantal weekenddagen, inclusief feestdagen, dient beperkt te worden tot maximaal 10; dat de exploitant tegen deze laatste bepaling in beroep gaat, aangezien hij graag 20 weekenddagen/jaar of 10 weekends/jaar zou willen werken; dat uit voorgaande bepalingen blijkt dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden, waardoor deze 10 extra weekenddagen per jaar kunnen toegestaan worden; Overwegende dat gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de exploitant de beste beschikbare technieken toepast voor het exploiteren van een asfalt(beton)centrale; Overwegende dat de lozing van 57,6 m³/u en 14.550 m³/jaar bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater wordt aangevraagd; dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van het verontreinigd hemelwater van het verharde terreinoppervlak en van het huishoudelijk afvalwater en geloosd wordt via een koolwaterstofafscheider; dat de totale oppervlakte van het terrein circa 2,09 ha bedraagt waarvan 1,8 ha is verhard; dat het verontreinigd hemelwater wordt gebufferd in een bufferbekken met een inhoud van 400 m³, vanwaar het geloosd wordt in de Tangebeek; dat er zal worden geloosd met een maximumdebiet van 16 l/sec of maximum 57,6 m³/u; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, de inrichting is gelegen in het Dijlebekken; dat de inrichting niet is gelegen in een overstromingsgevoelig gebied; Overwegende dat gelet op de aard van de aangevraagde activiteiten en mits naleving van de opgelegde voorwaarden er geen schadelijke effecten verwacht worden op het watersysteem en er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits strikte naleving van de aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen van mevrouw Marie-Claire Wachtelaer en de heer Marc Coenen onontvankelijk te verklaren, de overige ontvankelijke beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen". VII-36.987-16/31 IV. Ontvankelijkheid van het beroep 12. De tussenkomende partij werpt een exceptie op met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering. Zij betwist dat de verzoekster over het rechtens vereiste belang beschikt. 13. Verzoekster woont op ten hoogste 383 meter van de inrichting. In de gegeven omstandigheden heeft zij bijgevolg belang bij de oplossing van het geschil. De exceptie wordt derhalve verworpen. V. Onderzoek van de middelen Voorafgaand 14.1. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie op omtrent de onontvankelijkheid van het eerste middel omdat de verzoekster, volgens de verwerende partij, geen enkel middel ontwikkelt waarbij zij de toetsing van de planologische verenigbaarheid op enigerlei wijze bekritiseert en omdat zij geen persoonlijk nadeel ondervindt. 14.2. De beide excepties hadden reeds kunnen opgeworpen worden. Zij worden bijgevolg als laattijdig en derhalve als niet-ont- vankelijk verworpen. Eerste middel Standpunt van de partijen 15. Als eerste middel voert de verzoekster de schending aan van "het recht", van het koninklijk besluit van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse in samenhang met artikel 21 van de aanvullende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Grimbergen, Halle, Herne, Kampenhout, Kapelle-op-den-Bos, Kraainem, Lennik, Liedekerke, Londerzeel, Machelen, Merchtem, Overijse, VII-36.987-17/31 Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Steenokkerzeel, Ternat, Vilvoorde, Wemmel, Zaventem en Zemst, van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet) in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en van artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) in samenhang met het motiveringsbeginsel. 16. De verzoekster wijst erop dat het bestreden besluit stelt dat de exploitatie gelegen is in een "gebied voor watergebonden bedrijven" en dat voornoemd artikel 21 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften het "gebied voor watergebonden bedrijven" definieert als volgt : "dit gebied is bestemd voor de vestiging van bedrijven waarvan de werking op één of andere wijze verbonden is met de aanwezigheid van waterinfrastructuur. Er kan pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven worden verleend nadat de overheid het gebied heeft ingericht. Bij de inrichting van het gebied wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone. Bestaande niet-watergebonden bedrijven kunnen verder ontwikkelen in het gebied. Ze kunnen echter niet worden vervangen door andere niet-water- gebonden bedrijfsactiviteiten". De verzoekster stelt dat uit de bespreking van de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse duidelijk blijkt dat met "inrichten door de overheid", niet enkel de praktische inrichting bedoeld wordt, maar ook dat de inrichting moet worden vastgelegd in een Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA). Zij citeert letterlijk : "Opgemerkt wordt dat voor al deze zones ook een BPA opgesteld dient te worden" en verwijst naar artikel 2 van het coördinatiedecreet. De verzoekster wijst erop dat er geen BPA van toepassing is, dat er dan ook niet kan worden beslist tot de stedenbouwkundige verenigbaarheid zonder schending van het gewestplan en de aanvullende voorschriften, dat, voor zover door de verwerende partij zou voorgehouden worden dat dit geen ordeningsplan vereist, zij een interpretatie geeft die vreemd is aan voornoemd artikel 21, dat het feit dat er reeds bedrijven aanwezig zijn, niets verandert aan de VII-36.987-18/31 uitdrukkelijke bepaling, dat de stelling in het bestreden besluit "dat de inrichting van betrokken zone dus voldoende bekend is", naast de kwestie is, dat er helemaal geen inrichting is door de overheid, dat er alleen een feitelijke aanwezigheid is vóór de gewestplanwijziging van 2000, maar dat de overheid nagelaten heeft het gebied in te richten en te ordenen volgens het gebruikelijke instrumentarium, dat het feit dat de minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, eenzelfde of soortgelijke denkfout maakte, het bestreden besluit niet van zijn onwettigheid ontslaat, dat ten slotte moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit in zijn motiveringsplicht faalt, dat terzake evenmin wordt aangegeven hoe "bij de inrichting van het gebied aandacht wordt besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone", en dat deze motivering minstens niet afdoende, niet concreet en niet draagkrachtig is. 17. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de beslissing van de minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, omtrent de stedenbouwkundige vergunning werd aangevochten middels een schorsings- en een annulatieberoep, dat de Raad van State het verzoek tot schorsing verworpen heeft bij arrest nr. 163.155 van 4 oktober 2006, dat de verzoekster niet vraagt dat, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet het voornoemde besluit houdende de toekenning van de stedenbouwkundige vergunning, niet zou worden toegepast en dat dit besluit bijgevolg moet worden toegepast, dat de stelling van de verzoekster dat om te oordelen of een gebied al dan niet is ingericht, er een BPA moet bestaan of een globaal verkavelingsplan, minstens een formele administratieve rechtshandeling, niet correct is. De verwerende partij citeert artikel 39, § 1, derde lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) : "De stedenbouwkundige voorschriften kunnen modaliteiten voorschrijven die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen". Zij stelt dat een dergelijk voorschrift dus bijvoorbeeld in een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : RUP) of een gemeentelijk RUP kan gebeuren, maar dat dit niet noodzakelijk is, dat in de memorie van toelichting bij het D.R.O. bij artikel 39 overigens de bezorgdheid geuit werd dat het niet de bedoeling was dat er op gewestelijk en provinciaal niveau nog veel nieuwe voorschriften zouden worden toegevoegd, teneinde de uniformiteit van de plannen niet al te zeer in het gedrang te brengen, dat er aan de overheid zodoende geen enkele verplichting opgelegd wordt om de inrichting op een formele wijze vast te leggen, dat dit slechts een VII-36.987-19/31 mogelijkheid is, dat de Raad van State in zijn arrest nr. 130.212 van 9 april 2004 overwogen heeft dat het niet de bedoeling kan zijn dat door eventuele modaliteiten in deze stedenbouwkundige voorschriften een bijkomend ordeningsinstrument zou worden gecreëerd dat bijkomende voorwaarden zou kunnen voorschrijven voor een stedenbouwkundige vergunning, dat men bijgevolg niet kan voorhouden dat de "inrichting" waarvan sprake in voornoemd artikel 21 van de aanvullende gewestplanvoorschriften zou impliceren dat er eerst een RUP moet worden opgemaakt. De verwerende partij stelt dat er een sterk tekstargument is, dat de aanvullende bestemmingsvoorschriften om aanzienlijk meer materies handelen dan het gebied voor watergebonden bedrijven waarover het in deze zaak gaat, dat bij het lezen van de gehele tekst kan worden vastgesteld dat, voor de gebieden waar men gewild heeft dat er een BPA werd opgesteld, dit duidelijk met zoveel woorden in de tekst wordt gezegd. De verwerende partij verwijst bij wijze van voorbeeld naar de artikelen 20 en 25 van voornoemde stedenbouwkundige voorschriften en concludeert dat een BPA niet vereist is. Volgens de verwerende partij blijkt de bedoeling van het begrip "inrichting" uit de totstandkoming van de tekst, die terug te vinden is in het verslag van de regionale commissie van advies voor ruimtelijke ordening voor Vlaams-Brabant, waaruit omtrent artikel 21 als volgt geciteerd wordt : "(...) Artikel 21. Gebied voor watergebonden bedrijven Voorstel van advies: Het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift bepaalt onder andere dat het gebied alleen gerealiseerd kan worden door de overheid. Ofschoon de rol van de overheid in de ontwikkeling van deze bedrijvenzones belangrijk is, is deze bepaling door de realiteit van de vastgoedmarkt niet altijd wenselijk of uitvoerbaar. Het is aangewezen deze bepaling te vervangen door : 'De overheid moet betrokken worden bij de realisatie van dit gebied, in die zin dat ofwel de overheid dit gebied realiseert ofwel dat het gerealiseerd wordt door een publiek-private samenwerking. Deze samenwerking kan in verschillende mogelijke varianten tot stand komen (keuzen en inbreng van private partners, mogelijkheden van de overheid inzake inbreng (financieel, onteigeningsbevoegdheden, reglementeringsbevoegdheden e.d.), faseringen,...). (...) C. 6.3 Grimbergen - terreinen linkerkanaaloever- wijziging van industriegebied (45,6
  8. ha)naar gebied voor watergebonden bedrijven M.b.t. dit gebied dient opgemerkt dat dit gebied afgebakend is op basis van gegevens, verstrekt door de gemeente. De bedoeling is de schaarse grond te bevriezen. Advies: voorwaardelijk gunstig VII-36.987-20/31 De doelstelling om bepaalde terreinen voor te behouden voor of prioritair toe te kennen aan watergebonden activiteiten kan volledig ondersteund worden. Bestaande bedrijven moeten evenwel kunnen blijven voortbestaan in deze zone en zo nodig uitbreiden zonder zonevreemd te worden. Het voorschrift dient hiertoe aangepast te worden. Het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift artikel 21 bij deze bestemming bepaalt onder andere dat het gebied alleen gerealiseerd kan worden door de overheid. Ofschoon de rol van de overheid in de ontwikkeling van deze bedrijvenzones belangrijk is, is deze bepaling door de realiteit van de vastgoedmarkt niet altijd wenselijk of uitvoerbaar. Het is aangewezen deze bepaling te vervangen door: 'De overheid moet betrokken worden bij de realisatie van dit gebied, in die zin dat ofwel de overheid dit gebied realiseert ofwel dat het gerealiseerd wordt door een publiek-private samenwerking. Deze samenwerking kan in verschillende mogelijke varianten tot stand komen (keuzen en inbreng van private partners, mogelijkheden van de overheid inzake inbreng (financieel, onteigeningsbevoegdheden, reglementeringsbevoegdheden e.d.), faseringen,...)'". De verwerende partij stelt dat bij het opmaken van de tekst van voornoemd artikel 21 met "inrichting" bedoeld is dat de terreinen "gerealiseerd" zouden worden, met name door het uitvoeren van de infrastructuurwerken, dat de vraag was of de privé-sector bij deze werken betrokken moest worden, dat men uiteindelijk in de definitieve tekst de keuze blijkt te hebben gemaakt dat de infrastructuur door de overheid moest worden voorzien, dat ook in talloze andere artikelen (met name de artikelen 10, 12, 16,17,18, 22 en 24) van deze aanvullende stedenbouwkundige voorschriften wordt gesproken over "inrichting", waarbij het telkens gaat over het concreet aanleggen van het terrein, dat het bestreden besluit bijgevolg terechte overwegingen maakt, dat de formele motivering zodoende volledig geldig gebeurd is, dat het overigens niet door het afleveren van een bouwvergunning is dat de inrichting geschiedt, dat er wordt vastgesteld dat het gebied reeds is ingericht, en terecht, omdat het door de privé-sector zelf gedaan is, dat het gewestplan reeds van 1977 dateert, dat er zich in die dertig jaar uiteraard tal van bedrijven zijn komen vestigen, dat de inrichting vandaag is wat ze is en zoals ze door iedereen gekend is, dat voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 de klok maar bezwaarlijk kan terugdraaien, dat zij niet inziet hoe enig normatief voorschrift enige verandering zou brengen in de actuele situatie van de inrichting, laat staan dat dit wenselijk zou zijn, dat de interpretatie die de verzoekster geeft aan het bestemmingsvoorschrift niet in overeenstemming is met artikel 39, § 1, derde lid, van het D.R.O. of althans voorwaarden poogt op te leggen die in voormeld artikel niet vereist worden. De verwerende partij ontkent dat er, bij het vaststellen van de inrichting, geen aandacht zou zijn besteed aan het karakter van het terrein, de VII-36.987-21/31 omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter en de breedte en de wijze van aanleg van de omliggende bufferzone, dat het moge volstaan de overwegingen van het bestreden besluit te citeren om het tegendeel aan te tonen. De verwerende partij stelt dat alle elementen die door artikel 21 van voornoemde aanvullende stedenbouwkundige voorschriften zijn opgenomen, in overweging worden genomen, dat moet worden opgemerkt dat, daar waar het bestemmingsvoorschrift vooral de nadruk legt op een kwaliteitsvolle invulling van het gebied, de verzoekster een uitermate formalistisch standpunt verdedigt dat, na afweging van alle aspecten, al bij al toch moeilijk tot andere resultaten zou kunnen leiden. 18. In de memorie van wederantwoord beperkt de verzoekster zich tot een verwijzing naar de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag over de vordering tot schorsing en tot een herneming van haar uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift. 19. In haar laatste memorie verwijst de verwerende partij naar rechtspraak van de Raad van State en naar de artikelen 1, 9 en 10 van het coördinatiedecreet en stelt zij dat de vereiste van een vooraf bestaand BPA niet toelaat een vergunningsaanvraag rechtstreeks te toetsen aan de vastgelegde bestemmingen, zodat bij ontstentenis van zo'n plan, de in het gewestplan voor dit gebied vastgelegde bestemming uit zichzelf geen rechtsgevolgen heeft en dat hieruit volgt dat dergelijk aanvullend voorschrift geen rechtszekerheid verschaft over de precieze rechtstoestand binnen het gebied. Zij stelt zich de vraag hoe de bestemming "watergebonden bedrijven" kan worden gerealiseerd als elke toekomstige aanleg onmogelijk gemaakt wordt doordat een ordeningsplan vereist is en hoe aan het opzet van de gewestplannen voldaan wordt als deze bestemming vereist is om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest. Zij wijst erop dat te dezen eveneens de uiteindelijke hoofdbestemming "watergebonden bedrijvigheid" pas toegekend wordt indien een BPA wordt vastgesteld teneinde een flexibele ruimtelijke ordening in te stellen, dat het gewestplan zelf een aantal maatregelen van aanleg moet vaststellen en die niet afhankelijk mag maken van de opmaak van een BPA, dat een interpretatie in andere zin in strijd is met de rechtszekerheid, met de artikelen 1, 10 en 11 van het D.R.O. en met het gelijkheidsbeginsel, en dat het totaal ontzeggen van elke uitwerking van een gewestplan totdat een BPA is opgemaakt, als gevolg heeft dat het goed geen enkele uitvoerbare bestemming heeft. De verwerende partij stelt dat voornoemd artikel 21 geen enkele verwijzing naar het begrip "ordening" inhoudt, maar doelt op "inrichting", dat het VII-36.987-22/31 twee duidelijk te onderscheiden begrippen betreft, dat met het begrip "ordening" structurering en stedenbouw op macroschaal, namelijk de planologie, wordt bedoeld, dat met het begrip "inrichting" de wijze van samenstelling, indeling en organisatie wordt bedoeld, met name de stedenbouwkundige voorschriften, dat, zoals in het bestreden besluit gemotiveerd wordt, in voornoemd artikel 21 de nadruk wordt gelegd op een kwalitatieve invulling van het gebied en niet op de ordening van het gebied, dat het advies van de regionale commissie voor ruimtelijke ordening niet gevolgd werd, dat in de aanhef van de door de verzoekster aangehaalde publicatie in het Belgisch Staatsblad uitdrukkelijk gesteld wordt dat voor het gebied in kwestie geen BPA noodzakelijk is, dat zij te dezen dan ook de vergunning kon verlenen nu de inrichting van het gebied gekend was, gelet op de reeds bestaande bedrijven en infrastructuur en gelet op het feit dat er derhalve in overeenstemming met het vaststellingsbesluit geen verder overheidsoptreden noodzakelijk was door de vaststelling van een ordeningsplan, dat de verzoekster trouwens niet stelt dat het gebied niet reeds ingericht is noch deze bestaande inrichting op enige wijze bekritiseert, of deze onvoldoende acht, dat het argument dat de overheid bij het verlenen van een milieuvergunning "aandacht moet besteden aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte van de wijze van aanleg van de omringende bufferzone" maar dit te dezen niet uitdrukkelijk motiveert, niet werd opgeworpen in het inleidende verzoekschrift en dat niet kan worden aanvaard dat voor het eerst in de memorie van wederantwoord aan het middel een nieuwe grondslag wordt gegeven, dat zij door de hoger aangehaalde overwegingen in het bestreden besluit remedieert aan de formele nietigheid, vastgesteld in het schorsingsarrest van de Raad van State nr. 166.541 van 11 januari 2007 en dat het haar daarenboven voorkomt dat hiermee andermaal de stedenbouwkundige vergunning herbeoordeeld wordt. Zij stelt dat de maatregelen van aanleg in de praktijk in gewestplannen enkel ingevuld zijn middels bestemmingsvoorschriften, hetgeen niet wegneemt dat nadere aanwijzingen mogelijk zijn, die dan wel worden bepaald voor alle gewestplannen door het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit) dan wel in het vaststellingsbesluit van het betreffende gewestplan zelf, zoals te dezen in voornoemd artikel 21, dat ook de rechtsleer stelt dat inzake plannen van aanleg een onderscheid moet worden gemaakt tussen de ruimtelijke bestemmingen (woongebied, industriegebied, agrarisch gebied, enzovoort) en de daaraan verbonden stedenbouwkundige voorschriften (voorschriften over wat er binnen die gebieden allemaal wel en niet mag, VII-36.987-23/31 bijvoorbeeld "in de natuurgebieden mogen jagers- en visserhutten worden gebouwd voorzover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk"), dat het gewestplanvoorschrift opgenomen onder voornoemd artikel 21 uit twee duidelijk van elkaar te onderscheiden delen bestaat, met name enerzijds een stedenbouwkundig voorschrift tot nadere bepaling van het bestemmingsvoorschrift "watergebonden bedrijven" in enge zin en anderzijds voorschriften die bij de inrichting van het gebied in acht moeten worden genomen, dat inzake milieuvergunningen in principe de exploitatie slechts kan worden toegestaan onder de dubbele voorwaarde dat zij bestaanbaar is met het gebied en verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving, dat er dus moet worden getoetst aan het bestemmingsvoorschrift én aan het algemeen principe zoals dit voortvloeit uit artikel 19, tweede lid, van het inrichtingsbesluit, dat het bestreden besluit volgens de verzoekster de aanvraag weliswaar getoetst heeft aan de bestemming van het gewestplan, met name "watergebonden bedrijven", maar niet afdoende aan de stedenbouwkundige voorschriften, dat dit standpunt niet kan worden begrepen omdat deze stedenbouwkundige voorschriften duidelijk bepalen dat zij enkel van toepassing zijn op de verlening van stedenbouwkundige vergunningen enerzijds en op de aan deze stedenbouwkundige vergunning verbonden inrichtingsvoorschriften anderzijds, dat het gewestplan nergens bepaalt dat, alvorens een milieuvergunning mag worden verleend, het gebied moet worden ingericht, noch enig voorschrift bevat dat bij het verlenen van een milieuvergunning in acht moet worden genomen, dat de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften een integraal deel uitmaken van het gewestplan en een reglementair karakter hebben, dat er dan ook afbreuk wordt gedaan aan de voorschriften wanneer hun toepassingsgebied zonder uitdrukkelijke bepaling van reglementaire of decretale aard wordt uitgebreid naar milieuvergunningen. Tenslotte verwijst de verwerende partij naar de artikelen 2, 3 en 6 van de motiveringswet en stelt zij dat op het stuk van de motiveringsverplichting de motiveringswet een wet van suppletoire aard is waarvan de toepassing te dezen geen doorgang kan vinden nu de artikelen 17 en 52, 3/, van Vlarem I in een eigen motiveringsverplichting voorzien, dat het bestreden besluit wel degelijk voldoet aan de formele motiveringsplicht, dat van enige schending van de "motiveringsplicht" evenmin sprake kan zijn gelet op het feit dat de inrichting van het gebied reeds vaststaat nu het bestreden besluit betrekking heeft op het enige nog niet ontwikkelde perceel in het plangebied, dat al de omliggende percelen namelijk mits uitdrukkelijke vergunning reeds bebouwd zijn, dat de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing en de breedte en de wijze van aanleg van de bufferzones VII-36.987-24/31 dan ook vaststaan en gekend zijn, dat de inrichting van het gebied dan ook vaststaat, dat wat evident is, evenmin moet worden gemotiveerd, dat de motiveringswet bovendien geen sanctie vermeldt bij de miskenning van de formele motiveringsplicht zodat het te dezen geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste betreft, maar enkel een substantieel vormvoorschrift dat de openbare orde niet raakt, dat een inbreuk op de formele motiveringsplicht niet automatisch leidt tot de vernietiging, maar enkel indien de bestuurde in zijn belangen werd geschaad door de miskenning ervan, dat wanneer de verzoekster zelf gewag maakt van de motieven, dit veronderstelt dat zij de motieven kent zodat men geen motivering kan betwisten zonder de inhoud ervan te kennen, dat te dezen uit de gedinginleidende akte onomstotelijk blijkt dat aan de formele motiveringsplicht in hoofde van de verzoekster op afdoende wijze is tegemoetgekomen, dat zij bovendien terecht enkel de bestemmingsvoorschriften bij de beoordeling van de aangevraagde activiteit betrekt, dat de toetsing van het karakter van het terrein, de omvang van de bebouwing en het architecturaal karakter namelijk betrekking hebben op een stedenbouwkundige beoordeling die het voorwerp uitmaakt van de stedenbouwkundige vergunning doch dat te dezen door het bestreden besluit een milieuvergunning wordt verleend. 20. De tussenkomende partij werpt in haar laatste memorie een gelijkluidend verweer op als de verwerende partij. Beoordeling 21. De inrichting is volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in een gebied voor watergebonden bedrijven. Artikel 21 van de aanvullende bestemmingsvoorschriften bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, zoals inge- voegd bij reeds genoemd besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000, luidt als volgt : "Artikel 21 - Gebied voor watergebonden bedrijven Dit gebied is bestemd voor de vestiging van bedrijven waarvan de werking op één of andere wijze verbonden is met de aanwezigheid van waterinfrastructuur. Er kan pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven worden verleend nadat de overheid het gebied heeft ingericht. Bij de inrichting van het gebied word aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone. Bestaande niet-watergebonden bedrijven kunnen verder ontwikkelen in het gebied. Ze kunnen echter niet worden vervangen door andere niet-watergebonden bedrijfsactiviteiten". VII-36.987-25/31 Het feit dat het betrokken gebied voor watergebonden bedrijven nog niet werd ingericht middels een plan van aanleg wordt door de partijen niet betwist. De standpunten van de partijen lopen evenwel grondig uiteen over het instrument dat nodig is voor het bewerkstelligen van de "inrichting" die door het aanvullend bestemmingsvoorschrift wordt vooropgesteld. Met "inrichting" is meer bedoeld dan de feitelijke toestand die ontstaan is doordat er zich sedert de vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 verscheidene bedrijven in het vroegere industriegebied hebben gevestigd. Het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift "gebied voor watergebonden bedrijven" is immers tot stand gekomen ingevolge de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan in het jaar 2000. De nieuw gegeven bestemming van gebied voor watergebonden bedrijven strekte ertoe het betrokken gebied - dat deels was ingenomen door industriële inrichtingen - voortaan specifiek voor te behouden voor de vestiging van bedrijven die voor hun werkzaamheden in belangrijke mate gebruik konden maken van het nabijgelegen kanaal Brussel-Willebroek, dit is de zogenaamde "watergebondenheid". Het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift voorziet daarom ook in een geleidelijke overschakeling waarbij bestaande niet- watergebonden bedrijven weliswaar verder kunnen ontwikkelen maar niet meer kunnen worden vervangen door inrichtingen die geen watergebonden karakter vertonen. Indien de "inrichting", zoals bedoeld in voornoemd artikel 21, niet meer zou inhouden dan de inrichting die in feite bestond op het ogenblik van de gedeeltelijke gewestplanwijziging, valt niet in te zien wat de zin zou zijn geweest van het voorschrift waarin gesteld wordt dat bij de "inrichting" van het gebied "aandacht (wordt) besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone". Het is immers onmogelijk aandacht te besteden aan, zoals de verwerende partij het kwalificeert, een "kwalitatieve invulling" van het gebied voor watergebonden bedrijven wanneer met de "inrichting" slechts de bestaande toestand zou zijn bedoeld op het ogenblik van de gewestplanwijziging. Via het "inrichten" in de interpretatie van de verwerende partij kan de omschakeling naar een gebied voor watergebonden bedrijven niet gebeuren. Indien, zoals de verwerende partij poneert, de "inrichting" evenmin kan worden gecreëerd door het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, blijft er geen instrument over om tot een "kwaliteitsvolle invulling" van het gebied te komen. De zinsnede waarin gesteld wordt dat pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven kan worden verleend nadat de overheid het VII-36.987-26/31 gebied heeft ingericht, heeft, indien het standpunt van de verwerende partij gevolgd wordt, geen praktische betekenis. Het standpunt van de verwerende partij omtrent de betekenis van het woord "inrichting" houdt nog minder steek nu uit de gegevens van de zaak blijkt dat de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning tevens betrekking heeft op de aanleg van een verbindingsweg tussen het bedrijfsterrein en de aanwezige loskade. In het licht van de tekst van het betrokken aanvullend bestemmingsvoorschrift rijzen hieromtrent twee problemen die niet adequaat beantwoord en verklaard worden indien de stelling van de verwerende partij wordt gevolgd. Er is vooreerst geen overheidsinbreng nu de exploitant blijkbaar zelf via de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag een infrastructuur realiseert terwijl de verwerende partij stelt dat in de definitieve tekst van het aanvullend gewestplanvoorschrift de keuze is gemaakt dat de infrastructuur door de overheid moest worden voorzien. Vervolgens stemt deze wijze van inrichting of realisatie niet overeen met het aanvullend gewestplanvoorschrift waarin gesteld wordt dat pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven kan worden verleend "nadat de overheid het gebied heeft ingericht". Deze zienswijze vindt zijn bevestiging in het verslag van de vergadering van de regionale commissie van advies voor ruimtelijke ordening voor Vlaams-Brabant van 17 april 2000 dat als volgt luidt : "De Commissie meent niet dat door het verplicht stellen van een BPA, de overheid de hiërarchie der plannen omkeert. Bijzondere plannen van aanleg zijn er immers ter uitvoering van gewestplannen. Uit art. 14 van het decreet op de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22 oktober 1996, blijkt duidelijk dat bijzondere plannen van aanleg er onder andere zijn om gewestplannen aan te vullen. Daarenboven belet niets de Vlaamse regering de opmaak van BPA’s verplicht te stellen. Het wordt zelfs voorzien door de wetgever. Art. 41 van het decreet op de ruimtelijke ordening stelt immers het volgende : 'De Vlaamse regering kan, hetzij op eigen initiatief bij een met redenen omkleed besluit, hetzij op verzoek van de betrokken vereniging van gemeenten of van de betrokken gemeenten, beslissen dat een streek-, gewest- of gemeentelijk plan van aanleg geheel of gedeeltelijk wordt herzien.' Het is dus helemaal niet zo dat enkel de gemeente kan oordelen over de opportuniteit van een BPA. De Commissie meent ook dat het in casu gerechtvaardigd is de realisatie van het gebied te laten voorafgaan door de opmaak van een BPA om een stedenbouwkundig verantwoorde uitbouw van het gebied te garanderen". Het verslag van de regionale commissie van advies voor ruimtelijke ordening voor Vlaams-Brabant van 28 maart 2000 met betrekking tot het ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het gewestplan dat meer bepaald betrekking VII-36.987-27/31 heeft op de gebieden voor economische activiteiten waartoe ook de geplande gebieden voor watergebonden bedrijven behoren, luidt : "Een lid meent dat de formulering publiek-private samenwerking verhindert dat de overheid alleen bepaalde bedrijventerreinen ontwikkelt, terwijl deze mogelijkheid toch ook behouden dient te blijven. De voorzitter wijst er op dat de formulering van de Bestendige Deputatie deze mogelijkheid niet uitsluit. Opgemerkt wordt dat voor al deze zones ook een BPA opgesteld dient te worden. Als de gemeente niet akkoord is met een partnership, zal dit ook niet gerealiseerd kunnen worden. Waarschijnlijk zullen de meeste gemeentes een BPA opmaken, gekoppeld aan een onteigeningsplan". Ten slotte kan de verwerende partij geen nuttig argument putten uit de tekst van artikel 39, § 1, derde lid, van het D.R.O. en uit de door haar geciteerde overwegingen van het arrest van de Raad van State nr. 130.212 van 9 april 2004. De verwerende partij kan er zich immers niet op beroepen dat de in het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift van voornoemd artikel 21 vermelde inrichting, waarbij aandacht moet worden besteed aan "het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone", neerkomt op een wezenlijk stedenbouwkundig voorschrift dat buiten de in artikel 3 van het D.R.O. vermelde uitvoeringsinstrumenten werd vastgelegd, nu de in het middel aangevoerde kritiek er juist in bestaat dat voor de uitwerking van het betrokken voorschrift geen verordenend plan van aanleg werd vastgesteld. De verwerende partij dient de voorschriften van het aanvullend bestemmingsvoorschrift correct en volledig toe te passen bij het beoordelen van een individuele vergunningsaanvraag, meer bepaald wanneer meervermeld aanvullend bestemmingsvoorschrift te dezen voorschrijft dat "bij de inrichting van het gebied (...) aandacht (wordt) besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone". Zulks moet ook blijken uit de beslissing omtrent een milieuvergunningsaanvraag. Doordat in de motieven van het bestreden besluit wordt gesteld dat door de in het aanvullend bestemmingsvoorschrift bedoelde "inrichting" de nadruk wordt gelegd op een "kwalitatieve invulling van het gebied" en door de overwegingen die daaropvolgend worden ontwikkeld, blijkt de verwerende partij overigens het standpunt te delen dat de kwalitatieve invulling, zoals vereist door het betrokken bestemmingsvoorschrift, moet blijken uit de beslissing omtrent de milieuvergunningsaanvraag. Het bestreden besluit motiveert immers als volgt : VII-36.987-28/31 "Overwegende dat in bewuste zone voor watergebonden bedrijven reeds verschillende bedrijven aanwezig zijn; dat de omliggende industrieterreinen zijn bebouwd; dat de omliggende industrieën naar de kanaalzone toe bestaan uit afvalverwerkende bedrijven met beperkte en lage bebouwing(s)hoogte; dat de meeste bedrijven reeds vóór de gewestplanwijziging van 2000 werden vergund; dat voor bepaalde terreinen er zelfs bedrijvigheid was in de jaren '70; dat de inrichting van betrokken zone dus voldoende bekend is; Overwegende dat het terrein verbonden is met de Westvaartdijk via een 240 m lange inrit; dat het projectgebied wordt begrensd langs noordelijke, zuidelijke en oostelijke zijde door een gebied voor watergebonden bedrijven en langs de westelijke zijde, aan de overkant van de Fabriekstraat en de Humbeeksesteenweg, ligt het natuurpark 'Van Borght', met daarachter - op een afstand van ongeveer 200 m van de geplande inrichting - een woongebied; dat het terrein langs de westelijke zijde tevens parallel ligt met het kanaal Brussel-Willebroek; dat deze ligging als voordeel biedt dat de grondstoffen (zand en stenen) voor 90% via het kanaal zullen kunnen worden aangevoerd; dat er met andere woorden, ook volgens de afdeling Stedenbouwkundig Beleid, wordt voldaan aan de bestemmingsvoorschriften; Overwegende dat de minister bevoegd voor ruimtelijke ordening op 28 april 2006 de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor de bouw van de asfalt(beton)centrale en de toegangsweg, op voorwaarde dat plan 7/7 'plan toegangsweg' wordt nageleefd; dat in deze beslissing wordt bevestigd dat de inrichting verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift 'gebied voor watergebonden bedrijven' en met de onmiddellijke omgeving en goede plaatselijke ordening; Overwegende dat het watergebonden karakter van de inrichting duidelijk kan afgeleid worden uit de gegevens verstrekt in de milieuvergunningsaanvraag, en in het bijzonder het gegeven dat de grondstoffen voor 90 % via het kanaal zullen worden aangevoerd; dat ook in de overeenkomst van de exploitant met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik van de waterweg de watergebondenheid van het bedrijf wordt bevestigd". Uit bovenstaande motieven, waarin in wezen enkel wordt ingegaan op de aard en de kenmerken van de bestaande bedrijven en de watergebondenheid van de geplande asfaltcentrale, blijkt niet afdoende dat de vestiging van een asfaltcentrale getuigt van een "kwalitatieve invulling" van het gebied met aandacht voor "het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architecturaal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone", zoals wordt voorgeschreven door voornoemd artikel 21 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Integendeel spreekt uit de eerste van de geciteerde overwegingen de aanname dat de aanwezigheid van verscheidene bedrijven, die reeds vergund waren vóór de gedeeltelijke gewestplanwijziging in het jaar 2000, volstaat om te kunnen spreken van een "inrichting" die voldoende bekend is, zonder de geplande asfaltcentrale in al zijn aspecten te toetsen aan de toepasselijke voorschriften. VII-36.987-29/31 Ten slotte wijst de verwerende partij ter zitting op artikel 145/9 van het D.R.O., zoals ingevoegd bij artikel 49 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid dat in werking is getreden op 1 september 2009. Zij leidt uit die nieuwe bepaling af dat de verplichting om het gebied in te richten voor onbestaande moet worden gehouden, zodat het ontbreken van een inrichting van het gebied geen grondslag meer kan opleveren voor het onwettig verklaren van stedenbouwkundige of milieuvergunningen. Uit de verantwoording bij het voornoemd artikel 145/9 blijkt evenwel dat die bepaling slechts geldt "voor de toekomstige toepassing van de betrokken voorschriften" (Parl. St., Vl. Parl. 2008-09, nr. 2011/3). Aldus blijft de vaststelling van de onwettigheid van het bestreden besluit op grond van het eerste middel onverkort gelden. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 19 maart 2007 waarbij, enerzijds, het ministerieel besluit nr. AMV/00141220/1001 van 23 februari 2006 wordt ingetrokken en, anderzijds, een aantal beroepen ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 september 2005, houdende het verlenen aan de BVBA Verhaeren Beton en Asfalt van de milieuvergunning voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing tot verlening van de milieuvergunning wordt bevestigd, met dien verstande dat het gebruik van aardgas voor de werking van de asfaltbetoncentrale verplicht wordt gesteld en de bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-36.987-30/31 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-36.987-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.137 Gerelateerde publicatie(
  9. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.