id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.195 Rolnummer: A. 189197/IX-5993 Zaak: Arrest 197195 - Personeel van de griffies en parketten - 22/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-28 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:44 Fiche Arrest nr 197.195 van 22 oktober 2009 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Vernietiging bekendmaking Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.195 van 22 oktober 2009 in de zaak A. 189.197/IX-
- In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. VANDEKERCKHOVE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei 191 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 31 juli 2008 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 21 mei 2008 waarbij een einde wordt gesteld aan haar voorlopige benoeming tot adjunct- griffier bij het Hof van Beroep te Antwerpen; Gelet op het arrest nr. 189.344 van 8 januari 2009 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 16 februari 2009 door de verwerende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-5993-1/17 Gelet op de beschikking van 11 september 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VANDEKERCKHOVE, die verschijnt voor de verzoekster, en van advocaat A. VANDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- De verzoekster wordt bij koninklijk besluit van 19 februari 2008 voorlopig benoemd tot adjunct-griffier bij het Hof van Beroep te Antwerpen. Zij legt de eed af op 25 maart
- 1.
- Reeds kort na haar indiensttreding doen zich met de verzoekster allerlei incidenten voor. Aan de hoofdgriffier worden verschillende klachten gemeld in verband met haar onregelmatige prestaties en haar houding ten opzichte van collega’s. Op 8 april 2008 heeft tussen de verzoekster, de hoofdgriffier en de griffier-hoofd van dienst van de burgerlijke griffie een gesprek plaats over de vastgestelde problemen. Met een brief van die dag deelt de hoofdgriffier aan de verzoekster mede dat zij het voornemen heeft de minister van Justitie voor te stellen een einde te stellen aan haar voorlopige benoeming, aangezien zij haar niet geschikt acht voor het uitoefenen van de functie van adjunct-griffier. De hoofdgriffier maakt melding van de volgende problemen: IX-5993-2/17 “- u komt iedere dag te laat op uw werk, hetgeen u ofwel betwist, ofwel op allerlei wijzen probeert te verantwoorden (u komt met het openbaar vervoer, u beschikt over geen auto, u moet zich nog aanpassen aan de van toepassing zijnde arbeidsregeling, u neemt een slaapmiddel zodat u zich overslaapt, u heeft ernstige persoonlijke problemen waarvoor wij begrip zouden moeten opbrengen enz.); - u werkt uitermate traag en soms onnauwkeurig, niettegenstaande dat u totnogtoe slechts de meest eenvoudige taken uitvoerde; - op donderdag 3 april 2008 bleek u niet in staat te werken, gezien u niet over uw bril of lenzen beschikte; u verzocht daarom aan het diensthoofd het werk te mogen verlaten; - u verkreeg in die korte tijdspanne dat u hier werkzaam bent, reeds verscheidene malen verlof en wenst zelfs nog meer, hetgeen u wegens uw recente indiensttreding verder wordt geweigerd; bovendien is op die wijze uw opleiding niet mogelijk; u verzocht mij of het dan niet mogelijk zou zijn u te ‘schorsen’ omdat u tijd nodig heeft om uw persoonlijke zaken te regelen (advocaat, gerechtsdeurwaarder, psychotherapeut, dokters enz.); - u belast tijdens de werkuren de collegae van uw dienst met uw persoonlijke problemen, hetgeen de werkzaamheden verstoort, de collegae enerveert, en bovendien uw opleiding belet; - u uit kritiek zowel op het werk als ten aanzien van uw hiërarchische oversten en collegae; - u gedroeg zich eens agressief ten aanzien van uw collega die u kent van de universiteit; u vloog uit tegen haar en gooide een dossier op haar bureau; dit werd door meerdere collegae vastgesteld en één kwam zelfs tussenbeide; - u verliet ook eens het gerechtsgebouw tijdens de diensturen, zonder enige toestemming daartoe, om buiten een gesprek te voeren met uw ex-vriend; - tijdens één van uw verlofdagen kwam u, zonder enige toestemming van uw hiërarchische oversten, met uw moeder en broer naar uw bureel (m.a.w. het privé-gedeelte van de griffie) om daar persoonlijke spullen te brengen; - u gedraagt zich arrogant en weinig respectvol ten aanzien van uw hiërarchische oversten; u luistert nauwelijks, tracht hen de les te spellen en verwijt hen geen begrip voor uw persoonlijke problemen te kunnen opbrengen; - reeds onmiddellijk na uw eedaflegging heb ik u in de wandelgang moeten aanmanen u wat kalmer en minder uitgelaten te gedragen, en u uitgelegd dat uw luidruchtigheid hier niet passend is; blijkbaar heeft u dit signaal niet begrepen.” Op 14 april 2008 biedt de verzoekster in een brief aan de hoofdgriffier haar verontschuldigingen aan voor alle problemen. Zij neemt de “volle verantwoordelijkheid” op voor de problemen die zich hebben voorgedaan en verklaart er voortaan zorg voor te dragen dat bepaalde incidenten zich niet meer voordoen. Zij wijt de moeilijkheden aan problemen in haar privé-leven, die een IX-5993-3/17 nefaste invloed hadden op haar arbeidsprestaties. Volgens haar is de “crisissituatie uit [haar] privé-sfeer” ondertussen “wat genormaliseerd”. Zij vraagt een tweede kans te krijgen en verklaart dat zij gemotiveerd genoeg is om zich aan te passen aan “de van toepassing zijnde arbeidstijden, de regels, gewoontes en gebruiken die er op [de] griffie heersen en die er zelfs horen te zijn voor de goede werking ervan”. Ook na deze brief blijven er klachten over het te laat komen van de verzoekster en haar houding ten opzichte van collega’s. Zij is afwezig op het werk van 21 tot 24 april 2008, doch enkel op 21 en 23 april 2008 meldt zij zich ziek. Op 24 april 2008 wordt zij door collega’s opgemerkt op een terrasje naast het gerechtsgebouw. 1.
- In een aangetekende brief van 24 april 2008 verwijst de hoofdgriffier naar haar schrijven van 8 april 2008, naar de talrijke mondelinge aanmaningen van een griffier-hoofd van dienst, en naar de ongewettigde afwezigheden van de laatste dagen. De hoofdgriffier herhaalt dat het gedrag van de verzoekster wijst op “ernstige tekortkomingen aan de verplichtingen van [haar] ambt”, en dat zij de minister van Justitie zal verzoeken om de verzoekster te ontslaan. Zij roept de verzoekster op voor een hoorzitting op 28 april
- Ook op 25 april 2008 is de verzoekster afwezig zonder enige verwittiging. Op 28 april 2008 wordt de verzoekster door de hoofdgriffier gehoord. Het proces-verbaal van de hoorzitting luidt als volgt: “Ondergetekende hoofdgriffier confronteert mevr. XXXX met het volgende: 1) ‘Vanaf 21 april 2008 tot en met 25 april 2008 was u niet aanwezig op het werk. Op 21 april meldde u telefonisch aan uw griffier-hoofd van dienst dat u niet naar het werk kwam. Op haar vraag of u dan ziek was, antwoordde u: ‘hoort ge dat dan niet?’. De griffier-hoofd van dienst vroeg u, bij eventuele langere afwezigheid haar tijdig te verwittigen. Op 22 april 2008 vernamen wij niets van u en was u bijgevolg afwezig zonder geldige reden. Op 23 april 2008 telefoneerde uw moeder naar uw griffier-hoofd van dienst om te melden dat u die dag ziek was. Zij bleek niet te weten dat u op 22 april ook afwezig was. Op 24 april 2008 en 25 april 2008 meldde u ons weer niets en was u afwezig zonder geldige reden. Wel werd u op 24 april 2008 tijdens de middagpauze op een caféterras door enkele van uw collegae gezond en wel aangetroffen. Wat heeft u hierop te zeggen?’ IX-5993-4/17 antwoord: ‘Veel van die dingen kloppen, dat weet ik. 21 april heb ik mij ziek gemeld en dan was ik ook effectief ziek. De dokter is op die dag niet gekomen. Ik ben de ganse week niet naar de dokter geweest. Ik erken dat ik die voorschriften van Medex heb ontvangen op de eerste dag van mijn tewerkstelling bij mijn eedaflegging. U zegt mij dat ik vanaf de 3de losse dag een doktersbriefje moet binnenbrengen. Ik weet dat, Katrien heeft mij ook gezegd dat ik vanaf de 2de aaneengesloten dag een briefje moet meebrengen. Ik zal nu nog naar de huisdokter gaan om een doktersbriefje binnen te brengen. U zegt mij dat dit een attest antidateren is, maar mijn dokter kent mij al bijna heel mijn leven en zal mij een attest afleveren. Het klopt dat ik donderdag werd aangetroffen op een caféterras, ik had al heel de week in mijn bed gestoken en ik voelde mij goed, het zonnetje scheen. Ik zou zeggen dat het mooi weer was en ik had al heel de week in mijn bed gestoken en ik zag er geen graten in. Ik had ook niets te verbergen want anders zou ik zo verstandig geweest zijn om elders iets te gaan drinken en niet iets te gaan drinken op een terras vlak bij mijn werkplaats.’ De hoofdgriffier confronteert dan mevr. XXXX met het volgende: 2) ‘Op 25 maart 2008 kwam u als voorlopig benoemd adjunct-griffier in dienst bij het Hof van beroep te Antwerpen. Na herhaaldelijke klachten van respectievelijk de griffier-hoofd van dienst van de correctionele griffie met betrekking tot uw laattijdig toekomen op het werk in de loop van de eerste week van de maand april, vervolgens uw collegae en de griffier-hoofd van dienst van de burgerlijke griffie zowel met betrekking tot uw laattijdig toekomen op het werk, als het door u verrichte werk op de griffie en vooral uw gedrag, gaf ik u een schriftelijke waarschuwing op 8 april
- U heeft hierop schriftelijk gerepliceerd op 14 april 2008 en beloofde hierin u te zullen aanpassen aan de eisen van onze organisatie. Nog diezelfde dag ontving ik een verslag van uw hoofd van dienst met gelijkaardige klachten omtrent uw houding als vermeld in mijn schriftelijke waarschuwing. Op 17 april 2008 kreeg ik opnieuw melding van de griffier-hoofd van dienst van de burgerlijke griffie dat u veel te laat op het werk toekwam en dat u zich arrogant gedroeg t.a.v. haar en uw collegae. Wat heeft u hierop te zeggen?’ antwoord: ‘Sorry, ik ben het daar niet mee eens. Ik heb inderdaad gerepliceerd zoals afgesproken, ik dacht dat daarmee de kous af was en ik dacht dat ik mij had aangepast. Ik denk dat vele collega's bereid zijn om dit te bevestigen. Ik begrijp niet goed dat zij nog verslagen heeft opgemaakt, zoals u mij meedeelt, ik kan daar niet inkomen.’ De hoofdgriffier confronteert daarop mevr. XXXX met het volgende: 3) ‘Op 18 april 2008 was er ook een incident met één van uw collegae die u wou helpen bij uw werkzaamheden die dreigden fout te lopen. U wou u ook niet onmiddellijk begeven naar het kabinet van uw griffier-hoofd van dienst die u ontbood om deze problemen met haar te bespreken. Daarop bent u op verzoek van de griffier-hoofd van dienst samen met haar naar mijn kabinet gekomen. Niettegenstaande dat u zich in mijn aanwezigheid zeer afwijzend t.a.v. uw griffier-hoofd van dienst gedroeg en bovendien uw collegae onterechte IX-5993-5/17 verwijten maakte, hebben wij getracht u te doen inzien dat u zich dient aan te passen aan de richtlijnen m.b.t. de uitvoering van het werk en dat u respect dient op te brengen voor uw collegae. De griffier-hoofd van dienst heeft u dan in haar kabinet nog eens bepaalde instructies omtrent uw werk uiteengezet. Toen in de loop van de dag een collega u nogmaals een toelichting wou geven omtrent uw werk, sloot u met beide handen uw oren af en begon u te zingen. Van de griffier-hoofd van dienst mocht ik finaal vernemen dat u uiterst traag en onnauwkeurig werkt en bijna geen vooruitgang boekt. Wat heeft u hierop te zeggen?’ antwoord: ‘Het klopt dat ik met Kevin een incident omtrent de organisatie van de werkzaamheden had. Wat het verzoek van de griffier-hoofd van dienst betreft, het was niet van niet willen, het was gewoon een misverstand, ik dacht dat zij nog met iets bezig was en ik was zelf ook met iets bezig. Nadien is mij inderdaad gezegd dat dat niets uitmaakt, als men mij vraagt om te komen, dat ik dan moet komen en ik denk dat ik dat nadien ook gedaan heb. U zegt mij dat dit de laatste vrijdag was dat ik op het werk aanwezig was, nl. 18 april, dat klopt inderdaad. We zijn inderdaad op 18 april samen naar uw kabinet gekomen en dan is dat misverstand uitgelegd. U zegt mij dat dit geen misverstand is, maar in mijn ogen was dit wel een misverstand. U wijst er mij op dat een instructie onmiddellijk moet nageleefd worden, dat deze instructie mij twee keer mondeling is gegeven, één keer door een collega en nadien door de griffier- hoofd van dienst zelf die aan mijn bureau stond terwijl ik na een kwartier nog steeds niet in haar kabinet verscheen. Ik zeg u dat het mij toen tijdens dit gesprek ook pas duidelijk is geworden, en niet voordien. Ik ontken dat ik mijn collega's apen, papegaaien en dommeriken genoemd heb, ik heb wel gezegd dat ik inderdaad niet de gewoonte heb om papegaaienwerk te doen. Betreffende het feit dat ik met beide handen mijn oren afsloot heb ik inderdaad gezegd 'Kevin stop er mee, het is voldoende.' Ik wil niet zeggen dat Kevin liegt.’ ‘Ik verbeter, waar ik zeg dat ik met iets bezig was bedoel ik dat ik effectief met mijn werk bezig was.’” Met een gemotiveerde brief van 28 april 2008 verzoekt de hoofdgriffier de minister van Justitie om overeenkomstig artikel 28 van het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het personeel van de griffies en parketsecretariaten zo spoedig mogelijk en zonder opzegging een einde te stellen aan de voorlopige benoeming van de verzoekster als adjunct-griffier. De verzoekster is afwezig wegens ziekte op 30 april 2008 en van 6 mei tot 31 mei
- Blijkens een e-mail van 14 mei 2008 van de ouders van de verzoekster aan de hoofdgriffier werd de verzoekster de dag voordien gehospitaliseerd. Uit stukken die de verzoekster later bij haar verzoekschrift voegt, blijkt dat zij op 8 mei 2008 een arts geraadpleegd heeft, dat deze van oordeel was IX-5993-6/17 dat er een vermoeden van acute psychose was, en dat dit geleid heeft tot de opname van de verzoekster in een ziekenhuis op 13 mei
- Bij koninklijk besluit van 21 mei 2008 wordt beslist om de verzoekster zonder opzegging te ontslaan. Dat besluit is geredigeerd als volgt: “Gelet op het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid op [de artikelen] 262 en 269bis; Gelet op het koninklijk besluit van 20 november 2006 houdende statuut van het voorlopig benoemde personeel van de griffies en parketten, inzonderheid de artikelen 28 en 29; Gelet op het koninklijk besluit van 19 februari 2008 waarbij mevr. XXXXvoorlopig benoemd werd tot adjunct-griffier bij het hof van beroep te Antwerpen en de eedaflegging van 25 maart 2008; Gelet op het advies van de hoofdgriffier van het hof van beroep te Antwerpen van 28 april 2008 waarin wordt verzocht om de beëindiging van de voorlopige benoeming; Gelet op het proces-verbaal van de hoorzitting van 28 april 2008; Overwegende dat reeds korte tijd na de indiensttreding werd vastgesteld dat betrokkene regelmatig te laat op het werk verscheen, traag en onnauwkeurig werkte, zich weinig respectvol gedroeg ten aanzien van oversten en collegae en de voorschriften inzake melding van afwezigheden miskende; Overwegende dat betrokkene hieromtrent een schriftelijke waarschuwing ontving op 8 april 2008; Overwegende dat desondanks de gesignaleerde feiten zich herhalen; Overwegende dat de bepalingen inzake arbeidstijd en meldingsplicht bij afwezigheden essentiële bestanddelen zijn in een arbeidsrelatie; en bijgevolg afbreuk hieraan, zeker als dit herhaaldelijk en bewust gebeurt, een ernstige tekortkoming uitmaakt aan de verplichtingen van het voorlopig benoemde personeelslid; Overwegende dat het bijgevolg aangewezen is betrokkene met onmiddellijke ingang te ontslaan; Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, HEBBEN WIJ BESLOTEN EN BESLUITEN WIJ: Artikel
- Mevr. XXXX, [...], voorlopig benoemd adjunct-griffier bij het hof van beroep te Antwerpen, wordt zonder opzegging, ontslagen. [...] Art.
- Dit besluit treedt in werking op de dag van publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. IX-5993-7/17 [...]” Dit is het bestreden besluit. Het wordt met een aangetekende brief van 2 juni 2008 aan de verzoekster toegezonden.
- Blijkens de stukken die de verzoekster bij haar verzoekschrift voegt, is de verzoekster ondertussen op bevel van de Procureur des Konings te Leuven op 15 mei 2008 ter observatie opgenomen in een psychiatrische instelling. Op verzoek van de procureur des Konings heeft de Vrederechter te Leuven bij vonnis van 23 mei 2008 de gedwongen opname van de verzoekster in die instelling bevolen. In het vonnis wordt melding gemaakt van een manische psychose, waanbeelden, zelfmoordgedachten, een totaal gebrek aan inzicht in de eigen ziekte en agressiviteit. Bij vonnis van 13 juni 2008 beslist de Vrederechter te Leuven dat de verzoekster nog steeds beschouwd moet worden als een geesteszieke. Zij beveelt het verdere verblijf van de verzoekster in de instelling, met het oog op de voortzetting van haar behandeling. De gedwongen opname geldt voor een termijn van één jaar, ingaande bij de beëindiging van de observatieperiode. Gedurende die termijn mag de verzoekster weliswaar geregeld naar huis gaan, maar wordt zij medisch strikt opgevolgd. Gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen 3.
- De verzoekster roept onder meer een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 28 en 29 van het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het personeel van griffies en parketsecretariaten. Zij merkt op dat haar ontslag, blijkens de motieven van het bestreden besluit, steunt op een “ernstige tekortkoming”, in de zin van de artikelen 28 en 29 van het koninklijk besluit van 10 november
- Zij voert aan dat feiten slechts als een ernstige tekortkoming kunnen worden beschouwd indien IX-5993-8/17 ze als foutief kunnen worden aangemerkt. Zij betwist het foutief karakter van de ingeroepen feiten op grond dat zij korte tijd vóór haar eedaflegging op 25 maart 2008 het slachtoffer is geworden van een opkomende mentale ziekte, waarvan zij zich toen niet bewust was. Vooraleer de juiste medische diagnose werd gesteld, was zij enkele malen afwezig wegens ziekte. Zij heeft van haar mentale problemen mondeling melding gemaakt aan de hoofdgriffier en gezegd dat zij hiervoor hulp zocht. In de ingebrekestelling van 8 april 2008 wordt dit gegeven reeds aangehaald door de hoofdgriffier, zij het dat het niet op zijn juiste waarde werd geschat. De ernst van de stoornis blijkt ondubbelzinnig uit het verslag van een arts van 15 mei 2008, dat aan de basis lag van haar gedwongen opname op bevel van het parket. Het vonnis van de vrederechter van 23 mei 2008 laat voorts geen enkele twijfel meer bestaan over de geestelijke aandoening. Daarin wordt onder meer overwogen dat de verzoekster volgens de toen voorliggende gegevens reeds een aantal maanden manisch zou zijn, waarvoor zij op consultatie ging bij twee psychotherapeuten en een psychiater. Volgens de verzoekster was zij reeds ziek op het ogenblik dat de bezwarende feiten zich voordeden, of doken toen in elk geval de eerste tekenen van haar ziekte op. Dit kan onder meer worden afgeleid uit het feit dat zij reeds op 2 april 2008 op consultatie was gegaan bij een therapeut. De verzoekster concludeert dat haar psychologische toestand het haar onmogelijk maakte haar gedragingen nog volledig te controleren, zodat haar geen fout kan worden verweten en de ingeroepen feiten niet als een ernstige tekortkoming kunnen worden beschouwd. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt dat artikel 28 van het koninklijk besluit van 10 november 2006 bepaalt dat in twee gevallen ontslag verleend kan worden, zonder opzegging, aan een voorlopig benoemd lid of personeelslid, en bij uitbreiding aan een adjunct-griffier, namelijk voor “elke zware fout begaan gedurende de voorlopige uitoefening van de functies” of voor “elke ernstige tekortkoming aan de verplichtingen”. Bij ontslag op grond van een “ernstige tekortkoming”, zoals in het geval van de verzoekster, wordt het vereiste van een fout niet gesteld. De argumentatie van de verzoekster in verband met het ten onrechte als foutief bestempelen van haar gedrag is dan ook niet ter zake dienend. Het volstaat immers dat er sprake is van een “ernstige tekortkoming”, zonder dat hierbij de vraag moet worden gesteld naar de eventuele fout van de betrokkene of naar haar psychische gesteldheid. IX-5993-9/17 Volgens de verwerende partij oordeelde de Raad van State in het schorsingsarrest ten onrechte dat het bestaan van een ernstige tekortkoming in elk geval veronderstelt dat de verzoekster verantwoordelijk is voor haar gedrag en dat dit gedrag derhalve ook kan worden verschoond. De verwerende partij herhaalt dat verantwoordelijkheid en verschoonbaarheid inherent zijn aan het foutbegrip, en dienvolgens geen uitstaans hebben met de “ernstige tekortkoming van de verplichtingen”, dat enkel verwijst naar de tekortkomingen van de handelingen op zich, dit is de objectieve aard van de feiten, en niet naar de geestesgesteldheid van de betrokkene. 3.2.
- Subsidiair stelt de verwerende partij dat, zelfs indien de zwakke geestesgesteldheid van de verzoekster het ernstig karakter van de tekortkoming zou kunnen verschonen, aan de verwerende partij niet kan worden verweten dat zij met deze geestesgesteldheid geen rekening heeft gehouden. De verwerende partij heeft van de psychische problemen van de verzoekster slechts kennis gekregen bij lezing van het verzoekschrift tot nietigverklaring. De verzoekster kan in dit verband bezwaarlijk verwijzen naar haar mondelinge mededeling aan de hoofdgriffier, waarvan sprake in de brief van de hoofdgriffier van 8 april
- De verzoekster had het immers slechts over de noodzaak om haar “persoonlijke zaken te regelen”. In het schorsingsarrest wordt uitdrukkelijk erkend dat de verwerende partij op het ogenblik van het bestreden besluit geen kennis had van de geestestoestand van de verzoekster en dat de medische stukken betreffende de geestesziekte van de verzoekster pas werden overgemaakt bij het indienen van het verzoekschrift. De verwerende partij stelt als een goed huisvader en met inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht een beslissing te hebben genomen. Het schorsingsarrest miskent volgens de verwerende partij deze zorgvuldigheidsplicht, daar de verwerende partij verplicht wordt rekening te houden met informatie waarvan zij geen kennis had bij het nemen van het bestreden besluit. De verwerende partij ziet dan ook niet in hoe de aan de verzoekster ten laste gelegde feiten a posteriori nog kunnen worden verschoond door middel van medische documenten die pas zijn overgemaakt bij het indienen van het verzoekschrift. De verwerende partij merkt op dat ook in het schorsingsarrest wordt gesteld dat de aangevoerde gegevens niet aantonen dat de mentale gezondheid van de verzoekster op het ogenblik van de feiten dermate was aangetast dat zij niet verantwoordelijk was voor haar daden of dat haar gedrag niet als een ernstige IX-5993-10/17 tekortkoming kan worden beschouwd. De Raad van State stelde enkel vast dat er “voldoende ernstige aanwijzingen” zijn van het bestaan van een gezondheidstoestand die een verschoningsgrond kan opleveren. De elementen die in het arrest worden aangehaald als ernstige aanwijzingen in verband met de geestestoestand van de verzoekster vormen geen bewijs dat de feiten die aan het bestreden besluit ten grondslag lagen verschoonbaar zijn wegens geestesziekte. Het dossier bevat ook voor het overige geen enkel stuk waaruit zou blijken dat de feiten die het bestreden besluit schragen wegens de geestesziekte van de verzoekster verschoonbaar zijn. De verzoekster beperkt zich tot de bewering dat zij tijdens haar sollicitatie in het najaar van 2007 nog “volledig gezond van geest” was, maar dat zij op het ogenblik dat de bezwarende feiten zich voordeden, reeds ziek was of minstens de eerste tekenen hiervan opdoken. Dergelijke beweringen vormen, aldus de verwerende partij, vanzelfsprekend geen voldoende bewijs van de verschoonbaarheid van alle bezwarende feiten. 3.
- In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekster naar het schorsingsarrest waarin het middel ernstig werd bevonden. Volgens de verzoekster tonen de medegedeelde medische gegevens en stukken aan dat zij in de betrokken periode omwille van een geestesstoornis niet verantwoordelijk was voor haar gedrag of dat de geestesstoornis van die aard was dat haar gedrag niet als een ernstige tekortkoming kan worden beschouwd. Dit wordt bevestigd door het feit dat zij sedert 2 maart 2009 opnieuw aan het werk is en er zich sindsdien op het werk geen enkel probleem heeft voorgedaan. Voorts legt de verzoekster nog twee bijkomende medische rapporten neer die, ook al vormen zij geen sluitend bewijs, het vermoeden bevestigen dat zij tijdens de betrokken periode ziek was. 3.
- In haar laatste memorie beklemtoont de verwerende partij dat noch het vonnis van 23 mei 2008, noch het medisch rapport van 16 april 2009 een sluitend bewijs leveren dat de verzoekster tijdens de hoorzitting van 28 april 2008 niet in staat was om haar gedrag te verantwoorden wegens geestesziekte. Zij wijst er ook op dat het gebrek aan besef van de gezondheidstoestand niet in overeenstemming is met de excuses die de verzoekster tot tweemaal toe heeft geuit, met name bij brief van 14 april 2008 en op de hoorzitting van 28 april
- Voorts stelt de verwerende partij dat de beoordeling van de gezondheidstoestand van de verzoekster niet alleen moet gebeuren op datum van 28 april 2008, zijnde de datum van de hoorzitting. Het bestreden besluit verwijst IX-5993-11/17 immers naar feiten van vóór die datum, met name feiten die plaatsvonden van bij de aanvang van de indiensttreding van de verzoekster op 25 maart
- Indien al zou kunnen worden bewezen dat de verzoekster op 28 april 2008 omwille van haar gezondheidstoestand niet in staat was om haar gedrag te verantwoorden, dan brengt de verzoekster geen enkel bewijs aan dat alle andere handelingen die zij heeft gesteld vanaf haar indiensttreding en die in het bestreden besluit worden vermeld, eveneens kunnen worden verschoond. Beoordeling 3.5.
- Volgens het op het ogenblik van het bestreden besluit vigerende artikel 269bis, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is het door de Koning vastgesteld statuut van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-griffier. De bepalingen die gelden voor onder meer de voorlopig benoemde leden van de griffies zijn terug te vinden in titel II, hoofdstuk IV, van het koninklijk besluit van 10 november 2006 betreffende het statuut, de loopbaan en de bezoldigingsregeling van het personeel van griffies en parketsecretariaten. Artikel 24 van het koninklijk besluit van 10 november 2006 bepaalt dat de benoeming eerst vast wordt na één jaar ambtsvervulling. Artikel 26 bepaalt dat de opzeggingstermijn drie maanden bedraagt. Artikel 28 voorziet in de mogelijkheid om een voorlopig benoemd lid van de griffie in bepaalde gevallen zonder opzegging te ontslaan. Die laatste bepaling, die in de voorliggende zaak is toegepast, luidt als volgt: “Voor elke zware fout begaan gedurende de voorlopige uitoefening van de functies of elke ernstige tekortkoming aan de verplichtingen kan het voorlopig benoemde lid of personeelslid dat er zich schuldig aan maakt, zonder opzegging worden ontslagen.” Artikel 32 van het genoemde besluit bevat ten slotte een regeling in geval van ziekte of gebrekkigheid van het betrokken personeelslid. 3.5.
- Volgens de verwerende partij moeten de “ernstige tekortkomingen” die overeenkomstig artikel 24 van het koninklijk besluit van 10 november 2006 tot het ontslag zonder opzegging kunnen leiden, niet noodzakelijk een foutief karakter hebben, zodat de verzoekster haar geestesziekte niet als verschoningsgrond kan inroepen. IX-5993-12/17 Dit standpunt kan niet worden bijgevallen. In de tekst van voormeld artikel 28 is immers sprake van een personeelslid dat zich “schuldig” heeft gemaakt aan een zware fout of ernstige tekortkoming. Aan de betrokkene moet “schuldig”, dit is foutief, gedrag kunnen worden verweten. De verwerende partij kan dus niet worden gevolgd waar zij beweert dat ernstige tekortkomingen die omwille van de psychische gesteldheid van de betrokkene niet aan diens fout te wijten zijn, niettemin tot zijn ontslag zonder opzegging kunnen leiden. 3.5.
- Het middel werd in het schorsingsarrest ernstig bevonden. De Raad van State overwoog daarbij inzonderheid het volgende : “De Raad van State gaat er in de huidige stand van het geding [...] van uit dat het voor de wettigheid van een besluit waarbij aan een personeelslid ontslag zonder opzegging wordt gegeven, niet volstaat dat het bestuur, op het ogenblik dat het besluit wordt genomen, onwetend is inzake het bestaan of de ernst van eventuele gezondheidsproblemen van het personeelslid. Als nadien blijkt dat het in aanmerking genomen gedrag van het personeelslid in het licht van diens gezondheidstoestand verschoonbaar is, lijkt aangenomen te moeten worden dat het besluit niet steunt op de rechtens vereiste feitelijke grondslag. De vraag lijkt te dezen dus te zijn, niet wat het bestuur op 21 mei 2008 met betrekking tot de gezondheidstoestand van de verzoekster wist of moest weten, maar wel of de gezondheidstoestand van de verzoekster in de periode tussen haar eedaflegging en haar ontslag objectief van die aard was dat hij een verschoningsgrond voor de vastgestelde tekortkomingen oplevert. Wat dit laatste betreft, rust de bewijslast geheel op de verzoekster. Zij dient, in het bijzonder aan de hand van medische gegevens, aan te tonen dat zij in de betrokken periode omwille van een geestesstoornis niet verantwoordelijk was voor haar gedrag of, minstens, dat de geestesstoornis van die aard was dat haar gedrag niet als een ernstige tekortkoming beschouwd kan worden. 4.
- Te dezen verwijst de verzoekster in de eerste plaats naar het verslag van een arts van 15 mei 2008 en naar het vonnis van de vrederechter van 23 mei
- Uit die stukken blijkt volgens haar dat zij op dat ogenblik leed aan een geestesziekte die het haar onmogelijk maakte om haar gedragingen volledig te controleren. Op zich lijkt de verwerende partij de bewijswaarde van die stukken niet te betwisten. Uit het feit dat de verzoekster, volgens de genoemde documenten, ‘reeds een aantal maanden’ aan die ziekte zou lijden én uit het feit dat zij het zelf nodig vond om begin april 2008 een therapeut te raadplegen, ook al was zij zich toen nog niet bewust van de precieze aard van haar problemen, leidt zij vervolgens af dat zij reeds ziek was in de periode vóór haar gedwongen opname, met name op het ogenblik dat de bezwarende feiten zijn gebeurd. De door de verzoekster aangevoerde gegevens tonen weliswaar nog niet aan dat de mentale gezondheid van de verzoekster op het ogenblik van de feiten dermate was aangetast dat zij niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor haar daden of, minstens, dat haar gezondheidstoestand van die aard was dat haar gedrag niet als een ernstige tekortkoming beschouwd kan worden. In de IX-5993-13/17 huidige stand van het geding vormen die gegevens echter wel voldoende ernstige aanwijzingen van het bestaan van een gezondheidstoestand die een verschoningsgrond kan opleveren. 4.
- De Raad van State concludeert dan ook dat het middel ernstig is.” 3.5.
- De vraag of de gezondheidstoestand van de verzoekster een verschoningsgrond uitmaakt, behoort tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het bestuur. De Raad van State mag zijn eigen opvatting daarover niet in de plaats stellen van die van het bestuur, maar enkel nagaan of het bestuur de regelgeving en de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geëerbiedigd. In de onderhavige zaak heeft de verwerende partij zich niet kunnen uitspreken over de vraag of de gezondheidstoestand van de verzoekster een verschoningsgrond voor de vastgestelde tekortkomingen kan opleveren. Uit het dossier blijkt immers niet dat de verwerende partij op de hoogte was of moest zijn van de geestesziekte van de verzoekster. In haar brief van 8 april 2008 maakt de hoofdgriffier weliswaar melding van de vraag van de verzoekster om haar te schorsen, omdat zij tijd nodig heeft om “persoonlijke zaken te regelen (advocaat, gerechtsdeurwaarder, psychotherapeut, dokters enz.)”, doch hieruit blijkt niet dat de hoofdgriffier wist of moest weten dat de tekortkomingen die aan de verzoekster werden verweten, het gevolg waren van een geestesziekte. Ook tijdens het verhoor door de hoofdgriffier op 28 april 2008 heeft de verzoekster haar gezondheidstoestand niet als verschoningsgrond aangevoerd. In beginsel zou daaruit volgen dat de verzoekster zich ook voor de Raad van State niet meer op haar gezondheidstoestand kan beroepen. Aan de overheid kan immers niet worden verweten dat zij de gezondheidstoestand van de betrokkene niet in haar beoordeling heeft betrokken, wanneer deze zelf heeft nagelaten zijn gedrag op medische gronden te verantwoorden. Te dezen blijkt evenwel uit de concrete gegevens van de zaak dat de verzoekster juist omwille van haar geestestoestand niet in staat was om haar gedrag tijdens de hoorzitting op medische gronden te verantwoorden. In het vonnis van 23 mei 2008 waarbij de gedwongen opname van de verzoekster wordt bevolen, maakt de vrederechter melding van een “totaal gebrek aan ziekte-inzicht in hoofde van betrokkene - volgens haar heeft zij geen problemen”. In een medisch verslag van 16 april 2009, dat de verzoekster bij haar memorie van wederantwoord heeft gevoegd, wordt eveneens gewag gemaakt van “het afwezige ziekte-inzicht”. IX-5993-14/17 Bijgevolg kan aan de verzoekster niet worden verweten dat zij haar gezondheidstoestand tijdens het verhoor op 28 april 2008 niet ter sprake heeft gebracht. Gelet op die bijzondere omstandigheid, gelegen in de afwezigheid van ziekte-inzicht bij de verzoekster, kan niet worden aangenomen dat de verzoekster de mogelijkheid heeft verbeurd om in het voorliggende beroep te laten gelden dat de verwerende partij bij de beoordeling van haar gedrag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar gezondheidstoestand. 3.5.
- Uit het vonnis van de Vrederechter te Leuven van 23 mei 2008 waarbij de opname van de verzoekster in een psychiatrische instelling werd bevolen, en uit de door de verzoekster neergelegde verklaring van 16 april 2009 van een geneesheer verbonden aan de desbetreffende instelling blijkt genoegzaam dat de geestesziekte van de verzoekster zich allicht reeds geruime tijd voor haar opname heeft gemanifesteerd en tot disfunctioneel gedrag in haar dagtaken heeft geleid. Dienvolgens moet geredelijk worden aangenomen dat er ernstige aanwijzingen zijn van het bestaan van een gezondheidstoestand die een verschoningsgrond kan opleveren voor de aan de verzoekster verweten tekortkomingen die aan de grondslag liggen van haar ontslag, en waarmee de verwerende partij bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Het middel is in zoverre gegrond. Verzoek tot anonimisering
- Ter zitting vraagt de verzoekster de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. IX-5993-15/17 Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendgemaakt. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoeksters vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 21 mei 2008 waarbij XXXX, voorlopig benoemd adjunct-griffier bij het Hof van Beroep te Antwerpen, zonder opzegging wordt ontslagen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Artikel
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- Bij de publicatie van dit arrest in de zin van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State, wordt de identiteit van de verzoekster niet bekendgemaakt. IX-5993-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 oktober 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5993-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.195 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.344 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.