id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.196 Rolnummer: A. 181135/IX-5570 Zaak: Arrest 197196 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 22/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-28 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-30 03:44 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 197.196 van 22 oktober 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.196 van 22 oktober 2009 in de zaak A. 181.135/IX-
- In zake : Willy VERHAEGEN, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE SIMONE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRÉ en P. SLEGERS, kantoor houdende te WATERMAAL-BOSVOORDE, Terhulpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy VERHAEGEN op 19 februari 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het koninklijk besluit van 12 december 2006 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, met name artikel 2 ervan”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur I. VOS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 11 september 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 oktober 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-5570-1/17 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CLONEN die, loco advocaat E. DE SIMONE, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. SLEGERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur I. VOS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Reglementair kader 1.
- Het voorliggende geschil heeft betrekking op de cumulatie van uitkeringen inzake arbeidsongevallen met pensioenen. 1.
- Artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalde dienaangaande het volgende: “§
- Vanaf de eerste dag van de maand vanaf dewelke een recht ontstaat op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- of overlevingspensioenen, worden de eventueel overeenk- omstig artikel 27bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 geïndexeer- de jaarlijkse vergoedingen of renten of de bijslagen verminderd tot de bedragen vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit 10 december 1987 betreffende de bijslagen. Voor de toepassing van dit besluit wordt het invaliditeitspensioen of een als zodanig geldende uitkering toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse regeling of een regeling van toepassing op het personeel van een volkenrechte- lijke instelling als een als rustpensioen geldende uitkering beschouwd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gerechtigde 65 jaar wordt. §
- Het bedrag waarop de getroffene of de rechthebbende overeenkomstig § 1 nog aanspraak kan maken, wordt verminderd met het gedeelte van de waarde van de rente dat in kapitaal werd uitgekeerd of met het in een hypo- thetische rente omgezette bedrag in gemeen recht toegekend als vergoeding van de lichamelijke schade, zoals zij gedekt is door de arbeidsongevallenwet van 10 april
- §
- Wanneer het gaat om een rust- of overlevingspensioen van een mijn- werker, die gedurende zijn loopbaan omwille van een arbeidsongeval alle verdere beroepsactiviteit heeft moeten stopzetten of de ondergrondse arbeid heeft moeten verlaten teneinde op de bovengrond tewerkgesteld te worden, IX-5570-2/17 wordt voor de toepassing van dit besluit per percent blijvende arbeidson- geschiktheid het bedrag in aanmerking genomen dat van toepassing is voor de getroffene van wie de blijvende arbeidsongeschiktheid meer dan 65 % bedraagt.” 1.
- In een arrest van 27 februari 2006 heeft het Hof van Cassatie met betrekking tot een analoog koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, tot de onwettigheid van dat besluit besloten, omdat het niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State was voorgelegd en de aangevoerde hoogdringend- heid niet afdoende was gerechtvaardigd. Dit was voor de wetgever reden om de voormelde regeling van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 te bekrachtigen (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2518/1, p. 179-181). Dat gebeurde bij de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen. Daarbij werd het koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 met uitwerking op 1 januari 1983 ingetrokken en vervangen door de bepalingen van hoofdstuk XII van titel XIII van de genoemde wet van 20 juli
- Tegen deze wettelijke bepalingen werden verschillende beroepen tot vernietiging ingediend bij het Grondwettelijk Hof, onder meer door de verzoeker. Ze werden alle door het Grondwettelijk Hof verworpen bij arrest nr. 64/2008 van 17 april
- 1.
- Vanaf 1 januari 2007 traden de voormelde bepalingen van de wet van 20 juli 2006 buiten werking. Vanaf dan vermocht de Koning de cumulatierege- ling opnieuw uit te werken. Artikel 42bis, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zoals ingevoegd bij de wet van 20 juli 2006, bepaalt met ingang van 1 januari 2007 dat de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden de cumulatie is toegestaan van de ter uitvoering van de eerstgenoemde wet toegekende prestaties en die welke krachtens andere sociale zekerheids- of voorzorgsregelingen worden toegekend. IX-5570-3/17 1.
- Het koninklijk besluit van 12 december 2006 beoogt uitvoering te geven aan deze bepaling. Het thans bestreden artikel 2 van dit besluit luidt als volgt: “§
- Vanaf de eerste dag van de maand vanaf dewelke een recht ontstaat op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische of buitenlandse regeling voor rust- of overlevingspensioenen, worden de eventueel overeen- komstig artikel 27bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ge- indexeerde jaarlijkse vergoedingen of renten of de bijslagen verminderd tot de bedragen vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 december 1987 betreffende de bijslagen. Voor de toepassing van dit besluit wordt het invaliditeitspensioen of een als zodanig geldende uitkering toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse regeling of een regeling van toepassing op het personeel van een volkenrechte- lijke instelling als een als rustpensioen geldende uitkering beschouwd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gerechtigde 65 jaar wordt. §
- Het bedrag waarop de getroffene of de rechthebbende overeenkomstig § 1 nog aanspraak kan maken, wordt verminderd met het gedeelte van de waarde van de rente dat in kapitaal werd uitgekeerd of met het in een hypothetische rente omgezette bedrag in gemeen recht toegekend als vergoeding van de lichamelijke schade, zoals zij gedekt is door de arbeidsong- evallenwet van 10 april
- §
- Wanneer het gaat om een rust- of overlevingspensioen van een mijnwerker, die gedurende zijn loopbaan omwille van een arbeidsongeval alle verdere beroepsactiviteit heeft moeten stopzetten of de ondergrondse arbeid heeft moeten verlaten teneinde op de bovengrond tewerkgesteld te worden, wordt voor de toepassing van dit besluit per percent blijvende arbeidson- geschiktheid het bedrag in aanmerking genomen dat van toepassing is voor de getroffenen van wie de blijvende arbeidsongeschiktheid meer dan 65 % bedraagt.” Feiten 2.
- De verzoeker geniet, naar eigen zeggen, ten laste van het Fonds voor Arbeidsongevallen renten voor arbeidsongevallen, hem overkomen op 16 februari 1980 en 30 november
- Sinds zijn oppensioenstelling op 1 november 1999, zijn deze renten herleid tot lagere forfaitaire bedragen overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april
- IX-5570-4/17 2.
- Op 5 mei 2006 heeft de verzoeker het Fonds voor Arbeidsongeval- len gedagvaard voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. In deze procedure vordert de verzoeker de volledige uitkering van zijn renten op grond dat het genoemde koninklijk besluit van 13 januari 1983 onwettig is, omdat het niet voorafgaandelijk voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd. Voorts heeft de verzoeker een vernietigingsberoep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof tegen de bepalingen van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, waarin de inhoud van het genoemde koninklijk besluit van 13 januari 1983 met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van dat koninklijk besluit werd overgenomen. Zoals gezegd, werd dit beroep mede verworpen bij arrest van het Grondwettelijk Hof, nr. 64/2008 van 17 april
- 2.
- Sinds 1 januari 2007 gebeurt de vermindering van verzoekers renten voor arbeidsongevallen overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 december 2006 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, hetwelk het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 3.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij betoogt dat de bestreden norm een uitvoeringsbesluit van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet betreft. Dit wetsartikel houdt in dat de tussenkomst van de Koning noodzakelijk is vooraleer de cumulatie van een uitkering wegens arbeidsongeval met een overlevingspensioen of een rustpensioen mogelijk wordt. Aangezien zonder de tussenkomst van de Koning geen enkele cumulatie mogelijk is, heeft de verzoeker geen belang bij een vordering die ertoe strekt de tussenkomst van de Koning in se te betwisten. 3.
- De verzoeker repliceert dat artikel 42bis van de arbeidsongeval- lenwet van 10 april 1971 op zich geen cumulatieverbod instelt, maar de Koning IX-5570-5/17 machtigt om cumulatiebepalingen vast te stellen. Zonder een optreden van de Koning is de cumulatie volledig mogelijk. Indien het al de bedoeling van de wetgever was om een (volledige) cumulatie uit te sluiten, dan had dit in de arbeidsongevallenwet zelf bepaald moeten zijn, wat niet het geval is. Beoordeling 3.3.
- Artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 werd ingevoegd bij wet van 2 juli
- In de parlementaire voorbereiding van de laatstgenoemde wet werd de desbetreffende bepaling als volgt toegelicht: “Er is in de arbeidsongevallenwetgeving geen enkele bepaling die in een mogelijke beperking van de prestaties voorziet. Aan de Koning dient de bevoegdheid verleend te worden cumulatieregelen te bepalen en, zoals voor de beroepsziekten, te voorzien in een overdracht van de verwezenlijkte besparingen naar de pensioenregeling.” (Parl. St. Kamer 1980-1981, nr. 838/5, p. 3, en nr. 838/37, p. 8) Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 18/2000 van 9 februari 2000 de bedoelde wettelijke bepaling dan ook niet gelezen als een cumulatieverbod op zich, maar heeft gewezen op “de mogelijkheid vervat in artikel 42bis, eerste lid, van die wet om een cumulatiebeperking in te voeren van de arbeidsongevallenuitkering met andere sociale zekerheids- of voorzorgsmaatrege- len”. Deze lezing werd bevestigd in het arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008, waarin het Grondwettelijk Hof stelt: “Door de erin vervatte machtiging aan de Koning vertolkte die bepaling reeds de regel volgens welke de cumulatie van de krachtens de wet van 10 april 1971 verschuldigde jaarlijkse vergoedingen, rentes en prestaties met een rust- of overlevingspensioen kan worden beperkt.” Ook uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2006 blijkt dat de wetgever met het nieuwe artikel 42bis, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet slechts heeft beoogd “een wettelijke basis [te leggen] om de Koning in de toekomst de mogelijkheid te geven om de bepalingen inzake de samenloop van arbeidsongevallenvergoedingen met een pensioen te regelen” (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2518/1, p. 181). IX-5570-6/17 Het standpunt van de verwerende partij dat zonder de tussenkomst van de Koning geen enkele cumulatie mogelijk zou zijn en dat de verzoeker daarom geen belang heeft bij een vordering die ertoe strekt de tussenkomst van de Koning in se te betwisten, kan dan ook niet worden bijgevallen. 3.3.
- Bovendien moet worden opgemerkt dat de vordering van de verzoeker niet beperkt is tot de betwisting van de tussenkomst van de Koning als zodanig. Sommige middelen en middelonderdelen die door de verzoeker worden aangevoerd, hebben betrekking op de inhoud van de bestreden bepaling. In het geval van een vernietiging van de bestreden bepaling op grond van één van die middelen of middelonderdelen, zal de Koning een nieuw besluit kunnen uitvaardigen, waarbij hij het gezag van het vernietigingsarrest van de Raad van State dient te eerbiedigen. Het is dan niet uitgesloten dat de belangen van de verzoeker beter aan bod komen. De exceptie faalt naar recht. Grond van de zaak Eerste middel Standpunt van de partijen 4.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, samen gelezen met de artikelen 33, 36, 105 en 108 van de Grondwet en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO), evenals uit de schending van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april
- De verzoeker betoogt dat artikel 42bis van de arbeidsongevallen- wet een blanco cheque geeft aan de Koning om uit te maken onder welke voorwaarden en in welke mate prestaties in het kader van de arbeidsongevallenwet kunnen worden gecumuleerd met prestaties in het kader van andere sociale zekerheids- of voorzorgsregelingen, wat een onwettige delegatie van de wetgever aan de Koning inhoudt. Volgens de verzoeker zijn bevoegdheden in het geding die verder reiken dan wat de gewone uitvoering van een wet vereist. De Koning moet de gevallen bepalen waarin personen die aanspraken kunnen laten gelden op prestaties in het kader van de arbeidsongevallenwet, deze niet meer hebben of nog IX-5570-7/17 maar in verminderde mate. Het gaat om essentiële (negatieve) toekenningscriteria die in de wet zelf hadden moeten worden bepaald en niet in een uitvoeringsbesluit. De verzoeker stelt voorts dat de Raad van State weliswaar niet bevoegd is om de wet aan de Grondwet te toetsten, maar dat hij dienaangaande wel een prejudiciële vraag kan stellen aan het Grondwettelijk Hof, namelijk of artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet strijdig is met de in het middel aangehaalde bepalingen, nu rechthebbenden op prestaties krachtens de arbeidsongevallenwet anders worden behandeld dan rechthebbenden op prestaties krachtens andere sociale zekerheidsregelingen, “bijvoorbeeld zij die prestaties genieten krachtens de GVU- wetgeving, waar de wetgever in de wet van 14 juli 1994 wel zelf de cumulatie met betrekking tot prestaties krachtens andere regelingen van sociale zekerheid of met prestaties toegekend krachtens het gemeen recht heeft geregeld”. Volgens de verzoeker wordt hem op een discriminerende wijze het recht op een beraadslaging door een representatief orgaan ontzegd. Ten slotte laat de verzoeker gelden dat de prestaties verschuldigd in het kader van de arbeidsongevallenwetgeving in het merendeel van de gevallen worden verstrekt door private verzekeraars die in het kader van de regeling van artikel 42bis het gevormd kapitaal dienen over te maken aan het Fonds voor Arbeidsongevallen. Het gaat aldus niet om een eigenlijke cumulatiebeperking, maar om een inhouding op de verschuldigde rente of uitkering door het Fonds, zodat de bestreden regeling evenmin een wettige uitvoering vormt van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet. 4.
- De verwerende partij antwoordt in hoofdorde dat het eerste middel gericht is tegen artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet zelf, zodat het middel buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt en om die reden niet ontvankelijk is. Voorts stelt zij dat de delegatie aan de Koning alleszins rechtsgeldig geschiedde en dat ook de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies over het ontwerp van koninklijk besluit dat het koninklijk besluit van 12 december 2006 is geworden, geenszins heeft gewezen op een mogelijke onbevoegdheid van de Koning. IX-5570-8/17 Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker ook een annulatieberoep heeft ingesteld bij het Grondwettelijk Hof tegen de wet van 20 juli 2006, in het kader waarvan hij dit middel reeds heeft kunnen aanvoeren. De procedure van de prejudiciële vraagstelling kan volgens de verwerende partij niet worden aangewend om voor het Grondwettelijk Hof laattijdig nog een middel aan te voeren. Dit geldt volgens haar des te meer, omdat duidelijk is dat het antwoord van het Grondwettelijk Hof hoe dan ook ontkennend zou zijn. 4.
- De verzoeker repliceert dat het middel ontvankelijk is, omdat hij niet de annulatie vraagt van een ongrondwettige wetsbepaling, maar wel van een ongrondwettige reglementaire bepaling, zodat de Raad van State wel degelijk bevoegd is. Hij wijst tevens op de mogelijkheid van prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof. Volgens hem verhindert het feit dat hij het middel niet heeft aangevoerd in het kader van zijn annulatieberoep voor het Grondwettelijk Hof, niet dat na de wettelijk voorgeschreven beroepstermijn van zes maanden alsnog een prejudiciële vraag kan worden gesteld. Beoordeling 4.4.
- Op te merken valt dat de verzoeker, in tegenstelling tot wat het geval is voor het tweede en het derde middel, het eerste middel als zodanig niet heeft aangevoerd in het kader van het door hem ingestelde beroep bij het Grondwet- telijk Hof tot vernietiging van de artikelen 312, tweede lid, 316, 317, derde lid, en 321 van de wet van 20 juli
- In zijn arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008 heeft het Grondwette- lijk Hof niettemin reeds als volgt geoordeeld met betrekking tot een middel dat door andere verzoekende partijen werd aangevoerd, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 179 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens : “B.
- Het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 42bis, eerste lid, van de wet van 10 april 1971 - zoals het opnieuw werd ingevoerd bij artikel 345 van de wet van 20 juli 2006 - met de artikelen 10, 11 en 23, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 179 ervan en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de Koning ertoe machtigt, enerzijds, te bepalen welke andere stelsels van sociale zekerheid en sociale IX-5570-9/17 voorzorg worden beoogd in de erin vervatte regel en, anderzijds, de mate aan te geven waarin de krachtens die stelsels toegekende uitkeringen kunnen worden gecumuleerd met die welke worden toegekend krachtens de wet van 10 april
- B.32.
- Uit het feit dat artikel 23, tweede lid, van de Grondwet bepaalt dat de bevoegde wetgever ‘de voorwaarden voor de uitoefening [bepaalt]’ van het recht op sociale zekerheid, kan niet worden afgeleid dat die wetgever de Koning niet zou mogen belasten met de nadere uitwerking van het door hem georganiseerde recht op sociale zekerheid. B.32.
- Dat geldt des te meer daar het voorwerp van de aan de Koning verleende machtiging een bijzonder technische en ingewikkelde aangelegenheid betreft. Zulks blijkt uit de parlementaire voorbereiding van artikel 15 van de wet van 10 februari 1981 (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 564-1, p. 13; ibid., nr. 564-2, p. 9; Hand., Senaat, 15 januari 1981, p. 704; Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 736/3, p. 5) dat ertoe strekte dezelfde problematiek te regelen als artikel 5 van de programmawet van 2 juli 1981 (Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 838/5, p. 3; Parl. St., Kamer, 1980-1981, nr. 838/37, pp. 2-3, 7-11), dat zelf in de wet van 10 april 1971 een bepaling heeft ingevoerd die identiek is met die welke wordt ingevoerd door de bestreden bepaling. Het technische en ingewikkelde karakter blijkt ook uit de bewoordingen van de in de afdelingen 1 tot 7 van hoofdstuk XII van titel XIII van de wet van 20 juli 2006 vervatte artikelen die teksten overnemen die zijn aangenomen op basis van artikel 42bis, eerste lid, van de wet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 5 van de programmawet van 2 juli
- B.32.
- Artikel 179 van de Grondwet, volgens hetwelk geen pensioen ten laste van de staatskas kan worden toegekend dan ‘krachtens een wet’, staat een bevoegdheidsopdracht van de wetgever aan de Koning niet in de weg. B.
- Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens houdt niet in dat de wetgever de Koning er niet toe kan machtigen de voorwaarden te bepalen waarbij een uitkering toegekend krachtens de wet van 10 april 1971 kan worden gecumuleerd met de uitkeringen die worden toegekend in het raam van andere sociale zekerheids- of voorzorgsregelingen. B.
- Het derde middel in de zaak nr. 4133 is niet gegrond.” Hoewel het door het Grondwettelijk Hof onderzochte middel strikt genomen geen betrekking heeft op de artikelen 33, 36, 105 en 108 van de Grondwet, noch op artikel 26 BUPO, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, heeft het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest geoordeeld dat zelfs het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet een bevoegdheidsop- dracht van de wetgever aan de Koning niet in de weg staat. IX-5570-10/17 Volgens het Hof heeft de bevoegdheidsopdracht van artikel 42bis, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 slechts betrekking op de nadere uitwerking van het door de wetgever georganiseerde recht op sociale zekerheid en is de bevoegdheidsopdracht des te meer aanvaardbaar daar het voorwerp van de aan de Koning verleende machtiging een bijzonder technische en ingewikkelde aangelegenheid betreft. Waar het Hof heeft geoordeeld dat de bevoegdheidsopdracht aan de Koning in overeenstemming is met artikel 23 van de Grondwet dat een legaliteitsbeginsel bevat en dus het waarborgen van de erin bedoelde grondrechten voorbehoudt aan de wetgever, mag a fortiori worden aangenomen dat de bepaling eveneens in overeenstemming is met de artikelen 33, 36, 105 en 108 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aan een delegatie van voorbehouden aangelegenheden worden immers strengere eisen gesteld dan aan een delegatie van niet-voorbehouden aangelegenheden. Aldus blijkt het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008 zich reeds te hebben uitgesproken over de grondwet- tigheid van de bevoegdheidsopdracht aan de Koning in artikel 42bis, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet, zodat er geen reden meer is tot het stellen van een prejudiciële vraag. 4.4.
- De verzoeker laat in het middel voorts gelden dat de bestreden regeling evenmin een wettige uitvoering vormt van artikel 42bis van de arbeids- ongevallenwet, nu het niet zou gaan om een eigenlijke cumulatiebeperking, maar om een inhouding op de verschuldigde rente of uitkering door het Fonds. Het bestreden artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 december 2006 regelt de vermindering van de uitkeringen toegekend ter uitvoering van de arbeidsongevallenwet vanaf de eerste dag van de maand vanaf dewelke een recht ontstaat op een rust- of overlevingspensioen. Het valt niet in te zien dat deze regeling, zoals de verzoeker beweert, méér zou zijn dan een cumulatieregeling en de machtiging aan de Koning verleend bij artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet te buiten zou gaan. 4.4.
- Het eerste middel kan niet worden aangenomen. IX-5570-11/17 Tweede middel Standpunt van de partijen 5.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat in de bestreden bepaling een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds slachtoffers van een arbeidsongeval die rechten kunnen doen gelden op een rust- of overlevingspensioen, en anderzijds dezelfde slachtoffers die over de hoedanigheid van ex-mijnwerker beschikken en daardoor een gunstiger regime genieten. De verzoeker stelt dat voor het gemaakte onderscheid geen enkele redelijke en objectieve verantwoording bestaat. 5.
- De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het beweerde onderscheid niet vervat is in artikel 2, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2006 waarnaar de verzoeker verwijst, zodat het middel faalt naar recht. Ondergeschikt laat de verwerende partij gelden dat het onder- scheid tussen ex-mijnwerkers en andere slachtoffers in artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 12 december 2006 geen discriminatie inhoudt. Zij betoogt dat een objectief en redelijk verschil tussen beide categorieën van slachtoffers bestaat, zodat de Koning voor de beide categorieën in een andere behandeling mocht voorzien. Zij zet uiteen dat het onderscheid historisch is gegroeid. Weliswaar heeft een geleidelijke aanpassing plaats van het statuut van de mijnwerkers aan het statuut van de andere arbeiders, maar dat gebeurt met handhaving van de door de betrokkenen verworven rechten. Het behoud van de rechten van de mijnwerkers is de uitdrukkelijke wens van de wetgever en is historisch gesteund op de eigenheid van de mijnarbeid en de rol ervan in de Belgische samenleving. Voorts stelt de verwerende partij dat de verschillende behandeling is ingegeven door de wetgever en voortvloeit uit het koninklijke besluit van 28 mei 1958 tot vaststelling van het statuut van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers, inzake inrichting van de rust- en weduwepensioenregeling, en het koninklijk besluit van 19 november 1970 betreffende het invaliditeitspensioenstelsel IX-5570-12/17 voor de mijnwerkers. Het onderscheid is dan ook niet gecreëerd door de thans bestreden bepaling. 5.
- De verzoeker repliceert vooreerst dat de verwijzing naar artikel 2, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2006 een materiële vergissing betreft. Voor het overige stelt hij dat de verwerende partij geen enkel argument aanbrengt dat ervan kan overtuigen dat de bestreden regeling geen discriminatie inhoudt. Er wordt geen verschil tussen beide categorieën aangetoond. Bovendien kan wat in 1983 niet als discriminatoir werd beschouwd, nu wel zo worden gezien. Beoordeling 5.
- In zijn arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008 heeft het Grondwette- lijk Hof reeds als volgt geoordeeld met betrekking tot een vergelijkbaar middel dat de verzoeker had aangevoerd in het kader van het door hem ingestelde beroep tot vernietiging van de artikelen 312, tweede lid, 316, 317, derde lid, en 321 van de wet van 20 juli 2006 : “B.
- Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift - en uit het onderzoek van het belang van de verzoeker - blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 317 van de wet van 20 juli 2006 - doordat het artikel 312, § 3, invoegt in de wet van 20 juli 2006 - met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een verschil in behandeling maakt tussen twee categorieën van personen die een rust- of overlevings- pensioen genieten en die, naar aanleiding van een arbeidsongeval, hun beroepsactiviteit hebben moeten stopzetten of van activiteit hebben moeten veranderen : enerzijds, de mijnwerkers en, anderzijds, de andere werknemers op wie de wet van 10 april 1971 van toepassing is en die niet die hoedanigheid van mijnwerker hebben. Het verschil in behandeling vloeit voort uit de omstandigheid dat het door de bestreden bepaling veroorzaakte voordeel enkel van toepassing is op de mijnwerkers. B.
- De bestreden bepaling neemt de regel over vervat in artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 ‘tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971’, zoals het werd ingevoegd bij artikel 51 van het koninklijk besluit van 10 december
- Die reglementaire bepaling werd aangenomen op grond van artikel 42bis, eerste lid, van de wet van 10 april 1971, ingevoegd bij artikel 5 van de programmawet van 2 juli
- De wetgever heeft bijzondere aandacht kunnen besteden aan het lot van de mijnwerkers wegens de aan dat beroep verbonden bijzondere risico’s. IX-5570-13/17 Het verschil in behandeling is niet zonder redelijke verantwoording. B.
- Het tweede middel in de zaak nr. 4139 is niet gegrond.” Het bestreden artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 december 2006 herneemt met ingang van 1 januari 2007 de bepalingen van artikel 317 van de wet van 20 juli
- De Raad van State ziet geen redenen om met betrekking tot de bestreden bepaling anders te oordelen dan het Grondwettelijk Hof heeft gedaan in het voormelde arrest nr. 64/2008 van 17 april
- Het tweede middel is niet gegrond. Derde middel Standpunt van de partijen 6.
- De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hij stelt dat de voormelde artikelen het fundamenteel recht van eenieder waarborgen om ongestoord van zijn eigendom te kunnen genieten en slechts in het algemeen belang en op de bij de wet bepaalde wijze daarvan te kunnen worden beroofd. Hij voegt eraan toe dat, zoals in het eerste middel reeds werd aangevoerd, de beperking van een rente of vergoeding uit een arbeidsongeval niét op een bij de wet bepaalde wijze is geregeld, maar volledig wordt overgelaten aan de Koning en dat voorts niet kan worden ingezien welk algemeen belang redelijker- wijze deze beperking zou kunnen verantwoorden. 6.
- De verwerende partij antwoordt vooreerst dat het middel ongegrond is, omdat de bestreden bepaling voor de toekomst slechts regels herneemt die reeds sinds 1983 gelden. Aangezien de verzoeker op pensioen is gesteld op 1 november 1999, was de cumulatie van zijn uitkeringen reeds beperkt en wordt geen afbreuk gedaan aan enig verkregen recht van de verzoeker. IX-5570-14/17 Het middel is volgens verwerende partij tevens ongegrond omdat het vertrekt vanuit een verkeerde voorstelling van het recht. De beperking van de cumulatie is volgens verwerende partij ingevoerd door de wetgever zelf, terwijl de Koning de cumulatie in beperkte mate mogelijk maakt. Zonder tussenkomst van de Koning zou er geen cumulatie mogelijk zijn. De bestreden bepaling doet ook om die reden geen afbreuk aan enig verworven recht. Voor wat de regelmatigheid van de delegatie aan de Koning betreft, verwijst de verwerende partij naar haar verweer tegen het eerste middel. Beoordeling 6.
- Voorzover de verzoeker in het middel beoogt te laten gelden dat de bestreden bepaling zijn eigendomsrecht schendt in zoverre ze ingrijpt in “de vordering van concluant wegens het onwettig inhouden op zijn uitkering”, moet vooreerst worden opgeworpen dat uit de beoordeling van de vorige middelen is gebleken dat de verzoeker er niet slaagt de onwettigheid van de uitgevaardigde cumulatieregeling aan te tonen. Voorts kan worden verwezen naar hetgeen het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008 heeft gesteld met betrekking tot een vergelijkbaar middel dat de verzoeker had aangevoerd in het kader van het door hem ingestelde beroep tot vernietiging van de artikelen 312, tweede lid, 316, 317, derde lid, en 321 van de wet van 20 juli 2006 : “B.
- Uit de uiteenzetting in het verzoekschrift blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de artikelen 316 en 321 van de wet van 20 juli 2006 met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre zij, door hun terugwerkende kracht, afbreuk zouden doen aan de ‘potentiële schuldvordering’ van een slachtoffer van een arbeidsongeval. B.
- Om die in B.27 tot B.29 vermelde motieven is het eerste middel in de zaak nr. 4139 niet gegrond.” In de overweging B.27 waarnaar aldus wordt verwezen, stelde het Hof onder meer : “Deze regelgeving werd reeds in 1983 gemotiveerd door de besparingsmaat- regelen noodzakelijk voor de leefbaarheid van ons sociale-zekerheidssysteem, IX-5570-15/17 dat gebaseerd is op de solidariteit tussen de regelingen. Dezelfde motieven worden vandaag a fortiori ingeroepen om een systeem dat sinds 1983 in voege is niet in vraag te stellen, wat een enorme negatieve budgettaire invloed zou hebben.” Het Grondwettelijk Hof besluit in de overweging B.29.6 dat de wetgever maatregelen heeft genomen die werden ingegeven door dwingende motieven van algemeen belang. Het bestreden artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 december 2006 tot uitvoering van artikel 42bis van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 herneemt met ingang van 1 januari 2007 de voor het Grondwettelijk Hof bestreden bepalingen van de wet van 20 juli
- De Raad van State ziet geen redenen om met betrekking tot de thans bestreden bepaling anders te oordelen dan het Grondwettelijk Hof heeft gedaan in zijn arrest nr. 64/2008 van 17 april
- Hij valt de verzoeker dan ook niet bij in zijn standpunt dat geen redenen van algemeen belang de voorgeschreven cumulatiebeperking kunnen verantwoorden. Aangezien het Grondwettelijk Hof de annulatieberoepen tegen de wet van 20 juli 2006 heeft verworpen, blijkt bovendien dat de kwestieuze regeling inzake de cumulatie van uitkeringen reeds van kracht was op het ogenblik van de pensionering van de verzoeker op 1 november 1999, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan diens verworven rechten. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-5570-16/17 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 oktober 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5570-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.