← België

Arrest 197213 - Tucht (openbaar ambt) - 23/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.213 Rolnummer: A. 152900/XII-4173 Zaak: Arrest 197213 - Tucht (openbaar ambt) - 23/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-29 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:44 Fiche Arrest nr 197.213 van 23 oktober 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 197.213 van 23 oktober 2009 in de zaak A. 152.900/XII-

  1. In zake: Philemon VAN DER ELST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Timmermans kantoor houdend te 1180 Brussel Winston Churchill-laan 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. de GEMEENTE AFFLIGEM
  3. het VLAAMS GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Inke Dedecker en Kris Wauters kantoor houdend te Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 18 juni 2004, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissingen van :

(1)het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Affligem dd 30 januari 2004 houdende het opleggen van de tuchtsanctie van schorsing voor één maand met ingang van 1 maart 2004 en met inhouding van wedde aan de heer Philemon Van Der Elst, industrieel ingenieur;
(2)de Vlaamse Minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken dd 20 april 2004 waarbij het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Affligem van 30/01/2004 houdende de tuchtsanctie tegen verzoeker, wordt goedgekeurd”. XII-4173-1\8 II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 juni
  1. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Timmermans, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Gilles Blondeau, die loco advocaat Luc Deleu verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Elif Can, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  2. III. Toepasselijkheid van artikel 30, § 3, van de Raad van State-wet - Belang
  3. In het auditoraatsverslag is de vernietiging voorgesteld van de beide bestreden beslissingen, eensdeels de collegebeslissing van 30 januari 2004 tot oplegging van de tuchtstraf en anderdeels het ministerieel goedkeuringsbesluit van 20 april
  4. De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het verslag aan de verwerende partijen melding gemaakt van artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 14quinquies, § 1, van het algemeen procedurereglement. XII-4173-2\8 Binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in vermeld artikel 30, § 3, is alleen door de tweede verwerende partij een verzoek tot voortzetting ingediend. Eerste verwerende partij liet zulks achterwege. Op geen enkel moment, ook niet ter terechtzitting, heeft zij daarvoor een verklaring gegeven, laat staan nog dat zij een reden van overmacht of onoverwinnelijke dwaling heeft ingeroepen. Om alsnog de toepassing te voorkomen van artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met betrekking tot de eerste bestreden beslissing, uitgaande van de eerste verwerende partij, argumenteert tweede verwerende partij: - dat niet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 14quinquies van het algemeen procedurereglement is voldaan omdat er geen verzoek van het auditoraat tot toepassing van die bepaling voorhanden is en omdat niet is voldaan aan de vereiste van “geen enkel verzoek [tot voortzetting]”; - dat wanneer er meerdere verwerende partijen in de zaak betrokken zijn, het volstaat dat één van die partijen de voortzetting vraagt; - dat de tweede verwerende partij tenminste als een belanghebbende te beschouwen is bij de eerste bestreden beslissing -het collegebesluit-, omdat de nietigverklaring ervan “noodzakelijkerwijze” tot de nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing -het ministerieel goedkeuringsbesluit- leidt.
  5. Artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “De afdeling bestuursrechtspraak kan volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akte of het reglement nietig verklaren, indien de tegenpartij of degene die een belang heeft bij de beslechting van het geschil, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van 30 dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld of, indien toepassing werd gemaakt van artikel 17, § 4, van de mededeling waarin de nietigverklaring wordt voorgesteld”. Artikel 14quinquies van het algemeen procedurereglement schrijft voor: “Het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bedoeld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten wordt ingediend bij een ter post aangetekende brief. Indien geen enkel verzoek is ingediend binnen de termijn gesteld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten, deelt de hoofdgriffier op verzoek XII-4173-3\8 van het aangewezen lid van het auditoraat aan de verwerende partij en aan de tussenkomende partij mee dat de kamer uitspraak zal doen over de nietigverklaring van de bestreden akte, tenzij één van hen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Indien geen enkele partij vraagt om te worden gehoord, kan de kamer de bestreden akte nietig verklaren. Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. De kamer doet onverwijld uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, de partijen en het aangewezen lid van het auditoraat in zijn advies gehoord”.
  6. Blijkens artikel 14quinquies dient de daar bedoelde versnelde rechtspleging geactiveerd te worden door het aangewezen lid van het auditoraat, op wiens verzoek de hoofdgriffier aan de verwerende en de tussenkomende partij meedeelt dat de kamer uitspraak zal doen over de nietigverklaring tenzij wanneer één van hen tijdig vraagt gehoord te worden. Te dezen is evenwel geen toepassing gemaakt van de versnelde rechtspleging van het artikel 14quinquies, maar ziet de Raad van State zich in het kader van de gewone procedure geplaatst voor de vraag of er al dan niet reden is tot toepassing van artikel 30, § 3, van zijn gecoördineerde wetten. Een verzoek vanwege het auditoraat tot toepassing van artikel 14quinquies is derhalve niet nodig.
  7. Volgens meer vermeld artikel 30, § 3, kan de Raad van State een akte of reglement in bepaalde gevallen nietig verklaren “indien de tegenpartij of degene die een belang heeft bij de beslechting van het geschil, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient”. De tegenpartij of verwerende partij in het geschil dat een verzoeker met zijn beroep tot nietigverklaring van een akte aanhangig heeft gemaakt, is de overheid van wie de akte uitgaat of die voor het bestaan ervan verantwoordelijk geacht mag worden, en die bijgevolg het best geplaatst is om haar verdediging op te nemen. Wordt de akte, in het kader van de betwisting van haar wettigheid, door “meerdere verwerende partijen” verdedigd, dan kan met het Vlaams Gewest -dat in dat verband de parallel trekt met artikel 17, § 4bis, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en onder meer verwijst naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State voorafgaand aan het koninklijk besluit van XII-4173-4\8 19 december 1996- worden aangenomen dat het redelijk is dat de rechtspleging wordt voortgezet op verzoek van één van die partijen.
  8. Hier is echter een ander geval aan de orde. Verzoekers beroep tot nietigverklaring heeft niet één, maar twee beslissingen tot voorwerp, die elk van een andere overheid uitgaan en die elk door een andere tegenpartij of verwerende partij verdedigd worden. De tegenpartij wat de bestreden tuchtstraf van het schepencollege betreft, is niet de tweede verwerende partij, maar alleen de eerste verwerende partij. Als ook de tweede verwerende partij betrokken is in de zaak die verzoeker aanspande, is dat uitsluitend omdat zij de auteur is van het tweede voorwerp van het beroep, de ministeriële goedkeuring. Wat derhalve het bestreden collegebesluit betreft is slechts de eerste verwerende partij te aanzien als de in het artikel 30, § 3, bedoelde “tegenpartij” wier verzoek tot nietigverklaring kan voorkomen dat de betrokken akte wordt nietigverklaard.
  9. Is de tweede verwerende partij met betrekking tot het beroep tegen het collegebesluit dan eventueel te beschouwen als iemand “die een belang heeft bij de beslechting van het geschil”, waardoor haar verzoek tot voortzetting om die reden vermag de toepassing van het artikel 30, § 3, ten aanzien van het collegebesluit af te wenden? De Raad van State meent van niet. Tweede verwerende partij heeft geen eigen belang erbij dat de tuchtstraf die de eerste verwerende partij in de uitoefening van haar autonome tuchtbevoegdheid aan verzoeker heeft opgelegd, gehandhaafd blijft. Zij is bij die tuchtstraf alleen betrokken als toezichthoudende overheid - belast met een goedkeuringstoezicht dat essentieel negatief is en dat er niet op gericht is om disciplinaire tekortkomingen van gemeenteambtenaren te doen sanctioneren met een tuchtstraf, maar slechts om te verhinderen dat de gemeente haar principiële autonomie terzake in strijd met de wet of het algemeen belang gebruikt. Zoals het in geval van een eventuele intrekking van de tuchtstraf door de eerste verwerende partij niet goed denkbaar zou zijn dat de tweede verzoekende partij een voldoende belang wordt toegemeten om van die intrekking de nietigverklaring te vorderen, heeft de tweede verwerende partij evenmin een XII-4173-5\8 toereikend belang om met haar verzoek tot voortzetting de nietigverklaring van de tuchtstraf, waarmee de eerste verwerende partij blijkens haar verzuim een verzoek tot voortzetting in te dienen juist instemt, tegen te gaan. Het argument ten slotte dat de tweede verwerende partij als een belanghebbende moet worden aangezien omdat de nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing “noodzakelijkerwijze” de nietigverklaring van het ministerieel goedkeuringsbesluit meebrengt, wordt niet gevolgd. Zo het goedkeuringsbesluit door de vernietiging van het goedgekeurde besluit zijn voorwerp verliest, het wordt er niet ipso facto zelf onwettig door. Van een noodzaak tot vernietiging is geen sprake. Integendeel kan geredeneerd worden, en wordt te dezen geredeneerd, dat aangezien het goedkeuringsbesluit verzoeker niet meer vermag te benadelen nu het door de uit te spreken vernietiging van het goedgekeurde besluit zonder voorwerp valt, verzoeker dan ook geen belang meer erbij heeft om het nog vernietigd te zien worden.
  10. Samengevat wordt ten aanzien van de eerste bestreden beslissing toepassing gemaakt van artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en wordt het beroep tegen de tweede bestreden beslissing verworpen bij gebrek aan belang. De kosten dienen in de concrete omstandigheden van de zaak exclusief ten laste van de eerste verwerende partij te worden gelegd. BESLISSING
  11. De Raad van State vernietigt de beslissing van 30 januari 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Affligem waarbij aan Philemon Van Der Elst de tuchtstraf van schorsing gedurende één maand, met ingang van 1 maart 2004, wordt opgelegd.
  12. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  13. De eerste verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. XII-4173-6\8 XII-4173-7\8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 23 oktober 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-4173-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.213 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.