id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.340 Rolnummer: A. 192969/IX-6398 Zaak: Arrest 197340 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 27/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 03:45 Fiche Arrest nr 197.340 van 27 oktober 2009 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 197.340 van 27 oktober 2009 in de zaak A. 192.969/IX-6398 In zake : Steven THOEYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de LOKALE POLITIEZONE “KOUTER” bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 12 juni 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 april 2009 van het politiecollege van de lokale politiezone Kouter waarbij Steven Thoeye de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Adjunct-auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 oktober
- IX-6398-1/14 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Jurgen Neuts, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Voor de feitelijke gegevens van de zaak wordt in de eerste plaats verwezen naar het arrest nr 190.134 van 3 februari 2009 waarbij de beslissing van 23 juni 2008 van het politiecollege van de politiezone Kouter om de verzoeker met ingang van 1 augustus 2008 van ambtswege te ontslaan, geschorst werd. 3.
- Op 20 februari 2009 beslist het politiecollege zijn geschorste beslissing in te trekken en de besluitvorming te hernemen vanaf het ogenblik waarop ze volgens het arrest van de Raad van State is ontspoord “nl. op het ogenblik dat bij het eindbesluit (...) mede rekening is gehouden met een lichte tuchtstraf die reeds is uitgewist”. Op dezelfde datum beslist het politiecollege om de verzoeker bij ordemaatregel en “krachtens dringende noodzakelijkheid” met ingang van 23 februari 2009 voorlopig te schorsen voor een periode van twee maanden, met behoud van wedde. Met dezelfde beslissing wordt de verzoeker opgeroepen om te worden gehoord op 2 maart
- Die voorlopige schorsing wordt op 16 maart 2009 omgezet in een voorlopige schorsing voor twee maanden. 3.
- Op 6 april 2009 beslist het politiecollege opnieuw de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen met ingang van 1 augustus
- IX-6398-2/14 Dit is de thans bestreden beslissing. Zij wordt aan de verzoeker en zijn raadsman betekend met brieven van 14 april
- Zij steunt op volgende motieven : “Dat het Politiecollege zich er dus moet over beraden welke sanctie er moet worden opgelegd, ermee rekening houdende dat daarbij niet mag gesteund worden op enige vroegere blaam of enige vroegere tuchtfout an sich, zoals door de tuchtraad aangegeven. Het Politiecollege moet vaststellen dat de tuchtfeiten waaraan de Heer THOEYE zich schuldig heeft gemaakt, tuchtfeiten zijn die van aard zijn om elk vertrouwen van de burger in de politie de grond in te boren. Het Politiecollege moet vaststellen dat verzoeker elementaire eerlijkheidsre- gels niet respecteert; het allerminste wat van een politieman, waarop een burger ook in nood een beroep doet, mag verwacht worden, is dat hij eerlijk is. Bovendien heeft verzoeker het zo ver gedreven dat hij een onjuist proces-verbaal heeft opgesteld, om zijn oneerlijkheid te maskeren; ook dit vormt een zeer ernstige fout die een zeer ernstige sanctie rechtvaardigt. Elementaire eerlijkheid uit zich ook in het opstellen van een correct pv en als de door de politionele ambtenaren opgestelde pv's dus niet meer mogen vertrouwd worden, verdwijnt zelfs het elementairste vertrouwen in de politieman. De feiten zijn bijzonder zwaar, ze strekken ertoe de elementairste beroeps- plichten geweld aan te doen, ze ontnemen het publiek elk vertrouwen, ze brengen de politiezone in opspraak en ze leiden er ook toe dat de collega's een dergelijk gedrag - volkomen terecht - schandelijk vinden. Bij de oordeelsvorming rekening houdende met de feiten op zich, moet worden vastgesteld dat er met een politieman die de elementairste eerlijkheids- regels aan zijn laars lapt, zondermeer niet meer kan gewerkt worden. In elk geval wil de politiezone Kouter een beleid voeren dat ertoe strekt dat het vertrouwen van de burger gehandhaafd wordt en daarbij moet er toch minimaal een beroep kunnen gedaan worden op de elementaire eerlijkheid van het eigen politiekorps. Rekening houdende met de zwaarte van de fout, rekening houdende met de weerslag op de werking van de politiezone, rekening houdende met de weerslag op het vertrouwen van het publiek en ook rekening houdende met de onmoge- lijkheid om in dergelijke omstandigheden nog met collega's samen te werken, besluit de hogere tuchtoverheid dat de tuchtstraf van ontslag van ambtswege met ingang van 1 augustus 2008 door de feiten als zodanig geschraagd wordt en verantwoord wordt. Gezien ter rechtsherstel het betwiste besluit is ingetrokken en gezien er dus in de tijd dient teruggekeerd te worden naar de datum van ontsporing, dient de datum van 1 augustus 2008 als ingangsdatum van ontslag gehandhaafd te worden.” IX-6398-3/14 IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 55 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politie- diensten (hierna: de tuchtwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat artikel 55 van de tuchtwet de hogere tuchtoverheid verplicht tot de mededeling van haar uitspraak binnen de dertig dagen na toezending van het advies van de tuchtraad of van het laatste verweer, dat in dit geval de verwerende partij haar eerste tuchtstrafbesluit ingetrokken heeft en dat bijgevolg, overeenkomstig de stelling aangenomen in het arrest Barra, nr. 185.771 van 21 augustus 2008 waarin aangenomen is dat een intrekkingsbeslissing niet als een teletijdmachine werkt maar dat het bestuur integendeel rekening moet houden met het tijdsverloop, de termijn voor de kennisgeving van een nieuw tuchtstrafbesluit afliep dertig dagen na 11 juni 2008, de dag van mededeling van het advies van de tuchtraad aan de verwerende partij. In dit geval is pas op17 april 2009 een beslissing aan de verzoeker mede- gedeeld, waardoor de termijn van mededeling overschreden is “met factor 10”. Het dwingend karakter van de voorgeschreven termijnen, die bedoeld zijn om de tuchtprocedure vlot te laten verlopen, heeft tot gevolg dat ook in dit geval besloten moet worden tot de nietigheid van de procedure. En voor zover zou aangenomen worden dat de termijn slechts van orde is, dient vastgesteld te worden dat de termijn in dit geval op onredelijke wijze overschreden is -miskenning van de zorgvuldigheidsplicht-, aangezien er meer dan twee maanden verlopen zijn tussen het schorsingsarrest en de mededeling van de thans bestreden beslissing, waardoor de verwerende partij haar zorgvuldigheidsplicht geschonden heeft, inzonderheid nu IX-6398-4/14 er meer dan twee maanden gewacht is alvorens hij de bestreden beslissing medegedeeld gekregen heeft.
- De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen dat een schorsingsarrest als een uitnodiging tot heroverwegen gezien kan worden, dat de stelling van de verzoeker elk rechtsherstel onmogelijk maakt en dat de stelling dat de tuchtprocedure enkel na een vernietigingsarrest hernomen kan worden strijdt met het gelijkheidsbeginsel, de Raad van State onnodig belast en de procedure nodeloos rekt hetgeen de rechtszekerheid niet dient. Zij voegt daaraan toe dat de termijn die het voorwerp van deze bespreking vormt een termijn van orde is en dat het bestuur niet voortvarend maar binnen een redelijke termijn gehandeld heeft. Beoordeling
- De verzoeker verwijst in de eerste plaats naar de leer van het arrest Barra van 21 augustus 2008, dat inmiddels bevestigd is door het arrest ten gronde nr. 194.330 van 18 juni 2009 en dat betrekking heeft op de toepassing van artikel 56 van de tuchtwet ten aanzien van een beslissing om de tuchtprocedure, die initieel verkeerd is opgestart, van voren af aan te herbeginnen. De onderhavige zaak is daarmee niet vergelijkbaar. Vooreerst stelt artikel 55 van de tuchtwet geen vervaltermijn in. Er is immers slechts sprake van een vervaltermijn wanneer de wet zulks uitdrukkelijk bepaalt of wanneer hij aan het verstrijken van de termijn een bepaald rechtsgevolg verbindt, zoals in het geval van artikel
- En de regering heeft overigens bij de verantwoording van haar amendement om de beslissingtermijn bedoeld in artikel 55 op dertig dagen te brengen, uitdrukkelijk gesteld dat het om een termijn van orde ging (parl. doc. Kamer , 1998-1999, stuk 1965/3, p. 14). Voorts heeft de intrekking van het tuchtstrafbesluit, die kadert in de overwegingen van het schorsingsarrest, in dit geval niet tot gevolg dat de gehele tuchtprocedure vervalt en opnieuw opgestart moet worden, maar enkel dat de procedure herbegonnen moet worden om de vastgestelde onregelmatigheid te herstellen, terwijl ook het status quo ante niet binnen een vervaltermijn valt. Er kan dan ook in dit geval geen schending van artikel 55 van de tuchtwet worden vastgesteld.
- Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij in dit geval te lang getalmd met de voortzetting van de procedure na de schorsing, gelet op het feit IX-6398-5/14 dat zij over een termijn van dertig dagen beschikt om haar eindbeslissing ter kennis te brengen aan de betrokkene en haar talmen gedurende meer dan twee maanden niet gerechtvaardigd wordt. Dat standpunt kan niet bijgevallen worden. Vastgesteld wordt immers dat het schorsingsarrest op 3 februari 2009 getroffen is en dat op 6 april 2009 de bestreden beslissing genomen is. Het overschrijden van de voorgeschreven beslissingstermijn met dertig dagen toont op zich de onredelijkheid van de termijn of de onzorgvuldigheid van het besluitvormingsproces niet aan. En uit de gegevens die de verzoeker voorlegt kan niet besloten worden dat het bestreden besluit zo lang uitgebleven is dat het niet denkbaar is dat enig andere overheid in dezelfde omstandigheden dergelijke beslissingstermijn gehanteerd zou hebben.
- Het middel is niet ernstig. B. Tweede middel, eerste en tweede onderdeel, vijfde, zesde en zevende middel
- Deze middelen worden samen behandeld omdat de verzoeker er zich in beklaagt over onregelmatigheden die de tuchtprocedure, zoals gevoerd door het politiecollege, vitiëren en te dien aanzien de vraag rijst of de verzoeker ze wel voor het eerst in de procedure voor de Raad van State kan doen gelden. Standpunt van de partijen
- In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de verzoeker aan dat de burgemeester van Gistel tegenover de korpschef van de verzoeker duidelijk zijn verontwaardiging heeft laten blijken over het gebeurde en dat de feiten door het personeel als “niet kunnen” en als “erover” werden becommentarieerd, maar dat het dossier van de zaak daar geen melding van maakt. In het tweede onderdeel van het tweede middel voert de verzoeker aan dat hij beoordeeld is door het politiecollege waarin de burgemeester van Gistel zitting had, hetgeen minstens de schijn oproept dat de burgemeester een persoonlijk moreel belang had om het besluitvormingsproces te beïnvloeden, terwijl de omstandigheid dat deze burgemeester geen deel genomen zou hebben aan de beraadslaging, geen afbreuk doet aan het feit dat zijn invloed doorgewerkt heeft naar de andere leden van het college. IX-6398-6/14 In het vijfde middel voert de verzoeker aan dat de gewone tuchtoverheid geen inleidend verslag opgesteld heeft en dat de brief van de korpschef d.d. 9 november 2007 niet als een inleidend verslag gezien kan worden, terwijl de korpschef nochtans uitdrukkelijk zijn visie op de feiten moet verwoorden zodat, wegens dit initieel gebrek, de tuchtprocedure gevitieerd is. In het zesde middel stelt de verzoeker dat in de nota van 9 november 2007 gesteld wordt dat de hogere tuchtoverheid geadieerd wordt, maar dat uit deze nota blijkt dat zij gericht is aan de burgemeester van Ichtegem, voorzitter van het politiecollege en niet aan het politiecollege zelf. In het zevende middel voert de verzoeker aan dat uit de notulen van het politiecollege d.d. 21 januari 2008 blijkt dat die dag besloten is tot het instellen van de tuchtvordering met het oog op het opleggen van een zware straf, maar dat het politiecollege niet besloten heeft om een bepaalde straf op te leggen terwijl aan hem “namens de hogere tuchtoverheid” medegedeeld is dat het ontslag van ambtswege was voorgesteld zonder dat blijkt dat de waarnemend voorzitter die kennisgeving mocht verrichten en uit niets blijkt dat de voorgestelde straf uitging van het politiecollege.
- De verwerende partij beantwoordt deze middelen in de eerste plaats met de bemerking dat de verzoeker in gebreke is gebleven de aangeklaagde onwettigheden niet meteen ter kennis van het bestuur te brengen. Zij is van oordeel dat het bestuur nooit de indruk gewekt heeft dat het niet al te zwaar tilde aan de zaak, maar het heeft integendeel van meet af aan de verzoeker duidelijk gewezen op de ernst van de feiten. Indien de verzoeker de problematiek van in den beginne niet correct ingeschat heeft, ligt dit aan hemzelf, dat hij van raadsman veranderd is doet niets ter zake en, in het algemeen, mag er in deze zaken niet al te casuïstisch geoordeeld worden.
- De problematieken, die de verzoeker in de besproken middelen aan de orde stelt, zijn in de administratieve fase, wanneer de verzoeker zijn verweer kon doen gelden, niet aan het bestuur voorgelegd. Nochtans was de verzoeker van in den beginne bijgestaan door een tuchtverdediger. De tuchtoverheid had, ware zij te gelegener tijd in kennis gesteld van de kritiek van de verzoeker, zich kunnen beraden over het in te nemen standpunt. Gewis kan een tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid beducht zijn voor het formuleren van kritiek op het orgaan waarvoor IX-6398-7/14 hij moet verschijnen of op de wijze waarop het zijn zaak behandeld heeft, maar in dit geval was de verzoeker van in het begin toch bijgestaan door een tuchtverdedi- ger. Meer nog, de verzoeker heeft ook de tuchtraad niet in kennis gesteld van de onregelmatigheden waarop hij zich nu voor de Raad van State beroept. Nochtans was dit orgaan, wegens zijn specifieke aard, zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de eigenlijke tuchtoverheden -wat impliceert dat hij daar zonder schroom kan spreken over onregelmatigheden begaan door het politiecollege- en zijn specialisatie in de materie, de geëigende instantie om nog tijdens de administratieve procedure de aanzet te geven tot het corrigeren van het besluitvormingsproces waar dit wettelijk nog mogelijk was en, waar dit niet meer het geval was, te adviseren tot het stopzetten van de procedure, hetgeen geheel in het voordeel van de verzoeker was. Er is dan ook reden om te veronderstellen dat het niet-aanvoeren van de procedurele tekortkomingen die hij meende te kunnen vaststellen, het gevolg is van de persoonlijke keuze van verweer, temeer daar de verzoeker het wel opportuun geacht heeft om de tuchtraad erop te wijzen dat de procedure onregelmatig was wegens het niet inwinnen van het advies van de procureur des Konings. In de huidige stand van de rechtspleging wordt dan ook geoordeeld dat de verzoeker het recht verwerkt heeft om de genoemde grieven, die zeker aan de aandacht van zijn raadsman niet kunnen ontsnapt zijn, voor het eerst in de procedure voor de Raad van State te doen gelden.
- De middelen zijn niet ontvankelijk. C. Tweede middel, derde onderdeel Standpunt van de partijen
- De verzoeker betwist dat de tuchtoverheid het gebeuren met de MP3-speler als een tuchtvergrijp kon weerhouden. Hij stelt dat de tuchtoverheid zich ten onrechte baseert op zijn aanvankelijke bekentenissen door ten onrechte te aanvaarden dat zijn latere verklaring -dat de MP3-speler door een derde ontvreemd werd- ongeloofwaardig is, terwijl er geen onderzoek gevoerd is naar de geloofwaar- digheid van zijn verklaring, zoals ook de inspecteur-generaal in zijn verslag voor de tuchtraad heeft vastgesteld. IX-6398-8/14
- De verwerende partij antwoordt dat zij met de gegevens die haar voorlagen, in redelijkheid tot het bewijs van de feiten heeft kunnen besluiten. Beoordeling
- De tuchtoverheid heeft in haar beslissing van 23 juni 2008 -en de bestreden beslissing bouwt daarop voort- de uiteenzetting van de tuchtraad met betrekking tot het bewijs van de feiten overgenomen. Daarin (punt II, 2/, A, van het advies) wordt in essentie vertrokken van de gedetailleerde bekentenissen die de verzoeker heeft afgelegd en worden uitvoerig de redenen uiteengezet waarom de aanvullende verklaring van de verzoeker d.d. 22 oktober 2007 “volledig ongeloof- waardig” is. Die redenen vormen een deugdelijke verantwoording voor het terzijde schuiven van de tweede versie van de feiten die de verzoeker aan het bestuur heeft bezorgd, zeker nu de verzoeker ook thans geen gegevens meer aanreikt die de redenering van de tuchtraad ontkracht. De Raad van State kan op grond van de overgelegde stukken niet besluiten dat de tuchtoverheid de feiten niet voor bewezen kon houden.
- Het middel is niet ernstig. D. Derde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 24 van de tuchtwet, doordat een zware tuchtstraf wordt opgelegd voor feiten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een gerechtelijke opdracht, terwijl het advies van de procureur des Konings niet ingewonnen werd. Er is volgens hem sprake van bestuurlijke politie -artikel 14 van de wet op het politieambt- wanneer het gaat om de handhaving van de openbare orde -voorkomen van misdrijven- terwijl de gerechtelijke politie -artikel 15 van de wet op het politieambt- bestaat uit het geheel van handelingen die de vaststelling van inbreuken en de opsporing en de aanhouding van de daders betreft -daden van opheldering-. Het tuchtvergrijp dat hem verweten wordt, heeft betrekking op het afhandelen van een aangifte met aflevering van gevonden voorwerpen, die eventueel gestolen konden zijn. De verzoeker was, als ontvangende politieambtenaar, verplicht IX-6398-9/14 een proces-verbaal op te stellen en diende aldus een daad van opheldering te stellen. Daaruit volgt dat de tuchtfeiten betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. Beoordeling
- Het advies van de procureur des Konings is enkel vereist wanneer de gepleegde feiten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. De tuchtraad heeft te dezen overwogen dat het onderscheid tussen bestuurlijke en gerechtelijke politie “niet steeds duidelijk is” maar dat uit de vereiste dat er een “rechtstreeks” verband moet zijn tussen de feiten en een opdracht van gerechtelijke politie toch voor de onderhavige zaak volgt dat “het niet volstaat dat de verloren voorwerpen mogelijks het voorwerp uitgemaakt hebben van een misdrijf om de HTO te verplichten het advies van de procureur des Konings te vragen, ( dat) het louter in ontvangst nemen, registreren en overhandigen aan de bevoegde administratieve dienst van verloren voorwerpen een opdracht van bestuurlijke politie (is), ook al wordt er een vereenvoudigd proces-verbaal opgesteld waarin de omstandigheden waarin zij werden overhandigd en beschrijving van de goederen wordt opgegeven (en dat) uit het louter feit dat het gaat om een gevonden voorwerp uiteraard niet opgemaakt kan worden dat het gaat om een misdrijf”. In de huidige stand van de rechtspleging onderschrijft de Raad van State dit standpunt van de tuchtraad. Er diende geen advies aan de procureur des Konings te worden gevraagd.
- Het middel is niet ernstig. E. Vierde middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van de formele en de materiële motiveringsverplichting doordat uit het bestreden besluit niet opgemaakt kan worden dat er “een deugdelijke motivatie terzake de strafmaat” bestaat. Het besluit van 23 juni 2008 handelt over elementaire eerlijkheid, over de zwaarte van de fout, over de weerslag op het vertrouwen van het publiek en de onmogelijkheid om nog met collega’s samen te werken, maar dergelijke uitleg kan op eender welk IX-6398-10/14 tuchtdossier toegepast worden en verantwoordt niet waarom de zware straf van het ontslag van ambtswege opgelegd kan worden. Het in het gedrang brengen van de waardigheid van het ambt is een voorwaarde om een tuchtstraf te kunnen opleggen, maar rechtvaardigt geenszins het opleggen van het ontslag van ambtswege. En hier kan de verzoeker niet achterhalen waarom hem die zware straf opgelegd is. De motivering van de straf komt neer op een loutere stijlformule. Ook de inspecteur-generaal heeft gesteld dat de tuchtoverheid niet aantoonde dat het vertrouwen van de overheid dermate geschaad was dat verdere samenwerking met de verzoeker niet mogelijk was. Volgens de verwerende partij zal elke schending van het vertrouwen aanleiding geven tot ontslag en dat is des te betwistbaarder nu er hem geen preventieve schorsing opgelegd is. Laatst-vermelde omstandigheid toont ook de onredelijkheid van de opgelegde straf aan, omdat de verwerende partij, door het in dienst houden van de verzoeker, precies bewezen heeft dat zijn aanwezigheid niet onverenigbaar werd geacht met het belang van de dienst.
- De verwerende partij wijst erop dat de motivering van de strafmaat beknopt kan zijn en dat de motivering in dit geval wel duidelijk is. Zij wijst erop dat de Raad van State zich bij het beoordelen van de discretionaire bevoegdheid van het bestuur niet in dezes plaats mag stellen en betoogt dat het al dan niet preventief schorsen van een ambtenaar van geen belang is bij de afweging van de strafmaat. Zij verwijst ook naar het standpunt van de tuchtraad. Beoordeling
- De verzoeker verliest uit het oog dat in het hier bestreden besluit duidelijk uiteengezet wordt -zie het citaat sub 3.3.- waarom het bestuur zwaar tilt aan de feiten. Er wordt gesteld dat de verzoeker elementaire eerlijkheid blijkt te missen en dat hij gepoogd heeft zijn daad te maskeren door een onjuist proces- verbaal op te stellen, hetgeen een ernstige fout uitmaakt. Er wordt voorts uiteengezet dat het vastgesteld gebrek aan elementaire eerlijkheid niet goed is voor het vertrouwen van de burger en dat het in die omstandigheden onmogelijk is om nog met collega’s samen te werken. De feitelijke gegevens waarop de verwerende partij haar redenering gesteund heeft, staan buiten betwisting. Op de beoordeling ervan heeft IX-6398-11/14 de Raad van State slechts een marginaal toezicht. Hij stelt vast dat de verwerende partij geen kennelijk onredelijk standpunt heeft ingenomen, ook al heeft zij niet expliciet uiteengezet op welke wijze de tuchtfeiten het vertrouwen van de burgers en van de collega’s in het gedrang heeft kunnen brengen. Een politieambtenaar die, wanneer de gelegenheid zich voordoet, hem toevertrouwde goederen die op straat gevonden werden verduistert, levert het bewijs van kreukbaarheid en van onbe- trouwbaarheid. Dat de verzoeker niet preventief geschorst werd omdat er blijkbaar geen reden was om hem stante pede uit de dienst te verwijderen, bewijst niet dat het nagevolgd ontslag van ambtswege niet gerechtvaardigd is. Aan het bestuur kan niet verweten worden dat het zich een tijd over de zaak beraden heeft.
- Het middel is niet ernstig. F. Achtste middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker verzet zich in dit middel tegen de retroactiviteit tot 1 augustus 2008 die aan de bestreden beslissing gegeven is. Hij stelt dat de verwerende partij hem met de terugwerkende kracht van de opgelegde tuchtstraf verplicht tot het terugbetalen van de wedde die hij na 1 augustus 2008 nog gekregen heeft.
- De verwerende partij antwoordt dat het middel slechts kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing in de mate de tuchtstraf terugwerken- de kracht heeft en dat de schorsing van dat aspect van de bestreden beslissing, de situatie van de verzoeker niet kan veranderen, omdat een schorsing slechts voor de toekomst geldt. Zij stelt voorts dat de beslissing terugwerkt tot op het ogenblik van het initieel besluit. Beoordeling
- Het ernstig bevinden van het middel kan enkel leiden tot de schorsing van het bestreden besluit in de mate het terugwerkt tot 1 augustus 2008, dit is de datum waarop het oorspronkelijk besluit van 23 juni 2008 uitwerking had. IX-6398-12/14
- Daargelaten de vaststelling dat het middel, gelet op zijn beperkt effect, in het kader van de schorsingsprocedure niet ontvankelijk is omdat een schorsingsarrest niets kan veranderen aan situaties uit het verleden, stelt de Raad van State ten gronde vast dat de terugwerking van het bestreden besluit verband houdt met de schorsing, door de Raad van State van de eerste tuchtstrafbeslissing d.d. 23 juni 2008, die uitwerking had vanaf 1 augustus
- Deze schorsing steunde op de vaststelling dat de verwerende partij bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden had met een onregelmatig motief. Met het bestreden besluit beoogt de verwerende partij, na heroverweging van de aangelegenheid, dat gebrek te verhelpen. In dergelijk geval wordt aanvaard dat een nieuw tuchtstrafbesluit in de tijd terugwerkt tot de datum van het oorspronkelijk besluit.
- Het middel is niet ernstig.
- Geen van de door de verzoeker aangevoerde middelen zijn ernstig. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-6398-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 oktober 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6398-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.340 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.520 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div