id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.351 Rolnummer: A. 84563/X-8993 Zaak: Arrest 197351 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-03 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:45 Fiche Arrest nr 197.351 van 27 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.351 van 27 oktober 2009 in de zaak A. 84.563/X-
- In zake: Marcel CORNILLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Boes en Wim Mertens kantoor houdend te 3580 BERINGEN Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Van Bever kantoor houdend te 1850 GRIMBERGEN Pastoor Woutersstraat 32/7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 4 juni 1999, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 31 maart 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende de verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 2 juni 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan hem de vergunning wordt geweigerd voor het wijzigen van het reliëf voor een terrein gelegen aan de Kwikstaartweg te Rotselaar, kadastraal bekend sectie E, nrs. 218, 219, 223/f/d/l, 223/g/d/l, 223/k/2, 224/d/l, 225 en
- II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-8993-1/11 Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaten Marc Boes en Wim Mertens verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Marc Van Bever, die verschijnt voor de verwerende partij. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 3 april 1996 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rotselaar de (regularisatie)vergunning “tot uitbreiding bestaande plantenkwekerij met noodzakelijke niveleringswerken” op een terrein gelegen te Rotselaar, Kwikstaartweg, kadastraal bekend sectie E, nrs. 43/r/18, 136/u/2, 136/w/2, 218, 219, 223/f/d/l, 223g/d/l, 223/k/2, 224/d/l, 225,
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven zijn de voornoemde percelen gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.
- Bij besluit van 27 mei 1997 van de Vlaamse regering wordt het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, X-8993-2/11 Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, voorlopig vastgesteld. Dit besluit bestemt de percelen van de verzoeker grotendeels tot natuurgebied. 3.
- Bij besluit van 1 december 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rotselaar de gevraagde vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. Dit ongunstig advies is gemotiveerd als volgt: “De bouwplaats is volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij KB van 7 april 1977, gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het ingediend project voorziet het uitbreiden van een bestaande plantenkwekerij met niveleringswerken, hetgeen strijdig is met de planologische voorschriften gevoegd bij het gewestplan Leuven i.c. artikel 11 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. De Administratie Milieu, Natuur-, Land- en waterbeheer, afdeling Bos en Groen bracht op 7 november 1997 een ongunstig advies uit. In toepassing van het Besluit van de Vlaamse Regering tot voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven is het terrein gelegen in een natuurgebied. De voorgestelde wijziging van de bodemvegetatie en de merkelijke reliëfwijziging stemmen niet overeen met artikel 13 van het KB van 28 december 1972 betreffende de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewesplannen en kunnen niet aanvaard worden. Aldus ONGUNSTIG om bovenvernoemde redenen en besluit ik tot weigering van de bouwvergunning”. 3.
- Bij besluit van 2 juni 1998 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoeker tegen voormeld weigeringsbesluit niet in. 3.
- Bij besluit van 23 juni 1998 van de Vlaamse regering wordt het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren, definitief vastgesteld. Dit besluit bestemt de gronden van de verzoeker tot natuurgebied. 3.
- Bij het thans bestreden besluit van 31 maart 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, wordt het X-8993-3/11 beroep van de verzoeker tegen voormeld besluit van 2 juni 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verworpen. Dit besluit is gemotiveerd als volgt : “Overwegende dat de grond volgens het oorspronkelijk gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen was in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat de uitgebrachte weigeringsbeslissingen van het college van burgemeester en schepenen en van de bestendige deputatie gebaseerd waren op de oorspronkelijk ofwel op de voorlopig vastgestelde bestemmingsvoorschriften van het toen van kracht zijnde gewestplan of de voorlopige vaststelling van het ontwerp-gewestplan Leuven, met betrekking tot kwestieuze gronden; dat onderhavige aanvraag nu dient beoordeeld op basis van de huidige van kracht zijnde definitief vastgestelde gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven; Overwegende dat bij besluit van de Vlaamse regering d.d. 23 juni 1998 (Belgisch Staatsblad d.d. 11 september 1998) de gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven werd goedgekeurd; dat volgens dit gewestplan het betrokken terrein gesitueerd is in een natuurgebied; dat overeenkomstig artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de natuurgebieden, die de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden omvatten, bestemd zijn voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu; dat in die gebieden enkel jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen een voorwaardelijk gunstig pré-advies heeft uitgebracht, dat als volgt luidt : ‘Principieel akkoord met de voorgestelde uitbreiding van de bestaande plantenkwekerij, mits stipte naleving van de volgende voorwaarden:
- De nodige onderhoudswerken, zowel aan de nieuwe weg als aan de toegangswegen binnen zijn privé domein, blijvend te verzekeren. De bestaande en nieuw aan te brengen planten dienen blijvend te zijn.
- De vermelde erfdienstbaarheid van doorgang te eerbiedigen.
- De voorwaarden, te stellen door Stedenbouw Vlaams-Brabant.’; Overwegende dat door de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Natuur op 17 juli 1996 volgend advies werd uitgebracht : ‘Aansluitend bij het advies van de afdeling Water van 6 juni 1996 in verband met dit dossier, wens ik U het volgende mee te delen. De voorliggende vergunningsaanvraag heeft gedeeltelijk betrekking op een regularisatie van in de loop van het voorbije jaar uitgevoerde werken, doch voorziet tevens in bijkomende werken en aanpassingswerken die zullen leiden tot de aanleg van een parkachtig domein met graslanden, waterpartijen en een perifere beplanting. Bedoelde werken worden uitgevoerd in een gebied met een hoge natuurwaarde. In het gebied en ter hoogte van de in uitvoering zijnde X-8993-4/11 werken, waren en zijn nog steeds plantensoorten aanwezig die in uitvoering van de natuurbehoudswetgeving beschermd zijn. Destijds werd door mijn afdeling bij de achteraf vergunde werken in het westelijk gedeelte van het domein, procesverbaal opgemaakt wegens het vernietigen van beschermde plantensoorten. Ten gronde wenst de afdeling Natuur op te merkten dat de bestemming van dit gebied niet overeenkomt met de reële terreinsituatie. Een wijziging van de bestemming naar natuurgebied is aangewezen en zal voorgesteld worden in het kader van de lopende besprekingen rond het ruimtelijk structuurplan voor Vlaanderen. Ten aanzien van de voorgelegde plannen moeten de volgende bemerkingen gemaakt worden :
- De op het voorgelegde plan ingetekende zones waarin een afschraping van de teeltlaag voorzien wordt, is vooral voor wat de zone rond de voorziene noordoostelijke vijver betreft, beduidend groter dan de momenteel afgeschraapte zone: actueel werd in dit gebied een oppervlakte van circa 1,3 ha afgeschraapt; het plan voorziet in een oppervlakte van bijna het dubbele.
- De aanleg of verdere uitgraving van de vijverpartijen tot op de voorgestelde diepte van 1,5 m zal resulteren in het vrijkomen van aanzienlijke grondhoeveelheden. De bestemming van deze grond is moeilijk uit de bijgaande profielen af te leiden, doch zal vermoedelijk binnen het domein afgezet worden, wat een bijkomende bedreiging voor de ter plaatse aanwezige vegetaties betekent. Rekening houdend met enerzijds de natuurwaarde van het gebied en anderzijds met de huidige bestemming en de stand van uitvoering van de reeds aangevatte werken, wenst de afdeling Natuur het volgende te adviseren:
- Met het oog op het behoud van de geomorfologie van het gebied, het behoud van de potenties voor natuurontwikkeling van het gebied en het vrijwaren van de nog aanwezige oorspronkelijke bodemprofielen die onder meer van belang zijn voor het voortbestaan van de ter plaatse voorkomende beschermde orchideeënsoorten, dient vermeden te worden dat nog niet vergraven terreinen verstoord worden.
- De afdeling Natuur kan derhalve slechts instemmen met de uitvoering van beperkte aanpassingswerken, zoals hieronder vermeld en aangegeven in de bijgaande schets: - beperking van de af te schrapen zone in het noordoostelijk gedeelte van het domein tot de oppervlakte die momenteel reeds afgeschraapt werd (werkzone aangeduid op bijgaande schets); - eventuele aanleg binnen de afgeschraapte zone van een ondiepe vijver, derwijze dat diens wateroppervlakte beperkt is tot de helft van de afgeschraapte zone en de bij het graven vrijkomende grond verwerkt kan worden binnen laatstgenoemde zone onder de vorm van een langzaam hellend profiel dat van het bestaande maaiveld afloopt naar de waterpartij; - natuurvriendelijke afwerking (zachte profielen) van de zuidelijke oever van de reeds aangelegde vijver in de zuidoosthoek van het domein; - beperking van de af te schrapen zone ten noorden van laatstgenoemde vijver tot een zone van 5 meter langs de bestaande waterpartij; aanleg van een zacht hellend oeverprofiel in deze zone; - beperking van de voorziene uitdieping van laatsgenoemde vijver tot een zone van 100 tot 200 m² welke kan uitgediept worden tot 1,5 meter en verwerking van de vrijkomende grond binnen de reeds vergraven zones.’; Overwegende dat door de afdeling Bos en Groen van voornoemde administratie op 7 november 1997 volgend advies werd uitgebracht : X-8993-5/11 ‘... Volgens het gewestplan Aarschot-Diest, ligt de hierboven vermelde aanvraag in agrarisch landschappelijk waardevol gebied. Het betreft hier een gebied dat zijn oorspronkelijke bestemming verloren heeft. Hierdoor evolueerde het naar een natuurlandschap; opgebouwd uit een lager gelegen vlak terrein met kunstmatige gevormde waterplassen en vijvers en eveneens voorzien van enkele drassige biotopen. Het geheel gaat langs de perceelgrenzen in alle richtingen over in beboste heuvels begroeid met gemengd loofhout. Deze randbossen zijn hoofdzakelijk samengesteld uit Amerikaanse eik, den, acacia en esdoorn, voorzien van een rijke flora in de bodemvegetatie zoals : heide, bosbes, sleedoorn, hondsdraf, orchideeën enz... Over het ganse terrein zijn er reeds aanpassingen en hervormingswerken uitgevoerd, wat niet conform is met de bouwaanvraag. Een regularisatieaanvraag zou hier beter op zijn plaats zijn. Door al deze reeds uitgevoerde werken gepaard gaande met het opruimen van bomen en beplantingen en reliëfwijzigingen is er een schaalvergroting en waardevermindering ontstaan ten opzicht van het typerende kleinschalige landschapstype van deze omgeving. Bovendien gaat het hier meer over een landschappelijke herinrichting van het ganse gebied dan om het beoogde doel, namelijk het inrichten van een stuk kwekerij voor heropkweek van oudere Buxusexemplaren. Om de voorafgaande redenen dienen wij een ongunstig advies uit te brengen voor wat de uitbreiding van deze kwekerij betreft.’ ; Overwegende dat uit het technisch-stedenbouwkundig onderzoek blijkt dat de uitgevoerde werken geenszins in functie staan van het behoud, de bescherming of het herstel van het natuurlijk milieu maar een plantenkwekerij en derhalve een tuinbouwactiviteit betreffen; dat deze werken dan ook strijdig zijn met de planologische voorzieningen van het gewestplan; dat om deze reden dient gesteld dat de gevraagde regularisatie niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de particulier dient verworpen”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij werpt op dat het verzoekschrift vermeldt dat de verzoeker twee raadslieden heeft, met name mrs. M. Boes en W. Mertens, dat in dat geval het verzoekschrift door de beide raadslieden dient te worden ondertekend, doch dat het verzoekschrift enkel is ondertekend door mr. W. Mertens, zodat het onontvankelijk is. 4.
- In beginsel volstaat de handtekening van één van de advocaten van een verzoeker opdat het verzoekschrift wat de ondertekening ervan betreft ontvankelijk zou zijn, ook al heeft de verzoeker meerdere raadslieden. Te dezen toont de verwerende partij niet aan dat de verzoeker een ondeelbaar mandaat ad litem zou hebben gegeven aan de beide raadslieden samen. De exceptie kan niet worden aangenomen. X-8993-6/11 V. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals “de exceptie van onwettigheid: het bestreden besluit is gesteund op een onwettige rechtsgrond met name de gewestplanwijziging van 23.06.1998”. De verzoeker zet dit middel uiteen als volgt: “De weigering van bouwvergunning in het bestreden besluit is gesteund op de strijdigheid van het voorwerp van de vergunningsaanvraag met de gewestplanbestemming, natuurgebied, zoals vastgesteld door het Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni
- Dit is het enige weigeringsmotief. Welnu dat Besluit van de Vlaamse Regering van 23.06.1998 is onwettig, althans m.b.t. de percelen die eigendom zijn van verzoeker. Die gewestplanwijziging wordt bestreden in de procedure G/A 81.163-X-
- De redenen van onwettigheid zijn: 1) De gewestplanwijziging schendt de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, m.n. de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, er is geen of onvoldoende onderzoek en/of weerlegging van de ingediende bezwaren geweest Tevens schendt het de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het is een algemeen rechtsbeginsel dat elke bestuurshandeling moet steunen op motieven in feite en in rechte. ‘L’exigence de la motivation d’une décision est destinée à ce que l’intéressé ait parfaitement connaissance des raisons qui la justifient.’ (...) De gewestplanwijziging van 23.06.1998 van de Vlaamse Regering geeft geen voldoende motivering m.b.t. de bezwaren van verzoekende partij om in casu de landbouwbestemming te behouden. Niet alleen verzoekende partij wenst de landbouwbestemming te behouden; ook de gemeente Rotselaar en de bestendige deputatie van Vlaams Brabant; de RCA volgt een tussenweg en adviseert een aanvullend voorschrift ‘natuuruitbreidingsgebied’ , waarin landbouwactiviteiten nog mogelijk zouden blijven, zij het op een uitdovende wijze. Op bladzijde 5 wordt de bestemmingswijziging die invloed heeft op verzoekende partij als volgt gemotiveerd: ‘Overwegende dat om voldoende ruimte te vrijwaren voor de landbouwfunctie en de natuurfunctie, om goed gestructureerde gehelen voor de natuur-, de bos- en de landbouwfunctie te voorzien, om versnippering van open gebieden tegen te gaan, om de afstemming van het ruimtelijk beleid en het milieubeleid op basis van het fysisch systeem in de vallei- en brongebieden te bevorderen en om de natuurfunctie te bufferen t.o.v. aangrenzende functies, aanpassingen van de bestemmingen X-8993-7/11 worden doorgevoerd in de valleien van de Dijle, de Demer, de Gete en Molenbeek en de Velpe en in het heidegebied van Rotselaar; dat het niet aangewezen is het aanvullend voorschrift ‘natuuruitbreidingsgebied’, dat door de commissie van advies wordt voorgesteld, toe te passen voor gebieden waar agrarische activiteiten, ecologische- en natuurwaarden en landschapselementen gemengd voorkomen en waar het aangewezen is dat deze menging behouden blijft met de nodige bescherming van de landschappelijke kwaliteiten en de ecologische- en natuurwaarden in het gebied...’ * Verzoekende partij heeft in het gebied Zallaken ± 25 ha in gebruik voor landbouwactiviteit: sierboomkwekerij. Deze grote oppervlakte toont aan dat het gaat om een renderend bedrijf, waarvan het karakter en gebruik zeker als gestructureerd kan worden betiteld en dat versnippering van het open gebied hier juist wordt vermeden. Het motief (gestructureerde gehelen verwezenlijken en versnippering van open gebieden vermijden) om over te gaan tot bestemmingswijziging is dan ook weerlegd. Het is feitelijk onjuist in het geval van verzoekende partij. De gewestplanwijziging weerlegt op geen enkele manier dit bezwaar van verzoekende partij. Blijkbaar is dit bezwaar niet eens onderzocht, want er is in de gewestplanwijziging niets van terug te vinden. Verzoekende partij weet dan ook niet waarom er met haar bezwaren geen rekening werd gehouden. Dit is strijdig met de motiveringsplicht die op de verwerende partij rust. * Uit de toelichtingsnota bij het bestreden besluit blijkt dat de bestemming natuurgebied aangewezen is o.w.v. de aanwezigheid van heideschrale vegetaties met belangrijke ecologische waarde. De huidige heidevegetatie zou geen ander ruimtegebruik toelaten. Deze motivering is in feite onjuist. Er is geen heidevegetatie op de eigendom van verzoekende partij en ook niet in de onmiddellijke omgeving! Dit blijkt uit een gerechtsdeurwaardersvaststelling van 24/10/1997 van gerechtsdeurwaarder Gielens. De betrokken eigendom was reeds meer dan 100 jaar in gebruik als bouwland en weiden horend bij een bedrijfsgebouw dat gelegen was op een beperkte afstand van de Nachtegalenstraat en de Heirbaan. Dat bedrijfsgebouw is gesloopt: op die plaats zijn recent twee nieuwe woningen opgericht die nu behouden blijven in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Uit de stukken blijkt dat de eigendom van verzoekende partij vroeger begroeid was met hoogstammig bos met streekeigenbegroeiïng. Dit beboste gebieden waren omgeven met heidegebieden, zijnde momenteel de Heikantberg, die nu in gewestplan ingetekend is als woonpark en zou behouden blijft, en de Middelberg, die nu in het gewestplan voor één vierde ingetekend is als woonpark en voor de rest als natuurgebied maar toch volgebouwd met residentiële constructies ingevolge verkavelingsvergunningen die ook voorwerp zijn van procedures bij de Raad van State. De grafische aanduidingen op de kaarten van het Militair Geografisch Instituut, kaartbladen 24/6 en 24/7, geven aan dat de grond van verzoekende partij in gebruik is als weide voor meer dan drie vierden en voor één vierde als cultuurgrond. De weiden zijn door dreven van elkaar gescheiden. Op de kabinetskaarten zijn de heidevegetaties gespreid over de Middelberg en de Heikantberg, doch niet over de vlakte van Zallaken, ‘De Vevers’ genoemd. De aanduiding van hoogstambos wijst er duidelijk op dat er geen heidevegetatie aanwezig was. X-8993-8/11 In de inventaris der landschappen uit de Nationale Survey van het Bestuur van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening is trouwens een duidelijk onderscheid gemaakt tussen: - de Middelberg, in het noordoosten van Rotselaar: laatste heuvel met integrale heidevegetatie van geheel het Hageland; verkaveld en volgebouwd maar op gewestplan toch aangegeven als natuurgebied botanisch, ornitologisch, esthetisch en geografisch belang - de Rotselarenberg: droog heidegebied; volgebouwd en op gewestplan aangeduid als woonpark botanisch, geografisch, esthetisch en bouwkundig belang - de moerassige depressie van Zallaken: hierin ligt de eigendom van verzoekende partij hieraan zijn geen te vermelden belangen als waardevol landschap gegeven Minstens al op die punten wordt het motiveringsbeginsel geschonden o.a. door geen afdoende inhoudelijke motivering weer te geven en door in feite uit te gaan van een heidevegetatie die er niet was, niet is en niet zal zijn. Op die manier is dan ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Als het motiveringsbeginsel is geschonden, leidt dit automatisch tot een onzorgvuldige beslissing. * In de motivering van de gewestplanwijziging staat ook vermeld dat de landbouwfunctie dient bewaard te blijven. Welnu verzoekende partij verwezenlijkt die landbouwfunctie zodat een bestemmingswijziging tegenstrijdig is met dat motief. Het getuigt evenmin van een zorgvuldig bestuur door verzoekende partij op 20/12/1993 een bouwvergunning te geven voor de omschakeling van een cultuur- en veeteeltbedrijf naar een bedrijf voor kwekerij, aanplanting en onderhoud van struiken voor openbare parken en siertuinen en enkele jaren later dusdanig het gewestplan te gaan wijzigen dat praktisch geen activiteiten meer gaan mogen. Alhier heeft de minister van ruimtelijke ordening de landbouwkundige bestemming duidelijk erkend, zodat dat tegenstrijdig is met de bedoelingen en motieven van huidige gewestplanwijziging om nu daar natuurgebied te gaan maken. 2) De gewestplanwijziging schendt eveneens artikel 11 §7 van het Decreet betreffende de Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22.10.1996 Indien de Vlaamse Regering afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies dient zij haar beslissing te motiveren. Op grond van de ingediende bezwaren van particulieren, de gemeente Rotselaar en de bestendige deputatie van Vlaams Brabant heeft de RCA geadviseerd m.b.t. B.10 Rotselaar - gebied ten zuidwesten van Zallaken om de gronden in het noordelijk deel die in gebruik zijn voor landbouwactiviteit als natuuruitbreidingsgebied te bestemmen. De eigendom van verzoekende partij ligt in dat gebied. In de gewestplanwijziging is niet pertinent en afdoende gemotiveerd waarom toch zuiver natuurgebied is weerhouden. Het enige wat gesteld wordt is: ‘dat het niet aangewezen is het aanvullend voorschrift ‘natuuruitbreidingsgebied’, dat door de commissie van advies wordt voorgesteld, toe te passen voor gebieden waar agrarische activiteiten, ecologische- en natuurwaarden en landschapselementen gemengd voorkomen en waar het aangewezen is dat deze menging behouden blijft met de nodige bescherming van de landschappelijke kwaliteiten en de ecologische- en natuurwaarden in het gebied...’ Waarom is het niet aangewezen om te spreken van natuuruitbreidingsgebied op percelen alwaar er agrarische activiteiten voorkomen samen met ecologische- en natuurwaarden? X-8993-9/11 Waarom zou in agrarisch gebied die menging niet mogelijk zijn? Waarom zou in agrarisch gebied de nodige bescherming van de landschappelijke kwaliteiten en de ecologische- en natuurwaarden niet kunnen gerealiseerd worden? De minister van ruimtelijke ordening stelde nochtans in de bouwvergunning van 23/12/1993: ‘dat bepaalde werken (uitdiepen en verbreding van grachten, cultuurtechnische werken, het in stand houden van de vegetatie) juist tot doel hebben het landschap te beschermen en aan landschapsontwikkeling te doen...’ (...) In dat opzicht is het advies van de RCA niet voldoende weerlegt en is artikel 11 geschonden”. Beoordeling
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden weigeringsbesluit uitsluitend is gesteund op de strijdigheid van de aangevraagde handelingen en werken met de bestemming natuurgebied, vastgesteld bij het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van onder meer de gemeente Rotselaar.
- Bij arrest nr. 148.120 van 10 augustus 2005 in de zaak A. 81.163/X-8549 is het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 ten verzoeke van de huidige verzoeker vernietigd, zodat het ex tunc uit het rechtsverkeer is verdwenen. Het bestreden besluit heeft derhalve geen rechtsgrond meer. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 31 maart 1999 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende de verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 2 juni 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het wijzigen van het reliëf voor een terrein gelegen aan de Kwikstaartweg te Rotselaar, kadastraal bekend sectie E, nrs. 218, 219, 223/f/d/l, 223/g/d/l, 223/k/2, 224/d/l, 225 en
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. X-8993-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq. Roger Stevens. X-8993-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div