id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.399 Rolnummer: A. 174102/X-12891 Zaak: Arrest 197399 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:45 Fiche Arrest nr 197.399 van 27 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.399 van 27 oktober 2009 in de zaak A. 174.102/X-12.
- In zake: Jean VANHEERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Berx kantoor houdend te 3590 DIEPENBEEK Sint-Servatiusstraat 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve DEHAESE kantoor houdend te 3500 HASSELT Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de b.v.b.a. IMMO@PLACES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te 3000 LEUVEN Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 juni 2006 strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van 6 april 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende het onontvankelijk verklaren van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken ingesteld tegen het besluit van 21 december 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep van de b.v.b.a. IMMO@PLACES tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken inzake de aanvraag tot het wijzigen van een verkavelingsvergunning aan de Motstraat te Alken, op een perceel kadastraal bekend sectie F, nrs. 760/k3, 760/r3 en 760/s3, wordt ingewilligd. X-12.891-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 166.568 van 11 januari 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 juli
- Adjunct-auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 juni
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rolf Wouters, die loco advocaat Erik Berx verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Leïla Tijini, die loco advocaat Lieve Dehaese verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Pieterjan Osaer, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-12.891-2/7 III. Feiten 3.
- Op 28 april 2005 dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken tot wijziging van de voorschriften van de verkavelingsvergunning van 13 oktober 1982 voor een terrein gelegen te Alken, Motstraat, kadastraal bekend sectie F, nrs. 760/k3,760/ r3 en 760/s
- De gevraagde wijziging betreft in hoofdzaak de samenvoeging van de loten 1, 2 en 3 en de wijziging van de voorschriften voor wat de inplanting, de bouwdiepte en de kroonlijsthoogte betreft. Die wijziging wordt aangevraagd met het oog op de realisatie van een woningbouwproject waarin 15 appartementen worden voorzien. Het woonperceel van de verzoeker paalt aan het voornoemde terrein. 3.
- Het voormelde terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het op 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat plaatsvindt van 17 mei 2005 tot 15 juni 2005, worden vier bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de verzoeker. 3.
- Op 30 september 2005 stelt de tussenkomende partij administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Limburg tegen het uitblijven van een beslissing van het college. 3.
- Op 21 december 2005 willigt de deputatie het beroep in. 3.
- Op 18 januari 2006 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken bij de verwerende partij administratief beroep in tegen het voormelde besluit van de deputatie. 3.
- Op 6 april 2006 verklaart de minister dit beroep onontvankelijk. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: X-12.891-3/7 “Overwegende dat zowel in artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals later gewijzigd, als in de omzendbrief RO/2003/1 ‘modaliteiten tot instelling van het hoger beroep door het college van burgemeester en schepenen en/of door de gemachtigde ambtenaar’ is vervat dat de volledige en gelijktijdige kennisgeving van het hoger beroep aan de aanvrager essentieel is; dat een volledige kennisgeving onder meer inhoudt dat de aanvrager wordt geïnformeerd over de argumenten die aan de basis liggen van de instelling van het hoger beroep; dat deze voorwaarde ook uitdrukkelijk is opgenomen in artikel 1/ van het voormelde decreetsartikel; dat uit het schrijven van de gemeente aan de aanvrager kan worden afgeleid dat deze enkel op de hoogte werd gebracht van de instelling van het beroep, maar dat de aanvullende nota met de beroepsmotieven niet als bijlage bij dit schrijven werd gevoegd; dat bijgevolg één van de essentiële vormvereisten tot instelling van het hoger beroep door het college van burgemeester en schepenen werd geschonden en dat het beroep aldus onontvankelijk dient te worden verklaard”. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift duidt als voorwerp van het beroep het voornoemde besluit van 6 april 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening aan. In zijn memorie van wederantwoord vraagt de verzoeker “de nietigverklaring te bevelen van de beslissing van de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening dd. 6.4.2006 (...) of de door de Raad van State eventueel meer opportuun geachte administratieve beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie Limburg of van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Alken”. Daargelaten de vraag of de vraag tot uitbreiding van het voorwerp van het beroep tijdig is, dient te worden vastgesteld dat het de Raad van State niet toekomt het voorwerp van het beroep ambtshalve te bepalen noch na te gaan of het voorwerp van het beroep ambtshalve dient te worden uitgebreid, zodat de Raad van State niet kan ingaan op de vraag om te beslissen of het opportuun zou zijn het voorwerp van het beroep uit te breiden. V. Beoordeling
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij het volgende op: “Overeenkomstig artikel 2, §1, 2/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dient het verzoekschrift een uiteenzetting X-12.891-4/7 van de middelen te bevatten, dit is een aanduiding van de overtreden rechtsregels en van de wijze waarop die regels geschonden worden. Iedere uiteenzetting van deze middelen ontbreekt in het verzoekschrift. Het beroep is onontvankelijk”. De tussenkomende partij voert in haar verzoek tot tussenkomst het volgende aan: “
- In de eerste acht alinea’s van haar uiteenzetting over de middelen, schijnt de verzoekende partij te willen uitleggen dat het vormgebrek waaraan het beroep van de gemeente Alken tegen de beslissing van de bestendige deputatie van 21 december 2005 lijdt, voor de Vlaamse minister geen reden mag zijn om de beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. De verzoekende partij brengt evenwel tegen het vormgebrek geen middelen in stelling. Wel integendeel, zij schijnt het vormgebrek dat tot de beslissing van onontvankelijkheid leidde te aanvaarden, zoals het blijkt uit haar kritiek op de gemeente Alken, die niet tijdig besliste over de verkavelingsaanvraag, een fout maakt bij het aantekenen van administratief hoger beroep, en in haar brief van 20 april 2006 aan verzoekende partij niet op een behoorlijke wijze meedeelde dat een beroep tot nietigverklaring bij aangetekende brief aan uw Raad moet worden verzonden. In het genoemde deel van zijn uiteenzetting formuleert de verzoekende partij derhalve geen middelen in de zin van art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Wel geeft zij een vorm van toelichting bij haar belang, omdat zij er op wijst dat de bestreden beslissing haar een nadeel berokkent. Daarbij kapittelt zij de handelingen van de gemeente Alken als de oorzaak van de klaarblijkelijk fout geachte beslissingen van zowel de bestendige deputatie van 21 december 2005 als van de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening van 06 april
- Zelfs met de beste wil kan uit deze uiteenzetting geen rechtsgeldig middel tegen de bestreden beslissing worden afgeleid.
- In de achtste alinea spreekt de verzoekende partij van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel, van machtsafwending en van machtsoverschrijding. In de toelichting die daarop volgt verwijst de verzoekende partij onmiddellijk naar ‘de onjuiste motieven van de basisbeslissing van de bestendige deputatie’, zoals deze in het door de gemeente Alken bij de Vlaamse minister neergelegde administratief beroepschrift werden bekritiseerd. De onjuistheid van de beslissing van de bestendige deputatie wordt dan verder toegelicht, op grond van overwegingen over de kenmerken van de ruimtelijke ordening ter plaatse, het ruimtelijk structuurplan van de gemeente Alken, het mobiliteitsplan van de gemeente Alken, (onbewezen) gegevens over de stabiliteit van de ondergrond, de volledigheid van de aanvraag, enz. Dit alles is natuurlijk niet pertinent, omdat daardoor niet wordt verduidelijkt waarom de bestreden beslissing op grond van gratuit geformuleerde schendingen van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van machtsafwending of machtsoverschrijding zou kunnen vernietigd worden. Ook in dit deel van zijn uiteenzetting formuleert de verzoekende partij dus geen middel.
- Omdat het inleidend verzoekschrift geen middelen bevat, alhoewel art. 2 § 1, 2/ van het Procedurereglement (B.R. 23 augustus 1948) dit beveelt, minstens omdat de louter formeel vermelde schendingen met zekerheid geen ernstige middelen zijn die kunnen leiden tot de nietigverklaring van de X-12.891-5/7 bestreden beslissing, is de vordering (tot nietigverklaring) kennelijk ontvankelijk, minstens kennelijk ongegrond. Daarenboven rijst de vraag of de verzoekende partij wel hoedanook een ontvankelijk middel kan produceren. Per hypothese kan een middel wel leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing van de Vlaamse minister, maar niet tot de verdwijning van de beslissing van de bestendige deputatie van 21 december
- De verzoekende partij kan dus bij geen enkel middel belang hebben (...). De verzoekende partij kan bij geen middel een belang hebben, vermits zij haar rechtspositie niet kan verbeteren”.
- Artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Een middel bestaat uit de omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing zou zijn geschonden. Ten aanzien van het bestreden besluit beroept de verzoeker zich in zijn verzoekschrift op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur “met inbegrip van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel”, waarbij hij toelicht dat het “niet de bedoeling van de hogere overheid mag zijn om zich te verschuilen achter een proceduregebrek in hoofde van de Gemeente Alken om vervolgens de door IMMO@Places ingediende aanvraag zonder meer te bevestigen” en “dit ondanks de formele toezeggingen die verzoeker vanwege de gemeente Alken mocht bekomen, dat deze (...) onder geen enkel beding de door IMMO@Places bvba ingediende aanvraag wenste in te willigen”. De verzoeker geeft niet aan en het valt niet in te zien hoe de verzoeker uit het feit dat de gemeente tegen de inwilliging van de aanvraag gekant was, verwachtingen kon putten aangaande de beslissing die het Vlaamse Gewest zou nemen over de ontvankelijkheid van het beroep van de gemeente. De tussenkomende partij merkt terecht op dat de verzoeker “geen middelen in stelling (brengt)” tegen het motief waarop het bestreden besluit steunt, meer bepaald de onontvankelijkheid van het beroep van de gemeente wegens het schenden van een essentiële vormvereiste. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-12.891-6/7
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.891-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.399 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div