id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.423 Rolnummer: A. 112097/X-10635 Zaak: Arrest 197423 - Toerisme - 28/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:45 Fiche Arrest nr 197.423 van 28 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Toerisme Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.423 van 28 oktober 2009 in de zaak A. 112.097/X-10.635. In zake : de b.v.b.a. DE PAJOT, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : TOERISME VLAANDEREN, thans het INTERN VERZELFSTANDIGD AGENTSCHAP MET RECHTSPERSOONLIJKHEID TOERISME VLAANDEREN, dat woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. DE PAJOT op 26 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van 28 augustus 2001 van Toerisme Vlaanderen houdende stopzettingsbevel met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 2000 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven”; Gelet op het arrest nr. 109.117 van 10 juli 2002 waarbij het verzoek tot tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap in de vordering tot schorsing wordt afgewezen, en de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 3 september 2002 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; X-10.635-1/12 Gelet op de beschikking van 1 december 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 juni 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VALCKENIERS, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Th. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoekende partij is een op 28 januari 1997 opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met als doel “de uitbating van een camping en alle sportieve en buiten- en binnenactiviteiten die ermee verband houden”. 1.2. Volgens het verzoekschrift wordt voor deze camping, dan nog op basis van de wet van 30 april 1970 op het kamperen, op 31 mei 1974 een eerste kampeervergunning verleend aan de v.z.w. “Les compagnons campeurs belges”, waarvan de naam later werd gewijzigd in v.z.w. PHOEBUS, vergunning die op 16 februari 1976 wordt bevestigd. X-10.635-2/12 De verwerende partij betwist niet dat de camping oorspronkelijk onder de wet van 30 april 1970 vergund was. 1.3. In 1974 en 1976 zijn de gronden nog niet opgenomen in het gewestplan. In het definitieve gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, worden de terreinen opgenomen in agrarisch gebied. Ook de bestemming van de ruime omgeving van het kampeerterrein is agrarisch gebied. 1.4. Op 13 februari 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Galmaarden aan de v.z.w. PHOEBUS een nieuwe kampeervergunning voor deze terreinen op grond van de wet van 30 april 1970 op het kamperen. Deze vergunning wordt gegeven niettegenstaande het ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar van het bestuur van de Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening, blijkbaar omdat de camping reeds sinds de jaren ’70 bestaat en er tot op heden nog nooit problemen zijn geweest, omdat de campingbewoners geïntegreerd zijn in de Galmaardse leefgemeenschap en het sociale leven en omdat het geheel volledig omzoomd is met een degelijke beplanting en geen storend element is in het landschap. Deze vergunning wordt integraal overgenomen door de verzoekende partij zoals blijkt uit het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Galmaarden van 26 mei 1997. 1.5. Intussen was het decreet van 3 maart 1993 houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven goedgekeurd waarbij de wet van 30 april 1970 werd opgeheven op de datum bepaald door de Vlaamse regering. Dit decreet en deze opheffing traden in werking op 15 maart 1995. Krachtens artikel 12 van dit decreet bepaalt de Vlaamse regering de overgangsmaatregelen betreffende de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven die in exploitatie zijn op de dag dat het decreet in werking treedt. Ter uitvoering van dit artikel 12 bepaalde artikel 25 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, dat de exploitanten van bedrijven die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dat besluit over een vergunning beschikken afgegeven overeenkomstig de wet van 30 april 1970 door het Vlaams Commissariaat Generaal voor Toerisme, na de inwerkingtreding van het besluit, X-10.635-3/12 worden uitgenodigd om een vergunning aan te vragen en dat alle terreinen uiterlijk op 31 december 1999 over een vergunning dienen te beschikken. Voor de terreinen die op het ogenblik van de inwerkingtreding over geen vergunning beschikken, afgegeven overeenkomstig de wet van 30 april 1970, diende binnen één jaar na de inwerkingtreding van dat besluit een principiële vergunning aangevraagd te worden met een faseplan waaruit blijkt dat zij binnen drie jaar na de indiening van die aanvraag over een vergunning kunnen beschikken. Dit artikel 25 werd meermaals gewijzigd en luidde op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing als volgt : “§ l. De exploitanten van de terreinen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit over een vergunning beschikken, afgegeven overeenkomstig de wet van 30 april 1970 op het kamperen, dienen na de inwerkingtreding van dit besluit een vergunning aan te vragen. De terreinen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit geen vergunning hebben, afgegeven overeenkomstig de wet van 30 april 1970 op het kamperen, moeten minstens een principiële vergunning hebben aangevraagd op 31 december 1997. Deze aanvraag moet een plan bevatten met een fazering in de tijd waaruit opgemaakt kan worden dat het terrein binnen (twee) jaar na het indienen van deze vergunningsaanvraag over een vergunning kan beschikken overeenkomstig dit besluit. Alle terreinen dienen uiterlijk op 31 december 1999 over een vergunning te beschikken. § 2. Onverminderd de voorwaarden die voor de aanleg en de exploitatie van terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven krachtens andere regelgeving worden opgelegd, wordt de datum, vermeld in § 1, derde lid, bepaald op 30 juni 2003 voor de exploitanten van terreinen die op 31 december 1999 in de onmogelijkheid verkeerden om, met betrekking tot het terrein of een gedeelte ervan, te beschikken over het attest, bedoeld in artikel 5, 10/, voor zover achtereenvolgens voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1/ uiterlijk op 28 februari 2001 is met het oog op een planologische bestemmingswijziging van het terrein in kwestie door de provincieraad een gemotiveerd verzoek en een voorstel ingediend bij de Vlaamse regering tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan met toepassing van artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingevoegd bij decreet van 26 april 2000. Van deze beslissing moet Toerisme Vlaanderen uiterlijk binnen veertien dagen, na de datum van beslissing, bij aangetekend schrijven, in kennis gesteld worden; 2/ uiterlijk op 1 juli 2001 heeft het college van burgemeester en schepenen, van de gemeente waar een terrein gelegen is dat opgenomen is in het voorstel van de provincie, bedoeld onder 1/, een ontwerp van begeleidingsplan voor de afbouw van de eventuele permanente bewoning op dat terrein bij de Vlaamse regering ingediend; 3/ uiterlijk 4 maanden nadat de uitbater van het terrein door Toerisme Vlaanderen in kennis gesteld werd van de beslissing, bedoeld onder 1/, heeft de uitbater, bij aangetekend schrijven, een beschrijvend verslag en een plan in viervoud bij Toerisme Vlaanderen ingediend waaruit het volgende blijkt :
- a)het terrein voldoet aan de brandveiligheidsnormen, de exploitatievoorwaarden en de classificatienormen van tenminste de laagste categorie, waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is om deze uit X-10.635-4/12 te voeren. Aan deze vereiste dient blijvend voldaan te worden tot de datum van het bekomen van de vergunning;
- b)de lijst en de beschrijving van de werken waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist zal zijn;
- c)het terrein zal, na het bekomen van de vereiste stedenbouwkundige vergunningen, volledig kunnen beantwoorden aan alle brandveiligheidsnormen, alle exploitatievoorwaarden en alle classificatienormen van tenminste de laagste categorie. Uiterlijk twee maanden na ontvangst door Toerisme Vlaanderen van het beschrijvend verslag en het plan, vermeld in het vorige lid, voeren Toerisme Vlaanderen en de bevoegde gezondheidsambtenaar een inspectie uit op het terrein. Binnen dezelfde termijn voert de territoriaal bevoegde brandweerdienst, op verzoek van Toerisme Vlaanderen, een inspectie uit op de brandveiligheidsnormen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is. Ingeval de territoriaal bevoegde brandweerdienst geen inspectie binnen de gestelde termijn uitvoert, voert, op verzoek van de Vlaamse minister bevoegd voor toerisme, een afvaardiging, bestaande uit minstens 2 leden, van de technische commissie brandveiligheid, bedoeld in artikel 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 maart 1995 tot vaststelling van de specifieke brandveiligheidsnormen waaraan terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven moeten voldoen, binnen 2 maanden na ontvangst van het verzoek, een inspectie uit op de brandveiligheidsnormen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning vereist is; 4/ uiterlijk op 1 juli 2001 is het ontwerp van het ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld onder 1/, voorlopig vastgesteld door de bevoegde overheid; 5/ uiterlijk 13 maanden na de voorlopige vaststelling van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, is het ruimtelijke uitvoeringsplan definitief vastgesteld; 6/ uiterlijk 30 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het vaststellingsbesluit met betrekking tot het definitief vastgestelde ruimtelijk uitvoeringsplan, dat de exploitatie en het gebruik van een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven toelaat, heeft de uitbater de stedenbouwkundige vergunningen aangevraagd voor de vergunningsplichtige werken die opgenomen zijn in het beschrijvend verslag, vermeld in 3/; 7/ uiterlijk 4 maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bedoeld in 6/, heeft de uitbater een vergunningsaanvraag ingediend bij Toerisme Vlaanderen; § 3. Er is niet langer voldaan aan de voorwaarden vermeld in § 2 : 1/ van zodra de aldaar gestelde termijnen verstreken zijn zonder dat er gevolg aan werd gegeven; 2/ wanneer Toerisme Vlaanderen, binnen 2 maanden na de kennisgeving, bedoeld in § 2, 1/, tweede lid, aan de uitbater kennis heeft gegeven van het feit dat de Vlaamse minister, bevoegd voor ruimtelijke ordening of zijn gemachtigde, oordeelt dat het gemotiveerd verzoek en het voorstel van de provincieraad niet voldoen aan de bepalingen van artikel 188bis van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; 3/ wanneer Toerisme Vlaanderen aan de uitbater kennis heeft gegeven van de beslissing van de bevoegde overheid tot stopzetting van de procedure tot opmaak en vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld in § 2; 4/ wanneer Toerisme Vlaanderen aan de uitbater kennis heeft gegeven van het feit dat bij de inspecties, vermeld in § 2, 3/, tweede lid, vastgesteld werd dat het terrein niet voldoet aan de normen of voorwaarden bedoeld in § 2, 3/, a. In die gevallen dient uiterlijk 6 maanden nadien, de exploitatie en het gebruik van het terrein of het gedeelte ervan dat oorspronkelijk in aanmerking kwam voor de toepassing van § 2, stop gezet te worden. X-10.635-5/12 § 4. De bepalingen van § 2 zijn niet van toepassing op de terreinen of de gedeelten van terreinen die gelegen zijn : 1/ in de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangeduid krachtens de decreten van 14 juli 1993, 21 december 1994 en 29 november 1995 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen; 2/ in een reservatiestrook overeenkomstig de gewestplanbestemming, aangeduid met betrekking tot een overeenkomstig de bepalingen van het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen geselecteerde hoofdweg, primaire weg, hoofdwaterweg, hoofdspoorweg of hoofdtransportleiding”. 1.6. In een brief van 26 juli 2000 aan de verzoekende partij schetst de verwerende partij de overgangsregeling voor zonevreemde campings in het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995. Toerisme Vlaanderen gaat er daarbij van uit dat in de gevallen wanneer niet langer voldaan is aan de voorwaarden voor de overgangsregeling de uitbater de exploitatie van de zonevreemde camping (of het zonevreemde gedeelte) moet stopzetten uiterlijk na de vaststelling ervan, vaststelling die wordt betekend door de verwerende partij. 1.7. In een brief van 29 maart 2001 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat gebleken is dat voor haar terrein uiterlijk op 28 februari 2001 een gemotiveerd verzoek en voorstel tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : RUP) werd ingediend bij de Vlaamse regering zodat de camping voorlopig verder kan uitgebaat worden, maar dat, vóór de voorlopige vaststelling van het ontwerp-RUP echter nog plenaire vergaderingen worden belegd en adviezen van verschillende instanties dienen te worden ingewonnen, zodat de bevoegde overheid op basis van deze plenaire vergaderingen en adviezen de procedure tot opmaak en vaststelling van het RUP kan stopzetten. Er wordt tevens gesteld dat wanneer het terrein bij de voorlopige vaststelling van dat ontwerp-RUP niet wordt weerhouden, de overgangsregeling vervalt en de exploitatie uiterlijk zes maanden nadat de verwerende partij de uitbater hiervan in kennis stelde, moet worden stopgezet in toepassing van artikel 25, § 3 van het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995. 1.8. Bij besluit van 29 juni 2001 beslist de Vlaamse regering tot stopzetting van de procedure voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan “De Pajot” in de gemeente Galmaarden. Met een op 21 september 2001 bij de Raad van State ingediend verzoekschrift wordt door de verzoekende partij de nietigverklaring van dit besluit gevorderd. Het beroep wordt verworpen bij arrest nr.177.756 van 11 december 2007 wegens gebrek aan het rechtens vereiste actueel belang. X-10.635-6/12 1.9. Op 28 augustus 2001 stuurt de verwerende partij dan de volgende aangetekende zending aan de verzoekende partij : “Geachte, Met schrijven van 29 maart 2001 heb ik u ingelicht over de beslissing van de provincieraad van Vlaams-Brabant waaruit bleek dat voor uw terrein een gemotiveerd verzoek en voorstel tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) bij de Vlaamse regering werd ingediend en dit binnen de gestelde termijn van 28 februari 2001. Zoals bepaald wordt in art. 25, § 2, 4/ van voornoemd exploitatiebesluit was de volgende deadline 1 juli 2001. Uiterlijk op deze datum diende de bevoegde overheid het ontwerp-RUP voorlopig vast te stellen. Vóór de voorlopige vaststelling van dit ontwerp-RUP werden plenaire vergaderingen belegd en adviezen van verschillende instanties ingewonnen. Op basis van deze plenaire vergaderingen en adviezen heeft de Vlaamse regering in haar besluit van 29 juni 2001 het ontwerp-RUP ‘De Pajot’ niet voorlopig vastgesteld waardoor de procedure tot opmaak en vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt stopgezet. Dit betekent dat uw terrein niet meer weerhouden wordt om verder van de overgangsregeling te kunnen genieten. Hierdoor vervalt de overgangsregeling en dient, in toepassing van art. 25, § 3, 3/ lid, uiterlijk 6 maanden nadat Toerisme Vlaanderen de uitbater hiervan in kennis heeft gesteld, dus uiterlijk op 1 maart 2002, de exploitatie en het gebruik van het terrein of het gedeelte ervan dat oorspronkelijk in aanmerking kwam voor de toepassing van de overgangsregeling, stop gezet te worden. Deze overgangsperiode van 6 maanden laat u toe de lopende huurcontracten tijdig op te zeggen en uw huurders te verwittigen dat het terrein zal sluiten. Wij verzoeken u dan ook vriendelijk om uw huurders hiervan op de hoogte te brengen. Wij manen u aan vanaf heden de nodige schikkingen te nemen om daaraan te voldoen. Zonder verdere ingebrekestelling zullen de gemachtigde ambtenaren van mijn dienst, vanaf de datum van 1 maart 2002, overgaan tot het opstellen van een P.V. mocht blijken dat u een niet-vergund terrein uitbaat. Het P.V. zal dan worden overgemaakt aan het parket. In dit verband verwijzen we naar art.8 van het decreet van 3 maart houdende het statuut van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven : ‘Art. 8. Met een geldboete van vijfhonderd tot vijfduizend frank wordt gestraft hij die zonder vergunning een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven exploiteert, laat exploiteren, gebruikt of laat gebruiken en hij die wederrechterlijk houder is van het in artikel 6 bedoelde herkenningsteken. De hoven en rechtbanken kunnen bovendien de overtreders van de bepalingen van dit decreet verbieden gedurende een periode van één tot twaalf maand(
- en)persoonlijk of door een tussenpersoon een terrein voor openluchtrecreatieve verblijven te exploiteren. Het verbod wordt van toepassing acht volle dagen na het betekenen van de veroordeling.’ Een kopie van deze brief zal naar de Bestendige Deputatie en het College van Burgemeester en Schepenen worden verstuurd”. Dit is de bestreden beslissing. 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de X-10.635-7/12 volgende exceptie op : “II.1. HET VOORWERP VAN DE VORDERING TOT VERNIETIGING : EXCEPTIE VAN ONONTVANKELIJKHEID. 28. De Raad van State is de legaliteitsrechter van een ‘administratieve handeling’, d.w.z. de akte die de rechtstoestand van de verzoekende partij wijzigt of belet dat er een wijziging tot stand komt. 29. Toerisme Vlaanderen stelt vast dat zij geen enkele beslissing, althans niet in de zin dat er rechtsgevolgen voor de b.v.b.a. De Pajot aan verbonden zouden zijn, heeft genomen. Het besluit tot stopzetting van het ontwerp-RUP is genomen door de Vlaamse regering. De aan dit besluit verbonden gevolgen zijn reglementair vastgesteld. Dit besluit tot stopzetting van de opmaak van het RUP maakt het voorwerp uit van een verzoek tot nietigverklaring dat door de verzoekende partij werd ingediend. 30. Geen enkele administratieve overheid kan het gevolg dat de beslissing tot stopzetting van het ontwerp-RUP heeft voor de b.v.b.a. De Pajot beoordelen. Ook Toerisme Vlaanderen niet. Verzoekende partij beweert trouwens niet dat Toerisme Vlaanderen enige appreciatiebevoegdheid heeft. De brief dd. 28 augustus 2001 van Toerisme Vlaanderen betreft in werkelijkheid geenszins een ‘beslissing’ maar wel een zuivere uitvoeringsmaatregel van art. 25, § 3, 3 van het Exploitatiebesluit. Gelet op het besluit houdende stopzetting van het ontwerp-RUP, op art. 25 van het Exploitatiebesluit, en op art. 8 en 9 van het decreet, doet Toerisme Vlaanderen in wezen niets meer dan de b.v.b.a. De Pajot inlichten wat de reglementaire en decretale gevolgen zijn die aan het besluit tot stopzetting van het ontwerp-RUP verbonden zijn. In deze zin maakt de brief dd. 28 augustus 2001 geenszins een akte in de zin van art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en dient besloten te worden tot de onontvankelijkheid. In gelijkaardige zaken zijn auditeurs tot eenzelfde besluit gekomen (...). 31. In ondergeschikte orde, lijkt het in beginsel mogelijk om het formeel voorwerp van een administratieve rechtshandeling uit te breiden tot bepaalde eruit voortvloeiende materiële effecten. Een gekend voorbeeld hiervan vormt een bevorderingsbeslissing, dewelke impliciet een beslissing tot niet-bevordering voor de geweerde kandida(a)t(
- en)betekent. Dit betreft echter een direct rechtsgevolg van de oorspronkelijke rechtshandeling. Anders is het gesteld met de zgn. indirecte rechtsgevolgen van de initiële bestuurshandeling. Hierover zegt Sabien LUST : ‘(De indirecte rechtsgevolgen) kunnen niet worden teruggebracht tot de initiële rechtshandeling zelf. Het betreft rechtshandelingen die later, op grond van de in de initiële bestuurshandeling direct of indirect toegewezen bevoegdheden, rechten of plichten worden verricht, bijvoorbeeld rechtshandelingen die werden genomen op grond van de machtiging toegewezen door de initiële bestuurshandeling, of rechtshandelingen verricht tot naleving van de door de initiële bestuurshandeling opgelegde verplichtingen.’ Zelfs indien Toerisme Vlaanderen bij zijn schrijven dd. 28 augustus 2001 een rechtshandeling zou hebben getroffen -quod non- dan nog blijkt het slechts om een indirect rechtsgevolg van de initiële rechtshandeling te gaan, nu onbetwist vaststaat dat bedoelde brief X-10.635-8/12 niets meer doet dan mededelen wat in het decreet en de besluiten staat. Wederom maakt de brief dd. 28 augustus 2001 geenszins een akte uit in de zin van art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 32. In geen geval blijkt Toerisme Vlaanderen een ‘beslissing’ in de zin van art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te hebben genomen. (...)”. 2.2.1. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Om ontvankelijk te zijn moet het beroep een handeling tot voorwerp hebben die zelf rechtsgevolgen sorteert en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoekende partij. De nietigverklaring wordt gevorderd van “het besluit van 28 augustus 2001 van Toerisme Vlaanderen houdende stopzettingsbevel met toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 2000 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1995 betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven”. Het betreft hier een brief vanwege de verwerende partij, in uitvoering van artikel 25, §3, eerste lid, 3/ van het besluit van 23 februari 1995 van de Vlaamse regering betreffende de exploitatie van de terreinen voor openluchtrecreatieve verblijven, waarmee zij de verzoekende partij in kennis stelt van het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 2001 houdende stopzetting van de procedure voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringsplan “De Pajot”, en waarin zij wijst op het bepaalde in artikel 25, §§ 2 en 3 van het voornoemde exploitatiebesluit van 23 februari 1995, reden waarom de verzoekende partij, met toepassing van het voornoemde artikel 25, § 3, laatste lid, de uitbating binnen de zes maanden na de kennisgeving van deze vaststelling door de verwerende partij dient stop te zetten. De verzoekende partij wordt tevens aangemaand daartoe de nodige schikkingen te treffen. In de mate de verwerende partij in deze brief wijst op de beslissing van de Vlaamse regering tot stopzetting van de procedure voor de opmaak van een RUP en het daaruit voortvloeiende gevolg, geeft zij in wezen enkel kennis van een eerder genomen beslissing door een andere overheid en licht zij daarmee X-10.635-9/12 enkel de verzoekende partij in over de reglementaire en decretale gevolgen van het besluit van 29 juni 2001 van de Vlaamse regering. In hoofde van de verwerende partij bestaat geen enkele appreciatiebevoegdheid ten aanzien van de gevolgen van dat besluit van de Vlaamse regering. In de mate de verwerende partij in de brief wijst op het feit dat krachtens artikel 25, § 3, laatste lid van het exploitatiebesluit de uitbating binnen zes maanden na deze kennisgeving dient te worden stopgezet, dient eveneens te worden vastgesteld dat deze termijn voortvloeit uit het voornoemde artikel 25, § 3. Ook ter zake neemt de verwerende partij dus geen enkele beslissing met het oog op het wijzigen van de rechtstoestand van de verzoekende partij. Waar de verzoekende partij stelt “dat een declaratieve vaststelling van een overheid, wanneer zij onjuist is, een constitutief karakter verkrijgt”, gaat zij aan het voorgaande voorbij. Bovendien toont zij, los van de vraag of dit van die aard zou kunnen zijn om die loutere mededeling te beschouwen als een aanvechtbare administratieve rechtshandeling met eigen rechtsgevolgen, in geen van de middelen aan dat de verwerende partij zelf onjuiste vaststellingen zou hebben gedaan, nu deze beperkt zijn tot de vaststelling dat de procedure tot opmaak van het RUP “De Pajot” werd stopgezet en tot de kennisgeving van de daaruit volgens de reglementering voortvloeiende rechtsgevolgen. De door de verzoekende partij aangevochten akte is dan ook geen uitvoerbare administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De door de verwerende partij ten aanzien van die akte opgeworpen exceptie is dan ook gegrond en de vordering is bijgevolg niet ontvankelijk. 2.2.2. In haar laatste memorie vraagt de verzoekende partij de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : “Houden de procedurele beperkingen aan het recht tot toegang tot de Raad van State, ondermeer neergelegd in artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, namelijk de vereiste van een ‘aanvechtbare akte’, zoals gedefinieerd in de rechtspraak van de Raad van State, en van een belang in hoofde van de rechtsonderhorige, een aantasting in van het grondwettelijk en voor ieder gelijk recht op toegang tot een rechterlijke instantie, in zoverre daardoor de mogelijkheid wordt uitgesloten om zijn wettigheidsgrieven te formuleren voor het hoogste administratieve rechtscollege ten aanzien van een overheidsbeslissing die de rechtsonderhorige schendt in zijn belangen, zodat deze beperkingen alsdusdanig strijdig moeten geoordeeld worden met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, op zichzelf genomen en samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM, op grond waarvan de rechtsonderhorige-eigenaar het recht heeft zich voor een rechterlijke X-10.635-10/12 instantie te beroepen tegen eigendomsbeperkende maatregelen die de overheid hem oplegt?”. De verzoekende partij was vooreerst in de mogelijkheid om eerder dan in de laatste memorie de Raad van State te verzoeken de in haar laatste memorie gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag, moet om proceseconomische redenen en omwille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, in limine litis worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin de bedoelde partij dit nuttig vermag te doen, zodat het als dilatoir voorkomt dat een partij, wanneer zij op het einde van de procedure vaststelt, bijvoorbeeld na ontvangst van het auditoraatsverslag, dat zij op grond van een bepaalde wettekst, die van in den beginne in het geding betrokken was, het proces dreigt te verliezen, verzoekt de definitieve behandeling van de zaak nogmaals voor geruime tijd uit te stellen, middels het raadplegen van het Grondwettelijk Hof over die bepaalde wettekst. Minstens diende de verzoekende partij in casu de prejudiciële vraag te suggereren in haar memorie van wederantwoord, vermits zij met de exceptie geconfronteerd werd in de memorie van antwoord. Bovendien blijkt uit de formulering van de vraag dat de verzoekende partij, met een vraag over het belang en het begrip “aanvechtbare akte”, eigenlijk het Grondwettelijk Hof verzoekt zich uit te spreken over de rechtspraak van de Raad van State, wat, zoals het Grondwettelijk Hof onder meer in zijn arresten nr. 117/99 en 13/2004 heeft vastgesteld, buiten de bevoegdheid van het Hof valt. Het verzoek tot het stellen van de voor het eerst in de laatste memorie geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is om deze redenen onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. X-10.635-11/12 De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig oktober 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.635-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.423 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.109.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div