id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.425 Rolnummer: A. 163850/X-12379 Zaak: Arrest 197425 - Plannen van aanleg - 28/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:45 Fiche Arrest nr 197.425 van 28 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.425 van 28 oktober 2009 in de zaak A. 163.850/X-12.
- In zake: de n.v. HAAGSE TENNISHOEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Der Gucht kantoor houdend te 9000 GENT Sint-Denijslaan 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de gemeente DESTELBERGEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 juli 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 2 mei 2005 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het sectoraal bijzonder plan van aanleg “zonevreemde sport en recreatie” van de gemeenste Destelbergen, in zoverre dit besluit het deelplan “Haagse Tennishoek” van dit bijzonder plan van aanleg niet goedkeurt. II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Stephan De Taeye heeft een verslag opgesteld. X-12.379-1/12 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Dieu, die loco advocaat Willy Van Der Gucht verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Wim Lammens, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is eigenaar van percelen gelegen te Destelbergen, Haagstraat 2A, kadastraal bekend sectie D, nrs. 214/b en
- Op deze percelen baat ze een sportaccommodatie met tennisterreinen en een verbruikzaal uit. 3.
- De voornoemde percelen zijn volgens het op 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Ze zijn tevens gelegen binnen het gebied van het door het bestreden besluit van goedkeuring uitgesloten beheersplan “Haagse Tennis- hoek”. Ze zijn niet gelegen binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 3.
- Op 18 maart 1999 beslist de gemeenteraad van Destelbergen tot de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, een woonbehoeftestudie, een mobiliteitsstudie, een bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) zonevreemde X-12.379-2/12 bedrijven en een BPA zonevreemde terreinen en gebouwen voor sport-, recreatie- en jeugdactiviteiten. 3.
- Op 3 juli 2002 geeft de afdeling Land Oost-Vlaanderen het volgende advies betreffende het deelplan “Haagse Tennishoek”: “Het BPA ‘Haagse Tennishoek’ ligt pal middenin het agrarisch gebruik, bovendien niet palend aan een uitgeruste weg. De afdeling Land vindt dat hier geen evenwichtige keuze: door de ligging en de aard van de activiteit wordt de agrarische dynamiek op deze plaats ernstig verstoord. Zolang dit gebied blijft deel uit maken van de agrarische structuur is een tennisclub met speelvelden hier niet op zijn plaats”. 3.
- Op 4 juli 2002 wordt op een plenaire vergadering omtrent de “Haagse Tennishoek” het volgende gesteld: “- Hier heeft men heel veel moeite mee. De ligging is niet goed, het is niet behoorlijk vergund en het is slecht toegankelijk. Er zijn geen argumenten om dit terrein te behouden in het BPA. - Er is wel behoefte aan tennispleinen. Er zal gekeken worden of er eventueel een herlokalisatie mogelijk is met bv. Flipper of BPA Bergenmeersen”. 3.
- Op 10 juli 2002 brengt de afdeling Ruimtelijke Planning het volgende advies uit over het voormelde deelplan: “De tennisvelden met parking en kleedkamer ligt volledig geïsoleerd van andere bebouwing in de open ruimte. In de toelichtingsnota is ten onrechte opgenomen dat de velden aansluiten op bestaande bebouwing. Gezien de geïsoleerde ligging in een aaneengesloten en onbebouwd agrarisch gebied op een relatief grote afstand van de kern van Heusden (2 km) wordt geadviseerd de agrarische bestemming te behouden en geen deelplan op te nemen. In functie van een eventuele herlocasitie is een meer uitgewerkte visie nodig op andere bestaande recreatieve clusters (...) en op de mogelijkheden voor bundeling en/of samenwerking met andere tennisterreinen in de gemeente”. 3.
- Op 15 september 2003 beslist de Gecoro van Destelbergen “de Haagse Tennishoek toch op te nemen in het BPA (...) doch met nabestemming na 10 jaar als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Er wordt verwezen naar het sociaal en sportieve aspect van dergelijke sportclubs. Er zijn ook nooit klachten tegen deze club geweest”. X-12.379-3/12 3.
- Op 16 september 2004 stelt de gemeenteraad van Destelbergen het sectoraal BPA “zonevreemde sport” voorlopig vast, met opname van de “Haagse Tennishoek”, mits nabestemming na 10 jaar als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.
- Op 16 december 2004 stelt de gemeenteraad van Destelbergen het voornoemde BPA definitief vast, mits schrapping van het deelplan “Manège De Lathouwer”. 3.
- Op 17 februari 2005 geeft de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een gunstig advies omtrent het deelplan “Haagse Tennishoek”. Over het sectoraal deelplan stelt ze echter nog het volgende: “Overwegende dat volgens het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, art. 8 een watertoets dient uitgevoerd te worden, dat in de toelichtingsnota geen bespreking gebeurt van de waterproblematiek en dat de ‘watertoets' niet gebeurt, dat het nodig is na te gaan welke de waterproblematiek in de plangebieden is opdat naar de toekomst geen wateroverlast ontstaat, dat gezien dit de goede plaatselijke aanleg en goed ruimtelijk functioneren mogelijks kan schaden, de deelplannen wat dit betreft ongunstig geadviseerd worden”. 3.
- Op 22 februari 2005 verleent de afdeling ROHM Oost-Vlaanderen omtrent de “Haagse Tennishoek” een “ongunstig advies gelet op de geïsoleerde ligging in een onaangetast agrarisch gebied en op de grote afstand van de kern van de deelgemeente Heusden”. 3.
- Op 1 april 2005 stelt de directeur-generaal van AROHM in een nota aan de bevoegde Vlaamse minister omtrent de “Haagse Tennishoek” het volgende: “In dit deelplan is er sprake van een nabestemming in overeenstemming met het gewestplanvoorschrift. Bij de opmaak van een BPA dient nagegaan te worden wat de gewenste bestemming van de plek is. Uit de structuurvisie van Destelbergen blijkt dat deze sportterreinen in de toekomst niet gehandhaafd kunnen blijven. Deze sportterreinen liggen geïsoleerd van andere bebouwing, te midden van landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Gezien dit gebied deel uitmaakt van de agrarische structuur, adviseert de afdeling Land evenals AROHM de sportinfrastructuur te herlocaliseren. De sportterreinen liggen volgens de overstromingskaart van Vlaanderen binnen een risicogebied voor overstromingen. Om bovenstaande redenen wordt dit deelplan ongunstig geadviseerd”. X-12.379-4/12 Betreffende de watertoets wordt het volgende gesteld: “Binnen het plangebied komen, behalve voor het deelplan ‘Haagse tennishoek’, op de overstromingskaarten geen risicozones voor. De stedenbouwkundige voorschriften omvatten beperkte uitbreiding van de bebouwing. De plangebieden worden gekarakteriseerd door openluchtrecreatievelden. Bijgevolg kan in alle redelijkheid geoordeeld worden dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven”. 3.
- Op 2 mei 2005 keurt de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening het sectoraal bijzonder plan van aanleg “zonevreemde sport en recreatie” van de gemeente Destelbergen goed, met uitzondering, onder meer, van het deelplan “Haagse Tennishoek”. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “Overwegende dat het plangebied van het deelplan ‘Haagse Tennishoek’ geïsoleerd ligt van andere bebouwing, te midden van landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de afdeling Land in haar advies d.d. 3 juli 2002 de voorkeur gaf aan de herlokalisatie van deze terreinen gezien dit gebied deel uitmaakt van de agrarische structuur; dat AROHM herhaaldelijk opmerkte dat de recreatieve activiteiten gelegen zijn in landschappelijk waardevol gebied, volledig losstaand van de kern en dat zij adviseerde de activiteiten te herlokaliseren; dat de sportterreinen volgens de overstromingskaart van Vlaanderen binnen een risicogebied voor overstromingen liggen, maar dat de toelichtingsnota noch de stedenbouwkundige voorschriften geen uitdrukkelijk bepalingen omvatten om de ruimtelijke impact op het watersysteem te beperken; dat er in het bestemmingsplan sprake is van een nabestemming in overeenstemming met het gewestplanvoorschrift, dit terwijl bij de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg nagegaan dient te worden wat de gewenste bestemming van de plek is, en dat uit de structuurvisie van de gemeente Destelbergen blijkt dat deze sportterreinen in de toekomst niet gehandhaafd kunnen blijven; dat deze opmerkingen aanleiding geven tot het onthouden van goedkeuring van dit deelplan. (...) Overwegende het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid in zonderheid op artikel 8 over de watertoets; dat binnen de deelplannen op de overstromingskaarten geen risicozones voorkomen, met uitzondering voor het deelplan ‘Haagse tennishoek’; dat de stedenbouwkundige voorschriften beperkte uitbreiding van de bebouwing omvatten, dat waar mogelijk verhardingen in waterdoorlatende materialen dienen aangelegd te worden en dat de plangebieden gekarakteriseerd worden door openluchtrecreatievelden”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. De aangevoerde exceptie 4.
- De eerste verwerende partij voert de volgende exceptie van gebrek aan belang aan: X-12.379-5/12 “Het volstaat niet dat de verzoekende partij gegriefd is door de bestreden beslissing of er een m.a.w. een nadeel van ondervindt. De vernietiging van de bestreden beslissing moet aan de verzoekende partij bovendien een voordeel verschaffen, een nuttig effect ressorteren. Het belang van de verzoekende partij moet derhalve eveneens worden bepaald door de gevolgen van de gevorderde vernietiging. Het voordeel dat de verzoekende partij ten gevolge van de vernietiging van de bestreden beslissing verkrijgt, moet rechtstreeks uit de vernietiging voortvloeien. Het voordeel moet zich op rechtstreekse wijze realiseren. (...). Indien de bestreden beslissing wordt vernietigd, blijft de verzoekende partij zich in eenzelfde situatie bevinden als vandaag : de constructies zijn zone-vreemd, met alle gevolgen die daaruit voortvloeien. De verzoekende partij zal dus geen voordeel hebben door de vernietiging van deze laatste beslissing”. B. Beoordeling van de exceptie 4.
- Een gebeurlijke nietigverklaring van het bestreden besluit geeft de verzoekende partij de mogelijkheid om alsnog de goedkeuring van het deelplan “Haagse Tennishoek” te bekomen, wat het zonevreemd karakter van haar eigendom, tot de realisatie van de nabestemming, zou opheffen. Dit houdt een afdoende voordeel in om in haren hoofde het vereiste belang te onderkennen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel A. Uiteenzetting van het eerste middel
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van het redelijkheidsbeginsel”. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Artikel 2 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen bepaalt dat iedere bestuurshandeling uitdrukkelijk gemotiveerd moet worden. Artikel 3 van dezelfde wet bepaalt dat deze motivering de juridische en feitelijke elementen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Deze motivering moet afdoende zijn. De niet-goedkeuring van het deelplan ‘Haagse Tennishoek’ wordt onder meer als volgt gemotiveerd : dat de sportterreinen volgens de overstromingskaart van Vlaanderen binnen een risicogebied voor overstromingen liggen, maar dat de toelichtingsnota noch de stedenbouwkundige voorschriften geen X-12.379-6/12 uitdrukkelijke bepalingen omvatten om de ruimtelijke impact van het watersysteem te beperken; Deze motivering voldoet echter niet aan de voorwaarden van een deugdelijke motivering. Zij is immers niet gesteund op correcte feitelijke elementen. In tegenstelling tot wat in de motivering van het bestreden besluit wordt gesteld, liggen de sportterreinen immers niet binnen een risicogebied voor overstromingen. Verzoekster wijst er trouwens op dat er noch op haar percelen, noch op de omliggende percelen ooit al een overstroming is geweest. Verzoekster wijst er tevens op dat zij niet van plan is de bebouwing op het perceel uit te breiden. De kans op toekomstige wijzigingen van de impact op het watersysteem is dan ook onbestaande. De verwerende partij had ten einde een wijziging van de impact op het watersysteem te verhinderen trouwens eenvoudig een verbod kunnen opleggen op de uitbreiding van de bestaande bebouwing. (...) Bovendien, ook al zou door de verwerende partij kunnen aangetoond worden dat de sportterreinen binnen een risicogebied voor overstromingen liggen, quod non, dan nog volstaat dit motief niet om de goedkeuring van het deelplan ‘Haagse Tennishoek’ zonder meer te weigeren. De verwerende partij had inderdaad ook zelf voorwaarden kunnen opleggen waardoor de ruimtelijke impact op het gebied werd beperkt. Door het deelplan zonder meer af te voeren wegens de afwezigheid van bepalingen om de ruimtelijke impact op het watersysteem te beperken, handelde de verwerende partij niet als een zorgvuldige overheid. Een zorgvuldig handelende overheid had zelf voorwaarden opgegeld om de ruimtelijke impact op het watersysteem te beperken. De verwerende partij had bijvoorbeeld het deelplan kunnen goedkeuren, mits toevoeging van een voorwaarde dat de bestaande bebouwing niet mocht uitgebreid worden. Door deze beoordeling niet te maken en de goedkeuring van het deelplan zonder meer te weigeren, heeft de verwerende partij haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid op een kennelijk onredelijke wijze uitgeoefend. Het eerste middel is gegrond”. B. Beoordeling 6.
- Artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Een middel bestaat uit de omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden beslissing zou zijn geschonden. De verzoekende partij voert de schending van “de beginselen van behoorlijk bestuur” aan, zonder te verduidelijken welke beginselen zij specifiek beoogt. Hierdoor voldoet zij niet aan de vereisten die het bovengenoemde artikel stelt. Het middelonderdeel is enkel ontvankelijk in zoverre het gericht is op de schending van het, apart aangevoerde, redelijkheidsbeginsel. X-12.379-7/12 6.
- Luidens artikel 1 van de motiveringswet moet, voor de toepassing van die wet, onder een bestuurshandeling worden verstaan “de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur”. De plannen van aanleg bezitten bindende en verordenende kracht. Het zijn derhalve geen rechtshandelingen “met individuele strekking”. Een besluit tot goedkeuring van een BPA valt niet onder de toepassing van de motiveringswet. 6.
- De verzoekende partij bekritiseert het motief in het bestreden besluit, gestoeld op de niet-naleving van de watertoets. Omtrent deze watertoets stelde artikel 8, §§1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid ten tijde van het bestreden besluit het volgende: “§
- De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. §
- De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan. De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. (...)”. Onder “schadelijk effect” verstaat artikel 3, §2, 17e van het voormelde decreet: “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en X-12.379-8/12 het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. 6.
- Het besluit waarbij de verwerende partij een bijzonder plan van aanleg goedkeurt is de rechtshandeling waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat een beslissing van een onder toezicht staand bestuur uitwerking mag hebben, omdat ze noch de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt. De procedure tot aanneming van gemeentelijke plannen van aanleg behoort tot de gemeentelijke bevoegdheid. Teneinde aan een definitief aangenomen bijzonder plan van aanleg verbindende kracht te verlenen, dient zodanig plan door de Vlaamse regering te worden goedgekeurd. Door de goedkeuring aanvaardt de toezichthoudende overheid de motieven onderliggend aan het goed te keuren besluit waarbij het plan van aanleg definitief is aangenomen. Als maatregel van bijzonder bestuurlijk toezicht, kan een goedkeuring zelf geen inhoudelijke wijzigingen aan een plan aanbrengen. Door te stellen dat de verwerende partij zelf voorwaarden kon opleggen om een schadelijk effect te vermijden, gaat de verzoekende partij uit van een verkeerde opvatting van de bevoegdheid van de verwerende partij. 6.
- Het gemeenteraadsbesluit van 16 december 2004 tot definitieve vaststelling van het sectoraal BPA “zonevreemde sport” bevat in strijd met artikel 8 van het voormelde decreet geen formele motivering waarbij de doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. De overweging in het bestreden besluit “dat de toelichtingsnota noch de stedenbouwkundige voorschriften (...) uitdrukkelijke voorschriften omvatten om de ruimtelijke impact op het watersysteem te meten” is derhalve een afdoende motief om het deelplan “Haagse Tennishoek” niet goed te keuren. De verzoekende partij toont de onredelijkheid van dit motief niet aan. Het eerste middel is niet gegrond. VI. Onderzoek van het tweede middel A. Uiteenzetting van het tweede middel
- In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het gelijkheidsbeginsel. Het middel bekritiseert de overwegingen in het bestreden besluit aangaande de herlokalisatie van de terreinen en aangaande de nabestemming en het X-12.379-9/12 feit dat uit de gemeentelijke structuurvisie blijkt dat de terreinen in de toekomst niet gehandhaafd kunnen blijven. B. Beoordeling
- Het bestreden besluit keurt het deelplan “Haagse Tennishoek” onder meer af wegens de afwezigheid van de wettelijk vereiste watertoets. In het licht van dit determinerend motief is het tweede middel gericht op overtollige motieven. Kritiek op dergelijke motieven kan niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het tweede middel is niet ontvankelijk. VII. Onderzoek van het derde middel A. Uiteenzetting van het derde middel
- In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 99 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) en van “de beginselen van behoorlijk bestuur en van het rechtszekerheidsbeginsel”. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Op 5 oktober 1982 werd aan de vorige eigenaar van de sportterreinen van verzoekster, de heer Antoine HANSSENS, een vergunning toegekend voor het oprichten van vier bergplaatsjes horende bij reeds bestaande tennisvelden. Op 27 augustus 1985 werd aan de heer Antoine HANSSENS een vergunning toegekend voor het maken van een overdekt terras op het perceel. Op 15 oktober 1985 werd aan de heer Antoine HANSSENS een vergunning toegekend voor het dichtmaken van dit overdekt terras. Op de percelen waar het deelplan ‘Haagse Tennishoek’ betrekking op heeft bevinden zich dus een aantal constructies waarvoor een vergunning werd toegekend. Door de goedkeuring van het deelplan ‘Haagse Tennishoek’ te weigeren miskent de verwerende partij deze vergunningen. De niet-goedkeuring van het deelplan ‘Haagse Tennishoek’ heeft inderdaad tot gevolg dat de sportterreinen en de constructies die er zijn gebouwd zonevreemd blijven zodat hun bestaanszekerheid precair is. De beslissing van de verwerende partij om het deelplan ‘Haagse Tennishoek’ niet goed te keuren heeft tot gevolg dat de sportterreinen en de constructies die er zijn gebouwd zullen moeten verdwijnen. Dit staat echter haaks op het feit dat deze constructies wel werden vergund. Wanneer aan een burger een bouwvergunning wordt toegekend in toepassing van artikel 99 van het Decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, mag deze ervan uitgaan dat deze bouwvergunning zal worden gerespecteerd, ook en vooral door de overheid, en dat de constructies die er het voorwerp van uitmaken behouden kunnen blijven. X-12.379-10/12 In casu doet de verwerende partij door de niet-goedkeuring van deelplan ‘Haagse Tennishoek’ afbreuk aan deze verwachtingen. Welke waarde heeft een bouwvergunning nog indien ze toch geen garantie kan verlenen dat de constructie waarvoor ze werd toegekend kan behouden blijven. De verwerende partij miskent de gevolgen in het rechtsverkeer van de aan verzoekster toegekende bouwvergunningen. Bovendien handelt zij in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, en meer bepaald van het rechtszekerheidsbeginsel en miskent zij de in hoofde van verzoekster gewekte gerechtvaardigde verwachtingen. Bovendien brengt het bestreden besluit de goede plaatselijke ruimtelijke ordening in het gedrang. Wanneer de sportterreinen niet langer gebruikt zullen worden, kan voor de constructies op de terrein niet de afbraak worden bevolen, aangezien deze constructies vergund zijn. Dit zal enkel leiden tot de leegstand en verkrotting van deze constructies wat uiteraard niet strookt met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Ook het derde middel is gegrond”. B. Beoordeling 10.
- De eerste verwerende partij werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op omdat de “onzekere bestaanszekerheid” die de verzoekende partij aanvoert voortvloeit uit het gewestplan en omdat het door de gemeente goedgekeurde deelplan “Haagse tennishoek” als nabestemming agrarisch gebied voorziet zodat zelfs nadat de minister het deelplan zou hebben goedgekeurd de verleende stedenbouwkundige vergunningen niet zouden blijven “gelden”. Hiervoor wordt aangenomen dat de verzoekende partij van het rechtens vereiste belang bij het beroep doet blijken. Zij heeft om dezelfde reden ook belang bij dit middel dat tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. De exceptie van de verwerende partij wordt verworpen. 10.
- De verzoekende partij voert de schending van de “beginselen van behoorlijk bestuur” aan zonder te verduidelijken welke beginselen zij specifiek beoogt. Het middelonderdeel is om de redenen gesteld in 5.
- enkel ontvankelijk in zoverre het gericht is op de schending van het, apart aangevoerde, rechtszekerheidsbeginsel. 10.
- Nu uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat het bestreden besluit wettig kon steunen op de miskenning van de wettelijke verplichting tot het opmaken van een watertoets, vervat in artikel 8 van het voormelde decreet van 18 juli 2003, kan de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen immers niet met goed gevolg X-12.379-11/12 worden ingeroepen contra legem. De aanspraak op de toepassing van deze beginselen vermag niet neer te komen op de aanspraak op een onwettige toepassing van de regelgeving. 10.
- De verzoekende partij toont voorts niet aan dat artikel 99 DRO en de verleende stedenbouwkundige vergunningen er de overheid toe zouden verplichten de bestaande tennisclub op te nemen in een nieuw bijzonder plan van aanleg. Aangezien plannen van aanleg instrumenten zijn om de ruimtelijke ordening voor de toekomst vast te stellen, dienen zij immers niet noodzakelijk de bevestiging in te houden van bestaande toestanden. 10.
- Hetgeen de verzoekende partij aanvoert in verband met toekomstige verstoringen van de goede ruimtelijke ordening betreft niet de wettigheid van het bestreden besluit en is dan ook geen ontvankelijk middelonderdeel. 10.
- Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.379-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.425 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div