id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.444 Rolnummer: A. 190409/XIV-30710 Zaak: Arrest 197444 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Fiche Arrest nr 197.444 van 28 oktober 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.444 van 28 oktober 2009 in de zaak A. 190.409/XIV-30.
(2006)ontving u een brief van de Taliban waarin u tot samenwerking met hen werd aangespoord. U overhandigde de brief aan het districthuis. Toen u op een tweede brief van de Taliban niet reageerde, kwamen vier of vijf gewapende talibs op de derde dag van de ramadan 1385 (25 september 2006) bij uw thuis langs. Ze mishandelden u en uitten dreigementen als uw medewerking zou uitblijven. Tezelfdertijd kwam de overheid naar aanleiding van uw klacht tegen de Taliban tot de conclusie dat u bij de Taliban hoorde en trachtte u te arresteren. U besloot te vluchten. U zwierf nog twee à drie maanden doorheen Afghanistan alvorens het land definitief te verlaten. U kwam op 3 april 2007 in België aan, waar u de volgende dag asiel aanvroeg. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag legde u de volgende documenten neer: een Taskara en twee brieven afkomstig van de Taliban.” 1.
- De bestreden beslissing stelt vast dat verzoeker er niet in geslaagd is zijn vrees voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag aannemelijk te maken en baseert zich daarvoor op volgende gronden: - verzoekers verklaringen zijn dermate vaag en tegenstrijdig dat er aan zijn asielmotieven geen enkel geloof kan worden gehecht; - als burger uit het Achin-district in de provincie Nangarhar loopt verzoeker een reëel risico op ernstige schade als gevolg van het willekeurige geweld dat daar heerst.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
- In een enig middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 1 van het verdrag van Genève van 28 juli 1951 en van de artikelen 48/3, 48/5, 52 en 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker stelt wel degelijk een coherent en geloofwaardig relaas afgeleverd te hebben. Hij vervolgt met een uiteenzetting die de zes in de bestreden beslissing aangehaalde tegenstrijdigheden wenst te verklaren. 2.1.
- De Raad ziet niet in hoe artikel 52 van de Vreemdelingenwet zou kunnen geschonden zijn, gezien dit artikel enkel betrekking heeft op beslissingen die binnen het kader van een versnelde procedure werden genomen en de Commissaris-generaal in casu een beslissing heeft genomen op basis van artikel 57/6, eerste lid, 1/ van de Vreemdelingenwet. De schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet kan dan ook niet dienstig worden aangevoerd. 2.1.
- De specifieke motiveringsverplichting vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet- heeft tot doel betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te geven dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft (RvS 2 februari 2007, nr. 167.416: RvS 2 februari 2007, nr. 167.411). Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent en deze bovendien aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Verzoeker onderwerpt de in de bestreden beslissing opgenomen vaststellingen en tegenstrijdigheden aan een inhoudelijke kritiek. Hij voert bijgevolg de schending aan van de materiële motiveringsplicht zodat het middel vanuit dit oogpunt zal worden onderzocht. 2.1.
- De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (HATHAWAY, J.C., The law of refugee status, XIV-30.710-3/13 Butterworths, Toronto- Vancouver, 1992, 84). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaatvluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient er een aannemelijke verklaring gegeven te worden. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54). 2.1.
- Na een grondige lezing van de gehoorverslagen komt de Raad tot de conclusie dat de geloofwaardigheid van verzoekers relaas aangetast is door onduidelijk- heden, vaagheden, onwaarachtigheden en tegenstrijdigheden. Zo wijzigt verzoeker na confrontatie met een tegenstrijdigheid zijn eerdere verklaring, of stelt hij nooit deze verklaring te hebben afgelegd. Ook verzoekers vage verklaringen dragen bij tot de ongeloofwaardigheid van het relaas. Zo beweert hij dat hij, nadat hij bij zijn dorpsautoriteiten bescherming zocht na bedrei- gingen van de Taliban, plots door deze autoriteiten verdacht werd en gezocht. Gevraagd naar het waarom van dit merkwaardige feit volhardt verzoeker in zijn vaagheid als hij stelt: “Na mijn vertrek hebben ze arrestatiebevelen naar mijn huis gestuurd. Het kan zijn dat ze dachten dat ik Taliban was omwille van het communistische verleden van mijn vader. Het kan van alles zijn maar achteraf was de overheid naar mij op zoek (CGVS gehoorverslag van 13/12/07, p. 8)”. Uit een grondige lezing van de gehoorverslagen blijkt dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing slechts een beknopte selectie weergaf van de talrijke tegenstrijdigheden en wijzigingen in de verklaringen waaraan verzoeker zich schuldig maakte. De beslissing moet dus gezien worden als een geheel van motieven waardoor de Commissaris-generaal terecht tot de conclusie kwam dat het asielrelaas bedrieglijk is. De Raad onthoudt zich bij deze ervan om de stapsgewijze kritiek van verzoeker op de zes in de bestreden beslissing behandelde punten te bespreken. De onwaarach- tigheden vervat in de bestreden beslissing blijken allen overduidelijk uit het administratieve dossier. Het vergoelijken, wijzigen en/of ontkennen van vastgestelde tegenstrijdigheden is onvoldoende om het ongeloofwaardige karakter van het relaas te ontkrachten. 2.1.
- In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 2.2.1. Verzoeker vraagt in ondergeschikte orde om de subsidiaire beschermingstatus te bevestigen. 2.2.2. Gelet op de devolutieve werking van het beroep is de Raad niet gebonden door de motivering of feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal, kan de zaak volledig worden hernomen en de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus worden overgedaan. Gezien de manifest bedrieglijke verklaringen in het kader van de asielaanvraag is enkel een toekenning onder artikel 48/4 § 2 c aan de orde. Hiertoe is vereist dat verzoeker zijn recente afkomst uit een door willekeurig geweld geteisterd gebied aantoont. De quasi onbestaande kennis van verzoeker over de verkiezingen in Afghanistan (CGVS gehoorverslag van 18/9/07, p. 7) en de al bij al gebrekkige kennis over de lokale machthebbers zijn negatieve indicaties op dat vlak. Er bevinden zich echter voldoende andere elementen in de gehoorverslagen die wijzen op een recent verblijf (o.a. kennis van de gsm-operatoren en lokale muzikanten), waardoor aan verzoeker het voordeel van de twijfel kan worden toegekend. De subsidiaire beschermingsstatus door de Commissaris-generaal aan verzoeker toegekend wordt te dezen derhalve bevestigd. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: XIV-30.710-4/13 Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij toegekend.”; 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “1. Eerste en enige middel: Kennelijk gebrekkige motivering wat een schending uitmaakt van de artikelen 48/3 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf. de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en het artikel 149 van de Grondwet Overwegende dat het artikel 48/3,§§1 en 2 van de wet van 15 december 1980 bepaalt: “§ 1. - De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 de Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967. § 2. -Daden van vervolging in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève moeten:
- a)ofwel zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15. 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
- b)ofwel een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a); De hierboven genoemde daden van vervolging kunnen onder meer de vorm aannemen van :
- a)daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
- b)wettelijke, administratieve, politiële en/ of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitge- voerd;
- c)onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
- d)ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zwaar of discriminerende straf wordt opgelegd;
- e)vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgron- den van artikel 55 / 2, §1, vallen;
- f)daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard." Dat het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 stelt: `De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie."; Dat het artikel 149 van de Grondwet bepaalt: : `De vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken. " Dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de verplichting tot motivering opgelegd door het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 impliceert dat de administratieve rechtsinstantie de middelen en argumenten, aangehaald door de verzoeker, moet onderzoeken, in ieder geval wanneer deze worden verworpen; XIV-30.710-5/13 Dat de motivering van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in ieder geval moet toelaten aan de rechtsonderhorigen en aan de Raad van State, wanneer deze wordt gevat door een verzoekschrift in cassatie, om zich te verzekeren van of te controleren of de rechter op volledige wijze de elementen van de dossiers heeft onderzocht en effectief heeft geantwoord op de argumenten die werden naar voor gebracht (stuk 3: C.E., n/ 178. 831 van 23 januari 2008, p. 4 ); Dat de Raad van Staat bij zijn uitspraak als administratieve cassatie rechter zijn eigen beoordeling van de feiten niet in de plaats mag stellen van deze van de administratieve rechter, maar wel de bevoegdheid heeft om de objectieve juistheid van de materiële relatie van de feiten die worden aanvaard door de administratieve rechter, te controleren en anderzijds de wettelijke kwalificatie van deze feiten te controleren ten aanzien van de toepasselijke rechtsbepalingen ( R.v.St., nr. 170. 104,18 april 2007, R.D.E., 2007, 161, zoals geciteerd in stuk 4 : BREWAEYS, E. en DE SMET, A., " De Raad van State als cassatierechter in vreemdelingenzaken", T.V.R., 2008, nr. 3, p. 185); Dat aldus wordt aanvaard dat de Raad van State kan nagaan of het rechtsbegrip niet op verkeerde wijze wordt geïnterpreteerd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ( R. PETIT, Sociaal procesrecht, Brugge, die Keure, 2007, nr. 667, zoals geciteerd in stuk 4: op. cit., p. 185 ); Dat de Raad van State moet nagaan of het bestreden arrest deugdelijk naar recht verantwoord is en of het administratief rechtscollege een antwoord heeft gegeven op de argumenten die de verzoeker aan hem heeft voorgelegd ( R.v.St., nr. 157. 451, 10 april 2006, zoals geciteerd in stuk 4, op. cit., p. 189); Overwegende dat de eiser zal aantonen dat de argumenten die hij heeft aangehaald in het verzoekschrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft onderzocht en er geen antwoord is gegeven op de argumenten die hij heeft voorgelegd; Overwegende dat het arrest als volgt is gemotiveerd : “[...] 1.4 De bestreden beslissing stelt vast dat verzoeker er niet in geslaagd is zijn vrees voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag aannemelijk te maken en baseert zich daarvoor op volgende gronden : - verzoekers verklaringen zijn dermate vaag en tegenstrijdig dat er aan zijn asielmotieven geen enkel geloof kan worden gehecht; - als burger uit het Achin-district in de provincie Nangarhar loopt de verzoeker een reëel risico op ernstige schade als gevolg van het willekeuri- ge geweld dat daar heerst. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.1 In een enig middel beroept verzoeker zich op een schending van artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en van de artikelen 48/3, 48/5,52 en 62 van de Vreemdelingenwet. De verzoeker stelt wel degelijk een coherent en geloofwaardig relaas afgeleverd hebben Hij vervolgt met een uiteenzetting die de zes in de bestreden beslissing aangehaalde tegenstrijdigheden wenst te verklaren. 2.1.2. De Raad ziet niet in hoe artikel 52 van de Vreemdelingenwet zou kunnen geschonden zijn, gezien het artikel enkel betrekking heeft op beslissingen die binnen het kader van een versnelde procedure werden genomen en de Commissaris-generaal in casu een beslissing heeft genomen op basis van artikel 57/6, 6, eerste lid, 1/ van de Vreemdeling- enwet. De schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet kan dan ook niet dienstig worden aangevoerd. 2.1.3. De specifieke motiveringsverplichting vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet heeft tot doel betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te geven dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft (RvS, 2 februari 2007, nr. 167.416 :RvS 2 februari 2007, nr. 167.411). Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent en deze bovendien aan een XIV-30.710-6/13 inhoudelijk onderzoek onderwerpt zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Verzoeker onderwerpt de in de bestreden beslissing opgenomen vaststellingen en tegenstrijdigheden aan een inhoudelijke kritiek. Hij voert bijgevolg de schending aan van de materiële motiveringsplicht zodat het middel vanuit dit oogpunt zal worden onderzocht. 2.1.4. De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardigen eerlijk zijn (HATHAWAY, J.C., the law of refugee status. Butterworths, Toronto-Vancouver, 1992,84 ). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas. Bij het ontbreken van dergelijke elementen dient er een aannemelijke verklaring gegeven te worden. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloof- waardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992,54). 2.1.5. Na een grondige lezing van de gehoorverslagen komt de Raad tot de conclusie dat de geloofwaardigheid van verzoekers relaas is aangetast door onduidelijkheden, vaagheden, onwaarachtigheden en tegenstrijdig- heden. Zo wijzigt verzoeker na confrontatie met een tegenstrijdigheid zijn eerdere verklaring, of stelt nooit deze verklaring te hebben afgelegd Ook verzoekers vage verklaringen dragen bij tot de ongeloofwaardig- heid van het relaas Zo beweert hij dat hij, nadat hij bij zijn dorpsautori- teiten bescherming zocht na bedreigingen van de Taliban, plots door deze autoriteiten verdacht werd en gezocht. Gevraagd naar het waarom van dit merkwaardige feit volhardt verzoeker in zijn vaagheid als hij stelt: " Na mijn vertrek hebben ze arrestatiebevelen naar mijn huis gestuurd Het kan zijn dat ze dachten dat ik Taliban was omwille van het communistische verleden van mijn vader. Het kan van alles zijn maar achteraf was de overheid naar mij op zoek (CGVS gehoorverslag van 13 /12/ 07, p.8)". Uit een grondige lezing van de gehoorverslagen blijkt dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing slechts een beknopte selectie weergaf van de talrijke tegenstrijdigheden en wijzigingen in de verklaringen waaraan verzoeker zich schuldig maakte De beslissing moet dus gezien worden als een geheel van motieven waardoor de Commissaris-generaal terecht tot de conclusie kwam dat het asielrelaas bedrieglijk is De Raad onthoudt zich bij deze ervan om de stapsgewijze kritiek van ver-zoeker op de zes in de bestreden beslissing behandelde punten te bespreken. De onwaarachtigheden vervat in de bestreden beslissing blijken allen overduidelijk uit het administratieve dossier. Het vergoelijken, wijzigen en/of ontkennen van vastgestelde tegenstrijdigheden is onvoldoende om het ongeloofwaar- dige karakter van het relaas te ontkrachten. 2.1.6. In acht genomen wat voorafgaat, kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A,
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden geno- men.[...]" Overwegende dat het bestreden arrest enkel verwijst naar de beweerde onduidelijkhe- den, tegenstrijdigheden, vaagheden of onwaarachtigheidheden die worden aangehaald in de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en daarnaast nog een bijkomend aspect aanhaalt uit het relaas van de eisers dat als een vaagheid wordt bestempeld ; XIV-30.710-7/13 Dat eerst en vooral, om wat betreft de als vaag bestempelde verklaringen van de eisers omtrent het waarom van de vervolgingen door de overheden van zijn dorp, hij nooit de gelegenheid heeft gehad om zich te verdedigen omtrent het verwijt dat het vage verklaringen zouden uitmaken, quod non; Dat wanneer de eiser niet weet waarom hij wordt vervolgd door de overheden van zijn dorp en ervan wordt beschuldigd lid te zijn van de Taliban terwijl hij klachten heeft neergelegd tegen de Taliban, dan kan hij daarover geen bijkomende verklaringen afleggen, gezien hem door de overheden niet is uitgelegd waarom hij wordt vervolgd; Dat niet kan worden ingezien op welke wijze de eiser dit zou kunnen verklaren en het gaat in tegen alle logica om te beweren dat de eiser hieromtrent vage verklaringen heeft afgelegd, omdat hij gewoon heeft aangegeven waar hij kennis van heeft ; Dat ook al zou men oordelen dat dit een beoordeling is van de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen waar de Raad van State zijn beoordeling niet zou mogen in de plaats stellen, dan nog moet er worden vastgesteld dat dit enkele element niet op zich volstaat om te stellen dat de verklaringen van de eiser ongeloofwaardig zouden zijn ; Dat op basis van één enkele beweerde vaagheid in verklaringen, waarmee de eiser bovendien niet werd geconfronteerd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, niet kan worden de conclusie getrokken dat het asielrelaas ongeloofwaardig zou zijn; Dat naast deze beweerde vaagheid die wordt aangehaald in het bestreden arrest, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich ertoe beperkt te verwijzen naar de aangehaalde "tegenstrijdigheden, onduidelijkheden, vaagheden en onwaarachtigheden" die in de beslissing van de Commissaris- generaal worden aangehaald ; Dat het frappant is dat het bestreden arrest uitdrukkelijk vermeldt : “[...] De Raad onthoudt zich bij deze ervan op de stapsgewijze kritiek van verzoeker op de des in de bestreden beslissing behandelde punten te bespreken.[...]; Dat een dergelijke motivering duidelijk blijk geeft van een weigering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om de argumenten van de eisers die werden aangehaald in zijn verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te onderzoeken en te beantwoorden ; Dat dit duidelijk een kennelijk gebrek aan motivering is, omdat net wordt geoordeeld dat het relaas van de eiser ongeloofwaardig zou zijn omwille van de beweerde onduidelijkheden, vaagheden, onwaarachtigheden en tegenstrijdigheden vermeld in de beslissing van de Commissaris-generaal ; Dat op basis van het beweerde gebrek aan geloofwaardigheid, conclusie waartoe wordt gekomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op basis van deze beweerde onwaarachtigheden, tegenstrijdigheden, vaagheden en onduidelijk- heden, de vluchtelingenstatus aan de eiser wordt geweigerd ; Dat het cruciaal is voor de eiser in zijn verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen om kritiek te kunnen geven op de beweerde onwaarachtigheden, tegenstrijdigheden, vaagheden en onduidelijkheden opgesomd in de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om te pogen aan te tonen dat zijn relaas wel degelijk coherent en geloofwaardig is zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, gelet op de volheid van bevoegdheid die haar wordt toegekend op nieuwe deze verschillende aspecten kan onderzoeken en afwegen tegen de argumenten die de verzoeker aangehaald betreffende deze specifieke aspecten; Dat het bestreden arrest stelt :" Het vergoelijken, wijzigen en/of ontkennen van vastgestelde tegenstrijdigheden is onvoldoende om het ongeloofwaardige karakter van het relaas te ontkrachten", waardoor blijkt dat de argumenten van de eiser zoals aangehaald in zijn verzoekschrift worden verworpen, maar zonder dat er wordt gemotiveerd waarom de specifieke argumenten onvoldoende worden geacht om de geloofwaardigheid te herstellen; Dat het bestreden arrest geen enkele specifieke motivering bevat omtrent de argumenten aangehaald door de eiser in zijn verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen, waar de verschillende onderdelen van de motivering van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen worden geanalyseerd en bekritiseerd ; XIV-30.710-8/13 Dat bovendien het bestreden arrest beweert dat uit een grondige lezing van de gehoorverslagen zou blijken dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing slechts een beknopte selectie zou hebben weergegeven van de talrijke tegenstrijdighe- den en wijzigingen in de verklaringen van de eiser, zonder echter aan geven van welke andere tegenstrijdigheden of onwaarachtigheden er dan wel sprake zou kunnen zijn; Dat de eiser en de Raad van State in de onmogelijkheid worden geplaatst om na te gaan met welke beweerde tegenstrijdigheden of onwaarachtigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog rekening zou hebben gehouden om tot de conclusie van ongeloofwaardigheid van het asielrelaas te komen; Dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de verplichting tot motivering opgelegd door het artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 impliceert dat de administratieve rechtsinstantie de middelen en argumenten, aangehaald door de verzoeker, moet onderzoeken, in ieder geval wanneer deze worden verworpen; Dat de motivering van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in ieder geval moet toelaten aan de rechtsonderhorigen en aan de Raad van State, wanneer deze wordt gevat door een verzoekschrift in cassatie, om zich te verzekeren van of te controleren of de rechter op volledige wijze de elementen van de dossiers heeft onderzocht en effectief heeft geantwoord op de argumenten die werden naar voor gebracht (stuk 3: C.E., n/
- 831 van 23 januari 2008, p. 4 ); Dat de Raad van State moet nagaan of het bestreden arrest deugdelijk naar recht verantwoord is en of het administratief rechtscollege een antwoord heeft gegeven op de argumenten die de verzoeker aan hem heeft voorgelegd ( R.v.St., nr.
- 451, 10 april 2006, zoals geciteerd in stuk 4, op. cit., p. 189); Dat wat betreft de eerste beweerde tegenstrijdigheid die werd vermeld in de beslissing van de Commissaris-generaal voor vluchtelingen en de staatlozen, de eiser wel degelijk een ernstige kritiek heeft geleverd op deze beweerde tegenstrijdigheid; Dat in het verzoekschrift werd aangehaald door de eiser dat niet op ondubbelzinnige wijze blijkt uit de nota's van de Commissaris-generaal dat eiser zou hebben willen aangeven dat H G zal zijn gearresteerd als gevolg van zijn klacht en dat hij integendeel heeft willen aangeven dat op een gegeven moment verschillende mensen werden gearresteerd en naar G werden gestuurd, zoals Haji Galb (stuk 2: p. 4 ); Dat wat betreft het tweede onderdeel van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de eiser heeft aangehaald dat het niet gaat om een echte tegenstrijdigheid, maar dat een verklaring van de eiser die op een bepaalde wijze is neergeschreven en die op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd, zodat er geen ondubbelzinnige tegenstrijdigheid kan worden uit afgeleid; (stuk 2, p.5-6) Dat wat betreft het derde onderdeel van de beslissing van de Commissaris-generaal, de eiser eveneens in detail heeft uitgelegd waarom hij meent dat er van tegenstrijdigheid geen sprake is (stuk 2, p.6); Dat ook wat betreft de beweerde tegenstrijdigheid aangehaald in het vierde onderdeel van de beslissing van de Commissaris-generaal, de eiser gedetailleerde argumenten heeft aangehaald om deze zogenaamde tegenstrijdigheid te ontkennen en op zijn minst te relativeren (stuk 2, p.6-7); Dat betreffende het vijfde onderdeel van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verschillende verklaringen van de eiser worden uiteengezet om tot de conclusie te komen dat er geen sprake is van een tegenstrijdigheid (stuk 2, p.7); Dat betreffende het zesde onderdeel ten slotte van de beslissing van de Commissa- ris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de eiser eveneens is ingegaan op de letterlijke verklaringen zoals deze zijn genoteerd in de gehoorverslagen om vast te stellen dat er geen sprake is van een tegenstrijdigheid of ongeloofwaardigheid stuk 2, p.8); Dat er dus gedetailleerde argumenten zijn aangehaald in het verzoekschrift van de eiser en dat op geen enkele wijze het bestreden arrest ingaat op deze argumenten en zelfs durft te stellen dat men zich ervan onthoudt om de stapsgewijze kritiek van de eiser op de zes in de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de XIV-30.710-9/13 staatlozen behandelde punten te bespreken zodat helemaal niet duidelijk is waarom deze argumenten worden verworpen en ook niet wat de andere zogenaamde onwaarachtighe- den of tegenstrijdigheden zouden zijn die door de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en zouden zijn vastgesteld bij de zogenaamde "grondige lezing van de gehoorverslagen" die blijkbaar volgens de motivering van het arrest zou zijn gebeurd; Dat het zinnetje in het arrest :" Het vergoelijken, wijzigen en/of ontkennen van vastgestelde tegenstrijdigheden is onvoldoende om het ongeloofwaardige karakter van het relaas te ontkrachten" niet laat blijken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een antwoord zou hebben gegeven op de argumenten die de eiser heeft voorgelegd omtrent de verschillende aspecten van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ; Dat het bestreden arrest en kennelijk gebrek aan motivering vertoont, omdat niet blijkt uit het arrest dat de argumenten aangehaald door de eiser in zijn verzoekschrift zouden zijn onderzocht ; Dat wel integendeel, uit het zinnetje " De Raad onthoudt zich bij deze ervan om de stapsgewijze kritiek van verzoeker op de zes in de bestreden beslissing behandelde punten te bespreken." duidelijk blijkt dat een degelijk onderzoek van de argumenten aangehaald door de eiser in het verzoekschrift helemaal niet is gebeurd en dat men er zich zelfs uitdrukkelijk van onthoudt om een antwoord te geven op deze argumenten; Dat een dergelijke houding duidelijk blijk geeft van een gebrek aan ernstig onderzoek van het dossier van de eiser en een kennelijk gebrek aan motivering in het bestreden arrest, temeer daar niet kan worden opgemaakt uit het bestreden arrest wat de andere zogenaamde tegenstrijdigheden en onwaarachtigheden zouden zijn die zouden kunnen worden teruggevonden in de gehoorverslagen en die de Raadt voor Vreemdelingenbe- twistingen zouden hebben overtuigd van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser ; Dat het bestreden arrest daarom een kennelijk gebrek aan motivering vertoont, in strijd met het artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 48/3 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen;”; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt en als volgt repliceert op de memorie van antwoord van de verwerende partij: “In tegenstelling tot wat de tweede verwerende partij beweert in haar memorie van antwoord de eiser niet vraagt aan de Raad van State tot een nieuw onderzoek over te gaan van de feiten ; Dat de verwerende partij stelt dat de feitelijke appreciatie niet tot de bevoegdheid behoort van de Raad van State als administratieve cassatierechter ; Dat de eiser volledig akkoord gaat met deze stelling en ook helemaal niet vraagt aan de Raad van State om over te gaan tot feitelijke appreciaties; Dat indien de eiser in zijn verzoekschrift de argumenten heeft aangehaald die werden uiteengezet in zijn verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten aanzien van de vaagheden en tegenstrijdigheden die hem werden verweten door de beslissing van de Commissaris-generaal, dan is dit niet om aan de Raad van State te vragen om deze argumenten en middelen te onderzoeken in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, maar wel om duidelijk te maken dat deze laatste de aangehaalde argumenten en middelen weigert te onderzoeken en niet in de motivering van het bestreden arrest heeft besproken ; Dat de eiser toch verplicht is om deze argumenten en middelen vervat in het verzoek- schrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te vermelden in zijn cassatieberoep zodat de Raad van State zou kunnen overgaan tot het uitoefenen van zijn taak, namelijk XIV-30.710-10/13 nagaan of het bestreden arrest heeft geantwoord op deze argumenten, gezien dit voortvloeit uit de formele motiveringsplicht, wat een plicht is waarvan de naleving kan worden nagegaan door de Raad van State; Dat de Raad van State zal kunnen vaststellen dat het bestreden arrest weigert in te gaan op de argumenten van de eiser in zijn verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen door zelfs uitdrukkelijk te stellen "De Raad onthoudt zich bij deze ervan om de stapsgewijze kritiek van verzoeker op de des in de bestreden beslissing behandelde punten te bespreken.”; Dat ook nergens uit het bestreden arrest blijkt dat er ook maar enige aandacht zou zijn geschonken aan de argumenten van de eiser tegen de beslissing van de Commissa- ris-generaal; Dat de eiser enkel vraagt dat de Raad van State zal nagaan of er effectief een antwoord is gegeven door het bestreden arrest op de ontwikkelde middelen en argumenten in het verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat dit de enige reden is waarom deze middelen en argumenten worden vermeld in het cassatieberoep, zonder dat echter daarbij wordt gevraagd aan de Raad van State om over te gaan tot de feitelijke appreciatie; Dat ook al kent het bestreden arrest de subsidiaire bescherming toe, er niet wordt geantwoord op de door de eiser ontwikkelde middelen en argumenten in verband met het statuut van vluchteling ; Dat het bestreden arrest daarom een kennelijk gebrek aan motivering vertoont, in strijd met het artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 48/3 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen;”; 2.
- Overwegende dat in het bestreden arrest de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus wordt bevestigd; dat huidig beroep derhalve beperkt is tot de niet-erkenning als vluchteling; dat bij het beroep tegen de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, bepaald bij artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de zaken voor een volledig nieuwe beoordeling aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden voorgelegd; dat de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen derhalve geenszins verplicht is zich aan te sluiten bij de motieven van de Commissaris-generaal; dat zo het niet vereist is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en zich aansluit bij de motieven van de Commissaris-generaal, hij wanneer hij zulks niet doet, dient te oordelen op eigen gronden; dat het bestreden arrest, met betrekking tot de weigering om de vluchtelingenstatus toe te kennen, steunt op drie overwegingen: - enerzijds wordt verwezen naar de tegenstrijdigheden vermeld in de beslissing van de Commissaris-generaal waarbij het onnodig wordt geacht in te gaan op de grieven die verzoeker hieromtrent formuleerde; - anderzijds wordt verwezen naar de vele tegenstrijdigheden in het administratief dossier zonder nadere precisering; - tenslotte wordt er gemotiveerd omtrent de vaagheid van de redenen waarom verzoeker door de plaatselijke autoriteiten vervolgd wordt; XIV-30.710-11/13 dat verzoeker in beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zes concrete grieven liet gelden omtrent het vaststellen van tegenstrijdigheden in de beslissing houdende niet- erkenning als vluchteling; dat hieromtrent in het bestreden arrest slechts wordt gesteld dat verzoeker de tegenstrijdigheden vergoelijkt, wijzigt en/of ontkent zonder dat concreet wordt toegelicht waarop dit oordeel steunt; dat verzoekers argumenten in het bestreden arrest aldus in volstrekt algemene bewoordingen worden weggewuifd, zodat het de Raad van State niet mogelijk is zijn taak te vervullen; dat, waar het bestreden arrest eigen motieven in de plaats stelt door te verwijzen naar de “talrijke tegenstrijdigheden” in het dossier, dergelijke algemene verwijzing niet kan worden aangenomen als een afdoende formele motivering, daar ze de betrokkene niet in staat stelt de precieze redenen te kennen waarom zijn beroep werd afgewezen; dat met betrekking tot de vaagheid van verzoekers verklaringen, uit de bewoordingen van het arrest blijkt dat dit slechts als een bijkomend motief werd beschouwd; dat uit de motivering van het bestreden arrest niet kan worden afgeleid of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op eigen gronden heeft geoordeeld dan wel zich heeft aangesloten bij de motieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het bestreden arrest derhalve niet formeel gemotiveerd is in de zin van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr. 17.479 van 22 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor zover de vluchtelingenstatus aan verzoeker wordt geweigerd. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigd arrest. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- XIV-30.710-12/13 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig oktober tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.710-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div