← België

Arrest 197446 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.446 Rolnummer: A. 190235/XIV-30684 Zaak: Arrest 197446 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Fiche Arrest nr 197.446 van 28 oktober 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.446 van 28 oktober 2009 in de zaak A. 190.235/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 4 november 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 16.880 van 2 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3594 van 21 november 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.684-1/13 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BUYSSE die, loco Advocaat R. JESPERS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat M. JOPPEN die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX vraagt op 16 augustus 2000 voor de eerste maal om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Op 1 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 18 juli 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. 1.
  6. Verzoeker stelt tegen deze weigeringsbeslissing op 18 juli 2002 een vernietigingsberoep in bij de Raad van State. 1.
  7. De Raad van State verwerpt dit beroep bij arrest nr. 153.457 van 10 januari
  8. 1.
  9. Op 4 april 2008 dient verzoeker voor de tweede maal een asielaanvraag in. 1.
  10. Op 23 mei 2008 neemt de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing tot weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag. XIV-30.684-2/13 1.
  11. Verzoeker dient op 23 juni 2008 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  12. Bij arrest nr. 16.880 van 2 oktober 2008 wordt voormeld beroep verworpen. Dit is het bestreden arrest. Dit arrest luidt als volgt: “
  13. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak Verzoeker verklaart van Iranese nationaliteit te zijn. Op 16 augustus 2000 vraagt verzoeker de Belgische overheid om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Op 1 september 2000 neemt de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Tegen voornoemde beslissing van 1 september 2000 dient verzoeker een beroep in bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Op 18 juli 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Tegen voormelde beslissing van 18 juli 2002 dient verzoeker een beroep in bij de Raad van State. Op 10 januari 2006 beslist de Raad van State bij arrest nr. 153.457 het beroep tegen de beslissing van 18 juli 2002 te verwerpen. Op 4 april 2008 dient verzoeker voor de tweede maal een asielaanvraag in. Op 23 mei 2008 neemt de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing tot weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag. Dit is de bestreden beslissing die als volgt gemotiveerd wordt: “(…) Overwegende dat de betrokkene op 16 augustus 2000 een eerste asielaanvraag indiende en er voor hem een beslissing tot weigering van verblijf werd genomen vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken op 1 september
  14. Overwegende dat het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 18 juli 2002 een beslissing ‘niet ontvankelijk’ nam voor de betrokkene. Overwegende dat de betrokkene op 4 april 2008 een tweede asielaanvraag indiende waaruit blijkt dat de betrokkene niet terugkeerde naar zijn land van herkomst. Overwegende dat de betrokkene verklaart dat hij niet kan terugkeren omwille van de problemen die hij uiteenzette in zijn eerste asielaanvraag waarbij opgemerkt moet worden dat de eerste asielaanvraag van betrokkene definitief negatief werd afgesloten door de beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 18 juli
  15. Overwegende dat de betrokkene verklaart dat hij meedeed aan acties en dat hij samen met anderen over de situatie in Iran praat waarbij opgemerkt moet worden dat het de betrokkene vrij staat dit te doen. Overwegende dat de betrokkene attesten van studies en een vertaling van een identiteitskaart naar voren brengt waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene deze documenten reeds naar voren had kunnen brengen tijdens de behandeling van zijn eerste asielaanvraag. Overwegende dat de betrokken geen nieuwe gegevens naar voren brengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève of voor een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 van de wet van 15 december
  16. De bovenvermelde aanvraag wordt niet in overweging genomen. (…)”
  17. Onderzoek van het beroep XIV-30.684-3/13 In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van “het recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten.” Verzoeker betoogt dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Hij meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieraan niet voldoet. In een eerste onderdeel van het middel tracht verzoeker uiteen te zetten dat hij zich rechtstreeks kan beroepen op de grondrechten zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten. In dit verband verwijst verzoeker naar de Rewe Comet formule die stelt dat wanneer het gemeenschapsrecht een materie niet behandelt, het eigen rechtssysteem van elk van de lidstaten de hoven en rechtbanken dient aan te duiden en zij gedetailleerde procedurele regels dient voor te schrijven die instaan voor de waarborg van de rechten waarop individuele personen zich kunnen beroepen op grond van de directe werking van het gemeenschapsrecht. De formule stelt eveneens dat deze regels niet minder gunstig mogen zijn dan gelijkaardige rechten in het eigen rechtssysteem noch mogen zij de uitoefening van de rechten afgeleid uit het gemeenschapsrecht, virtueel onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Verder verwijst verzoeker naar richtlijn 2004/83 en stelt dat deze effectief processuele grondrechten biedt voor individuen, dat de richtlijn verwijst naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de ‘grondrech- ten’ eigen aan het EU-recht, dat processuele grondrechten hier eveneens onder vallen. Verzoeker verwijst vervolgens naar overweging 10 van de Richtlijn die stelt dat: “Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid, het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden en de bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering op grond van de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest ten volle te eerbiedigen.” Verzoeker stelt dat het begrip grondrechten duidt op de grondrechten zoals het Europees Hof van Justitie (hierna: EHJ) deze erkend in rechtspraak of ‘grondrechten zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloei- en als beginselen van gemeenschapsrecht’. Hij vervolgt dat het EHJ reeds verschillende malen oordeelde dat de algemene rechtsbeginselen waartoe de grondrechten behoren, integraal deel uitmaken van het gemeenschapsrecht. Na een uiteenzetting over wat juist grondrechten kunnen zijn volgens het EHJ, vervolgt verzoeker met de stelling dat de bescherming van de grondrechten als integraal deel van het gemeenschapsrecht niet enkel geldt met betrekking tot de maatregelen van de EU zelf, maar ook voor de maatregelen die de lidstaten mogen of moeten nemen uit hoofde van het gemeenschaps- recht, zodat in casu de Vreemdelingenwet voor zover zij handelt inzake materies die geregeld worden door het Europees Gemeenschapsrecht, waaronder het asielrecht, in overeenstemming dient te zijn met deze grondrechten. Verzoeker verwijst naar rechtsleer en stelt dat de preambule van het Handvest over de bedoeling ervan geen twijfel laat bestaan. Verzoeker verwijst uiteindelijk nog naar de zaak 222/86 (Heylens) waarin het principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt, dat de rechten van verdediging in elk geval grondrechten zijn die gegarandeerd worden door het gemeenschapsrecht en dat een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat wordt gegarandeerd door het gemeenschapsrecht. Aangaande het eerste onderdeel stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) vast dat verzoeker zich beperkt tot theoretische beschouwingen over procedureregels en grondrechten in het nationale recht met betrekking tot het EU- gemeenschapsrecht, die volgens verzoeker vervat zijn in de Rewe Comet formule en dat verzoeker een uiteenzetting geeft aangaande richtlijn 2004/83 en de desbetreffende rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, doch nalaat uiteen te zetten welke rechtsregel aldus geschonden is, zodat, inzoverre het de bedoeling was met voorgaande XIV-30.684-4/13 uiteenzetting een schending aan te tonen, dit onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is. Verzoeker komt immers na zijn uiteenzetting in het eerste onderdeel enkel tot de conclusie dat een beroep in volle rechtsmacht een grondrecht is dat gegarandeerd wordt door het gemeenschapsrecht. In een tweede onderdeel tracht verzoeker uiteen te zetten dat hij conform de principes uit zijn eerste onderdeel recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictio- neel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden op het moment van de finale beslissing. Volgens hem wordt dit recht beperkt omdat hij geen nieuwe stukken en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen na het indienen van onderhavig beroep. Verzoeker is dan ook van mening dat er geen sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Dit zet verzoeker uiteen aan de hand van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: EVRM). Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereiste, dat de principes van recht van verdediging te ontwaren vallen onder artikel 6 EVRM welke ook een grondrecht vormen in het gemeenschapsrecht. Verzoeker stelt dat voor zover hij verwijst naar artikel 6 EVRM, hij dit enkel doet om het begrip van volle rechtsmacht nader uiteen te zetten en derhalve geen schending van het artikel op zich inroept. In het tweede onderdeel voert verzoeker dus wel aan dat er geen sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft, dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereiste, doch voert hij ook hier geen schending aan van enig artikel of beginsel dat zou geschonden zijn door het feit dat de Raad geen volle rechtsmacht heeft, te meer verzoeker zelf stelt dat hij geen schending van artikel 6 EVRM aanvoert, zodat ook hier dient beslist te worden tot de onontvankelijkheid van dit onderdeel van het eerste middel. In een laatste onderdeel wenst verzoeker aan te tonen dat de processuele waarborgen van het Europees gemeenschapsrecht volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht valt. Verzoeker stelt dat de beroepsprocedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins voldoet, hij is van mening dat de Raad dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor de zaak, meer bepaald dient de Raad er zich van te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar Kirgizstan. Verzoeker is dan ook van mening dat er een schending is van artikel 47 van het Handvest. Wat de schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, 18 december 2000, 1) betreft, dient de Raad vast te stellen dat dit Handvest geen enkele wettelijke status heeft. Het is een politieke verklaring en geen juridisch bindend document, zodat de schending van voormelde bepaling niet dienstig kan worden aangevoerd. Doordat het Verdrag van Lissabon op 13 december 2007 ondertekend werd, zal het Handvest een wettelijke status krijgen. Het Verdrag van Lissabon treedt pas in werking als het door alle 27 lidstaten geratificeerd is. Zolang dit niet gebeurd is, is het handvest geen bindend rechtsinstrument (zie ook RvS 4 februari 2008, nr. 2058, beschikking niet toelaatbaar, RvS 4 februari, nr. 2056, beschikking niet toelaatbaar). De Raad wijst er eveneens op dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 27 juni 2006 (zaak C-540/03) in overweging 38 uitdrukkelijk stelt dat het Handvest van de grondrechten geen bindend rechtsinstrument is, maar dat de communautaire wetgever, door in een overweging van een richtlijn te verwijzen naar dit Handvest, slechts het belang ervan wenste te erkennen, te meer daar het hoofddoel van het Handvest van de grondrechten een bevestiging uitmaakt van “de rechten die met name voortvloeien uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities en internationale verplichtingen van de lidstaten, uit het Verdrag betreffende de XIV-30.684-5/13 Europese Unie en de communautaire verdragen, uit het [...] [EVRM], uit de door de Gemeenschap en de Raad van Europa aangenomen sociale handvesten, alsook uit de jurisprudentie van het Hof [...] en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” (HvJ C-540/03, Europees Parlement v. Raad van de Europese Unie, 2006, 38). Hieruit volgt derhalve geenszins de rechtstreekse werking van het Handvest van de grondrech- ten. Ten overvloede wenst de Raad op merken dat in de mate dat verzoeker met zijn uiteenzetting in het eerste middel de schending van artikel 13 EVRM aanvoert om hieruit een grondrecht op een beroep in volle rechtsmacht af te leiden, verzoeker niet aantoont dat er een recht op beroep met volle rechtsmacht “als algemeen beginsel” bestaat. Daarenboven wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeker erop dat om ontvankelijk te zijn, moet een middel dat uit een schending van artikel 13 EVRM afgeleid is, aangeven welk ander door dat Verdrag gewaarborgd recht dreigt te worden geschonden. Weliswaar wordt artikel 13 EVRM in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM. De Raad wijst verzoeker erop dat bevoegdheidstoewijzingen door artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet) aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van tweeërlei aard zijn: - op grond van paragraaf 1 van artikel 39/2 treedt de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen op wanneer hij, in zaken van asiel en subsidiaire bescherming, uitspraak doet over de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal; het betreft de bevoegdheid die voorheen, in asielzaken, aan de Vaste Beroepscommissie was toegewezen; - op grond van paragraaf 2 van dat artikel treedt de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen op als annulatierechter, wanneer hij uitspraak doet over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht; het betreft de bevoegdheid die voorheen aan de Raad van State was toegewezen. In casu betreft het een weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag. Overeenkomstig artikel 51/8 Vreemdelingenwet is de beslissing om niet in aanmerking te nemen alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/2 § 2 Vreemdelingenwet optreedt, beschikt hij over een soortgelijke vernietigingsbevoegdheid en schorsingsbevoegdheid als die welke de Raad van State voorheen had. In dat geval treedt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op met volle rechtsmacht, maar als annulatierechter. Wat in casu het geval is. Wanneer de Raad als annulatierechter een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen maar houdt de Raad een wettigheidstoe- zicht. De Raad onderzoekt of de betrokken overheid bij de beoordeling van de asielaanvraag uitgegaan is van de juiste feiten, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, met andere woorden wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. Ter zake merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de afdeling wetgeving bij de Raad van State reeds heeft gesteld dat het rechterlijk beroep dat kan worden ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen prima facie beantwoordt aan de vereisten van daadwerkelijke rechtshulp in de zin van artikel 13 van het EVRM (Parl. St., Kamer, 2005-2006, nr. 2479/001, 323). Verzoeker brengt geen gegeven aan om dit standpunt te weerleggen. Tevens heeft het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 (B.S. 7 juni 2008) in verband met het al dan niet bestaan van een discriminatie tussen rechtzoekenden die beschikken over een beroep met volle rechtsmacht en over deze die slechts over een annulatieberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikken, gesteld in haar overweging B.16.3.: XIV-30.684-6/13 “De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat daarbij na of de aan zijn toezicht voorgelegde overheidsbeslissing de vereiste feitelijke grondslag heeft, of die beslissing uitgaat van correcte juridische kwalificaties en of de maatregel niet kennelijk onevenredig is met de vastgestelde feiten. Wanneer hij die beslissing vernietigt, dient de overheid zich te schikken naar het arrest van de Raad van State : indien de overheid een nieuwe beslissing neemt, mag zij de motieven van het arrest dat de eerste beslissing heeft vernietigd niet negeren; indien zij in de vernietiging berust, wordt de aangevochten akte geacht nooit te hebben bestaan (vergelijk : Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Kingsley t. Verenigd Koninkrijk, 7 november 2000, § 58). Bovendien kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in de omstandigheden bedoeld in artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing bevelen, in voorkomend geval door uitspraak te doen bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De Raad kan tevens, in de omstandigheden bedoeld in artikel 39/84 van dezelfde wet, voorlopige maatregelen bevelen. De rechtzoekenden beschikken derhalve over een daadwerkelijke jurisdictionele waarborg, voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege, tegen de administra- tieve beslissingen die op hen betrekking hebben. Artikel 39/82, §2, ingevoegd bij het bestreden artikel 80, heeft niet tot gevolg dat het op onevenredige wijze de rechten van de betrokken personen beperkt.” Bijgevolg is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door de wet mee belast om ondermeer als annulatierechter na te gaan of de individuele beslissingen genomen met toepassing van de beroepen die worden ingesteld met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, niet werden genomen met overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. De wetgever heeft uitdrukkelijk uitgesloten dat de Raad een ruimere toetsing zou doorvoeren (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Gedr. St., Kamer, 2005-06, nr. 51/2479-011, 40.). Een behandeling in volle rechtsmacht van huidig beroep is wettelijk niet toegestaan. Daarenboven wordt in overweging B.16.
  18. van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 27 mei 2008 gesteld dat de omstandigheid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet met volle rechtsmacht maar als annulatierechter uitspraak doet, wanneer hij op grond van paragraaf 2 van artikel 39/2 Vreemdelingen- wet optreedt, de rechtzoekenden in die procedure niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel berooft. De Raad benadrukt eveneens dat in het door verzoeker geciteerde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ 15 oktober 1987, nr. 222/86) slechts gesteld wordt dat een beroepsprocedure moet voorzien worden met het oog op de toetsing van de wettigheid van een beslissing aan het gemeenschaps- recht en, los van de vraag of het gemeenschapsrecht in casu toepasselijk is, er geen discussie bestaat over het feit dat de Raad een wettigheidstoetsing kan doorvoeren. In dit verband is het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet duidelijk hoe de beschouwingen van verzoeker de eventuele nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing zou kunnen verantwoorden, en verder, wat zijn belang is bij de door hem geuite kritiek. Dit te meer nu verzoeker nalaat uiteen te zetten en te verduidelijkingen welke feiten en omstandigheden een andersluidende beslissing dan de in casu bestreden beslissing, zouden kunnen rechtvaardigen of een andere beslissing zou teweegbrengen. Evenmin toont verzoeker in concreto aan dat het annulatieberoep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen – zoals omschreven in artikel 39/2 Vreemdelingenwet - geen voldoende waarborgen zou bieden ter vrijwaring van zijn rechten. Voorts merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat verzoeker niet aantoont in welke mate het wettigheidsonderzoek gevoerd door de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen zijn belangen zou schaden en op welke wijze het eindresultaat van zijn betrachting zou verschillen van een behandeling van het beroep bij volle rechtsmacht. XIV-30.684-7/13 Tevens dient te worden benadrukt dat door het bespreken van de rechtsmacht van een rechtscollege, niet wordt aangetoond dat de bestreden beslissing aangetast is door enig gebrek. In zoverre verzoeker het schriftelijke karakter van de rechtspleging aanvecht, wijst de Raad de partijen erop dat het Grondwettelijk Hof in haar arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 (B.S. 7 juni 2008) in overweging B.28.1., gesteld heeft dat het hoofdzakelijk schriftelijke karakter van de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen, vergezeld van de mogelijkheid voor de partijen en hun advocaat om hun opmerkingen mondeling voor te dragen op de terechtzitting, zoals daarin is voorzien in het tweede lid van artikel 39/60, geen afbreuk doet aan het recht op een rechterlijke toetsing en aan het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel . Verzoeker besluit zijn eerste middel met het verzoek aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen om prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Deze vragen zijn: ‘Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten, die nuttig zijn om de zaak te beoordelen.’ ‘Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat eenieder het recht heeft om schriftelijk te antwoorden op de antwoordbesluiten van de Lidstaat.’ Gelet op de bovenstaande vaststellingen is het antwoord op de voorgestelde prejudiciële vragen niet onontbeerlijk om in casu uitspraak te doen. Bovendien is de Raad, gelet op artikel 234, derde lid van het EG-verdrag, niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen, daar zijn uitspraak nog vatbaar is voor een voorziening in cassatie bij de Raad van State. Het eerste middel is ongegrond. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, 18 december 2000, 1). Verzoeker stelt in een tweede onderdeel van het middel, dat de toepassing van artikel 47 van het Handvest dient te worden gewaarborgd omdat de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn direct verwijzen naar dit Handvest en dat de tekst van artikel 47 van dit Handvest de artikelen 6 en 13 EVRM incorporeert. Verzoeker verwijst voor het overige naar het eerste middel. Wat de schending van artikel 47 van het Handvest betreft, verwijst de Raad naar de vaststellingen gedaan onder het eerste middel. Het tweede middel is onontvankelijk. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Verzoeker poneert dat hij wel degelijk een nieuw element aangebracht heeft welk dienend is voor zijn asielaanvraag, met name zijn deelname aan acties gericht tegen de Iraanse Staat, dat hij zulks onmogelijk kon aanbrengen bij zijn eerste aanvraag daar hij toen nog niet had deelgenomen aan acties. Verzoeker vervolgt dat onmogelijk kan ingezien worden dat zulks geen nieuw element is en dat eveneens de medische aanvraag op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet van verzoeker in aanmerking diende te worden genomen bij de beoordeling van het dossier. In een laatste deel stelt hij ook nog dat Dienst Vreemdelingenzaken de facto is overgegaan tot een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag en hiervoor niet bevoegd is. XIV-30.684-8/13 Wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, heeft de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel betrokkene zodanig inzicht in de motieven van de bestreden beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Verzoeker voert bijgevolg de schending van de materiële motivering aan. De kritiek die verzoeker terzake heeft, valt evenwel samen met zijn grief betreffende de miskenning van artikel 51/8 Vreemdeling- enwet. Artikel 51/8 Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De minister of diens gemachtigde kan beslissen de asielaanvraag niet in aanmer- king te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde aanvraag heeft ingediend bij een door de Koning aangeduide overheid in uitvoering van artikel 50, eerste lid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of ernstige aanwijzingen bestaan van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/
  19. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen.” De bevoegdheid die artikel 51/8 Vreemdelingenwet de Dienst Vreemdelingenzaken toekent, is louter beperkt tot het nagaan of de vreemdeling in verhouding tot een vorige asielaanvraag nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of ernstige aanwijzingen bestaan van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/
  20. Bovendien moeten deze nieuwe gegevens betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Verzoeker dient dus aannemelijk te maken dat de aangevoerde elementen “nieuwe gegevens” uitmaken in de zin van artikel 51/8 Vreemdelingenwet, de bewijskracht terzake ligt aldus bij hem. Waar verzoeker stelt dat hij wel degelijk een nieuw element heeft aangebracht, namelijk zijn deelname aan acties tegen de Iraanse Staat en hij zulks onmogelijk kon aanbrengen bij zijn eerste asielaanvraag, stelt de Raad vast dat verweerder nergens in de bestreden beslissing stelt als zou verzoeker dit element hebben kunnen aanbrengen bij zijn eerste asielaanvraag, hij stelt enkel, en dit geheel op kennelijk redelijke wijze, dat het betrokkene vrij staat dit te doen. Verzoeker maakt niet aannemelijk als zou de motivering dienaangaande onjuist of onredelijk zijn, noch maakt verzoeker aannemelijk dat dit een nieuw element is in de zin van artikel 51/8 Vreemdelingenwet. Waar verzoeker vervolgt dat de medische aanvraag op grond van artikel 9 Vreemde- lingenwet van verzoeker in aanmerking diende te worden genomen bij de beoordeling van het dossier, stelt de Raad vast dat deze argumentatie niet dienstig kan aangevoerd worden, nu uit de stukken van het administratieve dossier, meer bepaald het gehoorver- slag van 24 april 2008 ter gelegenheid van verzoekers tweede asielaanvraag, nergens blijkt dat verzoeker zijn aanvraag op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet aanhaalde als nieuw element ter ondersteuning van zijn tweede asielaanvraag. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan enkel een wettigheidstoetsing doen en kan dus enkel rekening houden met de elementen die aan het bestuur gekend waren op het ogenblik van de beoordeling van de bestreden beslissing. Verzoekster toont geen schending aan van artikel 51/8 Vreemdelingenwet, noch van de materiële motiveringsplicht. Met een dergelijke uiteenzetting toont verzoeker niet aan dat hij nieuwe gegevens in de zin van artikel 51/8 Vreemdelingenwet aangebracht heeft en waarmee verweerder geen rekening gehouden heeft. Voorts laat verzoeker na in concreto aan te tonen op welke wijze verweerder zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. De Raad benadrukt dat de bevoegdheid die artikel 51/8 Vreemdelingenwet aldus aan de gemachtigde van de minister toekent, louter beperkt is tot het nagaan of de vreemdeling in verhouding tot XIV-30.684-9/13 een vorige asielaanvraag nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of ernstige aanwijzingen bestaan van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/
  21. Verzoeker toont niet aan dat verweerder deze bevoegdheid overschreden heeft. Voorts moeten de nieuwe gegevens betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen en moeten ze op hem betrekking hebben. Uit artikel 51/8 Vreemdelingenwet volgt dat teneinde te kunnen besluiten tot het al dan niet aanwezig zijn van “nieuwe elementen” de gemachtigde van de minister de aangehaalde gegevens dient te toetsen aan de voorgaande asielprocedures van verzoeker en het relaas dat hij aldaar naar voor heeft gebracht. In casu wordt in concreto niet aangetoond dat artikel 51/8 Vreemdelingenwet geschonden werd, maar voert verzoeker enkel blote en vage beweringen aan. Een schending van artikel 51/8 Vreemdelingenwet, noch van de motiveringsplicht wordt aangetoond. Het derde middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.”.
  22. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  23. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van artikel 6 EVRM. Schending van art. 10, 11 en 149 van de Grondwet. Verzoeker is vooreerst van mening dat hij recht heeft een beroep in te stellen waarbij haar zaak in openbare zitting wordt behandeld. Hij stelt dat gezien art. 20 § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zulks niet toelaat daar in eerste instantie de Raad van State de toelaatbaarheid van het verzoekschrift zal nagaan zonder enige vorm van openbare zitting. Dat zulks in strijd is met art. 149 van de Grondwet. Dat zulks in strijd is met art. 6 EVRM en er geen sprake kan zijn van een eerlijk proces. Dat tevens door art. 20 § 3 verschillende categorieën ontstaan van rechtzoekende bij de Raad van State met name zij die een schorsing en annulatieberoep indienen en zij welke cassatieberoep indienen. Deze laatste categorie dient eerst door de "toelaatbaarheidsfil- ter" te passeren alvorens het beroep ten gronde wordt behandeld. Dat er geen objectief criterium voorhanden is om zulks een verschillende wijze van behandeling te verantwoorden. Dat in die zin twee prejudiciële vragen werd gesteld aan het Grondwettelijk Hof en deze zaken thans hangende zijn onder het rolnummer 4513 en
  24. Dat het middel gegrond is.”; 2.1.
  25. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt zonder enigszins in te gaan op het verweer van de tegenpartij; 2.1.
  26. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de XIV-30.684-10/13 fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet opwerpt; dat hij, kort samengevat, stelt dat de procedure van toelaatbaarheidsbeoordeling van de cassatieberoepen voor de Raad van State strijdig is met deze bepalingen; dat, dit middel niet gericht is tegen het bestreden arrest, en dus niet ontvankelijk is; 2.2.
  27. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL; Schending van art. 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus in combinatie met het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker stelt dat art. 39 voornoemd geschonden is doordat de behandeling door de RW van een weigering van een niet in overwegingname van een tweede asielaanvraag op een andere wijze wordt behandeld met name in het gewone vernietigingscontentieux ipv de beoordeling in volle rechtsmacht welke normaal voorzien is in asielzaken. Verzoeker stelt dat art. 39 van de Procedurerichtlijn hem het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel verschaft. Dat art. 39 van de Procedurerichtlijn voorziet in een daadwerkelijk rechtsmiddel dat effectief dient te zijn. Dat er geen enkel reden bestaat om een onderscheid te maken tussen een eerste of tweede asielaanvraag op procedureel gebied. Dat art. 34 van diezelfde Richtlijn voorziet in een beroep dat uiteraard gelijk is aan een beroep zoals bedoeld in art. 39 van de Procedurerichtlijn. Dat art. 39 van de Procedurerichtlijn overigens zelf voorziet dat er een beroep moet openstaan tegen een beslissing van niet in overwegingname. Dat bezwaarlijk gesteld kan worden dat zulks een beroep zodanig mag verschillen van het beroep tegen een weigering van een eerste asielaanvraag. Dat verder verzoeker vragen heeft bij de objectiviteit van de opsteller van de initiële beslissing welke zij de jure niet heeft. Het feit dat deze niet objectieve beslissing enkel aan zijn wettigheid kan getoetst kan worden is in zijn geheel onvoldoende om te spreken van een effectief rechtsmiddel. Derhalve verzoekt hij de Raad van State volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie:. "Voldoet een beroepsprocedure waarbij enkel de wettigheid van een beslissing niet in overwegingname van een asielaanvraag cfr. art. 32 van de Procedurerichtlijn aan de vereisten van artikel 39 van Procedurerichtlijn 2005/85 in het bijzonder wat betreft effectiviteit."”; 2.2.
  28. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt zonder enigszins in te gaan op het verweer van de tegenpartij; 2.2.
  29. Overwegende dat artikel 39.1 van de richtlijn 2005/85 van de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus als volgt luidt: XIV-30.684-11/13 “Art. 39 Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel
  30. De lidstaten zorgen ervoor dat voor asielzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a) een beslissing die inzake hun asielverzoek is gegeven, met inbegrip van een beslissing: i) om een asielverzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 25, lid 2; ii) aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 35, lid 1; iii) om een behandeling niet uit te voeren overeenkomstig artikel 36; b) een weigering om de behandeling van een verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 19 en 20 te hervatten; c) een beslissing om het hernieuwde verzoek niet opnieuw te behandelen over- eenkomstig de artikelen 32 en 34; d) een beslissing waarbij de binnenkomst wordt geweigerd in het kader van de procedures krachtens artikel 35, lid 2; e) een beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus krachtens artikel 38.”; dat de onderliggende beslissing een weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag betreft; dat dit een voorafgaande beslissing is zoals bedoeld in artikel 32 van de richtlijn; dat de artikelen 32 en 34 de lidstaten toelaten een specifieke procedure te voorzien in geval van een volgend asielverzoek; dat een dergelijk voorafgaand onderzoek dan ook zeker niet kan worden gelijkgesteld met de behandeling van de grond van het asielverzoek; dat artikel 39 van de richtlijn bepaalt dat de lidstaten “een daadwerkelijk rechtsmiddel” dienen te voorzien bij een rechterlijke instantie; dat uit artikel 39 niet kan worden afgeleid dat het rechtsmiddel met betrekking tot de behandeling ten gronde van een asielverzoek en dat ten aanzien van de voorafgaande beslissing “uiteraard” hetzelfde moet zijn; dat verzoeker nergens uiteenzet waarom het annulatieberoep voorzien bij artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, volgens hem niet voldoet aan het vereiste van “een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie”; dat verzoeker in wezen een ongelijkheid aanvoert tussen het rechtsmiddel in volle rechtsmacht voorzien bij artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet en het annulatieberoep voorzien bij § 2 van diezelfde bepaling; dat verzoeker niet om uitlegging vraagt van een bepaling van een Europeesrechtelijke bepaling maar een ongelijkheid aanvoert met betrekking tot een bepaling van intern recht; dat internrechtelijke bepalingen dienen te worden uitgelegd door de nationale rechter; dat derhalve aan het Hof van Justitie geen prejudiciële vraag dient gesteld; dat met betrekking tot de ongelijkheid tussen het beroep in volle rechtsmacht en het annulatieberoep, het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 dienaangaande heeft geoordeeld dat de rechtzoekende, wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (zoals in casu) op grond van artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet als annulatierechter uitspraak doet, niet van een daadwerkelijk rechtsmiddel is beroofd; dat immers de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nagaat of de aan zijn toezicht voorgelegde overheidsbeslissing XIV-30.684-12/13 de vereiste feitelijke grondslag heeft, of die beslissing op een correcte juridische kwalificatie is gesteund en of zij niet kennelijk onredelijk is in verhouding tot de vastgestelde feiten; dat het Grondwettelijk Hof aldus heeft geoordeeld dat het annulatieberoep voldoet aan de vereiste van een daadwerkelijk rechtsmiddel; dat voor zover verzoeker de objectiviteit van de opsteller van de initiële beslissing, i.e. de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid, in vraag stelt, hij zich beperkt tot een loutere bewering die niet in concreto wordt gestaafd met enig begin van bewijs; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwin- tig oktober tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.684-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.446 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.