← België

Arrest 197448 - Milieuvergunningen - 29/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.448 Rolnummer: A. 172112/VII-35821 Zaak: Arrest 197448 - Milieuvergunningen - 29/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-12 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Fiche Arrest nr 197.448 van 29 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. VIIe KAMER nr. 197.448 van 29 oktober 2009 in de zaak A. 172.112/VII-35.821 In zake : Eric VANDER WAERDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE OOST-VLAANDEREN tussenkomende partij : Hilde DE MAERTELEIRE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 april 2006, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 9 februari 2006 houdende de intrekking van haar besluit van 5 januari 2006 inzake het beroep, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele van 18 juli 2005 waarbij aan Alfons Van Den Buys de milieuvergunning wordt verleend voor de exploitatie van een pluimveehou- derij, gelegen aan de Mortierstraat 10 te Nevele, en houdende een nieuw besluit waarbij het beroep tegen de voornoemde beslissing van het college van burgemees- ter en schepenen van de gemeente Nevele van 18 juli 2005 wordt verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd mits gedeeltelijke vervanging en aanvulling. VII-35.821-1/27 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 juli 2006. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 september 2009. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoeker, organisatiemedewerker Fanny Cocriamont, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Astrid Van Grembergen, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat: 4. De betwisting betreft de exploitatie van een pluimveebedrijf aan de Mortierstraat in Nevele. VII-35.821-2/27 5. Op 15 april 1991 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele akte van de door Omer De Boever gedane melding van een "landbouwbedrijf met 6.000 leghennen en een opslag van 40 m3 dierlijke mest". De aktename geldt als vergunning voor een termijn tot 2 april 2020. 6. Begin 1995 wordt de inrichting overgenomen door Jos Taveirne, echtgenoot van de tussenkomende partij. Op 9 januari 1995 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele akte van de melding van de overname. 7. Op 23 februari 1995 dient Jos Taveirne bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele een aanvraag in voor het veranderen door uitbreiding van de inrichting. De bedoeling is voortaan 19.500 vleeskippen te houden, met de bijhorende uitbreiding van de mestopslag, en met de opslag van petroleum en mazout. Op 10 april 1995 wordt de gevraagde vergunning gedeeltelijk verleend; de uitbreiding van het aantal mestkippen wordt geweigerd. Zowel Jos Taveirne als de verzoeker tekenen administratief beroep aan. Op 21 september 1995 verwerpt de verwerende partij het beroep van de verzoeker en verleent zij aan Jos Taveirne de gevraagde vergunning. 8. De verzoeker dient een annulatieberoep in en bij arrest van de Raad van State nr. 118.186 van 9 april 2003 wordt de vergunning vernietigd omdat, voorafgaand aan de overname door Jos Taveirne, de vergunning van rechtswege was vervallen wegens niet-exploitatie gedurende meer dan twee jaar; daardoor had de verwerende partij ten onrechte de aanvraag beoordeeld als ging het om een uitbreiding van een bestaande inrichting, terwijl het om een nieuwe inrichting ging. Na dit vernietigingsarrest beslist de verwerende partij opnieuw over de administratieve beroepen en weigert zij de vergunning. 9. Op 21 november 2003 dient Jos Taveirne een nieuwe milieuver- gunningsaanvraag in. Op 26 januari 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele de gevraagde vergunning, voor onder meer 19.500 kippen. De verzoeker en de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) tekenen administratief beroep aan. Op 13 februari 2004 weigert de verwerende partij de vergunning. 10. Op 24 mei 2005 wordt een milieuvergunningsaanvraag ingediend door Alfons Van Den Buys, die een vergund rundveebedrijf exploiteert in VII-35.821-3/27 Wuustwezel. Hij beroept zich op de mogelijkheid die artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet) biedt om een milieuvergunning te krijgen voor het verplaatsen van een ongunstig gelegen inrichting naar een betere locatie. De verplaatsing zou gepaard gaan met de omschakeling van 60 runderen naar 4.496 kippen. Uit voornoemde aanvraag blijkt dat de inrichting zal worden "overgenomen" door de tussenkomende partij. De verzoeker dient bezwaar in. 11. Op 18 juli 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele een milieuvergunning voor, wat de dieren betreft, 3.691 kippen. Deze beperking van het aantal dieren stemt overeen met de vergunde mestproductie van de runderen in Wuustwezel. De verzoeker dient administratief beroep in. 12. In de administratieve beroepsprocedure worden de volgende adviezen verleend: (

  1. a)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
  2. b)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; (
  3. c)de VLM adviseert gunstig; (
  4. d)de provinciale milieudeskundige adviseert gunstig; (
  5. e)de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig. 13. Op 5 januari 2006 verleent de verwerende partij een milieuvergun- ning voor, wat de dieren betreft, het houden van 4.496 kippen. Omdat dit aantal een vergissing betreft, wordt de vergunning bij het bestreden besluit van 9 februari 2006 ingetrokken, en vervangen door een vergunning voor, wat de dieren betreft, 3.691 kippen. De motivering gaat als volgt : "Overwegende dat de onmiddellijke omgeving schaars bebouwd is; dat binnen een straal van 100 m zich 2 woningen bevinden waarvan de meest nabije woning (woning van het naastgelegen varkensbedrijf) zich bevindt op ca. 50 m; Overwegende dat de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied in overeenstemming is met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen; Overwegende dat de aanvraag de exploitatie van een nieuwe pluimveehou- derij, gekoppeld aan de stopzetting van een andere veeteeltinrichting betreft; dat de stop te zetten veeteeltinrichting, gelegen te Wuustwezel, zal gevestigd worden op een nieuwe inrichtingsplaats te Nevele; dat na de verplaatsing de vergunning zal worden overgelaten aan een nieuwe exploitant, zijnde JOS TAVEIRNE en/of HILDE DE MARTELEIRE; VII-35.821-4/27 Overwegende dat het bedrijf een voorgeschiedenis kent van vergunningen, weigeringen en een schorsing bij de Raad van State op naam van JOS TAVEIRNE; dat betreffende het bedrijf van Jos Taveirne en Hilde de Marteleire volgende historiek kan worden weergegeven : - Door het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele werd op 15 april 1991 akte genomen van 6.000 leghennen en 40 m³ mestopslag op naam van DE BOEVER OMER. - De activiteiten op het bedrijf van DE BOEVER OMER worden als stopgezet beschouwd op basis van de Land- en Tuinbouwtelling van 15 mei 1991 (op de formulieren werd het woord 'stopgezet' vermeld). - Op 9 januari 1995 akteert het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele de overname door TAVEIRNE JOS. De milieuvergunning was nochtans vervallen. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van Vlarem I en artikel 28, §1, 3/ van het milieuvergunningsdecreet vervalt de vergunning van rechtswege indien gedurende 2 jaar niet geëxploiteerd wordt. - Op 10 april 1995 verleent het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele vergunning voor de uitbreiding met 475 m³ opslag dierlijke mest, 3.000 1 petroleum en 3.000 1 mazout. De vergunning voor de uitbreiding met 13.500 mestkippen wordt geweigerd. - In 2de aanleg verleent de Bestendige Deputatie op 21 september 1995 vergunning voor de uitbreiding met 13.500 slachtkuikens (totaal: 19.500 stuks). - Op 30 juni 1997 akteert het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele de overname van het landbouwbedrijf (19.500 slachtkuikens) door HILDE MARTELEIRE. - Op 9 april 2003 vernietigt de Raad van State het Besluit van de Bestendige Deputatie van 21 september 1995. - Op 18 september 2003 wordt door de Bestendige Deputatie het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele van 10 april1995 ingetrokken. - De stedenbouwkundige vergunning van 18 december 1995 voor het slopen van een aantal bestaande stallingen en het oprichten van een nieuwe stalling is derhalve van rechtswege vervallen. - Op 26 januari 2004 verleent het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele de vergunning voor 19.500 mestkippen. - Deze beslissing werd bestreden door de Vlaamse Landmaatschappij en door de heer Eric Vander Waerden (omwonende). - De hiervoor vermelde beroepen worden ingewilligd. Het besluit van 26 januari 2004 van het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele wordt opgeheven. - Op 18 juli 2005 werd door het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele aan de heer ALFONS VAN DEN BUYS de vergunning verleend voor de exploitatie van een pluimveehouderij, houdende 3.691 slachtkippen. Het verplaatste bedrijf zal worden overgenomen door JOS TAVEIRNE en/of HILDE DE MARTELEIRE. De regularisatie van de mestkippenstal werd dan ook reeds ingediend bij het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele. - Deze beslissing wordt thans bestreden door de heer Eric Vander Waerden (omwonende). Overwegende dat met betrekking tot de milieuhygiënische aspecten van de inrichting het volgende kan worden gesteld: dat de lozing van afvalwater werd niet opgenomen in het voorwerp van de aanvraag; dat met betrekking tot mogelijk bodem- en grondwaterverontreiniging dient gezegd dat de opslag van petroleum in 2 houders van elk 5.000 l gebeurt, VII-35.821-5/27 enerzijds een nieuw te plaatsen ondergrondse houder en een bovengrondse houder anderzijds; dat de opslag van mazout in een bovengrondse houder gebeurt; dat beide bovengrondse houders voorzien zijn van een overvulbeveili- ging en een inkuiping conform Vlarem II; dat de verdeelslang is gekoppeld aan de mazouthouder van 1.100 l; dat het tanken binnen gebeurt op een betonnen ondergrond; dat de exploitant de nodige absorptiemiddelen dient te voorzien om eventuele morsvloeistoffen op te ruimen; dat de inrichting thans beschikt over een grondwaterwinning van max. 1.045 m³/jaar uit 1 put met een diepte van 18 m met een vergunningstermijn tot en met 14 september 2017 op naam van HILDE DE MARTELEIRE; dat de exploitant deze vergunning wenst te behouden; dat er dient te worden opgemerkt dat het vergunde grondwaterdebiet een overschatting is van de reële waterbehoefte; dat op basis van het aantal dieren (4.496 slachtkippen) de waterbehoefte wordt geraamd op 360 m³ per jaar; dat in het licht van de bescherming van de natuurlijke grondwatervoorraden het opgepompte debiet zoveel als mogelijk dient te worden beperkt; dat de oppervlakte van de kippenstal ongeveer 1.200 m² bedraagt; dat van een dergelijke dakoppervlakte jaarlijks theoretisch ongeveer 900 m³ regenwater kan opgevangen worden; dat uit eigen berekeningen blijkt dat met een regenwater- berging van 40 m³ (ca. 3 m³ berging per 100 m² dakoppervlak) er, bij een leegstand van 1%, dagelijks ongeveer 1,3 m³ regenwater ter beschikking zou zijn voor laagwaardige toepassingen zoals reiniging van de stallen; dat met betrekking tot de watertoets de waterbalans van het bedrijf werd nagekeken en de reeds geleverde inspanningen en verdere mogelijkheden inzake waterbesparende maatregelen en alternatieve waterbevoorrading werden beoordeeld; dat deze beoordeling aanleiding geeft tot opmerkingen en bedenkingen die kunnen ondervangen worden door het opleggen van bijzondere vergunningsvoorwaarden; dat met betrekking tot de inplantingsregels en mogelijke geurhinder, de inrichting zich bevindt in agrarisch gebied, gelegen op: - > 1.000 m van een woonuitbreidingsgebied; - ca. 180 m van een woongebied met landelijk karakter, zijnde het centrum van Poesele. dat de inrichting zich tevens bevindt in het waterwingebied van Kluizen; dat volgens de verbods- en afstandsregels van art. 5.9.5.3. van Vlarem II het verboden is om inrichtingen die één of meer pluimveestallen omvatten met mengmest, ongeacht het aantal stuks gevogelte en die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied te exploiteren; dat deze verbodsbepaling hier niet van toepassing is aangezien het een strooiselstal (droge mest) betreft; dat er geen risico voor de waterwinning valt te vrezen; dat de kippenstal een strooiselvloerstal (60 waarderingspunten) betreft met verluchting met ventilatoren met verticale uitstoot ( (30 waarderingspunten); dat de opslag van dierlijke mest is gesloten (40 waarderingspunten); dat het totaal aantal waarderingspunten van de stal derhalve 130 bedraagt; dat overeenkomstig artikel 5.9.5.3.§5 van Vlarem II tussen de kippenstal en/of de opslag van dierlijke mest of mengmest enerzijds en elk op het gewestplan aangegeven woonuitbreidingsgebied, natuurgebied met wetenschap- pelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat, gebied voor verblijfsrecreatie en woongebied ander dan woongebieden met een landelijk karakter anderzijds een minimumafstand dient te bestaan van 75 m; dat gelet op de ligging op meer dan 1.000 m van hierboven vermelde gebieden, ruimschoots wordt voldaan aan de afstandsregels; dat op 18 december 1995 een bouwvergunning werd verleend voor het slopen van een aantal bestaande stallingen en het oprichten van een nieuwe stalling; dat de milieuvergunning van 21 september 1995 tot uitbreiding en VII-35.821-6/27 exploitatie van een kippenbedrijf werd vernietigd bij arrest van de Raad van State (9 april 2003) en naderhand formeel geweigerd door de Bestendige Deputatie op 18 september 2003; dat de nieuwe milieuvergunning verleend door het College van Burgemeester en Schepenen op 26 januari 2004 eveneens door de Bestendige Deputatie werd opgeheven; dat de overtreder wetens willens het risico heeft genomen de stal op te trekken en te gebruiken, niettegenstaande het annulatieberoep bij de Raad van State; dat derhalve er nu een stal aanwezig is waarvan de stedenbouwkundige vergunning van rechtswe- ge is vervallen; dat op 6 juni 2005 een aanvraag werd ingediend bij het College van Burge- meester en Schepenen voor de regularisatie van de mestkippenstal/loods en de aanleg van betonverharding en gevelwijziging van de stalling (vergroting van de poortopening); dat volgens het standpunt van de AMINAL, Afdeling Milieuvergunningen het geen ‘nieuw te bouwen stal’ betreft; dat deze dus bijgevolg niet ammoniak- emissiearm moet worden uitgevoerd; dat in verband met de mestproductie, de mestafzet en de bepalingen van het mestdecreet kan worden gesteld : 'De voorwaarden met betrekking tot de nieuwe inrichting De nieuwe inrichting is volgens het gewestplan volledig gelegen in agrarisch gebied. Derhalve is voldaan aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet. Voor de inrichting Mortierstraat 10 te 9850 Nevele werd geen stopzettingsvergoeding in het kader van het decreet van 9 maart toege- kend. Derhalve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet. De voorwaarden met betrekking tot de stop te zetten inrichting De definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991 en de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 18 maart 1993, wat voor 29 september 1993 is en er werden op deze aangifte dieren vermeld zodanig dat deze inrichting kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting (artikel 2, 7/, a), van het Mestdecreet). Op 30 juni 2000 werd voor de inrichting een nutriëntenhalte toegekend, zodat de aanvraag voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het Mestdecreet. De stop te zetten inrichting is volgens het gewestplan gelegen in woongebied met landelijk karakter. Derhalve is voldaan aan de bepalingen van artikel 33ter, §1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet. De vergunningsaanvrager is reeds 5 jaar ononderbroken vergunnings- houder van de stop te zetten inrichting. Een degelijke ondertekende en gedateerde verklaring is voorgelegd, zodat de aanvraag voldoet aan de bepalingen van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het Mestdecreet. De vergunningsaanvrager is tevens houder van de vergunning van de stop te zetten inrichting. De aanvraag is derhalve verenigbaar met artikel 33ter, §1, 1/,
  6. c)van het Mestdecreet. Voor de inrichting werd, volgens de informatie waarover de Vlaamse Landmaatschappij beschikt, geen stopzettingsvergoeding in het kader van het decreet van 9 maart 2001 toegekend. Derhalve is de aanvraag tot verandering van de vergunning verenigbaar met artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5) van het Mestdecreet. De vergunningsaanvrager is dezelfde natuurlijke persoon als degene die bij de Mestbank gekend is als producent. Derhalve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, § 1, 1/,
  7. c)van het Mestdecreet. Voor deze inrichting zijn er voor de volgende laatste jaren aangiften gekend bij de Mestbank : VII-35.821-7/27 - aanslagjaar 2005 (productiejaar 2004); - aanslagjaar 2004 (productiejaar 2003); - aanslagjaar 2003 (productiejaar 2002). De laatste drie kalenderjaren werd voldaan aan de aangifteplicht en derhalve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, § 1, 3/, van het Mestdecreet. Wat betreft mestafzet in het verleden werd er de laatste 3 kalenderjaren gemiddeld 100% van de opgegeven fosfaatproductie afgezet conform de bepalingen van het Mestdecreet. Derhalve werd in het verleden de opgegeven mestproductie afgezet conform de bepalingen van het Mestdecreet en is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 3/, van het Mestdecreet. Plaatsbezoek uitgevoerd door de Mestbank op 2 juni 2005 heeft uitgewezen dat er onvoldoende vergunde standplaatsen zijn voor het huisvesten van de dieren. Meer bepaald is vastgesteld dat er slechts vergunde standplaatsen zijn voor het huisvesten van 10 runderen jonger dan 1 jaar, 10 runderen van 1 tot 2 jaar en 25 melkkoeien. Dit wordt bevestigd door de jaarlijkse Mestbankaangiften. Derhalve is er krachtens artikel 46 van Vlarem I slechts een vergunning meer voor het exploiteren van stallen met plaatsen voor in totaal 45 runderen en dat voor een vergunningstermijn tot en met 31 augustus 2011. Dit komt overeen met een vergunde mestproductie van 1.070 kg P205/jaar en 3.365 kg N/jaar overeenkomstig 10 runderen runderen. De voorwaarden na de verplaatsing De vergunde mestproductie van de stop te zetten veeteeltinrichting bedraagt 1.070 kg P205 en 3.365 kg N overeenkomstig 10 runderen De gewenste vergunde mestproductie bedraagt 1.304 kg P205 en 2.788 kg N. Derhalve is er na stopzetting een stijging van de mestproduc- tie en is niet voldaan aan artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet. Indien de aanvraag beperkt blijft tot een uitbreiding tot in totaal 3.691 stuks slachtkippen, zijnde 1.070 kg P205 en 2.288 kg N is er na stopzetting geen stijging van de mestproductie en is voldaan aan artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet. dat met betrekking tot de veiligheid volgende voorwaarde wordt voorgesteld: 'Het bepalen en het aanbrengen van de noodzakelijke brandpreventie- en brandbestrijdingsmiddelen gebeurt in overleg met en volgens de richtlijnen van de plaatselijke brandweer'. dat aangaande de visuele hinder kan worden gesteld dat de inrichting reeds over een voldoende groenscherm beschikt; Overwegende dat met betrekking tot de beroepsargumenten volgende bespreking kan worden weergegeven :
  8. a)Vrees voor geurhinder: De woning van deappellant, Eric Vander Waerden, bevindt zich in de Beentjesstraat op ca. 500 m van de geplande inrichting. Gelet op deze ruime afstand valt er geen rechtstreekse geurhinder te verwachten. De vrees voor geurhinder valt waarschijnlijk als volgt te verklaren: 1) JOS TAVEIRNE - de geplande overnemer van het bedrijf - exploiteert reeds een varkenshouderij (Poekestraat 35 te Nevele) die vlakbij de woning van Eric Vander Waerden gelegen is. Gelet op de ongunstige ligging t.o.v. de overheersende zuidwestenwinden is geurhinder vanwege dit varkensbedrijf reëel. De varkenshouderij valt evenwel buiten het kader van de huidige milieuvergunningsaanvraag. 2) In de omgeving is er een ruime concentratie aan stallen. Ook deze vallen buiten het kader van de huidige milieuvergunningsaanvraag. VII-35.821-8/27
  9. a)De ligging in waterwingebied: Volgens de verbods- en afstandsregels van art. 5.9.5.3. van Vlarem II is het verboden inrichtingen omvattende één of meer pluimveestallen met mengmest, ongeacht het aantal stuks gevogelte, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied. Deze verbodsbepaling is hier echter niet van toepassing daar het een strooiselstal (droge mest) betreft.
  10. b)De Raad van State heeft het belang van de beroeper reeds aanvaard in het arrest nr. 118.186 van 9 april 2003. Ook de Bestendige Deputatie heeft het bedrijf in het verleden nietig verklaard. De ligging is in de huidige aanvraag identiek aan de vorige: Dit argument is niet relevant. De huidige aanvraag betreft - in tegenstelling tot de vorige aanvragen - de exploitatie van een nieuwe inrichting, gekoppeld aan de stopzetting van een andere veeteeltinrichting.
  11. c)Schending van het standstill-principe: Het standstill-principe geldt op Vlaams niveau en deze standstill wordt gerespecteerd.
  12. d)De VLM geeft geen toelating voor het oprichten van een nieuw bedrijf te Nevele maar doet in haar advies enkel een rechtzetting van het aan-gevraagd aantal dieren: Dit argument is niet correct. In het advies van de VLM wordt het volgende gestipuleerd: 'de Vlaamse Landmaatschappij verleent slechts gunstig advies voor de nieuwe inrichting tot exploitatie van pluimveestallen met plaatsen voor 3.691 slachtkippen...'
  13. e)Met de huidige aanvraag wenst men de wetgeving te omzeilen. Het is de bedoeling van TAVEIRNE JOS om het verplaatste bedrijf over te nemen en nadien zelfs uit te breiden tot 40.000 stuks pluimvee: Een (landbouw)bedrijfsverplaatsing is slechts mogelijk indien de vergun- ningsaanvrager minstens vijf jaar effectief de vergunningshouder is. Door de VLM werd vastgesteld dat Alfons Van Den Buys meer dan 5 jaar ononderbro- ken vergunningshouder is geweest van de stop te zetten inrichting. Het gebeurt dat dergelijke vergunningen voor de exploitatie van een nieuwe inrichting, gekoppeld aan de stopzetting van een andere veeteeltinrichting worden overgelaten aan een nieuwe exploitant. Er is geen regelgeving die dit verbiedt. De uitbreiding tot 40.000 stuks pluimvee is niet het voorwerp van de huidige aanvraag.
  14. f)Het betreft een niet-bestaande veeteeltinrichting. Dit wordt tevens aang- etoond door het standpunt van de AROHM (herstelvordering tot afbraak): Dit argument is niet relevant. De huidige aanvraag wordt door de beroeper verward met de vergunningsaanvragen en -weigeringen op naam van JOS TAVEIRNE. Er wordt nogmaals benadrukt dat de huidige aanvraag - in tegenstelling tot de vorige aanvragen - een exploitatie van een nieuwe inrichting betreft, gekoppeld aan de stopzetting van een andere veeteeltinrichting. De herstelvordering tot afbraak van de kippenstal werd genomen op basis van een vernietiging door de Raad van State van de milieuvergunning op naam van JOS TAVEIRNE. Hierdoor verviel de stedenbouwkundige vergunning van rechtswege. Evenwel werd op 6 juni 2005 een aanvraag ingediend bij het College van Burgemeester en Schepenen voor de stedenbouwkundige regularisatie van de mestkippenstal/loods en de aanleg van een betonverharding en de gevelwijzi- ging van de stalling (vergroting van de poortopening). Door de koppeling stenbouwkundige vergunning - milieuvergunning; komt de beroepen milieuver- gunning waarover de Bestendige Deputatie zich zal uitspreken, toch te vervallen bij de definiteve weigering van de stedenbouwkundige regularisatie.
  15. g)Strijdigheid met artikel 33 van het Mestdecreet: VII-35.821-9/27 Dit is niet correct. Er wordt voldaan aan alle criteria van het Mestdecreet indien de vergunde mestproductie op de nieuwe inrichting beperkt blijft tot 1.070 kg P205 en 2.288 kg N, overeenkomstig 3.691 slachtkippen.
  16. h)Volgende bepaling uit het KB van 28 december 1972 is onwettig: 'gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuit- breidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft'. De uitzondering voor woongebieden met landelijk karakter is onwettig want er is geen enkel verantwoord criterium waarom deze woonzones geen bescherming verdienen. Dit argument is niet relevant. De Bestendige Deputatie is ertoe gehouden de bestaande wetten en besluiten toe te passen. Zolang dit artikel niet gewijzigd of opgeheven wordt, blijft het van toepassing.
  17. i)Het niet naleven van de Nitraatrichtlijn te Nevele: Dit argument is niet relevant. Deze Europese Nitraatrichtlijn werd niet (of niet voldoende) geïmplemen- teerd in de Vlaamse regelgeving. Het is de rechter die moet nagaan of de Europese Nitraatrichtlijn direct werkend is en toepasbaar is in de Belgische rechtsorde. De Bestendige Deputatie is in de beroepsprocedure tegen milieuvergunningen er enkel toe gehouden de Vlaamse milieuregelgeving toe te passen.
  18. j)Er werd geen enkele bijzondere voorwaarde opgelegd om de hinder voor de omgeving tot een minimum te beperken: Er worden inderdaad geen bijzondere voorwaarden opgelegd in het besluit van 18 juli 2005. Er wordt evenwel vergunning verleend onder de voorwaarden van Vlarem, zijnde de algemene en sectorale milieuvergunningsvoorwaarden. Dit om de hinder voor de omgeving tot een minimum te beperken.
  19. k)Andere omwonenden durven niet te reageren of zijn moedeloos geworden: Dit argument is niet relevant. Overwegende dat met betrekking tot de argumenten aangehaald tijdens het openbaar onderzoek volgende bespreking kan worden weergegeven :
  20. a)Het betreft het wettigen van het niet meer bestaand kippenbedrijf van Jos Taveirne: er zijn geen geldige milieuvergunningen en stedenbouwkundige vergunningen meer aanwezig: De huidige milieuvergunningsaanvraag betreft inderdaad de exploitatie van een nieuwe inrichting; evenwel gekoppeld aan de stopzetting van een andere veeteeltinrichting. Op 6 juni 2005 werd een aanvraag ingediend bij het College van Burgemeester en Schepenen voor de regularisatie van de mestkippen- stal/loods en de aanleg van betonverharding en gevelwijziging van de stalling.
  21. b)Vrees voor toenemende overlast van meel- en stofuitstoot en geuruitstoot van de stallen en nachtlawaai door laden en lossen; op de reeds bestaande overlast van gelijkaardige bedrijven in de onmiddellijke omgeving, al dan niet zonder de juiste vergunning: Het spreekt voor zich dat een landbouwbedrijf enige hinder met zich zal meebrengen, maar mits het opleggen van passende voorwaarden én een degelijke bedrijfsvoering kan de hinder voor de omgeving tot aanvaardbare burenhinder beperkt blijven. De controle op het naleven van de opgelegde voorwaarden behoort tot de bevoegdheid van de toezichthoudende overheid. Er dient opgemerkt dat de woning van de bezwaarvoerder zich niet in de onmiddellijke buurt van de inrichting bevindt.
  22. c)In de omgeving zijn metingen gedaan die wijzen op een grote nitraatvervui- ling in het oppervlaktewater en in het grondwater en dat voor een water- winningsgebied: de inrichting is gelegen in het waterwinningsgebied van Kluizen: VII-35.821-10/27 De ligging van de pluimveehouderij voldoet aan de verbodsbepalingen van Vlarem II.
  23. d)Er is een slechte luchtkwaliteit en de bezwaarvoerder is chronisch luchtwe- gen patiënt: Ter vrijwaring van hinder zijn enkel de afstandsregels van toepassing ten opzichte van hindergevoelige gebieden. Deze afstandsregels worden gerespec- teerd. Mits een degelijke bedrijfsvoering kan de hinder voor de omgeving tot het aanvaardbare beperkt blijven. Er dient nogmaals opgemerkt dat de woning van de bezwaarvoerder zich niet in de onmiddellijke buurt van de inrichting bevindt.
  24. e)Waardevermindering van de eigendom van de bezwaarvoerder: De milieuvergunningsaanvraag dient beoordeeld op haar planologische en milieuhygiënische verenigbaarheid. Waardevermindering van de woning van de bezwaarvoerder maakt daar geen onderdeel van uit.
  25. f)De gemeente is niet consequent: voor een gelijklopende milieuvergunnings- aanvraag is de vergunning geweigerd en het ging bovendien over een kippenstal met vrije uitloop: Dit argument is niet relevant. De milieuvergunningsaanvraag dient te worden getoetst aan de milieuhygiënische en planologische verenigbaarheid. Andere vergunningen maken daar geen onderdeel van uit.
  26. g)Er is een lacune in de wetgeving: er is voor kippenstallen geen verplichting tot milieuvriendelijke uitbating, enkel een code goede praktijk: De milieuvergunningsaanvraag dient te worden getoetst aan de vigerende wetgeving.
  27. h)Blijkens het advies van de VLM bevat de aanvraag geen correcte cijfers wat betreft het ware dierenaantal: Indien de aanvraag beperkt blijft tot een uitbreiding tot in totaal 3.691 stuks slachtkippen, zijnde 1.070 kg P2O5 en 2.288 kg N is er na stopzetting geen stijging van de mestproductie en is voldaan aan artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet.
  28. i)Het betreft het oneigenlijk gebruik van de milieuvergunning: de heer Taveirne zal nadien het bedrijf overnemen en onmiddellijk nadien een uitbreiding aanvragen om terug naar 40.000 dieren te gaan. Daardoor gaat men bedrijven die wel wettelijk zijn in hun expansiemogelijkheden hypothekeren: Een (landbouw)bedrijfsverplaatsing is slechts mogelijk indien de vergun- ningsaanvrager minstens vijf jaar effectief de vergunningshouder is. Dergelijke vergunningen worden kort na een eventuele goedkeuring overgelaten aan een nieuwe exploitant. Er is geen regelgeving die dit verbiedt. De uitbreiding tot 40.000 stuks pluimvee is niet het voorwerp van de huidige aanvraag.
  29. j)De heer Van Den Buys zal nooit gaan wonen op de locatie waardoor er van een echte verplaatsing dus geen sprake is. Bovendien is het niet duidelijk of de veestapel van de heer Van Den Buys een bijverdienste of hoofdactiviteit was. Vermoedelijk was dit een uitbollend bedrijf: Dit argument is niet relevant. De verplaatsing voldoet aan de bepalingen van het Mestdecreet.
  30. k)De beperktheid van de mogelijks te vergunnen aantal dieren laat niet toe deze inrichting als een volwaardige activiteit te beschouwen: Dit argument is niet relevant. De verplaatsing voldoet aan de bepalingen van het Mestdecreet.
  31. l)Er lopen nog een aantal rechtszaken tegen de eigenaars van het goed (Taveirne/De Marteleire): Dit argument is niet relevant. De milieuvergunningsaanvraag dient te worden getoetst aan de milieuhygiënische en planologische verenigbaarheid. VII-35.821-11/27
  32. m)De grondwaterwinning op de inrichting is niet meer vergund en er zijn reeds een groot aantal grondwaterwinningen met een groot debiet in de omgeving: De grondwaterwinning maakt geen deel uit van het voorwerp van de aanvraag.
  33. n)Er zal in het ruimtelijk uitvoeringsplan rekening moeten worden gehouden met het grote aantal vergunde landbouwbedrijven om te voldoen aan de EG-normen. Er is nog geen ruimtelijk uitvoeringsplan en Poesele heeft geen echte woonzone: De ligging van de inrichting dient getoetst aan de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewest- plannen. De ligging van de inrichting in een agrarisch gebied is hiermee in overeenstemming. Overwegende dat de nota van de appellant neergelegd ter zitting van de PMVC geen andere argumenten bevat dan wat in het bezwaarschrift tijdens het openbaar onderzoek en in het beroepschrift werd weergegeven; dat alle argumenten hierboven werden besproken en weerlegd; Overwegende dat de nota van de raadsman van de exploitant de redenering en argumentatie van de provinciale milieudeskundige en van de Provinciale milieuvergunningscommissie volgt, zodat kan verwezen worden naar bovenstaande bespreking: Overwegende dat de exploitant, overeenkomstig artikel 43 §2. van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning steeds alle maatregelen dient te nemen om schade en hinder te voorkomen; Overwegende dat de vergunningverlenende overheid, overeenkomstig artikel 20 van het milieuvergunningsdecreet, onverminderd de bepalingen van dezelfde wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten bij het verlenen van een vergunning bijzondere voorwaarden kan opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu; Overwegende dat, wat voorafgaat in acht genomen, kan gesteld worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvoorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat de gevraagde exploitatie milieuhygiënisch, stedenbouw- kundig, planologisch en ecologisch verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; dat bijgevolg de gevraagde vergunning kan worden verleend; Overwegende dat er reden bestaat om het besluit van de Bestendige Deputatie van 5 januari 2006 genomen in dit beroep in te trekken; dat de VLM terecht heeft opgemerkt dat er een fout is geslopen in de redactie van artikel 1 van het besluit; dat het College van Burgemeester en Schepenen van Nevele de vergunning had verleend voor 3691 slachtkippen; dat het beroep ongegrond werd verklaard door de Bestendige Deputatie en het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van 18 juli 2005 werd bevestigd; dat in art. 1 van het besluit van de Bestendige Deputatie 4496 slachtkippen werdenvergund; dat de 60 dagen termijn om een annulatieberoep bij de Raad van State in te stellen nog niet is verstreken". VII-35.821-12/27 IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Eerste exceptie Standpunt van de partijen 14. De tussenkomende partij betwist in haar verzoekschrift het persoonlijk en rechtstreeks belang van de verzoeker. Zij meent dat het door de verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift geciteerde arrest van de Raad van State nr. 118.186 van 9 april 2003 niet ter zake doet, aangezien het toen ging om 19.500 kippen en nu om slechts 3.691 kippen, en stelt dat in de praktijk is gebleken, gelet op de tijdstippen van de klachten, dat de verzoeker geen hinder ondervindt en dat tegen vergunningen verleend aan andere veeteeltbedrijven in de omgeving door de verzoeker nooit werd geageerd. 15. De verzoeker argumenteert in zijn verzoekschrift een persoonlijk belang te hebben doordat zijn gezondheid en zijn woon- en leefklimaat zullen worden aangetast en doordat de waarde van zijn eigendom zal verminderen. Hij gaat verder in op de concrete kenmerken van de omgeving, en de ligging van zijn woning op "enkele honderden meters" afstand, in de ongunstige windrichting in een open landschap. Hij wijst er op dat de verwerende partij zijn belang reeds heeft aanvaard door zijn administratief beroep ontvankelijk te bevinden, dat ook duidelijk is dat de exploitant de vergunde inrichting opnieuw zal willen uitbreiden en citeert uit het arrest van de Raad van State nr. 118.186 van 9 april 2003 waarbij een exceptie, opgeworpen door de exploitant, werd verworpen. 16. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij gezondheidsproblemen heeft en lijdt aan allergische bronchitis "met specifieke overgevoeligheid aan kippenstof en allerlei stofdeeltjes", dat het feit dat er thans minder kippen zijn vergund dan voorheen niet betekent dat hij geen hinder meer zou lijden, dat er ook hinder is ingevolge de gebruikte ontsmettingsproducten en insecticiden, en psychisch onbehagen door de geurhinder, en dat inmiddels ook is gebleken dat de tussenkomende partij reeds de verandering en uitbreiding heeft gevraagd naar 23.691 "opfokpoeljen". Hij citeert studies inzake de uitstoot van stof en kiemen uit kippenhouderijen. VII-35.821-13/27 Beoordeling 17. De verzoeker woont op een afstand van 400 tot 500 meter van de vergunde inrichting en tussen zijn woning en de inrichting is er enkel open ruimte. Dat er voorlopig een relatief klein aantal dieren is vergund en dat er in de omgeving nog andere hinderlijke veeteeltbedrijven worden geëxploiteerd, betekent niet dat aan de verzoeker het belang kan worden ontzegd om de milieuvergunning met een annulatieberoep te bestrijden. Daarvoor zou moeten blijken dat het voor de verzoeker geen enkel verschil uitmaakt of de vergunde inrichting al dan niet wordt geëxploiteerd. Dit is te dezen niet het geval. De exceptie wordt verworpen. B. Tweede exceptie Standpunt van de partijen 18. De verzoeker stelt in zijn memorie van wederantwoord dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nevele op 13 februari 2006 akte heeft genomen van een melding van overname van 2 december 2005, dat er op die laatste datum nog geen definitieve milieuvergunning was, dat de aktename de op 5 januari 2006 verleende milieuvergunning vermeldt, dat die milieuvergunning evenwel bij het bestreden besluit werd ingetrokken, dat de aktename van de melding van overname met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten en dat als gevolg daarvan de tussenkomst onontvankelijk is. 19. De tussenkomende partij wijst er in haar toelichtende memorie op dat het administratief beroep van de verzoeker geen schorsende werking heeft, dat er op 13 februari 2006 akte werd genomen van de melding van overname, nadat de bestreden vergunning van 9 februari 2006 reeds was verleend, dat het de inrichting is die wordt overgenomen en niet de vergunning. 20. De verzoeker verklaart zich in zijn laatste memorie akkoord met het feit dat de aktename van de melding niet buiten toepassing kan worden verklaard op basis van artikel 159 van de Grondwet, doch stelt dat er geen overname mogelijk was omdat er geen bestaande rechtsgeldige exploitatie was in hoofde van de overlater. VII-35.821-14/27 Beoordeling 21. Luidens artikel 19 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) is de enige vereiste voor een geldige overname de voorafgaande melding ervan. Het recht om te exploiteren hangt niet af van de aktename van die melding, die dan ook geen rechtshandeling is, en daarom ook niet buiten toepassing kan worden gelaten in de zin van artikel 159 van de Grondwet. De tussenkomende partij is titularis van de bestreden vergunning en heeft bijgevolg het vereiste belang bij haar tussenkomst. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 22. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 159 van de Grondwet; hij stelt dat artikel 5.9.5.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) onwettig is, dat het bestreden besluit bijgevolg berust op de toepassing van een onwettig artikel en dus in rechte niet afdoende materieel gemotiveerd is. De verzoeker is van oordeel dat artikel 5.9.5.3 van Vlarem II dat de exploitatie van pluimveestallen met mengmest, maar niet van pluimveestallen met een strooiselvloer, in onder meer waterwinningsgebieden verbiedt, in strijd zou zijn met het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : milieubeleidsdecreet). Hij ziet geen redelijke en objectieve verantwoording waarom enkel pluimveehouderijen die mengmest produceren niet toegestaan zijn in een waterwinningsgebied en stelt dat artikel 5.9.5.3 van Vlarem II kennelijk onredelijk en disproportioneel is omdat er op de uitbating van pluimveehouderijen die droge mest produceren geen enkele kwantitatieve beperking staat wat eveneens in het licht van artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet onwettig is. De verzoeker stelt dat er in artikel 5.9.5.3, § 1, van Vlarem II geen sprake is van een integratie van de principes uit artikel 1.2.1, § 3, van het milieube- leidsdecreet en dat er ook geen rechtsgeldige omzetting gebeurd is van de richtlijn VII-35.821-15/27 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (hierna : nitraatrichtlijn) aangezien volgens deze richtlijn de vervuiling van water door stikstofverbindingen in kwetsbare zones moet worden verminderd, dat de gmeente Nevele in een kwetsbare zone water ligt, dat iedere pluimveehouderij mest produceert die de waterlagen aantast of kan aantasten, dat de beperking tot pluimveehouderijen met mengmest in het huidige artikel 5.9.5.3, § 1, van Vlarem II strijdig is met de verplichting tot omzetting van de nitraatrichtlijn, dat artikel 5.9.5.3., § 1, van Vlarem II buiten toepassing moet worden verklaard en dat daarom het advies van de VLM op een onwettig artikel berust. 23. De verwerende partij antwoordt dat zij als milieuvergunning- verlenende overheid verplicht is om toepassing te maken van de bestaande reglementering betreffende deze materie, dat zij geen enkele bevoegdheid heeft om de wettelijkheid daarvan te toetsen en dat een correcte toepassing werd gemaakt van de aangevochten Vlarem II - bepalingen. 24. De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift dat de verzoeker in feite meent dat het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, geschonden is, maar deze artikelen niet aanwijst zodat de rechtsregels waarop hij zich baseert niet op voldoende duidelijke wijze zijn omschreven, dat het eerste middel daarom onontvankelijk is, dat de verzoeker bovendien geen enkel belang heeft bij het aanvoeren van de onwettigheid van artikel 5.9.5.3 van Vlarem II omwille van de door hem aangehaalde reden, dat de aangewende onwettigheid enkel zou betekenen dat de Raad van State dit artikel buiten toepassing moet laten, dat hierdoor niet opeens wél afstandsregels zouden gelden ten opzichte van waterwinningsgebieden voor pluimveebedrijven met vaste mest, zoals dat van de tussenkomende partij, dat hierdoor evenmin het bestreden besluit onwettig zou worden, dat het eerste middel bijgevolg onontvankelijk is bij gebrek aan belang, dat niet valt in te zien in welke mate het desbetreffende artikel onwettig zou zijn, dat de verzoeker er zonder meer van uitgaat dat dergelijke bedrijven even "schadelijk" zijn voor de waterhuishouding als bedrijven die mengmest gebruiken maar dit op geen enkele manier aantoont, dat er wel degelijk een fundamenteel verschil tussen beide bestaat, nu er bij vaste mest nauwelijks of geen risico bestaat op insijpeling in de grond en het grondwater, dat de waterwin- ningsgebieden hierdoor niet worden aangetast, en dat dezelfde redenering geldt voor de nitraatrichtlijn. VII-35.821-16/27 25. De verzoeker repliceert dat de verwerende partij de interne wetgeving niet mag toepassen wanneer deze "in strijd is met wetgeving van hogere orde, zoals i.c. de Nitraatrichtlijn", dat de Raad van State hoe dan ook artikel 159 van de Grondwet desgevallend wel moet toepassen, dat hij wel degelijk belang heeft bij het middel, dat hij niet inziet waarom hij niet de onwettigheid zou kunnen inroepen van een bepaling die hem ten onrechte van bescherming verstoken houdt, dat uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat hij mede een schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert en dat deze schending in elk geval ambtshalve kan worden onderzocht. De verzoeker zet voorts uitvoerig uiteen waarom het onredelijk is een onderscheid te maken tussen stallen met mengmest en stallen met vaste mest, en dat kippenmest hoe dan ook een belasting vormt voor "het wateraspect binnen een waterwinningsgebied". 26. De tussenkomende partij wijst er op dat de verzoeker zelf aangeeft dat er een verschil is tussen vaste mest en mengmest, en dat het nu net dat onderscheid is dat verantwoordt dat artikel 5.9.5.3 van Vlarem II alleen voor mengmest afstandsregels oplegt ten aanzien van waterwinningsgebieden, met name dat droge vaste mest immers onmiddellijk opgenomen en weggevoerd wordt zodat het niet ter plaatse in de grond kan dringen en de belangrijke onderlagen kan aantasten, terwijl voor natte mengmest dat risico veel groter is. 27. In zijn laatste memorie haalt de verzoeker verschillende artikelen aan van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Beoordeling 28. De door de verzoeker geciteerde artikelen van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen zijn in deze niet terzake dienend aangezien zij pas in werking zijn getreden op 1 januari 2007 terwijl het bestreden besluit dateert van 9 februari 2006. 29. Artikel 5.9.5.3, § 1, van Vlarem II luidt als volgt: "Het is verboden inrichtingen omvattende één of meer pluimveestallen met mengmest, ongeacht het aantal stuks gevogelte dat in de inrichting wordt gehouden, te exploiteren die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een waterwingebied en/of een beschermingszone type I, II of III". VII-35.821-17/27 Het gebeurlijk buiten toepassing laten van die bepaling leidt er niet toe dat voor andere pluimveestallen dan stallen met mengmest een verbodsregel zou tot stand komen, waardoor het beroepen besluit zou moeten worden geweigerd. Het eerste middel is bijgevolg onontvankelijk bij gebrek aan belang. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 30. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 30bis en 50, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van artikel 1.2.1 van het milieubeleidsdecreet en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker argumenteert dat er in het bestreden besluit geen maatregelen worden getroffen om het leefmilieu op een hoog niveau te beschermen conform artikel 1.2.1, § 2, van het milieubeleidsdecreet en artikel 30bis van Vlarem I, dat als bijzondere voorwaarden enkel zaken worden opgelegd die betrekking hebben op de brandveiligheid, de tankbeurten van de stookolietanks en de opvang van hemelwater, doch dat er geen maatregel voorzien wordt om de luchtvervuiling van de stal tegen te gaan, terwijl genoegzaam bekend is dat de lucht van kippenstallen, meer nog dan van bijvoorbeeld varkenshouderijen, sterk beladen is met geurcomponenten en ziektekiemen, dat er nochtans degelijke en beschikbare technische procédés bestaan om milieuhinder door pluimveehouderijen te beperken en dat er dan ook sprake is van een niet afdoende beantwoording van de grieven en van een kennelijk onredelijke belangenafweging. 31. De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit de beroepen beslissing heeft aangevuld met de door de verzoeker opgesomde bijzondere voorwaarden, dat derhalve algemene en sectorale Vlarem II - voorwaar- den die oorspronkelijk werden opgelegd onverminderd van toepassing blijven en dat die onder meer voorschriften inzake de beluchting van de stallen behelzen. 32. De tussenkomende partij argumenteert in haar verzoekschrift dat de verzoeker op geen enkele manier zijn bewering hard maakt dat het "genoegzaam bekend is" dat de lucht van kippenstallen sterk beladen is met geurcomponenten en dergelijke meer en dat hiervoor degelijke en beschikbare technische procédés VII-35.821-18/27 bestaan, dat kippenbedrijven inderdaad enige hinder veroorzaken, maar dat zulks eigen is aan milieuvergunningsplichtige inrichtingen, dat het aan de verzoeker toekomt aan te tonen dat deze hinder zodanig groot zou zijn dat dit het opleggen van bijkomende maatregelen vereist, dat de verzoeker dit niet bewijst, dat de verzoeker evenmin bewijst dat de door hem voorgestelde maatregelen kunnen of moeten opgelegd worden om een oplossing te bieden voor de beweerde luchtverontreiniging en geurhinder, dat een studie aantoont dat de door de verzoeker genoemde technieken niet haalbaar zijn in haar stallen, dat de algemene sectorale en bijzondere voorwaarden volstaan, dat de verzoeker het aangehaalde artikel 30bis van Vlarem I in die zin interpreteert dat via de milieuvergunning elke vorm van hinder moet worden vermeden, dat deze interpretatie niet correct is, en dat de verwerende partij een uitgebreide afweging heeft gemaakt van alle elementen en voldoende maatrege- len heeft getroffen. 33. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij reeds "in de vorige annulatieprocedure" heeft bewezen "dat kippenstallucht sterk beladen is met ziektekiemen, geurcomponenten, enz.", dat hij stukken neerlegt "waarin wordt aangetoond hoe milieuongezond kippenstallucht is", dat het bestreden besluit geen bijzondere voorwaarden oplegt gericht op de bescherming van de luchtkwaliteit en dat de in de vergunningsaanvraag opgesomde maatregelen niets over luchtzuivering bevatten. Beoordeling 34. Een milieuvergunning moet er niet op gericht zijn om alle hinder uit te sluiten, maar om er voor te zorgen dat de hinder binnen aanvaardbare perken blijft. De beoordeling van de aanvaardbaarheid van de hinder hangt in hoge mate af van de concrete omstandigheden en behoort - voor zover is voldaan aan de algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II - tot de beleidsbevoegdheid van het bestuur. De verzoeker beperkt zich tot algemene bewoordingen en laat na concrete argumenten aan te voeren die zouden aantonen waarom de verwerende partij niet in redelijkheid kon oordelen dat de hinder van de inrichting, gelet op haar aard, omvang en ligging, binnen aanvaardbare perken zal blijven, zodat geen bijkomende bijzondere vergunningsvoorwaarden moeten worden opgelegd. Het tweede middel is ongegrond. VII-35.821-19/27 C. Derde middel Standpunt van de partijen 35. De verzoeker roept in een derde middel de schending in van de artikelen 5, 6, 7 en 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna : decreet integraal waterbeleid), van "de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven" en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). De verzoeker stelt hierbij dat het bestreden besluit onder het toepassingsgebied valt van het decreet integraal waterbeleid, dat een milieuvergun- ning steeds aan een zogenaamde watertoets moet worden onderworpen, dat minstens de vraag moet worden gesteld of een schadelijk effect te verwachten is, dat het risico op een schadelijk effect bestaat, gelet op de ligging in het waterwinningsgebied van Kluizen en in een kwetsbare zone water, dat de watertoets moet worden opgenomen in de formele motivering van de beslissing en er moet worden getoetst aan de in artikel 6 van het decreet integraal waterbeleid opgesomde beginselen, dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat er te dezen eigenlijk geen watertoets is gebeurd, dat niet is voldaan aan de bijzondere motiveringsverplichting van de verhouding van de inrichting ten aanzien van de doelstellingen en beginselen van de artikelen 5 en 6 van het decreet integraal waterbeleid en dat het voorzorgsbeginsel aandacht vergde voor concrete voorzieningen met betrekking tot het reinigingswater van de stal. 36. De verwerende partij antwoordt dat in dit dossier geen advies werd gevraagd aan de door de Vlaamse regering aan te duiden instantie omdat die aanduiding nog niet is gebeurd, dat er wel degelijk aandacht werd besteed aan het aspect waterbeleid in het bestreden besluit, dat er geen concrete voorzieningen zijn opgenomen voor het reinigingswater van de stallen omdat zulks niet nodig is aangezien artikel 5.9.8.5, § 1, van Vlarem II elke lozing van dierlijke mest onder de vorm van gier, mengmest of onder om het even welke andere vorm verbiedt, dat artikel 5.9.8.5, § 2, van Vlarem II bepaalt dat mest in vloeibare vorm en het percolaat van dierlijke mest moet worden opgevangen en verzameld in een mestdichte opslagruimte of opslagplaats in of buiten de stal, dat in het bestreden besluit onder meer sprake is van de opslag van tien m³ vloeibare mest in een cisterne VII-35.821-20/27 en dat deze maatregelen volstaan om de lozing van het reinigingswater van de stallen te laten verlopen conform de geldende voorschriften. 37. De tussenkomende partij betwist in haar verzoekschrift niet dat de watertoets moest gebeuren, maar stelt dat uit de watertoets geen absolute plicht kan volgen tot weigering van vergunningen, dat de overheid een bepaalde afwegingsruimte behoudt en dat de watertoets moet gebeuren in het licht van het redelijkheidsbeginsel, dat de overheid moet nagaan of door de aflevering van de milieuvergunning schadelijke effecten op het gebied van water te verwachten zijn, dat daarbij niet met elk schadelijk effect rekening moet worden gehouden, dat de vergunningverlenende overheid moet bepalen wat zij als schadelijke effecten beschouwt, of die aanwezig zijn en aanleiding moeten geven tot het opleggen van bijkomende voorwaarden, dan wel het weigeren van de vergunning, dat het decreet integraal waterbeleid bijkomende instrumenten biedt om die beoordeling te maken, zoals waterbeheersplannen en een adviesorgaan, die wel nog niet bestaan, dat de concrete uitwerking van de watertoets er nog niet is, dat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt dat de verwerende partij wel degelijk nagekeken heeft welke de schadelijke effecten kunnen zijn op het vlak van de waterhuishouding, waarbij zij zelfs een bijkomende bijzondere voorwaarde heeft opgelegd om de mogelijke schadelijke effecten op te vangen, en dat de verzoeker niet aantoont welke andere schadelijke effecten er zouden zijn die de verwerende partij voor ogen had moeten houden. 38. De verzoeker repliceert dat de verwerende partij het advies kon en mocht inwinnen van de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM) zonder dat een bijkomende specifieke aanwijzing door de Vlaamse regering was vereist, dat er ook een afdeling Water van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bestaat, dat ook de grondwaterdeskundigen van het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek over de nodige expertise beschikken, dat door geen advies in te winnen van diensten inzake water, het bestreden besluit in strijd is met het decreet integraal waterbeheer, dat wat de motivering van het bestreden besluit betreft, deze enkel betrekking heeft op de mogelijke vervuiling door de opslag van petroleum, dat de watertoets gelinkt wordt aan de "waterbalans" en de "geleverde inspanningen" zonder dat dit gestaafd wordt aan de hand van stukken, dat er mengmest geproduceerd wordt en andere schadelijke effecten voor water via de lucht te verwachten zijn, dat de nitraatrichtlijn directe werking heeft ten aanzien van de verwerende partij en dat het onduidelijk is wat er gebeurt met de inhoud van de citernes. VII-35.821-21/27 De verzoeker argumenteert voorts dat het decreet integraal waterbeleid een beperking tot betekenisvolle schadelijke effecten niet voorziet, dat de vergunning minstens ook voor beweerde geringe effecten aangepast moet worden gemotiveerd, en dat het decreet integraal waterbeleid in werking is getreden en bijgevolg moet worden toegepast. 39. De tussenkomende partij wijst er in haar memorie op dat uit geen enkele bepaling van het decreet integraal waterbeleid blijkt dat een advies van één van de voormelde instanties vereist is. 40. In zijn laatste memorie argumenteert de verzoeker dat het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken, dat geciteerd is in het auditoraatsverslag, enkel voor de toekomst als interpretatief decreet kan gelden en dat het bestreden besluit dateert van vóór de inwerkingtreding van dit decreet. Beoordeling 41. Voor zover de verzoeker in dit middel aanvoert dat geen advies is gevraagd of gegeven, stelt de Raad van State vast dat dit onderdeel slechts voor de eerste maal aan bod gekomen is in de memorie van wederantwoord van de verzoeker. Dit onderdeel is bijgevolg niet ontvankelijk. 42. Met betrekking tot de watertoets luidde artikel 8, § 2, tweede lid, van het decreet integraal waterbeleid ten tijde van het bestreden besluit : "De beslissing die de overheid neemt in het kader van §1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst". Deze bepaling werd bij artikel 43 van het decreet van 25 mei 2007 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu, energie en openbare werken gewijzigd in : "De beslissing die de overheid neemt in het kader van §1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid". In de memorie van toelichting bij het voornoemde decreet van 25 mei 2007 (Parl. St., Vl.Parl. 2006-07, nr. 1164/1) wordt hierover gesteld : VII-35.821-22/27 "Ook de overige wijzigingen beogen een aantal rechtsonzekerheden uit de weg te ruimen. Aldus wordt in het tweede lid van §2, dat betrekking heeft op de bijzondere motiveringsplicht, bepaald dat de overheid bij haar motivering van de watertoets rekening houdt met de relevante doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid. In de vergunningenpraktijk rees soms de vraag wat de draagwijdte is van de verplichting vervat in het tweede lid van artikel 8, §2, om de beslissing over de watertoets in elke geval aan de doelstellingen en de beginselen van integraal waterbeleid te toetsen. Het spreekt voor zich dat enkel de relevante doelstellingen en beginselen in de beoordeling moeten worden betrokken. Overigens is het logischer dat wordt gesteld dat de overheid bij het nemen van een beslissing over de vergunningsaanvraag, naast overige elementen, 'rekening houdt' met die relevante doelstellingen en beginselen. Dit sluit aan bij de formulering van de inleidende zin van de artikelen 5 en 6 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid". Het gaat dus niet om een wijziging van de norm, maar om een tekstverduidelijking die verkeerde interpretaties moet tegengaan. Het behoort tot het wezen van een interpretatief decreet dat zij, onder voorbehoud van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, terugwerkt tot op de datum van de inwerkingtreding van de decreetsbepaling die zij interpreteert. Het bestreden besluit heeft rekening gehouden met de ligging in waterwingebied en heeft vastgesteld dat artikel 5.9.5.3 van Vlarem II geen verbod instelt voor de exploitatie van dit type van stalling. Het heeft ook de beveiligings- maatregelen voor de opslag van petroleum en mazout beoordeeld en een bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd. Het bestreden besluit heeft vastgesteld dat geen lozing van bedrijfsafvalwater wordt gevraagd en dat er nog een geldende vergunning is voor de grondwaterwinning, en heeft als bijzondere vergunningsvoorwaarde opgelegd dat het hemelwater van het dak moet worden opgevangen en gebruikt voor geschikte toepassingen. Er zijn geen relevante doelstellingen of beginselen over het hoofd gezien. De watertoets is niet op een kennelijk onredelijke wijze gebeurd. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 43. De verzoeker roept in een vierde middel de schending in van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet, van de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven en van het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-35.821-23/27 De verzoeker stelt dat de stop te zetten inrichting slechts gedeeltelijk in een woongebied met landelijk karakter ligt, dat de verwerende partij, door te stellen dat de stop te zetten inrichting volledig in een woongebied met landelijk karakter gelegen is, niet zorgvuldig is geweest, dat dan ook vaststaat dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 33ter § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet, dat het advies van de VLM van 10 oktober 2005 voornoemd artikel schendt wanneer het stelt dat vereist is dat de nieuwe inrichting volledig moet gelegen zijn in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat de stop te zetten inrichting geheel of gedeeltelijk in een gebied ander dan agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied moet liggen, dat immers de beide voorwaarden betrekking hebben op het "volledig" in een bepaald gebied liggen, niet over een "geheel of gedeeltelijk" in een bepaald gebied liggen. 44. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten dat de ingedeelde inrichting niet volledig gelegen zou zijn in een woongebied met landelijk karakter en dat artikel 33ter § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet vereist dat de stop te zetten inrichting volledig is gelegen in een ander gebied dan agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 45. De verzoeker repliceert dat enkel rekening kan worden gehouden met de feitelijke informatie die hij van de gemeente Wuustwezel heeft gekregen en dat artikel 33ter § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet een uitzonderingsbepaling betreft die uit haar aard beperkend moet worden geïnterpreteerd. Beoordeling 46. Artikel 33ter, § 1, 1/, c), 5), van het meststoffendecreet liet toe een milieuvergunning te verlenen voor : "de exploitatie van een nieuwe veeteeltinrichting in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied in combinatie met de volledige stopzetting van een bestaande veeteeltinrichting, die beschikt over een nutriëntenhalte, gelegen in een ander gebied dan agrarisch gebied of landschap- pelijk waardevol agrarisch gebied". In de memorie van toelichting bij die bepaling (Parl. St., Vl.Parl. 2002-03, nr. 1559/1) luidt het : "Voor ongunstig gelegen inrichtingen is de mogelijkheid tot verplaatsing een hulp om koude sanering te voorkomen. (...) VII-35.821-24/27 Er worden geen bijzondere criteria, zoals onverenigbaarheid met het gebied, milieukundige redenen e.d. opgelegd om te kunnen verplaatsen. In het verleden is immers gebleken dat deze redenen sterk voor interpretatie vatbaar zijn en bij een verschillende beoordeling door de bevoegde overheden kunnen leiden tot een niet congruent beleid inzake verplaatsingen. Er wordt van uitgegaan dat veeteeltactiviteiten bij voorkeur thuishoren in agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dat inrichtingen die gelegen zijn in ander gebieden potentieel allemaal in aanmerking moeten kunnen komen om te verhuizen naar agrarisch gebied of landschappelijk waardevol agrarisch gebied". De bedoeling van de decreetgever bestond er in om inrichtingen die door hun ruimtelijk ongunstige ligging belemmerd werden in hun exploitatie, de kans te geven te verplaatsen naar het bestemmingsgebied waar ze bij voorkeur thuishoren. Vanuit dat oogmerk is er geen reden om inrichtingen die slechts gedeeltelijk buiten landschappelijk waardevol agrarisch gebied liggen van deze mogelijkheid uit te sluiten. Het vierde middel is ongegrond. E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 47. De verzoeker roept in een vijfde middel de onwettigheid in van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbe- sluit). Hij voert tevens de schending aan van het gelijkheids-, het non-discriminatie- en het rechtszekerheidsbeginsel en meent dat er sprake is van een onwettige motivering. De verzoeker stelt dat artikel 11 van het inrichtingsbesluit discriminerend is omdat het wel een afstandsregel bevat voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt ten aanzien van "gewoon" woongebied en woonuitbreidingsgebied, maar niet ten aanzien van woongebied met landelijk karakter alsook omdat artikel 11 van het inrichtingsbesluit geen interne bufferzone oplegt in agrarische gebieden en wel in industriegebieden. Voorts stelt de verzoeker dat artikel 11 van het inrichtingsbesluit het rechtszekerheidsbeginsel schendt doordat gebruik gemaakt wordt van termen die de burger onmogelijk kan verstaan en dat het artikel strijdig is met het evenredig- heidsbeginsel. VII-35.821-25/27 48. De verwerende partij antwoordt dat het haar niet toekomt de wettigheid van de toe te passen reglementering in vraag te stellen. 49. De tussenkomende partij werpt in haar verzoekschrift op dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel omdat hij zelf op een afstand van minstens 500 meter van de inrichting van de tussenkomende partij woont, dat zelfs indien voor woongebieden met landelijk karakter dezelfde afstandsregels zouden gelden als ten opzichte van gewone woongebieden - 300 meter - dan nog zou dit ten aanzien van de verzoeker geen verschil maken, en dat indien de Raad van State het desbetreffende artikel 11 onwettig zou bevinden, dit dan enkel betekent dat de Raad het artikel in kwestie buiten toepassing moet laten, en niet dat hierdoor plots wél een afstandsregel ten opzichte van het woongebied met landelijk karakter zou gelden. Beoordeling 50. Het buiten toepassing laten van artikel 11 van het inrichtings- besluit zou er niet toe leiden dat de erin voorziene afstandsregel wel zou gelden ten aanzien van een woongebied met landelijk karakter. Er zou geen verplichting tot stand komen om een bufferzone te voorzien in het agrarisch gebied. De in artikel 11 van het inrichtingsbesluit gebruikte termen zijn voor deze vergunningsaanvraag irrelevant. De verzoeker heeft bijgevolg geen belang bij het middel; het middel is onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-35.821-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-35.821-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.