← België

Arrest 197453 - Milieuvergunningen - 29/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.453 Rolnummer: A. 193301/VII-37388 Zaak: Arrest 197453 - Milieuvergunningen - 29/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-12 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Fiche Arrest nr 197.453 van 29 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 197.453 van 29 oktober 2009 in de zaak A. 193.301/VII-37.388. In zake: 1. Adriaan LEMMENS 2. Leon BIESMANS 3. Lodewijk TRUYEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te Genk Stoffelsbergstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Jozef DETERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ilse Cuypers en Bart De Becker kantoor houdend te Antwerpen Frankrijklei 146 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 7 juli 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 28 april 2009 waarbij het beroep, ingediend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 23 mei 2001 houdende de weigering van de vergunning aan Jozef Deters voor het exploiteren van een inrichting voor het bewerken van slachtproducten, gelegen aan de Opitterkiezel 38 te Bree, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend onder naleving van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden. VII-37.388-1/8 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Terence Halsberghe, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Marc Van Passel, die loco advocaten Ilse Cuypers en Bart De Becker verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Met een op 16 juli 2009 ter post afgegeven en aangetekend verstuurd verzoekschrift verzoekt Jozef Deters om in voorliggend geding te mogen tussenkomen. Jozef Deters is de begunstigde van het bestreden besluit zodat zijn verzoek tussenkomst moet worden ingewilligd. Aangezien echter het verzoekschrift tot tussenkomst niet inhoudelijk ingaat op de ingestelde vordering, behoeft het geen verdere aandacht in dit arrest. IV. Feiten 4. Op 6 november 2000 dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie Limburg een aanvraag in voor de exploitatie van een inrichting voor het bewerken van slachtproducten, gelegen aan de Opitterkiezel 36 te Bree. De verzoekers wonen in de onmiddellijke omgeving van dit bedrijf. VII-37.388-2/8 5. Tijdens het openbaar onderzoek worden 311 bezwaarschriften ingediend. 6. Op 23 mei 2001 weigert de deputatie van de provincie Limburg de gevraagde vergunning. 7. Tegen deze beslissing stelt de tussenkomende partij beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw. 8. Op 16 november 2001 verklaart deze het beroep van de tussenkomende partij ongegrond. De beroepen beslissing tot weigering van de gevraagde vergunning wordt bevestigd. 9. Bij arrest nr. 185.809 van 28 augustus 2008 vernietigt de Raad van State dit besluit. 10. Ingevolge dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 23 mei 2001 hernomen. 11. Er worden opnieuw een aantal adviezen ingewonnen : a. de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en de afdeling Milieuvergunningen verlenen gunstige adviezen; b. het advies van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid is slechts gunstig in de mate dat de activiteiten zich beperken tot het verpakken van aangevoerd gedroogd vlees; het ter plaatse drogen van vleesproducten zou daarentegen verboden zijn door het actueel geldend gemeentelijk plan van aanleg; c. de afdeling Toezicht Volksgezondheid adviseert gunstig voor de opslag en bewerking van gedroogd slachtafval maar ongunstig voor het ter plaatse drogen van het slachtafval; d. de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt voor om het beroep slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren en de vergunning te verlenen voor de opslag en het verpakken van gedroogde slachtproducten (en dus niet voor het drogen van vleesafval). 12. Op 28 april 2009 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het thans bestreden besluit. Het beroep dat VII-37.388-3/8 de tussenkomende partij heeft ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 23 mei 2001 wordt gegrond verklaard en de gevraagde milieuvergunning wordt verleend onder naleving van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden. Dit is het bestreden besluit. Met betrekking tot de mogelijke geurhinder legt dit besluit de volgende voorwaarden op : "1) Een geurverwijderingsrendement van de biofilter van 95 % moet gegaran- deerd worden. 2) Het vochtigheidsgehalte van de filterbedvulling moet dagelijks gecontroleerd worden en indien nodig moeten de gepaste acties ondernomen worden. 3) Het filterbedmateriaal wordt tweemaandelijks gecontroleerd op de volgende parameters: sulfaat, zuurtegraad, nitraat, ammoniak en sulfides. 4) a. De biofilter moet wekelijks op zijn goede werking worden geïnspecteerd. De wijze van de inspectie van de biofilter moet door middel van een schriftelijke instructie zijn vastgelegd. In de schriftelijke instructie moet ten minste het volgende zijn vermeld: • de wijze waarop de inspectie moet plaatsvinden met in ieder geval aandacht voor inklinking van het filtermateriaal, voorkoming van kortsluitstromen, de afvoer van percolatiewater en de zuurgraad van het percolatiewater; • de hulpmiddelen die hierbij moeten worden gehanteerd; • de wijze waarop de registratie van de inspectie moet plaatsvinden; • wat te doen bij geconstateerde afwijkingen; De schriftelijke instructie moet altijd op de werkplek van de uitvoerende persoon aanwezig zijn. b. Elke inspectie moet overzichtelijk worden geregistreerd. Hierbij moet ten minste het volgende worden vermeld: • toegepaste methode en middelen; • datum en tijdstip van de inspectie; • resultaat van de inspectie; • genomen actie bij afwijking van de gestelde eisen; c. Bij inklinking van het filtermateriaal moet dit worden aangevuld met nieuw materiaal tot de ontwerphoogte van het filterbed. d. Kortsluitstromen moeten in het gehele filterbed worden voorkomen. Het filtermateriaal moet hiertoe goed tegen de wanden aansluiten en mag geen barsten vertonen. e. Percolatiewater moet door middel van een drainage of een daaraan gelijkwaardige voorziening uit het filterbed worden afgevoerd. Het percolatie- water mag niet op of in de bodem worden gebracht. f. De pH van het percolatiewater van de filter mag niet lager zijn dan 6,5 en niet hoger dan 7,5. Overmatige verzuring van het filtermateriaal moet worden geneutraliseerd met bijvoorbeeld kalk of mergel". Het aantal verkeersbewegingen wordt in het bestreden besluit geschat op twee bestelwagenbewegingen en één vrachtwagenbeweging per dag. VII-37.388-4/8 V. Onderzoek van de vordering 13. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift wordt uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 14. De verzoekers zetten het volgende uiteen: "De verzoekende partij(

  1. en)wonen zeer dicht bij de geplande exploitatie. (...) Het woon-, en leefklimaat van de verzoekende partijen wordt zeer ernstig aangetast. De tweede verzoekende partij baat bovendien ter plaatse (e)en traiteurszaak uit, 'traiteur Leon'. Het spreekt voor zich dat geurhinder niet bevorderlijk is voor de verkoop in een traiteurszaak. Het hoeft geen betoog dat de op te richten constructies een sterke geurhinder en verkeershinder zal veroorzaken Zoals gesteld wordt in het technisch verslag van PRG Odournet NV, is het verwerken of bewerken van dierlijke bijproducten een activiteit bij uitstek waarbij hoge geurconcentratie vrijkomen, meestal met een als erg negatief beschouwd hedonisch karakter. (...) De verzoekende partijen verwijzen dienaangaande naar hun toelichting bij het eerste middel. Eén en ander klemt des te meer, gelet op de zeer ongunstige en kritische ligging van het bedrijf: in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf zijn woningen gelegen, een 25-tal woningen binnen een straal van 100 m. Bovendien ondergaan de verzoekende partijen een zeer zwaar moreel nadeel, doordat zij beseffen dat het hier een bedrijf betreft met een zeer zware voorgeschiedenis, waarvan het verleden reeds heeft uitgewezen dat het bedrijf in het verleden geen schroom heeft gekend en alle regels aan haar laarzen lapt, zowel op het vlak van de milieuwetgeving als op stedenbouwkundig gebied. (...) Het ernstig nadeel is ook moeilijk te herstellen. Om het geschetste nadeel op een efficiënte wijze te bestrijden, dient de ten uitvoerlegging van de bestreden beslissing te worden geschorst. Zoniet blijft de beslissing immers uitvoerbaar en zal het bedrijf Deters met de activiteit kunnen beginnen en zal het nadeel ten volle intreden. VII-37.388-5/8 Het nadeel dat de verzoekende partijen lijden zal niet goedgemaakt kunnen worden door een gebeurlijke nietigverklaring, vooral omdat geurhinder zo sterk ingrijpt op de levenskwaliteit". 15. De verwerende en de tussenkomende partijen betwisten het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Beoordeling 16. Artikel 17, § 3, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973, bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten moet bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Op grond van artikel 8, eerste lid, 3/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bevat de vordering tot schorsing "een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen". Uit deze bepalingen volgt dat verzoekers in hun verzoekschrift duidelijk en concreet moeten aangeven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden. In de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel mogen de verzoekers zich niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar moeten zij concrete en precieze gegevens aanbrengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaan of dreigen te ondergaan. Dit houdt in dat zij concrete en precieze aanduidingen moeten verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen, en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt. Te dezen stellen de verzoekers dat het "geen betoog" behoeft dat de vergunde activiteiten "sterke geurhinder" en verkeershinder zullen veroorzaken. VII-37.388-6/8 Die uiteenzetting is te vaag en te algemeen in het licht van de door het bestreden besluit opgelegde bijzondere exploitatievoorwaarden ter voorkoming van geurhinder. De verzoekers tonen niet met concrete, overtuigende gegevens aan dat deze voorwaarden onvoldoende zijn om ernstige geurhinder te voorkomen. Het technisch verslag van de NV PRG Odournet, dat de verzoekers aanhalen, heeft betrekking op een verslag dat opgesteld werd in opdracht van de stad Bree die eveneens, met een afzonderlijk verzoekschrift, de nietigverklaring van het bestreden besluit nastreeft (zaak gekend onder A. 193.182/VII-37.384). Aan de objectiviteit van deze beweringen kan dus sterk worden getwijfeld. Het aantal verkeersbewegingen wordt geschat op twee bestelwa- genbewegingen en één vrachtwagenbeweging per dag. De verzoekers tonen niet aan dat het verwachte aantal verkeersbewegingen schromelijk onderschat werd. Die vaststelling is op zich voldoende om het beweerde nadeel als niet ernstig te verwerpen. Het beweerde "zeer zwaar moreel nadeel" ingevolge het verlenen van een milieuvergunning kan in principe volledig hersteld worden door een vernietigingsarrest. De verzoekers maken niet aannemelijk dat dit te dezen niet het geval is. Bovendien stellen zij dat hun moreel nadeel voortkomt uit de "zeer zware voorgeschiedenis" van het bedrijf die er in bestaat dat het "bedrijf in het verleden geen schroom heeft gekend en alle regels aan haar laarzen lapt, zowel op het vlak van de milieuwetgeving als op stedenbouwkundig gebied". Het aangevoerde nadeel vloeit dus niet rechtstreeks voort uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden milieuvergunning maar uit het beweerd niet of gebrekkig naleven van de milieuvoorschriften op een andere plaats van exploitatie. Aan de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet voldaan. VII-37.388-7/8 BESLISSING 1. Het verzoek van Jozef Deters tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Eric Brewaeys VII-37.388-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.453 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.217.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.