← België

Arrest 197454 - Milieuvergunningen - 29/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.454 Rolnummer: A. 192350/VII-37356 Zaak: Arrest 197454 - Milieuvergunningen - 29/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Fiche Arrest nr 197.454 van 29 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 197.454 van 29 oktober 2009 in de zaak A. 192.350/VII-37.356 In zake:

  1. Marcel WIJNANTS
  2. Ursula VANDEVOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst kantoor houdend te Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA GVB en C/ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te Leuven Diestsevest 113 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 24 april 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2009 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 11 september 2008 houdende het verlenen aan de BVBA GVB en C/ van de vergunning voor het omvormen van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Bosheide- straat 47 te Lummen, naar een mestvarkensbedrijf, omvattende tevens een stal voor het huisvesten van paarden en kleinvee en gebouwen voor plattelandsklassen, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-37.356-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober
  5. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Patrick Vandendael, die loco advocaat Dirk Abbeloos in opvolging van advocaat Josef Nijs verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Tussenkomst
  7. Met een op 22 mei 2009 ter post afgegeven en aangetekend verstuurd verzoekschrift verzoekt de BVBA GVB en C/ erom in voorliggend geding te mogen tussenkomen. Aangezien de BVBA GVB en C/ houder is van de bestreden milieuvergunning kan op het verzoek tot tussenkomst, dat voor het overige regelmatig is, worden ingegaan. IV. Feiten
  8. De litigieuze inrichting is gelegen aan de Bosheidestraat 47 te Lummen. Het gaat om een voormalige pluimveehouderij bestaande uit een vijftal stallen en aanhorigheden. VII-37.356-2/13 De inrichting werd vroeger geëxploiteerd door de BVBA Mowi die op grond van een milieuvergunning, verleend door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw op 22 mei 2000, 32.000 leghennenmoederdieren mocht houden tot 27 juli
  9. Bij vonnis van 25 januari 2007 heeft de rechtbank van koophandel te Hasselt het faillissement uitgesproken van de BVBA Mowi. De tussenkomende partij, die het bedrijf op 8 oktober 2007 heeft aangekocht uit handen van de curator van het faillissement, meldt op 30 november 2007 aan de deputatie van de provincie Limburg de overname van het betrokken pluimveebedrijf. Op 26 november 2007 richt de zaakvoerster van de tussenkomen- de partij een schrijven aan de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) waarin de tijdelijke stopzetting van de exploitatie wordt gemeld "vanaf laatste aangifte 2006 productiejaar 2005".
  10. Op 14 februari 2008 neemt de deputatie van de provincie Limburg akte van de melding van overname door de tussenkomende partij. De deputatie van de provincie Limburg laat haar aktename gelden als "schriftelijke ontvangstmel- ding", zoals bedoeld in artikel 42, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I).
  11. Op 17 maart 2008 - vervolledigd op 11 april 2008 - dient de tussenkomende partij bij de deputatie van de provincie Limburg een aanvraag in om het vroegere pluimveebedrijf om te vormen naar een gemengd landbouwbedrijf, bestaande enerzijds uit een stal voor het houden van 1.560 vleesvarkens en anderzijds uit een stal voor het huisvesten van 18 paarden, 25 geiten, 25 schapen, 20 kippen, 20 konijnen en 5 runderen. De exploitant beoogt tevens een bestaande stal om te vormen tot een jeugdverblijfcentrum (plattelandsklassen).
  12. Bij beslissing van 11 september 2008 verleent de deputatie van de provincie Limburg de gevraagde vergunning voor een termijn van twintig jaar.
  13. Vervolgens stellen het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lummen, het kerkbestuur Sint-Rochus en een aantal omwonenden, bij de bevoegde minister beroep in tegen de voormelde beslissing. VII-37.356-3/13
  14. De in het kader van de beroepsprocedure uitgebrachte adviezen zijn over het algemeen gunstig.
  15. Op 23 februari 2009 verklaart de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur de beroepen ongegrond en bevestigt zij de beroepen beslissing. Dit is het bestreden besluit. Met betrekking tot de in het eerste middel aangevoerde discussie, luidt de motivering als volgt: "Overwegende dat uit de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij, die werden verstrekt op 3 december 2008, over de juiste vergunningstoestand op basis van de Mestbankaangiften voor deze aangevraagde inrichting het volgende werd vastgesteld: de vroegere aangifte is nog gebeurd door de BVBA MOWI en er werden voor het aanslagjaar 2005 (productiejaar 2004) = 22.780 slachtkuikenouderdieren aangegeven; dat voor het aanslagjaar 2006 (productie- jaar 2005) = 17.628 slachtkuikenouderdieren werden aangegeven; dat voor het aanslagjaar 2007 (productiejaar 2006) = 32.700 slachtkuikenouderdieren werden aangegeven; dat voor het aanslagjaar 2008 (productiejaar 2007) geen dieren werden aangegeven; dat met aangetekend schrijven van 24 november 2007 aangifte werd gedaan door de huidige exploitant (BVBA GVB en C/) bij de Mestbank over de melding van leegstand van de pluimveestallen; dat in toepassing van artikel 47, §2,1/ van het Mestdecreet de exploitatie geheel of gedeeltelijk een tijdlang kan worden stopgezet zonder dat dit het verval van de milieuvergunning tot gevolg heeft op voorwaarde van de melding aan de Mestbank van zowel de tijdelijke stopzetting als de herneming van de exploitatie; dat indien de exploitatie gedurende 5 jaar is stopgezet en niet hernomen, de dien overeenkomstige nutriëntenemissierechten van rechtswege worden geannuleerd; dat de Mestbank op 30 november 2007 kennis heeft genomen van de aanvraag tot overname van de nutriëntenemissierechten van de BVBA MOWI door de BVBA GVB en C/; dat met schrijven van 23 juni 2008 uitgaande van De Mestbank, de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Limburg, aan de BVBA GVB en C/, gevestigd te 3560 Lummen, Bosheide- straat 47, volgende nutriëntenemissierechten werden toegekend: 46.214,36 NER-D; dat het aantal nutriëntenemissierechten vanaf 1 januari 2008 maximaal 46.214,36 NER-D bedraagt (hetzij voor het houden van rundvee, varkens, pluimvee, andere dieren)". V. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie van de verwerende partij
  16. De verwerende partij werpt een gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partijen op. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden milieuvergunning zou volgens haar geen nuttig effect kunnen hebben omdat de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning, verleend bij besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 20 november 2008, actueel het voorwerp vormt van een schorsend administratief beroep. VII-37.356-4/13 Beoordeling
  17. Ook al zou de met de milieuvergunning overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning voor sloopwerken, de regularisatie en het verbouwen van pluimveestallen tot vleesvarkensstallen en tot lokalen voor plattelandsklassen en paardenboxen thans geschorst zijn ten gevolge van het instellen van een schorsend administratief beroep, brengt die schorsing niet met zich mee dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de schorsing en de nietigverklaring van de vergunning die de exploitatie van de inrichting tot voorwerp heeft en die ten uitvoer kan worden gelegd van zodra de schorsing van de stedenbouwkundige vergunning heeft opgehouden te bestaan. Het feit dat de milieuvergunning voorlopig niet ten uitvoer kan worden gelegd wegens het ontbreken van een uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning, houdt immers niet in dat de thans bestreden vergunning zonder rechtsgevolgen is. De exceptie gaat niet op. VI. Onderzoek van de vordering
  18. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Ernst van de middelen
  19. Eerste middel Standpunt van de partijen 15.
  20. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2, 2/, 17, 18, 19 en 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), de artikelen 47, § 1, eerste lid, 1/, en 88 van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen VII-37.356-5/13 (hierna : mestdecreet), artikel 25 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking, de artikelen 46 en 52, 3/, b), van Vlarem I, de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het materieel motiveringsbeginsel. De verzoekende partijen stellen tevens dat voor het nemen van het bestreden besluit de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag ontbreekt. Zij zetten uiteen dat uit de feitelijke gegevens, die zij hebben aangebracht, blijkt dat er hoogstens nog tot 13 oktober 2005 kippen werden gehouden op het bedrijf van de vorige exploitant, de BVBA Mowi, maar daarna niets meer tot op heden. Dit blijkt volgens de verzoekende partijen uit de verklaring van de vorige exploitant zelf, die bij monde van zijn curator op 17 oktober 2008 heeft bevestigd dat er na 13 oktober 1995 geen kippen meer gehouden werden op het bedrijf, en uit de officiële aangiften van de vorige exploitant zelf bij de Mestbank, die voor de productiejaren 2006 en 2007, zijnde de aanslagjaren 2007 en 2008, de aanwezigheid van geen enkel dier vermelden, vermits er in de rubriek "Bezet(ting)" "0" werd ingevuld. Dit blijkt volgens hen ook uit de sterk dalende trend van de aanwezige dieren in de officiële aangiften van de vorige exploitant bij de Mestbank voor de productiejaren 2002, 2003, 2004 en 2005, die verminderden van een bezetting van respectievelijk 24.057, 21.404 en 22.780 naar 17.628 dieren, om na 13 oktober 2005 terug te vallen op nul en uit het feit dat de vorige exploitant op 30 september 2005 zijn laatste jaarrekening heeft neergelegd. Ook het feit dat de vorige exploitant uiteindelijk bij vonnis van de rechtbank van koophandel van Hasselt van 25 januari 2007 in faling werd verklaard, bevestigt dit. Bovendien heeft de met de vorige exploitant verbonden exploitatieven- nootschap, de BVBA Thefra, reeds in maart 2005 een andere bezigheid gezocht en haar organisatie en statutair doel daar aan aangepast. Uit dit alles blijkt volgens de verzoekende partijen dat op het ogenblik van de aanvraag van de tussenkomende partij -17 maart 2008- de basismilieuvergunningen van de BVBA Mowi van rechtswege vervallen waren bij gebrek aan exploitatie gedurende meer dan twee opeenvolgende jaren, hetzij minstens reeds sinds 13 oktober
  21. Bijgevolg heeft het bestreden besluit op onwettige wijze, minstens kennelijk onredelijk, althans zonder afdoende en terzake doende motivering, beslist dat de aangevraagde inrichting op het ogenblik van de vergunningsaanvraag nog vergund was, terwijl de vergunningen van de vroegere exploitant reeds vervallen waren, en dit ten laatste op 13 oktober 2007, zonder mogelijkheid om de verandering of de hernieuwing van VII-37.356-6/13 die vervallen vergunningen te kunnen goedkeuren. De verzoekende partijen betogen ook dat het bestreden besluit dienaangaande volledig ten onrechte verwijst naar de mogelijkheid om over te gaan tot de schorsing van de in artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet vermelde termijn van twee jaar waarbinnen de onbenutte milieuvergunning vervalt. Op grond van deze bepaling worden tijdelijk van het verval uitgesloten : "de inrichtingen, vermeld onder de rubriek
  22. Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben". Ook wordt nog aangestipt dat het verval van rechtswege van de milieuvergunning waarvan thans de "hernieuwing" werd vergund, reeds was ingetreden op 13 oktober 2007, derhalve nog vóór de melding van de overname door de tussenkomende partij op 30 november
  23. Bijgevolg kon ook op grond van artikel 19, 2/, van het milieuvergunningsdecreet geen geldige overname van de basisvergunning geschieden, nu een dergelijke laattijdige overname de basisvergun- ning niet doet herleven. De verzoekende partijen besluiten dat de vroegere vergunningen op het ogenblik van de litigieuze aanvraag reeds lang vervallen waren. Er was op het ogenblik van de aanvraag reeds tweeënhalf jaar geen enkele exploitatie meer aanwezig. Derhalve diende de aanvraag ook behandeld te worden als een aanvraag voor een volledig nieuwe inrichting. De verzoekende partijen merken ook op dat het bestreden besluit steunt op het vermeend feitelijk gegeven "dat voor het aanslagjaar 2007 (productiejaar 2006) = 32.700 slachtkuikenouder- dieren werden aangegeven". Dit gegeven berust volgens de verzoekende partijen op een materiële vergissing in de op 3 december 2008 door de VLM op informele wijze verstrekte gegevens, nu dit vermeend feit niet strookt met de officiële mestbank- aangifte van de BVBA Mowi voor het productiejaar 2006, aanslagjaar 2007, en volgens dewelke daarentegen nul dieren werden opgegeven, die tussen 1 januari 2006 en 31 december 2006 de site bezetten. De officiële mestbankaangiften zijn alsnog geloofwaardig nu zij de aangever verbinden, in strijd met een niet-controleer- bare informele mededeling. Overigens heeft de bevoegde minister, steeds volgens de verzoekende partijen, niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd bij het verifiëren van de echtheid van de informatie die haar werd voorgelegd. Zij leiden daaruit af dat het bestreden besluit werd genomen op basis van een "manifest foutieve motivering, waarmee bovendien achteloos en onzorgvuldig wordt voorbijgegaan aan de wel correcte informatie die door beroepers aan het administra- tief dossier was toegevoegd". VII-37.356-7/13 15.
  24. De verwerende partij stelt daartegenover en tracht met feitelijke gegevens aan te tonen dat er na 30 september 2005 nog wel een exploitatie was, meer bepaald omdat er in het productiejaar 2006 nog mest was opgeslagen, wat aantoont dat er wel degelijk een uitbating was. Het eerste onderdeel van het eerste middel mist volgens de verwerende partij feitelijke grondslag. De zogenaamde vergissing van de minister vormt geen determinerend motief, zodat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het tweede onderdeel van het eerste middel. 15.
  25. De tussenkomende partij zet uiteen dat er, blijkens gegevens die afkomstig zijn van de VLM en die in het kader van het onderzoek van de aanvraag werden overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen, op het bedrijf tot en met het productiejaar 2006 slachtkuikenouderdieren werden gehouden. Het feit dat de vorige exploitant, die ontegensprekelijk in een precaire financiële situatie verkeerde, geen nauwkeurige aangiften heeft gedaan, vormt op zich geen doorslaggevend bewijs dat de gegevens van de VLM onjuist zouden zijn. De tussenkomende partij zet ook uiteen dat zij op regelmatige wijze toepassing heeft gemaakt van artikel 47, § 2, van het mestdecreet, en dat zij bijgevolg in aanmerking kwam voor het verkrijgen van de milieuvergunning. Beoordeling
  26. Het bestreden besluit steunt op de vaststelling dat op het ogenblik van de indiening van de milieuvergunningsaanvraag op 17 maart 2008 de basisvergunning voor de exploitatie van de inrichting, verleend door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw op 22 mei 2000 met als voorwerp vijf stallen voor het houden van in totaal 32.000 leghennenmoederdieren, niet vervallen was. De te dezen relevante bepalingen van artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet luiden als volgt : "§
  27. De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting: (...) 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd uitgezon- derd de inrichtingen, vermeld onder de rubriek
  28. Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuver- gunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben; VII-37.356-8/13 (...) §
  29. Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte". Het in deze bepaling vermelde artikel 47, § 2, van het mestdecreet luidt als volgt : "§
  30. Indien de landbouwer niet bij machte is om de op zijn bedrijf geprodu- ceerde hoeveelheid dierlijke mest overeenkomstig dit decreet af te zetten heeft hij ondermeer de keuze om : 1/ ofwel de exploitatie geheel of gedeeltelijk een tijdlang stop te zetten zonder dat dit het verval van de milieuvergunning tot gevolg heeft op voorwaarde van melding aan de Mestbank van zowel de tijdelijke stopzetting als de herneming van de exploitatie. Indien echter de exploitatie gedurende 5 jaar is stopgezet en niet hernomen, worden de dienovereenkomstige nutriëntenemissierechten van rechtswege geannuleerd; 2/ ofwel in voorkomend geval beroep te doen op de stopzettingsregeling, vermeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest afkomstig van één of meerdere diersoorten. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen, ondermeer met betrekking tot de wijze waarop de melding, vermeld in 1/, dient te gebeuren". De motivering van het bestreden besluit in verband met het niet- vervallen zijn van de door de tussenkomende partij overgenomen milieuvergunning is feitelijk onjuist in zoverre wordt vermeld dat voor het aanslagjaar 2007 (productiejaar 2006) 32.700 slachtkuikenouderdieren werden aangegeven bij de Mestbank. Het bestreden besluit vermeldt immers dat de bewuste gegevens met betrekking tot de mestbankaangiftes van de voorbije jaren door de VLM werden verstrekt op 3 december
  31. Dit blijkt echter niet uit het neergelegde administra- tief dossier. De verzoekende partijen hebben een afschrift van de aangifte voor het jaar 2007 (productiejaar 2006) neergelegd in het kader van de administratieve procedure. Die aangifte vermeldt voor de diercategorie "slachtkuikenouderdieren" : "Bezet : 0 Standpl : 32700". Prima facie blijkt dat de motivering van het bestreden besluit gestoeld is op feitelijk onjuiste gegevens. De verwerende partij lijkt het aantal standplaatsen in de stallen te hebben verward met de effectieve bezetting ervan. Deze vaststelling is van wezenlijke invloed op de vraag of er al dan niet sprake is van niet-exploitatie gedurende twee opeenvolgende jaren. Aangezien de verzoekende partijen de stopzetting van de activiteiten situeren vanaf medio oktober 2005 - bewering die niet als kennelijk onjuist moet worden verworpen omdat de mestbankaangifte voor het productiejaar 2005 17.628 dieren vermeldt, wat een afname is ten opzichte van de vorige jaren en wat er mogelijk op wijst dat er het laatste kwartaal van dat jaar geen dieren meer werden gehouden - moet prima facie VII-37.356-9/13 geconcludeerd worden dat de milieuvergunning van 22 mei 2000 vervallen was op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid (17 maart 2008). De verwerende partij is er bij het nemen van het bestreden besluit van uitgegaan dat de betrokken inrichting in 2006 nog volledig in exploitatie was, terwijl de door de verzoekende partijen neergelegde stukken - die niet in twijfel kunnen worden getrokken omdat ze ter beschikking werden gesteld door de VLM - precies het tegendeel aantonen. Met het argument van de verwerende partij dat in het productiejaar 2006 een mestopslagplaats werd aangegeven die het daaropvolgende jaar niet meer aanwezig was, wordt niet het bewijs geleverd dat in de stallen nog kippen gehouden werden en de aangifte van de mestopslagplaats als bijzaak kan overigens niet verhinderen dat de vergunning voor de hoofdzaak, namelijk het houden van kippen, kan vervallen wegens niet-exploitatie. Artikel 25 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2007 betreffende de toewijzing, het gebruik en de overname van de nutriëntenemissierechten en betreffende de bedrijfsontwikkeling na bewezen mestverwerking bepaalt dat de landbouwer die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid, vermeld in artikel 47, § 2, eerste lid, 1/, van het mestdecreet, de tijdelijke stopzetting van de exploitaties of van de delen van de exploitaties van het bedrijf moet melden "binnen twee jaar na aanvang van de tijdelijke stopzetting". Het bestreden besluit geeft geen uitsluitsel over de precieze datum van stopzetting. Aangezien de melding om toepassing te kunnen maken van artikel 47, § 2, eerste lid, 1/, van het mestdecreet, als het te dezen toepasselijk zou zijn, hoe dan ook moet gebeuren binnen twee jaar na de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie, kan de voormelde bepaling er niet toe leiden dat vergunningen die reeds van rechtswege vervallen zijn wegens niet-exploitatie gedurende de in artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet vermelde periode van twee opeenvolgende jaren, terug zouden herleven om het voorwerp uit te maken van een langere stopzettingsperiode van maximaal vijf jaar. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. VII-37.356-10/13 B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen 17.
  32. De verzoekende partijen tonen met gedetailleerde stukken aan dat de afstand tussen de vergunde varkensstal met bijhorende mestopslagplaats en hun woonplaats (gemeten tot het woonhuis) circa 190 meter bedraagt. Zij zetten concreet en gedetailleerd uiteen dat zij ten gevolge van de exploitatie en de windrichting geur- en stofhinder zullen ondervinden. Een poging tot beperking van de geurhinder door middel van een ammoniakemissiearme uitvoeringswijze volstaat niet, omdat daardoor de geurhinder niet volledig ongedaan wordt gemaakt. Zij stellen dat hun woning is gelegen in een woonzone, "die beschermd wordt door de afstand(s)regels van het Inrichtingsbesluit, die de waarborg bieden dat een nieuw te vestigen bedrijf voor intensieve, industriële veeteelt, dat niet gebonden is aan de grond, op minstens 300 m(eter) van deze zone verwijderd moet blijven". De uitbating van de inrichting zal, volgens de verzoekende partijen, ook verkeersoverlast -meer bepaald van zwaar verkeer- veroorzaken. Die nadelen, en vooral de ondergane geurhinder, zijn moeilijk te herstellen. Ook wordt verwezen naar visuele hinder. 17.
  33. De verwerende partij stelt dat het, gelet op de afstand tussen de inrichting en de woning van de verzoekende partijen, niet evident is dat zij hinder zullen ondervinden van de exploitatie. De verwerende partij onderstreept dat alle maatregelen werden genomen om geurhinder te vermijden, minstens tot een aanvaardbaar niveau te beperken, onder meer door de ammoniakemissiearme uitvoeringswijze. Bovendien is de windrichting niet zo ongunstig als de verzoekende partijen het voorstellen. De verwerende partij wijst er op dat in het bestreden besluit een gemiddelde van twee transporten per week als verkeershinder werd vooropgesteld, wat redelijkerwijze niet als overmatig kan worden beschouwd. 17.
  34. Ook de tussenkomende partij verwijst naar de afstand tussen de inrichting en de woning van de verzoekende partijen om daaruit te concluderen dat de hinder niet ernstig is. Verder verwijst zij naar de in het vooruitzicht gestelde twee transporten per week, wat volgens haar wijst op een minimale hinder. VII-37.356-11/13 Beoordeling
  35. Met hun concrete uiteenzetting en argumentatie maken de verzoekende partijen, die woonachtig zijn in een woongebied, aannemelijk dat zij ernstige hinder kunnen ondervinden door de exploitatie van een varkensstal voor 1.560 vleesvarkens in hun onmiddellijke leefomgeving. De verwerende en de tussenkomende partijen slagen er niet in aan te tonen dat deze te verwachten hinder denkbeeldig, niet ernstig of niet moeilijk te herstellen is. Aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is eveneens voldaan. BESLISSING
  36. Het verzoek van de BVBA GVB en C/ tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  37. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2009 waarbij de beroepen, ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Limburg van 11 september 2008 houdende het verlenen aan de BVBA GVB en C/ van de vergunning voor het omvormen van een pluimveebedrijf, gelegen aan de Bosheidestraat 47 te Lummen, naar een mestvarkensbedrijf, omvattende tevens een stal voor het huisvesten van paarden en kleinvee en gebouwen voor plattelandsklassen, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd.
  38. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit.
  39. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, begroot op 125 euro. VII-37.356-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Eric Brewaeys VII-37.356-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.454 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.612 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.