id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.469 Rolnummer: A. 183029/X-13273 Zaak: Arrest 197469 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Fiche Arrest nr 197.469 van 29 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.469 van 29 oktober 2009 in de zaak A. 183.029/X-13.273. In zake: 1. Mark VAN POUCKE 2. Erwina D’HOORE 3. Bart DE TAEYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Bienstman kantoor houdend te 9000 GENT Vlaanderenstraat 78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2007 strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van 16 november 2006 van de provincieraad Oost- Vlaanderen houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Regionaal Bedrijventerrein Aalter’, en bijhorend onteigeningsplan, goedgekeurd bij besluit van 13 februari 2007 van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 6 maart 2007 (...)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Met het arrest nr. 179.933 van 20 februari 2008 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. X-13.273-1/41 De verzoekende partijen hebben op 17 maart 2008 het verzoekschrift tot voortzetting ingediend. De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De eerste verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De tweede en derde verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Bienstman, die verschijnt voor de verzoekende partijen, bestuurssecretaris Kaat Van Keymeulen, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-13.273-2/41 III. Feiten 3.1. De gemeente Aalter bevindt zich in een open ruimte gebied tussen de steden Gent en Brugge. Het grondgebied van de gemeente wordt doorsneden door een grootschalige infrastructuurbundel die deze twee steden met elkaar verbindt: de autosnelweg E40, de spoorlijn Gent-Brugge en het kanaal Gent- Oostende. 3.2. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna : RSV) wordt Aalter niet geselecteerd als stedelijk gebied en deze gemeente behoort aldus volledig tot het buitengebied. Aalter wordt in het RSV wel geselecteerd als specifiek economisch knooppunt. In deze economische knooppunten kunnen volgens het RSV regionale bedrijventerreinen worden afgebakend. Deze afbakening dient te gebeuren door middel van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen (hierna: PRUP). 3.3. Het PRUP “Regionaal bedrijventerrein Aalter” voorziet in een differentiatie in bedrijventerrein, met name een gemengd regionaal bedrijventerrein en een watergebonden bedrijventerrein palend aan het kanaal Gent-Oostende. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 maart 1978 vastgestelde gewestplan Eeklo-Aalter, situeert het plangebied zich in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gebied voor aan te leggen waterweg en reservatiedienstbaarheidsgebied. 3.4. De woningen van de tweede en de derde verzoekende partijen zijn gelegen in het plangebied. 3.5. Op 28 oktober 2005 vindt de plenaire vergadering plaats. 3.6. Op 21 februari 2006 adviseert de Cel Milieueffectrapportage (hierna: de Cel M.e.r.) als volgt : “Momenteel is binnen het Vlaams Gewest het toepassingsgebied voor de milieueffectenrapportage voor plannen of programma’s nog niet afgebakend. De milieueffectenrapportage voor projecten is binnen het Vlaams Gewest van toepassing voor bedrijventerreinen met een oppervlakte vanaf 50 ha. Zowel het decreet als de Europese richtlijn inzake milieueffectenrapportage voor plannen en programma’s geven criteria aan om te toetsen of een plan aanzienlijke milieugevolgen kan hebben. In dit advies gaat de Cel Milieueffectenrapportage vervolgens na in welke mate milieuoverwegingen bij de opmaak van het R.U.P. hebben meegespeeld, of alternatieven zijn onderzocht, of van het plan (aanzienlijke) milieugevolgen te verwachten zijn X-13.273-3/41 en welke maatregelen het plan voorziet (
- om)mogelijke milieueffecten te vermijden of te milderen. Zij baseert zich op de voorliggende toelichtingsnota. (...) Globaal genomen biedt deze nota degelijke informatie over mogelijke milieueffecten. In dit advies heeft de Cel Mer verder gewezen op een aantal kleinere tekortkomingen, die niet wezenlijk zijn voor de eindconclusie, en heeft zij gewezen op een aantal aandachtspunten voor de inrichting en voornamelijk de invulling van het terrein. (...)”. 3.7. Op 10 mei 2006 stelt de provincieraad van Oost-Vlaanderen het PRUP “Regionaal bedrijventerrein Aalter” voorlopig vast. 3.8. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek, georganiseerd van 29 mei 2006 tot en met 27 juli 2006, worden 355 bezwaren ingediend, waaronder 297 bezwaarschriften onder de vorm van een petitie. 3.9. Op 12 oktober 2006 adviseert de Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordening (hierna: de PROCORO) het ontwerpplan gunstig. Daarbij wordt onder meer het volgende overwogen : “(...) 3. Bezwaren i.v.m. mobiliteit en ontsluiting Er wordt gesteld dat de uiterst moeilijke ontsluiting van het bedrijventerrein langs een lokale weg strijdig is met het RSV en PRS De ontsluiting is eigenlijk zeer eenvoudig, doordat het bedrijventerrein quasi rechtstreeks aansluit op een primaire weg, nl. via een 1 km lange rechte, brede weg. De facto sluit elk bedrijventerrein via een stuk ontsluitingsweg aan op een primaire of secundaire weg. Het RSV stelt dat ‘de ontsluiting van regionale bedrijven uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen’ moet gebeuren maar de ervaring leert dat het Vlaams Gewest een lokale weg I of II, die een regionaal bedrijventerrein vrij rechtstreeks aansluit of de primaire weg, voldoende acht. In het advies van de RWO wordt in casu geen opmerking gemaakt over de eventuele strijdigheid met het RSV. Bovendien zijn er heel wat voorbeelden van bedrijventerreinen die via een klein stuk lokale weg, aansluiten of primaire of secundaire weg. (..) 5. Bezwaren ivm MER-verplichting (...) In heel wat bezwaren wordt gevraagd dat een plan-MER opgemaakt zou worden. Daarbij wordt gesteld dat het ontwerp-RUP niet rechtsgeldig is indien geen plan-MER opgemaakt werd. Volgens de Europese richtlijn moeten plannen en programma’s steeds getoetst worden op mogelijke aanzienlijke milieueffecten. In het bijzonder voor plannen die de toekomstige vergunning van (...) (projectMER) mogelijk maken, is een gedegen milieubeoordeling aangewezen. De milieubeoordeling kan in beginsel uitdrukkelijk in de toelichtingsnota van het RUP opgemaakt worden. Het is dan ook niet steeds noodzakelijk om een MER-rapport op te maken en de specifieke MER-procedure te volgen. Anderzijds moet de beoordeling voldoende wetenschappelijk onderbouwd worden en moet aangegeven worden X-13.273-4/41 welke info er werd gebruikt, welke informatie niet beschikbaar was, welke de tijdscontext is, enz. Momenteel is er nog geen uitvoeringsbesluit beschikbaar mbt. de plan-MER. Uit het advies van de Cel MER op het voorontwerp, blijkt dat het RUP degelijke informatie bevat over mogelijke milieueffecten. De Cel Mer wijst wel op een aantal kleinere tekortkomingen die niet wezenlijk zijn voor de eindconclusie en wijst tevens op een aantal aandachtspunten voor de inrichting en voornamelijk de invulling van het terrein. In het advies wordt niet uitdrukkelijk een plan-MER gevraagd. Mbt. de in te schatten milieueffecten en de bijhorende milderende maatregelen wordt verwezen naar deel 3 van het advies. In een bezwaar wordt gesteld dat PRUP wordt voorgesteld aan een aansluitende uitbreiding van het bestaande industriepark Lakeland waardoor voor dit RUP zonder twijfel een MER opgemaakt moet worden aangezien de totale oppervlakte meer dan 50 ha bedraagt. Of de verplichting tot opmaak van een project-MER kan gemotiveerd worden vanuit de stelling dat de aanleg van het regionaal bedrijventerrein in Aalter te beschouwen is als een uitbreiding van het veel grotere industrieterrein Lakeland, is twijfelachtig. Een concrete definitie van de term uitbreiding is niet voorhanden. Uiteraard is de situatie het meest duidelijk indien een bestaand industrieterrein uitbreidt op percelen palend aan deze van het reeds bestaande industrieterrein. In dit geval echter worden beide industrieterreinen van elkaar gescheiden door een kanaal en zal ook de lokale ontsluiting van het nieuwe terrein via andere wegen verlopen dan deze van het reeds bestaande industrieterrein. Wel kan gesteld worden dat het nieuwe terrein ‘ruimtelijk’ aansluit bij het bedrijventerrein Lakeland, maar dit hoeft niet te betekenen dat hiermee een uitbreiding van het bedrijventerrein Lakeland wordt gerealiseerd. Daarnaast dient verwezen naar het advies van de Cel Mer op het voorontwerp. Uit dit advies blijkt dat het RUP degelijke informatie bevat over mogelijke milieueffecten. De Cel Mer wijst wel op een aantal kleinere tekortkomingen die niet wezenlijk zijn voor de eindconclusie en wijst tevens op een aantal aandachtspunten voor de inrichting en voornamelijk de invulling van het terrein. (...) 6. Bezwaren ivm. de watertoets (...) Mbt. de in te schatten milieueffecten en de bijhorende milderende maatregelen wordt verwezen naar deel 3 van het advies. Mbt. de overwelving van de Woestijnebeek, dient gesteld te worden dat het ontwerp (en voor- schriften) maximaal rekening houdt met de functie van de beek als ecologische infrastructuur. Een beperkte overwelving ifv. interne ontsluiting en/of aanleg van watergebonden infrastructuur, is evenwel niet uit te sluiten. (...)”. 3.10. Bij ministerieel besluit van 26 juli 2006 wordt het PRUP “Regionaal bedrijventerrein Aalter” gunstig geadviseerd. 3.11. Op 16 november 2006 stelt de provincieraad van Oost- Vlaanderen het PRUP “Regionaal bedrijventerrein Aalter” definitief vast. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen : X-13.273-5/41 “(...) Overwegende het RSV waarin gesteld wordt dat de provincie ruimtelijke uitvoeringsplannen moet opmaken voor de regionale bedrijventerreinen in specifiek economische knooppunten; Overwegende het PRS waarin voor het specifiek economisch knooppunt Aalter een taakstelling wordt voorzien van 30 ha; dat in voorliggend RUP 32,4 ha nieuw bedrijventerrein wordt gecreëerd; (...) Overwegende dat bij uitwerking van het ruimtelijk uitvoeringsplan maximaal rekening werd gehouden met landschappelijke, cultuurhistorische elementen, oa. door behoud van de site Woestijne en het dreefkarakter en behoud van de zichtrelatie tussen het Woestijnegebied enerzijds en het openruimtegebied ten noorden van de Urselweg anderzijds; (...) Overwegende dat het bedrijventerrein ontsluit via een lokale weg type I die aantakt op de N44, dat het streefbeeld van de N44 in opmaak is, dat dit streefbeeld aanleiding zal geven tot een herinrichting van het knooppunt van de N44 en de N499, dat de provincieraad vraagt dat dit kruispunt prioritair heringericht wordt; Overwegende de bezwaren die betrekking hebben op de potentiële mobiliteitshinder in Aalterbrug o.a. ter hoogte van de school die gesitueerd is aan de N499, dat de provincieraad het belang van een verkeersveilige en verkeersleefbare inrichting van de Urselweg onderschrijft, dat vanuit dit standpunt gestreefd wordt naar een verkeersleefbare en verkeersveilige herinrichting van de provincieweg N499, voor het wegvak van de N44 tot aan het bedrijventerrein, op het ogenblik dat het bedrijventerrein in exploitatie gaat; (...) Overwegende dat artikel 4.2.1. van het decreet algemene bepalingen milieubeleid het principe van de zogenaamde ‘plan-MER’ invoert; dat artikel 4.2.2. van hetzelfde decreet de grote lijnen uittekent op grond waarvan het toepassingsgebied van deze milieueffectenrapportage bepaald wordt; dat op deze wijze de decreetgever uitvoering beoogt te geven aan de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s; dat de Vlaamse regering aan de hand van een uitvoeringsbesluit kan aangeven voor welke plannen en programma’s een MER-procedure verplicht is; dat tot op heden de Vlaamse regering geen dergelijk uitvoeringsbesluit heeft genomen waardoor het principe van de plan-MER plicht in de interne rechtsorde nog geen feit is; dat onafgezien van de vraag of de bovenvermelde Europese richtlijn van directe werking is artikel 3,2 van deze richtlijn enkel die plannen of programma’s aan een milieueffectbeoordeling onderwerpt die het kader vormen voor projecten waarvoor geen vergunning kan bekomen worden zonder MER; dat onder punt 10a van bijlage II bij de MER-richtlijn van 27 juni 1985 de ‘infrastructuurprojecten: industrieterreinontwikkeling’ als project-Mer-plichtig (worden) aangeduid; dat de Vlaamse regering deze richtlijn wel in het interne recht heeft omgezet bij besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 door voor industrieterreinontwikkeling over een oppervlakte van minimaal 50 hectare een MER-plicht in te stellen; dat hieruit volgt dat (voor) onderhavig plan geen verplichte milieubeoordeling opgemaakt (dient) te worden; dat daarnaast het advies van de Cel Mer dd. 21 februari 2006 op het voorontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan stelt dat het plan degelijke informatie bevat over mogelijke milieueffecten, dat de Cel Mer wel wijst op een aantal kleinere tekortkomingen die niet wezenlijk zijn voor de eindconclusie van het advies; Overwegende de watertoets zoals beschreven in de toelichtingsnota van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dat het retentiebekken ten noorden van het X-13.273-6/41 Woestijnegoed een functie heeft voor opvang van hemelwater van het bedrijventerrein, dat het retentiebekken ook een functie heeft in de opvang van overtollig hemelwater dat afkomstig is van het recent overstromingsgebied dat gesitueerd is net buiten het ruimtelijk uitvoeringsplan; (...)”. Dit is het eerste bestreden besluit. 3.12. Op 1 februari 2007 adviseert de afdeling Ruimtelijke Planning van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed gunstig, ondermeer overwegende dat : “(...) Er is nagegaan in welke mate dit ruimtelijk uitvoeringsplan voldoet aan de huidige plan-MER-regelgeving. Het dossier bevat voldoende elementen (advies Cel MER dd. 21 februari 2006, advies PROCORO) om aan te nemen dat de principes rond het integratiespoor inzake plan-MER-regelgeving zijn gevolgd. De toelichtingsnota bevat immers voldoende informatie rond de bestudeerde milieueffecten en de gehanteerde methodiek, rond de redelijke alternatieven die onderzocht werden en de verschillende milieueffecten van deze alternatieven en rond de betrokkenheid van actoren die bij het planningsproces werden betrokken en geconsulteerd. (...)”. 3.13. Op 13 februari 2007 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het PRUP “Regionaal bedrijventerrein Aalter” goed, waarbij onder meer het volgende wordt overwogen : “(...) Overwegende dat conform het advies van de PROCORO kan geoordeeld worden dat dit ruimtelijk uitvoeringsplan voldoende informatie bevat met betrekking tot de integratie van plan-MER-aspecten in het ruimtelijk uitvoeringsplan; Overwegende dat een deel van het plangebied op de overstromingskaarten is gesitueerd in mogelijk overstromingsgevoelig gebied; dat het plan voorziet in de uitvoering van milderende maatregelen om de effecten op de waterhuishouding en de waterlopen te minimaliseren, onder meer aan de hand van een gebied voor waterretentie; dat op basis van het plan, de stedenbouwkundige voorschriften en de watertoets opgenomen in de toelichtingsnota in alle redelijkheid kan aangenomen worden dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven; (...)”. Dit is het tweede bestreden besluit. X-13.273-7/41 IV. Afstand van het geding door de eerste verzoekende partij 4. In een begeleidende brief bij de op 5 augustus 2008 ingediende memorie van wederantwoord, deelt de raadsman van de verzoekende partijen mee dat de eerste verzoekende partij Marc VAN POUCKE afstand doet van het geding. De afstand van het geding in hoofde van de eerste verzoekende partij wordt vastgesteld. Onder “de verzoekende partijen” wordt hierna enkel de tweede en de derde verzoekende partij begrepen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel 5. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan wat volgt: “D.l. Eerste middel Er werd geen plan m.e.r. uitgevoerd D. 1.1. Wettelijke bepalingen d.1.1.1. Europese regelgeving 13. Op Europees niveau werd de Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s vastgelegd. Deze richtlijn is tot stand gekomen in het kader van het milieubeleid van de Europese Unie dat berust op het voorzorgsbeginsel. De toepassing van deze richtlijn moet garanderen dat reeds tijdens de voorbereiding en voor de vaststelling van plannen en programma’s rekening wordt gehouden met de aanzienlijke milieueffecten die de uitvoering van deze plannen en programma’s met zich kunnen meebrengen. 14. Artikel 3.2. van de richtlijn bepaalt voor welke plannen en programma’s de plan-m.e.r.-plicht geldt: ‘Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
- a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
- b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG’. Richtlijn 2001/42/EG brengt aldus een koppeling tot stand tussen de milieubeoordeling voor projecten, overeenkomstig Richtlijn 85/337/EEG van X-13.273-8/41 de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, en de daarop betrekking hebbende plannen en programma’s. De richtlijn stelt voorop dat deze plannen aan een systematische milieubeoordeling moeten worden onderworpen. Verder bepaalt de richtlijn in artikel 3.4.: ‘Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma’s, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het plan of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben’. Of deze plannen al dan niet aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben dienen de lidstaten vast te stellen door een onderzoek per geval, of door de specificatie van soorten plannen, of door de combinatie van beide werkwijzen. Daarbij dient steeds rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II van de richtlijn (artikel 3.5.). 15. De richtlijn bepaalt uitdrukkelijk dat de milieubeoordeling dient te worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van een plan (artikel 4.1.). De voorschriften van de richtlijn worden ofwel verwerkt in bestaande procedures, ofwel opgenomen in procedures die worden vastgesteld om aan deze richtlijn te voldoen (artikel 4.2.). Dit betekent dat er ofwel een m.e.r. moet zijn volgens een opvangprocedure (zoals een nieuw decreet), ofwel dat het decreet ruimtelijke ordening zo moet aangepast zijn dat de verplichtingen van de richtlijn geïntegreerd zijn in dat decreet. Zoals verder zal blijken is geen van beide het geval. Overeenkomstig artikel 5 van de richtlijn moet een milieurapport worden opgesteld waarin de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan, alsmede van de redelijke alternatieven, worden bepaald, beschreven en beoordeeld. 16. Richtlijn 2001/42/EG diende in het interne recht van de lidstaten omgezet te worden tegen 21 juli 2004. Zoals hierna zal blijken, is deze richtlijn evenwel nog niet volledig omgezet in de Belgische interne rechtsorde. d.1.1.2. Vlaamse regelgeving 17. Het Decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna ‘DABM’) voerde onder titel IV de verplichting in tot het uitvoeren van een m.e.r. voor bepaalde plannen en programma’s. De decreetgever beoogde met deze regels uitvoering te geven aan bovenvermelde Europese Richtlijn. 18. Ruimtelijke uitvoeringsplannen vallen onder het toepassingsgebied van bovenvermelde titel IV en dit overeenkomstig artikel 4.1.1. §l, 4/ DABM, waarin de definitie van een plan of programma is opgenomen: ‘elk document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid ( ... ), voorzover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest’. De Raad van State heeft trouwens bevestigd dat ruimtelijke uitvoeringsplannen onder deze definitie vallen, aangezien deze plannen aankondigen op welke wijze de overheid haar vergunningenbeleid zal voeren. 19. Het Decreet van 18 december 2002 bepaalt, louter wat de plan-m.e.r.-plicht betreft, dat de Vlaamse regering lijsten dient op te stellen houdende een opsomming van de plannen waarvoor een plan-m.e.r. dient te worden uitgevoerd (zie artikel 4.2.2. §1 t.e.m. 3 DABM). X-13.273-9/41 Hoewel de uiterste datum voor de implementatie van de Richtlijn 2001/42/EG is verstreken op 21 juli 2004, is er vooralsnog geen uitvoeringsbesluit met dergelijke lijsten aangenomen door de Vlaamse regering. De Europese Commissie stelde het Vlaamse Gewest formeel in gebreke op 13 december 2004 aangaande de omzetting van de richtlijn. De Europese Commissie meent dat het Decreet van 18 december 2002 op onvoldoende wijze het toepassingsgebied van de plan-m.e.r. afbakent. 20. In tussentijd heeft de Vlaamse regering een voorontwerp van een decreet betreffende de plan-m.e.r. klaar dat de bestaande regeling volledig zou vervangen. Het voorontwerp is zo opgesteld dat het niet meer nodig zou zijn om een uitvoeringsbesluit uit te vaardigen dat het toepassingsgebied van de plan-m.e.r. -plicht afbakent. Hoewel dit ontwerpdecreet nog niet in werking is getreden, en sowieso niet meer van toepassing kan zijn op het vastgestelde PRUP Aalter, is het niettemin nuttig de inhoud van dit decreet hierna te bespreken. Dit decreet geeft immers weer hoe de Vlaamse regering de plan-m.e.r.-plicht wil toepassen. Hoofdstuk II van Titel IV van DABM wordt volledig vervangen door het ontwerpdecreet en is van toepassing op ieder plan, of programma, of de wijziging ervan, dat het kader vormt van een vergunning voor een project (ontwerp artikel 4.2.1. DABM). Zo vormt een ruimtelijk uitvoeringsplan het kader van een vergunning voor de te ontwikkelen projecten (...). Wat de afbakening van het toepassingsgebied betreft, is het aldus nog niet nodig na te gaan of het daarbij om project-m.e.r.-plichtige projecten gaat of niet. Vervolgens moet worden nagegaan of het plan, dat onder het toepassingsgebied van het decreet valt, onderworpen is aan de plan-m.e.r.-plicht. Het ontwerpdecreet stelt dat een plan-m.e.r. dient te worden uitgevoerd, wanneer: l/ het plan betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I en II van het Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage; 2/ voor een ander plan dan vermeld in l/, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria omschreven in bijlage 1, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben (ontwerp artikel 4.2.3. §2, 1/). De eerste categorie betreft de plannen die van rechtswege (dus zonder verdere beoordeling) onderworpen zijn aan de plan-m.e.r.-plicht. De tweede categorie omvat de restgroep. Dit zijn alle plannen die tevens het kader vormen voor de toekenning van een toekomstige vergunning, maar die buiten de in artikel 4.2.3. §2, 1/ genoemde sectoren vallen (vb. visserij, bosbouw, ruimtelijke ordening) of die geen betrekking hebben op een project opgenomen in bijlagen I en II van het Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004. Voor deze plannen dient te worden nagegaan, aan de hand van de criteria in bijlage I, of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken (...). Deze criteria stemmen overeen met de criteria voor de vaststelling van de mogelijke aanzienlijke effecten opgesomd in bijlage II van Richtlijn 2001/42/EG. In het ontwerpdecreet stapt men aldus af van het idee lijsten van plannen in een uitvoeringsbesluit op te nemen. Het toepassingsgebied wordt daarentegen afgebakend in overeenstemming met Richtlijn 2001/42/EG. De bedoeling is om flexibeler te werk te kunnen gaan en enkel die plannen aan een plan-m.e.r. te onderwerpen die daadwerkelijk aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. X-13.273-10/41 In de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet wordt hiervan een voorbeeld gegeven: ‘Zo kan bijvoorbeeld over een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan dat een bedrijvenpark oplegt, en niet afwijkt van een gewestplan (dat een KMO-zone voorziet), gesteld worden dat het geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt. In een ander geval, waarbij een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (dat industriegebied voorziet) afwijkt van een gewestplan (dat landbouwgebied voorziet), kan dan weer gesteld worden dat er wel sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. Het opstellen van een lijst zou ‘provinciaal ruimtelijke uitvoeringsplannen’ per definitie onderwerpen aan de plan-m.e.r.-plicht, terwijl uit ons voorbeeld is gebleken dat het ene wel en het andere niet onderworpen zou zijn’ (...). Terzijds kan er op gewezen worden dat het PRUP Aalter voorziet in de aanleg van een gemengd regionaal bedrijventerrein waarbij wordt afgeweken van het gewestplan Eeklo-Aalter die het plangebied aanduidt als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Aldus, volgens het ontwerpdecreet zou het PRUP Aalter in ieder geval onder de plan-m.e.r.-plicht vallen (voor de toepassing van de plan-m.e.r. op het PRUP Aalter zie verder de bespreking onder punt d. 1.2.2.). D.1.2. Het PRUP is onwettig wegens het niet uitvoeren van een plan m.e.r d.1.2.1. Toepassing van de plan-m.e.r.-plicht voor RUP’s in het algemeen 21. De provincieraad stelt verkeerdelijk in het vaststellingbesluit van 16 november 2006 inzake het PRUP Aalter dat, gezien er nog geen Vlaams uitvoeringsbesluit voorhanden is, het principe van de plan-m.e.r.-plicht nog geen feit is in de interne rechtsorde. De bepalingen aangaande de plan-m.e.r. zijn echter weldegelijk van toepassing, ook al is er geen uitvoeringsbesluit met lijsten vastgesteld, en is het ontwerp plan-m.e.r. decreet nog niet in werking. Immers de Richtlijn 2001/42/EG heeft zoals hieronder zal aangetoond worden directe werking in de interne rechtsorde van België en het PRUP Aalter valt onder het toepassingsgebied van de Richtlijn 2001/42/EG. d. 1.2.2. directe werking van de Richtlijn 2001/42/EG 22. De figuur van de directe werking wordt door het Hof van Justitie ontwikkeld ten einde te vermijden dat rechtsonderhorigen nadelige gevolgen ondervinden van een laattijdige omzetting van Europese regelgeving. 23. Zoals reeds vermeld diende Richtlijn 2001/42/EG te zijn omgezet tegen uiterlijk 21 juli 2004, hetgeen slechts gedeeltelijk is gebeurd bij Decreet van de Vlaamse regering van 18 december 2002. Een uitvoeringsbesluit of een nieuw decreet dat de bepalingen verder uitwerkt, is niet voorhanden, zodat de Europeesrechtelijke verplichtingen niet zijn nagekomen. Dit wordt bevestigd in de ingebrekestelling van de Europese Commissie dd. 13 december 2004. 24. Om directe werking te kunnen hebben dient de relevante bepaling van de richtlijn voldoende duidelijk te zijn, hetgeen wat artikel 3.2. van Richtlijn 2001/42/EG betreft ontegensprekelijk het geval is. Artikel 3.2. past de plan-m.e.r.-plicht immers toe op alle plannen die voorbereid worden met betrekking tot ruimtelijke ordening en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten. Deze Richtlijn 85/337/EEG is omgezet bij Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, zodat naar de lijsten in de bijlagen van dit besluit dient te worden gekeken (zie verder punt d.1.2.3.). Artikel 3.2. van Richtlijn 2001/42/EG kan aldus zonder enige problemen toegepast worden in de Belgische interne rechtsorde. Daarenboven geldt volgens artikel 3.4. van de richtlijn de plan-m.e.r.-plicht eveneens voor de andere plannen, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, en waarvan de lidstaten bepalen dat X-13.273-11/41 deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Artikel 3.5. stelt verder dat de lidstaten dit kunnen bepalen door een onderzoek per geval, of door de specificatie van soorten plannen, of door de combinatie van beide werkwijzen. Daarbij dient steeds rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II van de richtlijn. Deze bepalingen zijn eveneens afdoende duidelijk om in de interne rechtsorde te worden toegepast. 25. Ten overvloede kan gewezen worden op de inhoud van het MER opgemaakt in het kader van de procedure tot vaststelling van het recente GRUP Gent-Sint Pieters, waarin bevestigd wordt dat de plan-m.e.r.-plicht wel degelijk geldt: ‘Bovendien geldt de m.e.r.-plicht sedert 21 juli 2004 ook voor de opmaak van plannen o.a. inzake vervoer, ruimtelijke ordening en grondgebruik, zoals gestipuleerd in het M.e.r.-Vr.decreet van 18 december 2002 in uitvoering van de Europese plan-m.e.r.-richtlijn. Vermits ook een Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) dient te worden opgemaakt om de realisatie van de deelprojecten die momenteel niet verenigbaar zijn met de huidige bestemming mogelijk te maken geldt ook in dit geval de m.e.r.-plicht. In dat geval gaat het dus om een plan-m.e.r.’ (...). 26. In haar advies dd. 12 oktober 2006 bevestigt de PROCORO dat plannen en programma’s volgens de Europese Richtlijn steeds moeten worden getoetst op mogelijke aanzienlijke milieueffecten. In het bijzonder voor plannen die de toekomstige vergunning van bijlage II bij Richtlijn 85/337/EEG (project-m.e.r.) mogelijk maken, dient een gedegen milieubeoordeling te gebeuren, aldus de PROCORO. De PROCORO is daarentegen van oordeel dat deze milieubeoordeling ook in de toelichtingsnota van een RUP kan opgenomen worden. Het zou niet steeds noodzakelijk zijn de m.e.r. procedure te volgen (...). De PROCORO verduidelijkt geenszins op welke bepaling ze zich steunt om tot dit besluit te komen. Daarenboven houdt deze argumentatie geen steek. Men kan moeilijk van mening zijn dat enerzijds de m.e.r.-plicht geldt overeenkomstig de Europese Richtlijn, en anderzijds stellen dat het volstaat een milieubeoordeling te voorzien in de toelichtingsnota van een RUP. Immers, in de Europese Richtlijn, waarvan de PROCORO erkent dat deze directe werking heeft, staat duidelijk omschreven hoe de milieubeoordeling dient te geschieden. De milieubeoordeling moet worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van het desbetreffende plan (artikel 4.1.). De beoordeling omvat de opstelling van een milieurapport dat ten minste aan de eisen van artikel 5 moet beantwoorden. Zo dienen de mogelijke milieueffecten van de uitvoering van het plan, alsmede van de redelijke alternatieven te worden bepaald, beschreven en beoordeeld. De bevoegde milieu-instanties en het publiek dienen over het ontwerpplan en het bijhorende milieurapport te worden geraadpleegd (artikel 6). d.1.2.3. Het PRUP Aalter diende aan een plan-m.e.r. te worden onderworpen 27. Zoals hierboven reeds uiteengezet, zijn ruimtelijke uitvoeringsplannen plan-m.e.r.-plichtig. Dit geldt in ieder geval, zonder dat een verdere beoordeling is vereist, voor plannen die het kader kunnen vormen voor project-m.e.r.-plichtige projecten, overeenkomstig bijlage I en II van Richtlijn 85/337/EEG, omgezet bij Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004. Het PRUP Aalter voorziet dat op het gemengde regionaal bedrijventerrein niet-limitatief de volgende hoofdactiviteiten zijn toegelaten: productie, verwerking en bewerking van goederen, verwerking en bewerking van grondstoffen, afvalverwerking met inbegrip van recyclage en mestverwerking (artikel 1 stedenbouwkundige voorschriften - (...)). Daarenboven kunnen op het regionaal bedrijventerrein met watergebonden karakter bedrijven gevestigd X-13.273-12/41 worden die het kanaal als transportmodus gebruiken, zonder dat er iets wordt vermeld over welke activiteiten hier kunnen plaatsvinden (artikel 2 stedenbouwkundige voorschriften - (...)). Enkel Seveso-bedrijven zijn niet toegelaten. Een heel aantal, volgens het Besluit van 10 december 2004, project-m.e.r.-plichtige projecten kunnen zich aldus op het bedrijventerrein ontwikkelen: afvalverwerkende bedrijven (...), bepaalde energiebedrijven (...), minerale industrie (...), bepaalde chemische industrie (...), textiel-, leder-, hout- en papierindustrie (...), voedingsindustrie (...), mestverwerkende bedrijven (....), ed. (...) Daarenboven kan het regionaal bedrijventerrein op de site Woestijne (32,4
- ha)beschouwd worden als een uitbreiding van het bestaande veel grotere bedrijventerrein Lakeland aan de overzijde van het kanaal (...), zodat de beide bedrijventerreinen een oppervlakte hebben van meer dan 50 ha. In dat geval valt het PRUP Aalter ook onder punt 10.a. bijlage II van het Besluit van 10 december 2004 (industrieontwikkeling met een oppervlakte van 50 ha of meer). In de Toelichtingsnota wordt bevestigd dat beide terreinen bij elkaar aansluiten: ‘Het nieuw regionaal bedrijventerrein sluit aan op het bestaande regionale bedrijventerrein Lakeland, gelegen aan de overkant van het kanaal’ (...). Niettemin, en zonder enige motivering, stelt de Provincieraad in het vaststellingsbesluit van 16 november 2006 dat uit het punt 10.a bijlage II van het Besluit van 10 december 2004 volgt dat voor het PRUP Aalter geen verplichte milieubeoordeling moet worden opgemaakt. Er bestaat terzake een grote tegenstrijdigheid: enerzijds is men van oordeel, in het kader van de keuze van het gebied Woestijne boven de andere locaties, dat beide terreinen bij elkaar aansluiten, en anderzijds, teneinde te kunnen ontsnappen aan de m.e.r.-plicht, stelt men dat de terreinen helemaal niet bij elkaar aansluiten. De term ‘uitbreiding’ of ‘aansluiting’ is niet te beschouwen als het zich vestigen op aanpalende percelen. Het is niet omdat het bedrijventerrein Woestijne van het bedrijventerrein Lakeland gesplitst wordt door het kanaal, dat zij niet als een uitbreiding van dit laatste bedrijventerrein zou kunnen worden beschouwd. Beide bedrijventerreinen sluiten immers ruimtelijk gezien bij elkaar aan en het kanaal wordt door de watergebonden bedrijven op beide terreinen gebruikt als transportmodus. Ook de effecten op mens en milieu, veroorzaakt door de activiteiten op beide terreinen (vb. geluidshinder, luchtverontreiniging, geurhinder), zullen cumulatief werken gezien de dichte nabijheid van de terreinen, zodat een voorafgaande milieubeoordeling absoluut aangewezen is. Tot slot is er ook een duidelijke relatie tussen de grondwaterkwantiteit en - kwaliteit op beide sites. Gezien de aanwezige grondwaterverontreiniging op het industrieterrein Lakeland, is het essentieel dat de samenhang met het industrieproject Woestijne geanalyseerd wordt. Men dient dan ook te besluiten dat beide bedrijventerreinen als één industrieontwikkelingsproject van meer dan 50 ha kunnen worden beschouwd. Het PRUP Aalter valt bijgevolg ontegensprekelijk onder de toepassing van artikel 3.2.a. van Richtlijn 2001/42/EG. De enige mogelijkheid om het PRUP Aalter definitief vast te stellen zonder voorafgaand een plan-MER op te stellen, zou de opname zijn in de stedenbouwkundige voorschriften van een bepaling die inhoudt dat bedrijven die vallen onder bijlage I en II van het Besluit van 10 december 2004 zich niet op het regionaal bedrijventerrein kunnen vestigen. X-13.273-13/41 29. Uit de toelichtingsnota bij het PRUP Aalter blijkt dat men het niet nodig -achtte een plan- m.e.r. te verrichten, omdat er nog geen zicht is op de omvang en de specifieke aard van de activiteiten van de bedrijven die zich in de toekomst op het bedrijventerrein zullen vestigen. Daarenboven kunnen bepaalde bedrijven in de aanvraagprocedure tot het bekomen van een stedenbouwkundige- en milieuvergunning geweigerd worden. Een aantal categorieën van bedrijven zijn trouwens onderworpen aan de verplichting tot het opstellen van een MER teneinde een vergunning te kunnen bekomen (...). Het feit dat bepaalde bedrijven verplicht zullen zijn de project-m.e.r.-procedure te volgen is geen argument dat het niet uitvoeren van een plan-m.e.r. verantwoordt. Integendeel, aangezien er project-m.e.r.-plichtige bedrijven worden toegelaten, diende er voorafgaand aan de goedkeuring van het PRUP Aalter een plan-MER te worden opgesteld. Verzoekers wijzen daarenboven op het recente arrest nr. 137/2006 van het Arbitragehof van 14 september 2006 over de inrichting van bedrijventerreinen in Wallonië. Het Hof stelde dat, gelet op de economische bestemming, van de bedoelde gebieden, het geenszins uitgesloten is dat in die gebieden projecten zullen worden gerealiseerd zoals bedoeld in de bijlagen I en II van de project-m.e.r.-richtlijn en bevestigde dat de inrichting van dergelijke gebieden dus onderworpen is aan het in acht nemen van de voorschriften van de plan-m.e.r.richtlijn. 30. Zelfs in de mate dat men tot het besluit zou komen dat het PRUP Aalter niet onder de toepassing valt van artikel 3.2.a. van Richtlijn 2001/42/EG, quod certe non, geldt volgens artikel 3.4. van de richtlijn de plan-m.e.r.plicht eveneens voor de andere plannen, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, en waarvan de lidstaten bepalen dat deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Gezien er geen lijsten voorhanden zijn, dient de overheid dit geval per geval te bestuderen, overeenkomstig artikel 3.5. van de richtlijn. Daarbij wordt rekening gehouden met de kenmerken vermeld in bijlage II bij de richtlijn, bijvoorbeeld: - de ligging, de aard en de omvang van de te ontwikkelen projecten (i); - de mate waarin het plan andere plannen beïnvloedt (ii); - de cumulatieve aard van de effecten van de activiteiten (iii); - de risico’s voor de menselijke gezondheid en milieu (iv); ... Het PRUP Aalter legt een bedrijventerrein aan vlak naast een woonwijk, maar voorziet niettemin dat afval- en mestverwerkende bedrijven zich er kunnen vestigen. De bedrijven dienen daarbij een perceelsgrootte van minimum 5.000 m² in te nemen (i). Door het PRUP Aalter dat voorziet in de aanleg van een bedrijventerrein wordt het Gewestplan Eeklo-Aalter dat hoofdzakelijk voorziet in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gedeeltelijk opgeheven (ii). Gelet op de zeer dichte nabijheid van het bedrijventerrein Lakeland kunnen de effecten voor mens en milieu zich cumuleren (iii). Dat de geplande activiteiten bepaalde aanzienlijke milieueffecten met zich zullen meebrengen kan niet worden ontkend. Deze effecten zullen zich voornamelijk situeren op het vlak van verkeer, geluid en lucht (iv). Men had dan ook tot het besluit dienen te komen een plan-m.e.r. uit te voeren voorafgaand aan de vaststelling van het PRUP Aalter, minstens had men de vraag moeten onderzoeken, hetgeen zelfs niet is gebeurd. 31. Ten overvloede kan nog gewezen worden op de inhoud van het ontwerp plan-m.e.r.-decreet, zoals hierboven reeds uiteengezet, waaruit duidelijk de doelstelling van de Vlaamse regering blijkt om ruimtelijke uitvoeringsplannen, in de zin van het PRUP Aalter, te laten vallen onder de plan-m.e.r.-plicht. D.1.3. Besluit 32. De bestreden beslissing schendt artikel 3.2.a. van Richtlijn 2001/42/EG, omdat geen plan-m.e.r. werd uitgevoerd voorafgaand aan de vaststelling van de X-13.273-14/41 beslissing, hoewel er in het plangebied activiteiten mogen ontwikkeld worden die vallen onder de project-m.e.r.-plicht. In ondergeschikte orde, schendt de bestreden beslissing artikel 3.4. van Richtlijn 2001/42/EG, omdat geen plan-m.e.r. werd uitgevoerd voorafgaand aan de vaststelling van de beslissing, hoewel mag verwacht worden dat, gelet op de kenmerken van het PRUP Aalter, de te ontwikkelen projecten aanzienlijke milieueffecten met zich zullen meebrengen. Het eerste middel is bijgevolg gegrond”. Beoordeling van het eerste middel 6. Artikel 3.2 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (hierna: de SEA-richtlijn) luidt als volgt : “Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma’s
- a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
- b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG”. Artikel 3.4 van de SEA-richtlijn luidt als volgt : “Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma’s, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het plan of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben”. Artikel 13.1 van de SEA-richtlijn luidt als volgt : “De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen”. Overeenkomstig artikel 13 van de SEA-richtlijn diende deze richtlijn aldus uiterlijk op 21 juli 2004 in de interne rechtsorde te zijn omgezet. Door middel van het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: het DABM) met een titel betreffende de milieueffect- en X-13.273-15/41 veiligheidsrapportage, werd de SEA-richtlijn gedeeltelijk in de Belgische interne rechtsorde omgezet. Artikel 4.2.1 van het DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden besluiten, luidt als volgt : “Voorgenomen plannen en programma’s worden, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk”. Artikel 4.2.2, §§ 1 tot 3 van het DABM, zoals van toepassing op het ogenblik van de bestreden besluiten, luidt als volgt : “§ 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, de plannen en programma’s aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage. § 2. De Vlaamse regering beslist geval per geval en aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, of andere plannen en programma’s dan die vermeld in § 1 en 3 al dan niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. § 3. De Vlaamse regering wijst de plannen en programma’s aan die niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffect- rapportage heeft”. Er werd geen uitvoeringsbesluit door de Vlaamse regering met betrekking tot het toepassingsgebied van de plannen en programma’s die in de Vlaamse regelgeving in aanmerking kunnen komen voor de uitvoering van de plan- milieueffectenrapportage (hierna: plan-MER) uitgevaardigd, zodat ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten, de omzetting van de SEA-richtlijn op onvolledige wijze was gebeurd en de relevante bepalingen van het DABM aldus nog niet operationeel waren. Het feit dat in het Belgisch Staatsblad van 20 juni 2007 (Ed. 3) het decreet van 27 april 2007 houdende wijziging van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : het decreet van 27 april 2007) werd bekendgemaakt, doet niets af aan die vaststelling. Dit decreet, dat zo is opgesteld dat het niet meer nodig is om een uitvoeringsbesluit uit te vaardigen dat het toepassingsgebied van de plan-MER- plicht afbakent, geldt immers pas sinds 1 december 2007 zodat het sowieso niet meer van toepassing kan zijn op het PRUP “Regionaal bedrijventerrein Aalter”. X-13.273-16/41 Voor de beoordeling van het eerste middel is het decreet van 27 april 2007 en het betoog van de verzoekende partijen desbetreffend niet doorslaggevend. 7. Nu blijkt dat de SEA-richtlijn op onvolledige wijze in het interne recht is omgezet, dient vooreerst nagegaan te worden of de verzoekende partijen wel degelijk de schending van de artikelen 3.2 en 3.4 van de SEA-richtlijn voor de Raad van State kunnen inroepen. Bijgevolg dient te worden onderzocht of de artikelen 3.2 en 3.4 van de SEA-richtlijn al dan niet directe werking hebben in de Belgische interne rechtsorde. In beginsel hebben richtlijnen geen directe werking. Een richtlijn heeft wel directe werking in de Belgische rechtsorde wanneer de omzettingstermijn voor de betrokken richtlijn is verstreken en indien zij duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen bevat die geen verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregel door communautaire of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken. Er bestaat geen betwisting over dat de omzettingstermijn voor de SEA-richtlijn ten tijde van de bestreden besluiten was verstreken. 8. Wat artikel 3.4 van de SEA-richtlijn betreft, blijkt deze bepaling nog verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregelen te vereisen, zodat zij geen directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. De verzoekende partijen kunnen zich derhalve niet dienstig op een schending van deze bepaling beroepen om de nietigverklaring van de bestreden besluiten te vorderen. 9.1. De plicht die artikel 3.2 van de SEA-richtlijn aan de lidstaten oplegt om plannen die aanleiding geven tot MER-plichtige projecten ook zelf te onderwerpen aan een milieubeoordeling, is wel voldoende duidelijk en nauwkeurig om te kunnen aannemen dat deze bepaling directe werking heeft in de Belgische interne rechtsorde. 9.2. Overeenkomstig artikel 3.2,
- a)van de SEA-Richtlijn dient voor onder andere plannen die worden voorbereid met betrekking tot een aantal sectoren, zoals in casu industrie en ruimtelijke ordening, en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij de “Richtlijn 85/337/EEG” genoemde projecten, een plan-MER te worden opgemaakt. De richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: de richtlijn 85/337/EEG), werd omgezet bij besluit van de X-13.273-17/41 Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004). Punt 10,
- a)van bijlage II bij het voornoemde besluit duidt “infrastructuurprojecten”, meer bepaald “industrieterreinontwikkeling met een oppervlakte van 50 ha of meer”, aan als project-MER-plichtig. Wat de toegelaten inrichting van het gebied tot regionaal bedrijventerrein betreft, dient niet te worden uitgegaan van de concrete inrichting van dat gebied, maar wel van het feit dat het PRUP “Regionaal Bedrijventerrein Aalter” het kader vormt voor infrastructuurprojecten, meer bepaald industrieterreinontwikkeling. Uit de toelichtingsnota bij het PRUP blijkt immers inzake die inrichting dat nog geen “inzicht in de omvang en specifieke aard van de activiteiten van zich in de toekomst op het terrein vestigende bedrijven” voorhanden is. De verwijzing in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie van de verzoekende partijen naar het arrest nr. 137/2006 van 14 september 2006 van het Grondwettelijk Hof, dat de afschaffing betreft van het gemeentelijk plan van aanleg als voorafgaande voorwaarde voor de inrichting van een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming niet vaststaat, mist pertinentie en doet niet anders besluiten. 9.3. De oppervlakte van het door het PRUP in het vooruitzicht gestelde regionaal bedrijventerrein Woestijne beslaat minder dan 50 ha, namelijk slechts 32,4 ha. Het geplande bedrijventerrein is dus op grond van het voormelde punt 10,
- a)van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 geen MER-plichtig project. Het in het verzoekschrift aangevoerde gegeven dat “het nieuw regionaal bedrijventerrein (aan)sluit op het bestaande regionale bedrijventerrein Lakeland”, vermag niet tot een andere conclusie te leiden. Bovendien kan met de tweede verwerende partij gesteld worden dat, nu Aalter in het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Oost- Vlaanderen een taakstelling kreeg toegewezen van 30ha om lokale en regionale bedrijventerreinen te “creëren” (zie de toelichtingsnota bij het PRUP), het aldus niet gaat om “een optelling van bestaande en bijkomende bedrijventerreinen”. Dit alles klemt des te meer nu beide industrieterreinen, zoals is aangegeven in het advies van de PROCORO, van elkaar worden gescheiden door een kanaal en dat de lokale ontsluiting van het nieuw aan te leggen bedrijventerrein via andere wegen zal verlopen dan deze van het reeds bestaande bedrijventerrein. X-13.273-18/41 9.4. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat zich de vraag stelt of “de stringente toepassing van de voorwaarde van een minimumoppervlakte van 50 ha, zoals voorzien in punt 10.a. in bijlage II bij het Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, strookt met de Europese regelgeving”, dat het Hof van Justitie bij arrest van 25 juli 2008 heeft geoordeeld dat de doelstelling van de richtlijn 85/337/EEG niet mag worden omzeild door projecten op te splitsen en dat “indien de Raad van State van oordeel zou zijn dat de realisatie van het PRUP Aalter niet kan beschouwd worden als een industrieontwikkeling van 50 ha of meer volgens punt 10.a. (van
- de)Bijlage II bij het Besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, (...), dan (...) punt 13 (van
- de)Bijlage II van toepassing (is)” . De verzoekende partijen kunnen niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord in vraag stellen of het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, meer bepaald punt 10,
- a)van de bijlage II ervan, wel spoort met de Europese regelgeving. Zij behoren een dergelijke vraag, teneinde de wapengelijkheid tussen de partijen te waarborgen, op het eerst nuttige moment te formuleren, namelijk in het inleidend verzoekschrift, zeker nu zij zich dan reeds hadden kunnen vergewissen van de terzake reeds jaren gevestigde rechtspraak van het Hof van Justitie. Waar de verzoekende partijen een ongeoorloofde “opsplitsing” van projecten aanvoeren, vindt hun betoog geen steun in de thans voorliggende feiten. In het door de verzoekende partijen aangehaalde arrest van 25 juli 2008 heeft het Hof van Justitie overwogen dat het aan de nationale rechter staat na te gaan of de aan de orde zijnde projecten samen moeten worden behandeld wegens met name hun geografische nabijheid, hun gelijkenissen en hun wisselwerkingen. In casu laat het bestreden plan toe aan industrieontwikkeling te doen op een terrein gelegen aan de overzijde van het kanaal waarlangs reeds geruime tijd een ander bedrijventerrein is gesitueerd. Dit laatste bedrijventerrein is, naar eigen zeggen van de verzoekende partijen, ontwikkeld vóór 21 juli 2004 en was als dusdanig nog niet onderworpen aan enige project-MER-plicht. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen menen, is het feit dat het bedrijventerrein Lakeland reeds geruime tijd bestaat, dus wel degelijk relevant. De vraag naar enige toelaatbare opsplitsing vooronderstelt immers minstens de vatbaarheid van het totaalproject voor een toepassing van de MER-plicht. In zoverre de verzoekende partijen voor het eerst in hun memorie van wederantwoord een schending van punt 13 van bijlage II bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 inroepen en dit op een uitgebreide wijze X-13.273-19/41 in het voormelde procedurestuk en in hun laatste memorie beargumenteren, is hun middel onontvankelijk. Het middel is niet gegrond Prejudiciële vraag 10. In ondergeschikte orde, en in de mate dat de schending van artikel 3.2 van de SEA-richtlijn niet zou worden weerhouden, vragen de verzoekende partijen aan de Raad van State om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie omtrent de rechtstreekse werking van artikel 3.4 van de SEA-richtlijn. Aangenomen dat onder artikel 3.4 van de SEA-richtlijn plannen en programma’s kunnen worden begrepen die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor dezelfde projecten als bedoeld in artikel 3.2 van de SEA-Richtlijn doch die, overeenkomstig de nationale regelgeving, beneden de drempelwaarde blijven, blijkt uit de feiten dat in casu wel degelijk is nagegaan of het voorliggende plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Het “beknopt ‘onderzoek per geval’ ” dat de verzoekende partijen voeren, legt geen elementen bloot waaraan de initiatiefnemer en daarna de Cel M.e.r. zouden zijn voorbijgegaan. Evenmin tonen de verzoekende partijen aan dat de milderende maatregelen in geval van significante effecten, kennelijk ontoereikend zouden zijn. Aangezien de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat, anders dan de initiatiefnemers van het plan en daarna de Cel M.e.r. voorhouden, het bestreden plan ondanks de milderende maatregelen aanzienlijke milieueffecten teweeg brengt, is een antwoord door het Hof van Justitie op de vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 3.4 van de SEA-Richtlijn niet noodzakelijk om het geding af te doen. Zelfs indien het Hof deze vraag positief zou beantwoorden, tonen de verzoekende partijen immers niet aan dat aan de noodzakelijke vereiste opdat het plan alsnog wordt onderworpen aan een afzonderlijke milieueffectenbeoordeling, is voldaan. De prejudiciële vraag aan het Hof van Justistie omtrent de rechtstreekse werking van artikel 3,4 van de SEA-Richtlijn moet niet worden gesteld. X-13.273-20/41 B. Tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel 11. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel aan wat volgt: “D.2. Tweede middel De watertoets werd niet goed uitgevoerd, alsook onvoldoende gemotiveerd D.2.1. Wettelijke bepalingen 33. De watertoets werd in de Vlaamse regelgeving ingevoerd bij artikel 8 van het Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna ‘DIWB’). Dit decreet vormt de omzetting van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (de zogenaamde ‘Kaderrichtlijn Water’). 34. Artikel 8 DIWB houdt in dat de overheden bij het vaststellen van plannen of het toekennen van vergunningen rekening dienen te houden met de mogelijke schadelijke effecten o.a. op de waterhuishouding: ‘§1. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma, dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dringende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijk effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. §2. (...) De beslissing die de overheid neemt in het kader van §1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. (...)’ Sinds de inwerkingtreding van het DIWB op 24 november 2003 moet voor elk nieuw initiatief de mogelijkheid op schade voor het watersysteem vooraf worden beoordeeld. In elke vergunning die wordt verleend, en in elk plan of programma dat wordt goedgekeurd, moeten de resultaten vermeld worden van de watertoets. Deze watertoets kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma’s of vergunningsbesluiten. X-13.273-21/41 Alleen wanneer er in geen geval schadelijke effecten voor water te verwachten zijn, zoals bij een jachtvergunning, dan zegt het gezond verstand dat de watertoets zonder voorwerp is. 35. Op 20 juli 2006 keurde de Vlaamse Regering het uitvoeringsbesluit voor de watertoets definitief goed. Dat besluit is in werking getreden op 1 november 2006 en bevat nadere regels over de toepassing van de watertoets. Het geeft aan welke instanties als adviesverlener optreden en hoe de adviesprocedure verloopt. De bijlagen bij het besluit bevatten inhoudelijke richtlijnen voor vergunningsverleners en bijhorende kaarten. Gezien dit besluit louter van belang is in het kader van de vergunningverlening, gaan we hier niet verder op in. D.2.2. Het PRUP is onwettig wegens het niet (goed) uitvoeren van de watertoets d.2.2.1. Toepassing van de watertoets voor RUP’s in het algemeen 36. De watertoets is van toepassing op plannen en programma’s. In het decreet is hier geen definitie van terug te vinden. De parlementaire voorbereidingen verwijzen terzake naar de omschrijving in artikel 4.1.1, §l, 4/ DABM (...). Zoals reeds uiteengezet in het kader van het eerste middel, vallen ruimtelijke uitvoeringsplannen onder deze omschrijving (...). Dat artikel 8, §1 DIWB van toepassing is op ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt trouwens bevestigd door de Raad van State. 37. De overheid zal voorafgaand aan de vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan een watertoets dienen uit te voeren ingeval van een risico op een schadelijk effect op de waterhuishouding. In artikel 3, §2, 17/ DIWB is een definitie van het begrip ‘schadelijk effect’ opgenomen: ‘Ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen’. De watertoets is dus niet uitsluitend gericht op het voorkomen van overstromingsgevaar. Door de koppeling aan het begrip schadelijke effecten omvat de watertoets ratione materiae een brede rist van evaluatie-items, zoals veiligheid tegen overstromingen, (grond)wateroverlast, riolering, watervoorziening voor huishoudens en economische actoren, bodemdaling, volksgezondheid, oppervlakte- en grondwaterkwaliteit, verdroging en (natte) natuur. Het zal echter niet steeds gemakkelijk zijn om met enige zekerheid te bepalen of er al dan niet schadelijke effecten kunnen uitgaan van een plan, noch welke voorwaarden dan best worden opgelegd om deze schadelijke effecten te vermijden, te beperken of te herstellen. Daarom is het aangewezen hierover deskundig advies in te winnen bij de betrokken waterbeheerder(s). d.2.2.2. Het PRUP Aalter dient aan de watertoets te worden onderworpen 38. Door het PRUP Aalter wordt een bedrijventerrein ingeplant in een gebied dat voorheen landschappelijk waardevol agrarisch gebied als bestemming had en dat voornamelijk bestond uit akkers en weilanden. Daarenboven is het relevant dat zeer grote delen van het gebied ongeveer een meter lager liggen dan de omliggende percelen en bijgevolg jaarlijks X-13.273-22/41 overstromen (...). Het PRUP Aalter voorziet dat deze laaggelegen gronden (ongeveer 2,38 ha!) zullen worden opgehoogd (...). 39. In het PRUP wordt o.a. voorzien in een verharding van ongeveer 20 ha op bovenvermeld gebied, alsook in de mogelijkheid tot het bouwen van kades op de bermen van het kanaal. 40. In de toelichtingsnota wordt uiteengezet dat de verharding over een oppervlakte van 20 ha een sterke vermindering van de infiltratiecapaciteit van het gebied tot gevolg zal hebben, waardoor de piekdebieten in de waterlopen verhogen. Dit wordt beschouwd als een significant negatief effect (...). Bovendien zal de realisatie van het PRUP Aalter een impact hebben op de waterbeheersingsfunctie van de lokale waterlopen en zal er een verlies aan komberging optreden, hetgeen eveneens een aanzienlijk risico op overstromingen tot gevolg heeft. Men beschouwd dit evenwel als een te verwaarlozen effect, mits een voldoende ruim retentiebekken wordt aangelegd dat dienst zal doen als gebied waar gecontroleerde overstromingen worden toegelaten (...). Het aanleggen van kades op de ecologisch waardevolle bermen zal een belangrijke migratiebarrière uitmaken voor de aquatische fauna en de fauna op de oevers van het kanaal Gent-Brugge. Dit wordt beschouwd als een significant negatief effect (...). Het staat dan ook vast dat een schadelijk effect op het watersysteem in het algemeen aanwezig is, zodat de uitvoering van de watertoets noodzakelijk wordt. d.2.2.3. De watertoets werd wat het PRUP Aalter betreft gebrekkig uitgevoerd en onvoldoende gemotiveerd 41. Vooreerst dient er op gewezen te worden dat het PRUP Aalter, bij de uitvoering van de watertoets, zich enkel focust op de waterkwantiteit en het gevaar op overstromingen. Nochtans kan de inplanting van een regionaal bedrijventerrein ook andere aanzienlijke schadelijke effecten ressorteren. Zo wordt er bijzonder weinig aandacht geschonken aan de impact op de waterkwaliteit, de structuurwijzigingen van de waterlopen en het aquatisch milieu in het algemeen, hoewel er wordt gezegd dat ‘de negatieve invloed op migratiemogelijkheden van de aquatische fauna en oeverflora moeilijk te milderen zal zijn’ (...). 42. Daarenboven werd de watertoets, wat het overstromingsgevaar betreft, niet afdoende uitgevoerd. In de toelichtingsnota staat immers te lezen: ‘Indien het bedrijventerrein opgehoogd wordt tot 10,90 mTAW, dan kan er in het retentiebekken in principe tot deze hoogte water gestockeerd worden. Uit het digitaal hoogtemodel kan afgeleid worden dat dan een volume van ongeveer 55.200 m³ kan gebufferd worden in het retentiebekken. Dit is evenwel op voorwaarde dat de waterhoogte kan opgestuwd worden tot 10,90 mTAW, wat niet zeer waarschijnlijk lijkt. Desondanks zal het buffervolume wel toereikend zijn, gezien de grootte-orde ervan (55.200 m³) in vergelijking met het benodigde volume (5.400 m³ + grofweg 4.760 m³ ter compensatie van het verlies aan komberging). Het retentiebekken kan ook een rol vervullen als buffer voor de gedeeltelijke opvang van overtollig water ter hoogte van het recent overstromingsgebied in het noordoosten van het plangebied, en eventueel voor de afvoer van piekdebieten vanuit de woonwijk (via de Hollebeek) en. Om deze mogelijkheden te begroten is uiteraard bijkomend onderzoek nodig’ (...). Gelet op het bovenstaande kunnen de volgende opmerkingen gemaakt worden wat de watertoets betreft: - Enerzijds stelt men dat een volume van 55.200 m³ slechts gebufferd kan worden in het retentiebekken op voorwaarde dat de waterhoogte kan opgestuwd worden tot 10,90 mTAW, wat onwaarschijnlijk blijkt te zijn, en anderzijds X-13.273-23/41 schat men dat dit buffervolume (over welk volume heeft men het dan?) wel voldoende zal zijn. Men is met andere woorden noch zeker over de grootte van het te bufferen volume noch over het feit of dat volume ook daadwerkelijk zal kunnen gebufferd worden... - Het retentiebekken zou, naast buffer voor het overtollige water dat het gevolg is van het verlies aan komberging, eveneens dienst moeten doen als buffer voor de gedeeltelijke opvang van overtollig water ter hoogte van het recent overstromingsgebied in het noordoosten van het plangebied, en eventueel voor de afvoer van piekdebieten. Echter, men geeft geen enkele cijfermatige berekening van het volume water dat van het recent overstromingsgebied in het noordoosten van het plangebied zou komen... Als men het betrokken retentiebekken als een dermate belangrijke buffer beschouwd, diende men hieromtrent onderzoek uit te voeren. 43. In het besluit dd. 16 november 2006 van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het PRUP Aalter staat tot slot te lezen: ‘Overwegende de watertoets zoals beschreven in de toelichtingsnota van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dat het retentiebekken ten noorden van het Woestijnegoed een functie heeft voor opvang van hemelwater van het bedrijventerrein, dat het retentiebekken ook een functie heeft in de opvang van overtollig hemelwater dat afkomstig is van het recent overstromingsgebied dat gesitueerd is net buiten het ruimtelijk uitvoeringsplan’. In het goedkeuringsbesluit van 13 februari 2007 van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening staat te lezen: ‘Overwegende dat de waterbeheerplannen die de basis vormen voor de watertoets zoals bedoeld in het decreet betreffende het algemeen waterbeleid nog niet zijn vastgesteld; dat de adviesgevende instantie bijgevolg nog niet is aangeduid’. ‘Overwegende dat een deel van het plangebied op de overstromingskaarten is gesitueerd in mogelijk overstromingsgevoelig gebied; dat het plan voorziet in de uitvoering van milderende maatregelen om de effecten op de waterhuishouding en de waterlopen te minimaliseren, onder meer aan de hand van een gebied voor waterretentie; dat op basis van het plan, de stedenbouwkundige voorschriften en de watertoets opgenomen in de toelichtingsnota in alle redelijkheid kan aangenomen worden dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven’. Louter in de bestreden beslissing stellen dat ‘op basis van het plan, de stedenbouwkundige voorschriften en de watertoets opgenomen in de toelichtingsnota in alle redelijkheid kan aangenomen worden dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven’ is een onvoldoende motivering in het licht van artikel 8, §1 DIWB, minstens in het licht van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De maatregelen die de schadelijke effecten dienen te beperken, dan wel te herstellen, moeten opgenomen worden in de beslissingen tot vaststelling en goedkeuring van het PRUP Aalter. Dit is hier echter niet gebeurd. De Raad van State oordeelde reeds dat uit artikel 8, §1 DIWB volgt dat ruimtelijke uitvoeringsplannen slechts kunnen goedgekeurd worden als gebleken is dat het geen aanleiding geeft tot een schadelijk effect, dan wel, indien een dergelijk effect wel kan ontstaan, dat het zoveel mogelijk wordt beperkt of hersteld. 44. Ruimtelijke uitvoeringsplannen waarbij de watertoets ten onrechte niet of onjuist werd toegepast, zoals bij het PRUP Aalter, zijn aanvechtbaar voor de Raad van State. Het planvormingsproces zal dan vanaf het begin moeten worden hernomen. D.2.2.4. Besluit X-13.273-24/41 45. De bestreden beslissing schendt artikel 8, §1 DIWB, omdat de beslissing het PRUP Aalter heeft goedgekeurd, zonder dat de watertoets op afdoende wijze werd uitgevoerd. De bestreden beslissing schendt daarenboven, gelet op de gebrekkige motivering, niet alleen artikel 8, §1 DIWB, doch ook de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Het tweede middel is bijgevolg gegrond”. Beoordeling van het tweede middel 12. Met betrekking tot de ingeroepen schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient te worden vastgesteld dat een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geen bestuurshandeling met individuele strekking uitmaakt en bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen valt. Het middel mist in zoverre juridische grondslag. 13. Artikel 8, § 1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: DIWB), zoals het toentertijd gold, luidt als volgt : “De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren”. Artikel 8, § 2 DIWB luidt als volgt : “(...) De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst”. X-13.273-25/41 Artikel 3, § 2, 17/ DIWB luidt als volgt : “Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 17o schadelijk effect : ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. Met betrekking tot de watertoets overweegt het eerste bestreden besluit wat volgt : “Overwegende de watertoets zoals beschreven in de toelichtingsnota van het ruimtelijk uitvoeringsplan, dat het retentiebekken ten noorden van het Woestijnegoed een functie heeft voor opvang van hemelwater van het bedrijventerrein, dat het retentiebekken ook een functie heeft in de opvang van overtollig hemelwater dat afkomstig is van het recent overstromingsgebied dat gesitueerd is net buiten het ruimtelijk uitvoeringsplan”. Het tweede bestreden besluit overweegt het volgende met betrekking tot de watertoets : “Overwegende dat een deel van het plangebied op de overstromingskaarten is gesitueerd in mogelijk overstromingsgevoelig gebied; dat het plan voorziet in de uitvoering van milderende maatregelen om de effecten op de waterhuishouding en de waterlopen te minimaliseren, onder meer aan de hand van een gebied voor waterretentie; dat op basis van het plan, de stedenbouwkundige voorschriften en de watertoets opgenomen in de toelichtingsnota in alle redelijkheid kan aangenomen worden dat eventuele schadelijke effecten beperkt zullen blijven”. In de toelichtingsnota bij het PRUP wordt met betrekking tot de watertoets het volgende gesteld : “8.1 Watertoets Op 20 juli 2006 keurde de Vlaamse Regering het ontwerp van uitvoeringsbesluit over de watertoets definitief goed. Het ontwerp geeft de lokale, provinciale en gewestelijke overheden, die een vergunning moeten afleveren, richtlijnen voor de toepassing van de watertoets. Het besluit treedt in werking op 1 november 2006. Hierin wordt ondermeer gesteld dat de overheid die beslist over een (vergunning
- of)plan met een mogelijk schadelijk effect op het watersysteem ‘alle aanpassingen in het plan moet aanbrengen die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van het plan gepast acht om het schadelijk effect te voorkomen of te beperken’, en ‘indien dit niet mogelijk is legt ze herstelmaatregelen op of, bij vermindering van de infiltratie van hemelwater of vermindering van ruimte van het watersysteem, compensatiemaatregelen’. Tevens (Art. 4 §2) stelt het X-13.273-26/41 uitvoeringsbesluit dat de beslissing over een plan of programma een waterparagraaf bevat. Deze dient volgende gegevens te bevatten: 1. De verenigbaarheid van het plan met het watersysteem; 2. In voorkomend geval, de voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van het plan, te voorkomen, te verminderen, te herstellen, of, in de gevallen van vermindering de infiltratie van hemelwater of vermindering van ruimte van het watersysteem, te compenseren; 3. Een toetsing van de beoordeling van het plan aan de doelstellingen, bepaald in artikel 5 van het decreet Integraal Waterbeleid van 18 juli 2003. Onderhavig wordt een overzicht gegeven van de diverse effectgroepen, wordt de significantie hiervan aangegeven en worden maatregelen voorgesteld. Voor wat betreft het retentiebekken wordt een poging ondernomen om de vereiste omvang enigszins te kwantificeren. 8.1.1 Beschrijving van de bestaande toestand Het regionaal bedrijventerrein is gesitueerd in het deelbekken van de Brugse Vaart en in het bekken van de Brugse Polders. De volgende waterlopen zijn in het plangebied gesitueerd: - waterloop nr. 3.49 (Hollebeek) van 2de categorie; - waterloop nr. 3.49 (Woestijnebeek) van 2de categorie; - waterloop nr. 12, niet gecategoriseerd; - het oude tracé van waterloop 3.48 (Woestijnebeek); de beek werd in 1894 bij besluit van de bestendige deputatie verplaatst. (...) De bodem bestaat overwegend uit zand (Z) en lemig zand (S), de vallei bestaat uit lichte zandleem (P). De drainageklasse in de vallei varieert van nat (
- e)tot matige nat (d), buiten de vallei van matig droog (
- c)tot droog (b). De hoogte varieert van 8,5m tot 10,5m TAW. Stroomopwaarts van de N44 en de kruising met de N499 komen langs de Woestijnebeek tal van percelen permanent grasland met verspreide biologische waarde voor. Elders wordt in hoofdzaak intensief agrarisch grondgebruik (vooral grasland) afgewisseld met bebouwing. De Hollebeek kent langs de oevers vooral intensief agrarisch gebruik (maïs en grasland). Ter hoogte van de N499, op de grens met Knesselare ligt een recent overstromingsgebied. De wateroverlast in het gebied is te wijten aan zijn slechte inbuizingen en/of onvoldoende onderhoud van waterloop nr. 12. De ecologische waardering van de waterlopen is zwak. De belangrijkste lozingspunten op de Woestijnebeek bevinden zich in de industriezone aan de Aalterseweg (grondgebied Knesselare). Het betreft zowel een diffuus lozingspunt als een industrieel lozingspunt. Daarnaast bevindt zich op een zijloop van de Woestijnebeek de waterloop 3.48a een beperkte diffuse lozing ter hoogte van de Dries en Pietendries. Verspreid over de Hollebeek bevinden zich een aantal kleinere diffuse lozingspunten met name ter hoogte van Buntelare dat niet gerioleerd zal worden en de Weststraat dat wel al gerioleerd is. Het gebied behoort tot het zuiveringsgebied Aalter. Een zuiveringsgebied is een gebied waarvan het afvalwater dat aangesloten wordt op de openbare riolering (in de toekomst) wordt afgevoerd naar een rioolwater- zuiveringsinstallatie. In het plangebied wordt het afvalwater afgevoerd naar de RWZI van Aalter. Deze rioolwaterzuiveringsinstallatie waarvan het effluent grovitair terechtkomt in het kanaal Gent-Oostende via de Brielbeek, heeft een ontwerpcapaciteit van 49200 IE (waarvan 6200 IE voor de industriële activiteit van Campina). De kwetsbaarheid van het grondwater wordt verkregen uit de kwetsbaarheidskaarten van het grondwater. Hier wordt de kwetsbaarheid (risico X-13.273-27/41 op verontreiniging) weergegeven van de bovenste watervoerende laag. Het gebied kan beschouwd worden als een zeer kwetsbaar gebied. 8.1.2. Beschrijving van de effecten Om de verenigbaarheid van het plan met het watersysteem te toetsen wordt nagegaan in hoeverre er mogelijke schadelijke effecten optreden. Volgende effectgroepen kunnen worden onderscheiden bij de realisatie van het bedrijventerrein: - Verminderde infiltratie door realisatie verharde oppervlakte - Impact op waterbeheersingsfunctie van de lokale waterlopen - Aantasting structuurkwaliteit lokale waterlopen - Wijziging hydrografie (verleggen waterloop) - Risico op verontreiniging grond- en oppervlaktewater - Mogelijke impact op migratiemogelijkheden aquatische fauna en fauna op oevers van het kanaal Gent-Oostende. 8.1.3 Significantie van de effecten Voor elk van de onderscheiden effecten wordt nagegaan in hoeverre het gaat om schadelijke effecten (significant negatief) op het watersysteem. Indien dit het geval is worden milderende maatregelen voorgesteld. • Verminderde infiltratie door realisatie verharde oppervlakte De aanleg van een bedrijventerrein van 30ha heeft ongeveer 20ha verharde oppervlakte tot gevolg. Door de vermindering van de infiltratiecapaciteit worden grondwatervoorraden moeilijker aangevuld (met mogelijke verdrogingseffecten tot gevolg) en worden piekdebieten in de waterlopen die het run-off water ontvangen hoger. Dit is een negatief effect. • Impact op waterbeheersingsfunctie van de lokale waterlopen Het natuurlijk stroomregime van de lokale waterlopen wordt aangetast doordat grotere hoeveelheden water op korte tijd in de waterloop terecht komen. Hierdoor wordt de stroomsnelheid in de waterlopen verhoogd en verhoogt de kans op overstromingen (of treden deze mogelijk frequenter op). Bovendien treedt verlies aan komberging op. In functie van de aanleg van het bedrijventerrein worden gronden opgehoogd. Een gedeelte van deze gronden is laaggelegen en vervult op vandaag een belangrijke waterbergingsfunctie. Er gaat bijgevolg waterberging verloren. Dit bergingsverlies is grofweg begroot als de oppervlakte van de laagst gelegen gronden die worden opgehoogd (namelijk ongeveer 23.800 m²) vermenigvuldigd met een waterhoogte van 0,20 m (grove schatting van de mogelijke gemiddelde wateraccumulatie op deze gronden op basis van het digitaal hoogtemodel). Dit betekent een kombergingsverlies van ongeveer 4.760 m³. Met de aanleg van een retentiebekken in een deel van de Woestijnebeekvallei, zullen de stroomsnelheden worden getemperd en worden overstromingen op een gecontroleerde wijze toegelaten. Het retentiebekken bevindt zich trouwens in een natuurlijk overstromingsgebied. Het retentiebekken wordt bij voorkeur voldoende ruim begroot om ook het verlies aan komberging te kunnen compenseren (...). Mits de creatie van een retentiebekken en mits dit voldoende ruim wordt gedimensioneerd zijn de effecten van deze effectgroep verwaarloosbaar. • Aantasting structuurkwaliteit lokale waterlopen Bij de aanleg van een bedrijventerrein is het risico reëel dat lokale waterlopen worden gedempt of ingebuisd, of op zijn minst worden rechtgetrokken waarbij de oevers worden verhard. Uiteraard is dit een ernstige aantasting van de structuurkwaliteit van deze waterlopen. In dit geval echter wordt de huidige structuurkwaliteit van de lokale waterlopen niet alleen maximaal gevrijwaard maar bovendien worden maatregelen voorgesteld om de structuurkwaliteit verder te verhogen. X-13.273-28/41 De realisatie van een natuurlijk retentiebekken en een natuurstapsteen binnen het verbindingsgebied tussen het Drongengoedbos en de Markettebossen- Kraenepoel wordt als één van de drie inrichtingsconcepten van het RUP voorgesteld. Het betreft de zone ten noorden van de hoeve. Er wordt gebruik gemaakt van de lage ligging van dit gebied om een natuurvriendelijk retentiebekken te realiseren waarbij maximaal gebruik gemaakt wordt van de aanwezige reliëfkenmerken. De Woestijnebeek en zijbeek en de Hollebeek worden beheerd als ecologische infrastructuur en vormen de verbinding tussen het weilandgebied en het kanaal. De voorziene aanleg van een retentiebekken in de vallei (natuurlijke depressie) van de Woestijnebeek is een enigszins artificiële ingreep in de natuurlijke structuurkwaliteit van de waterloop en de vallei maar biedt ruime mogelijkheden om een ecologische meerwaarde te creëren wat dan weer wel de structuurkwaliteit van de waterloop ten goede komt. De vrijwaring en opwaardering van de structuurkwaliteit zijn een significant positief effect. In een industriegebied moet het uiteraard steeds mogelijk zijn de waterlopen over korte afstand te overbruggen (niet inbuizen!) wanneer dit vereist is voor de interne transportbewegingen. Dit zijn dan ook verwaarloosbare effecten. De vereiste omvang van dit bekken werd als volgt berekend. De verharde oppervlakte zal met ongeveer 20ha toenemen. Op basis van de code van goede praktijk voor het ontwerp van rioleringssystemen kan begroot worden welk het benodigd buffervolume per hectare is. Uitgaande van een ledigingsdebiet van het retentiebekken van 10l/s/ha en een constante afvoer uit het retentiebekken, is volgens de code een buffervolume van 270 m³/ha nodig opdat het bekken slecht éénmaal in de 10 jaar ontoereikend is (bij het veronderstelde ledigingdebiet). Uitgaande van een verharde oppervlakte van 20ha betekent dit dus dat een buffervolumen van 5.400m³ noodzakelijk is. - Deze berekening gaat ervan uit dat er geen buffering is in grachten in het bedrijventerrein zelf en dat het volledige bedrijventerrein gebufferd wordt door middel van het retentiebekken. In realiteit zullen er echter in het bedrijventerrein zelf ook maatregelen getroffen worden inzake buffering zodat het buffervolume ruim begroot is. Niettemin is het wenselijk deze ruime begroting te hanteren gezien dit toelaat om ook water uit stroomopwaartse gebieden te bufferen (mits aangepaste richting). Bovendien dient het verlies aan komberging gecompenseerd te worden (zie boven) en dient rekening te worden gehouden met de mogelijke bijdrage tot het oplossen van de wateroverlast ten noordoosten van het plangebied (zie hierna). - Indien het bedrijventerrein opgehoogd wordt tot 10,90 mTAW, dan kan er in het retentiebekken in principe tot deze hoogte water gestockeerd worden. Uit het digitaal hoogtemodel kan afgeleid worden dat dan een volume van ongeveer 55.200 m³ kan gebufferd worden in het retentiebekken. Dit is evenwel op voorwaarde dat de waterhoogte kan opgestuwd worden tot 10,90 mTAW, wat niet zeer waarschijnlijk lijkt. Desondanks zal het buffervolume wel toereikend zijn, gezien de grootte-orde ervan (55.200 m³) in vergelijking met het benodigde volume (5.400 m³ + grofweg 4.760 ³ ter compensatie van het verlies aan komberging). Het retentiebekken kan ook een rol vervullen als buffer voor de gedeeltelijke opvang van overtollig water ter hoogte van het recent overstromingsgebied in het noordoosten van het plangebied, en eventueel voor de afvoer van piekdebieten vanuit de nieuwe woonwijk (via de Hollebeek) en. Om deze mogelijkheden te begroten is uiteraard bijkomend onderzoek nodig. Opdat het water slechts vertraagd uit het retentiebekken stroomt, zal er wel een knijpconstructie (bijvoorbeeld een schuifstuw) nodig zijn op de Woestijnebeek. • Wijziging hydrografie (verleggen waterloop) Het verleggen van een niet natuurlijke waterloop, Waterloop nr. 12, betekent een beperkte ingreep in de lokale hydrografie. Het effect is verwaarloosbaar. X-13.273-29/41 • Risico op verontreiniging grond- en oppervlaktewater Vestigende bedrijven dienen zich uiteraard te houden aan de bepalingen van milieuregelgeving. Deze zijn op vandaag van die aard dat risico’s op verontreiniging van grond- en oppervlaktewater maximaal worden voorkomen. Het risico op verontreiniging van grond- en oppervlaktewater wordt dan ook niet beschouwd als een significant negatief effect. • Mogelijke impact op migratiemogelijkheden aquatische fauna en fauna op oevers van het Kanaal Gent-Oostende. De realisatie van voorzieningen (kaaimuren) voor watergebonden bedrijven langs de noordelijke over van het Kanaal Gent-Oostende over een afstand van bijna 400m heeft tot gevolg dat hiermee een belangrijke migratiebarrière ontstaat voor dieren die zich verplaatsen over de vanuit ecologisch standpunt vaak waardevolle kanaalbermen. Dit is een significant negatief effect. Noch over het voorkomen van vissen op de lokale waterlopen noch over het al dan niet aanwezig zijn van een vismigratieknelpunt bij de monding van de Woestijnebeek in het Kanaal Gent-Oostende zijn ons gegevens bekend. Indien er vis zit in de waterlopen of indien de waterlopen potenties bieden om een visbestand te dragen moer er uiteraard over worden gewaakt dat het retentiebekken geen bijkomende vismigratiebarrière betekent. Dan zou het om een significant negatief effect gaan. In het andere geval (geen vis) is dit een verwaarloosbaar effect. 8.1.4 Milderende maatregelen • Op 1 oktober 2004 nam de Vlaamse regering een besluit houdende de vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater. Dit besluit bevat minimale voorschriften voor de lozing van niet-verontreinigd hemelwater afkomstig van verharde oppervlakten. Het algemeen uitgangsprincipe hierbij is dat hemelwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd zodat in laatste instantie slechts een beperkt debiet vertraagd wordt afgevoerd. Ook de plaatsing van de overloop van de hemelwaterput en de infiltratievoorziening dient aan dit principe te beantwoorden. Mogelijkheden voor buffering en infiltratie binnen het RUP zijn: 1. het realiseren van een gemeenschappelijk retentiebekken in het gebied ten noorden van het Woestijnegoed; 2. het realiseren van open grachten op het bedrijventerrein (open grachten hebben zowel een infiltratie- als bufferfunctie); 3. het inrichten van bufferbekkens door de bedrijven zelf; 4. het gebruik van waterdoorlatende materialen voor verharding van oppervlakten moet worden bevorderd Het gemeenschappelijk retentiebekken wordt voorzien in de zone ten noorden van het Woestijnegoed. Gezien de specificiteit van het gebied (depressie van de Woestijnebeek) wordt in de voorschriften bepaald dat de inrichting ervan moet gebeuren dusdanig dat maximaal gebruik gemaakt wordt van de aanwezige reliëfkenmerken. Een beperkte ophoging langs het retentiebekken is mogelijk maar de openheid van het gebied moet behouden blijven in functie van de visuele relatie tussen het Woestijnegoed en het noordelijk gelegen openruimtegebied. Bij de inrichting dient een minimale buffercapaciteit gerealiseerd te worden die minstens voldoende is voor opvang van hemelwater van de niet-privatieve gedeelten van het bedrijventerrein en opvang van het overtollig hemelwater van het recent overstromingsgebied dat net buiten het RUP gesitueerd is. Indien met minimale ingrepen nog bijkomende buffercapaciteit gerealiseerd kan worden, kan in de zone voor waterretentie ook een deel van het hemelwater van de privatieve gedeelten van het bedrijventerrein opgevangen worden en/of een X-13.273-30/41 functie hebben als buffer voor de afvoer van piekdebieten vanuit de nieuwe woonwijk (via de Hollebeek). • Impact op waterbeheersingsfunctie van de lokale waterlopen Het retentiebekken dient voldoende ruim te worden gedimensioneerd om ook het verlies aan komberging te kunnen compenseren. Dit verlies kan niet begroot worden met de beschikbare informatie. Verder onderzoek is hieromtrent nodig. Hoe dan ook dient het verlies aan berging gecompenseerd te worden. Daarnaast kunnen maatregelen getroffen worden op het bedrijventerrein zelf om berging te creëren (oa aanleg van grachten). Groendaken en hemelwaterputten (met hergebruik van het water) bieden eveneens mogelijkheden. • Aantasting structuurkwaliteit lokale waterlopen De waterlopen in het gebied worden beheerd als ecologische infrastructuur. Dit betekent dat rekening gehouden wordt met de inheemse fauna en flora door de levensvoorwaarden van deze fauna en flora zoveel mogelijk te behouden of te herstellen en zelfs te creëren en te ontwikkelen. De Woestijnebeek loopt doorheen het weilandgebied en krijgt hier vrij de ruimte voor natuurlijke ontwikkeling. De Woestijnebeek tussen de hoeve en het kanaal blijft open maar kan in functie van de ontstuiting van bedrijfspercelen en aanleg van kaaimuren slechts beperkt bijkomend overwelfd worden. De Hollebeek stroomt door de wijk Aalter-Brug. Als ecologische infrastructuur heeft deze beek slechts beperkte waarde maar ze kan wel een functie hebben voor de afvoer van hemelwater in het westelijk deel van het bedrijventerrein. De waterloop is in de buffer gesitueerd en krijgt hier ruimte voor natuurlijke ontwikkeling. Het is aan te bevelen een gedetailleerd ontwerp op te maken van het retentiebekken én van de waterlopen met aanduiding van de locaties waar flauwe oevers (en de hellingsgraad) worden voorzien, waar eventueel ruimte is voor meandering, waar eventueel beekbegeleidende beplanting (en welke soorten) wordt voorzien, enz.. • Wijziging hydrografie (verleggen waterloop) In de voorschriften is bepaald dat de beek wordt beheerd als ecologische infrastructuur. Er zijn geen andere, milderende maatregelen vereist. • Risico op verontreiniging grond- en oppervlaktewater Mits respecteren milieuwetgeving zijn geen bijkomende milderende maatregelen nodig. • Mogelijke impact op migratiemogelijkheden aquatische fauna en fauna op oevers van het Kanaal Gent-Oostende. De corridorfunctie van de kanaalbermen voor dieren die zich verplaatsen over de waardevolle kanaalbermen, kan worden ondervangen door een gepaste inrichting van de zone voor waterretentie, de buffer en door een gepaste inrichting van de Hollebeek. Verder dient nagegaan te worden of de Woestijnebeek vis bevat (of in de toekomst kan bevatten). Indien dit zo is dient de creatie van een bijkomend vismigratieknelpunt te worden vermeden. Dit is afhankelijk van de inrichting van het retentiebekken. Bij het concrete ontwerp van bekken dient hiermee rekening te worden gehouden. De barrière die langs de noordelijke kanaaloever wordt gecreëerd is moeilijk te milderen”. Uit de samenlezing van de paragrafen met betrekking tot de watertoets in de bestreden besluiten, de uiteenzetting omtrent de watertoets in de toelichtingsnota en de stedenbouwkundige voorschriften bij het goedgekeurde plan, X-13.273-31/41 blijkt dat op omstandige wijze uitvoering is gegeven aan de geschonden geachte decretale bepalingen van het DIWB. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, is de watertoets te dezen niet beperkt tot de waterkwantiteit en het overstromingsgevaar, maar blijkt zij tevens een beschrijving en een evaluatie te bevatten van de impact van het PRUP op de structuurkwaliteit van de lokale waterlopen, de hydrografie, het verontreinigingsrisico voor grond- en oppervlaktewater en de migratiemogelijkheden van de aquatische fauna en flora. Bovendien dient te worden vastgesteld dat de in de toelichtingsnota opgenomen milderende maatregelen doorwerken in de stedenbouwkundige voorschriften bij het PRUP. Dit blijkt onder meer uit de artikelen 3c (bufferstrook), 6 (gebied voor waterretentie), 7 (aanleg van grachten), 8a (waterlopen) en 8b (waterafvoer) van de stedenbouwkundige voorschriften. Gelet op het voorgaande, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat de in de bestreden besluiten opgenomen motivering met betrekking tot de watertoets uit het oogpunt van de geschonden geachte decretale bepalingen van het DIWB niet afdoende is. Met betrekking tot het ontbreken van elke “cijfermatige berekening van het volume water dat van het recent overstromingsgebied in het noordoosten van het plangebied zou komen”, moet worden vastgesteld dat artikel 8, § 1, eerste lid DIWB aldus moet begrepen worden dat de watertoets niet verder gaat dan het onderzoeken of een voorgenomen plan “schadelijke effecten” in de zin van artikel 3, § 2, 17/ DIWB doet ontstaan, en niet inhoudt dat ook wordt onderzocht hoe het voorgenomen plan kan remediëren aan een reeds bestaande toestand. De watertoets strekt met andere woorden tot het onderzoeken van het causaal verband tussen het aan te nemen of goed te keuren plan en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 1, 17/ DIWB. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het derde middel 14. De verzoekende partijen voeren in een derde middel aan wat volgt: “Het PRUP Aalter is in strijd met het RSV D.3.1. Ontsluiting via primaire of secundaire weg X-13.273-32/41 46. In het richtinggevend gedeelte van het RSV staat het volgende te lezen: ‘Volgend principes gelden voor de lokalisatie en inrichting van nieuwe regionale bedrijventerreinen: (...); -ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen; (...)’ (...). De wegeninfrastructuur is opgenomen in de bindende bepalingen van het RSV (...). De N44 (de zogenaamde Knokkeweg) is daarin geselecteerd als primaire weg categorie I, de N499 (de zogenaamde Urselweg) niet. Voor het overige stelt het RSV dat de primaire wegen categorie II, de secundaire wegen, alsook de lokale wegen worden aangeduid in respectievelijk, de gewestplannen of de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, de provinciale ruimtelijke structuurplannen en de gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen. De N499 werd daarbij geselecteerd als een lokale weg. 47. Het PRUP Aalter voorziet dat de ontsluiting van het regionaal bedrijventerrein zal gebeuren via de N499, die uitloopt op de N44. Het verkeer van en naar het bedrijventerrein dient aldus eerst langs een lokale weg te gaan, waarbij bovendien een dorpskern en een lagere school worden gepasseerd, teneinde de N44 te kunnen bereiken. Dit strookt geenszins met de aangehaalde bepaling van het RSV die stelt dat de ontsluiting van nieuwe regionale bedrijventerreinen uitsluitend en rechtstreeks dient te gebeuren via primaire of secundaire wegen. In het PRUP voorziet men echter geen uitsluitende en rechtstreekse ontsluiting met de primaire weg de N44. 48. Artikel 19, §3 van het Decreet Ruimtelijke Ordening bepaalt: ‘Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan de overheid bij het nemen van beslissingen niet mag van afwijken tenzij onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen’. Inzake de richtinggevende bepalingen van het RSV stelt het decreet aldus dat slechts bij uitzondering kan afgeweken worden van de inhoud van deze bepalingen. Het plan bevat evenwel geen uitgebreide motivering waaruit concrete onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of dringende sociale, economische of budgettaire redenen blijken, die verantwoorden waarom de ontsluiting gebeurt via een lokale weg. In het besluit dd. 16 november 2006 van de provincieraad tot definitieve vaststelling van het PRUP Aalter staat te lezen: ‘Overwegende de bezwaren die betrekking hebben op de potentiële mobiliteitshinder in Aalterbrug o.a. ter hoogte van de school die gesitueerd is aan de N499, dat de provincieraad het belang van een verkeersveilige en verkeersleefbare inrichting van de Urselweg onderschrijft, dat vanuit dit standpunt gestreefd wordt naar een verkeersleefbare en verkeersveilige herinrichting van de provincieweg N499, voor het wegvak van de N44 tot aan het bedrijventerrein, op het ogenblik dat het bedrijventerrein in exploitatie gaat’. In de toelichtingsnota bij het PRUP Aalter staat: X-13.273-33/41 ‘Een vlotte ontsluiting naar de N44 wordt gegarandeerd. Doorgaand zwaar verkeer op de N499 richting Ursel wordt ontmoedigd, eventueel door middel van een tonnenmaatbeperking’ (...). Verder wordt vermeld: ‘Enkel het tracé langsheen de Urselweg vormt een knelpunt. De weg heeft voldoende breedte waardoor maatregelen (vb. in het kader van een streefbeeld) kunnen genomen worden om de verkeersveiligheid te verhogen. Ook de aanleg van een knooppunt van de Urselweg met de toegang tot het bedrijventerrein zal leiden tot een verlaging van de snelheid. Dit komt de verkeersveiligheid van Aalter-Brug ten goede’ (...). Een motivering waaruit blijkt waarom de ontsluiting, in strijd met het RSV, gebeurt via een lokale weg, ontbreekt. Dergelijke motivering dient in concreto te gebeuren, des te meer gelet op het feit dat een dorpskern en een lagere school worden gepasseerd. Trouwens, artikel 19 §3 van het Decreet Ruimtelijke Ordening stelt uitdrukkelijk dat de uitzonderingsgronden in geen geval een aanleiding mogen zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen. Gelet op het feit dat zwaar vrachtverkeer via een lokale weg een dorpskern en een lagere school zal passeren, kan sterk vermoed worden dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied in het gedrang zal worden gebracht. D.3.2. Besluit 49. De bestreden beslissing is niet in overeenstemming met het RSV omdat het, zonder enige motivering of toetsing aan de ruimtelijke draagkracht van het plangebied, de ontsluiting van het regionaal bedrijventerrein voorziet via een lokale weg, terwijl het RSV vooropstelt dat dit uitsluitend en rechtstreeks moet gebeuren via primaire of secundaire wegen. Het derde middel is bijgevolg gegrond”. Beoordeling van het derde middel 15. Artikel 19, § 3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) luidt als volgt : “Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”. Het richtinggevend gedeelte van het RSV bepaalt in verband met nieuwe regionale bedrijventerreinen onder meer het volgende : “Volgende principes gelden voor de lokalisatie en inrichting van nieuwe regionale bedrijventerreinen: (...); X-13.273-34/41 -ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen; (...)”. In het bindende gedeelte van het RSV is de N44 geselecteerd als primaire weg categorie I. In het bindende gedeelte van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Aalter is de N499 geselecteerd als lokale weg type I. Het PRUP Aalter voorziet de ontsluiting van het regionaal bedrijventerrein Woestijne via de N499, die uitloopt op de N44. Dienaangaande overweegt de PROCORO in zijn advies van 12 oktober 2006 het volgende : “(...) 3. Bezwaren i.v.m. mobiliteit en ontsluiting Er wordt gesteld dat de uiterst moeilijke ontsluiting van het bedrijventerrein langs een lokale weg strijdig is met het RSV en PRS De ontsluiting is eigenlijk zeer eenvoudig, doordat het bedrijventerrein quasi rechtstreeks aansluit op een primaire weg, nl. via een 1 km lange rechte, brede weg. De facto sluit elk bedrijventerrein via een stuk ontsluitingsweg aan op een primaire of secundaire weg. Het RSV stelt dat ‘de ontsluiting van regionale bedrijven uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen’ moet gebeuren maar de ervaring leert dat het Vlaams Gewest een lokale weg I of II, die een regionaal bedrijventerrein vrij rechtstreeks aansluit of de primaire weg, voldoende achten. In het advies van de RWO wordt in casu geen opmerking gemaakt over de eventuele strijdigheid met het RSV. Bovendien zijn er heel wat voorbeelden van bedrijventerreinen die via een klein stuk lokale weg, aansluiten of primaire of secundaire weg. (...)”. Met betrekking tot de geplande ontsluiting overweegt het eerste bestreden besluit wat volgt : “(...) Overwegende dat het bedrijventerrein ontsluit via een lokale weg type I die aantakt op de N44, dat het streefbeeld van de N44 in opmaak is, dat dit streefbeeld aanleiding zal geven tot een herinrichting van het knooppunt van de N44 en de N499, dat de provincieraad vraagt dat dit kruispunt prioritair heringericht wordt; Overwegende de bezwaren die betrekking hebben op de potentiële mobiliteitshinder in Aalterbrug o.a. ter hoogte van de school die gesitueerd is aan de N499, dat de provincieraad het belang van een verkeersveilige en verkeersleefbare inrichting van de Urselweg onderschrijft, dat vanuit dit standpunt gestreefd wordt naar een verkeersleefbare en verkeersveilige herinrichting van de provincieweg N499, voor het wegvak van de N44 tot aan het bedrijventerrein, op het ogenblik dat het bedrijventerrein in exploitatie gaat; (...)”. X-13.273-35/41 Er is aldus wel degelijk een motivering aangaande de geplande ontsluiting van het regionaal bedrijventerrein voorhanden. Uit het voorgaande blijkt immers dat de geplande ontsluiting verantwoording vindt in het type lokale weg en het “quasi rechtstreeks aansluit(
- en)op de primaire weg”. De verzoekende partijen kunnen aldus niet dienstig stellen dat de geplande ontsluiting “zonder enige motivering of toetsing aan de ruimtelijke draagkracht van het plangebied” wordt voorzien via een lokale weg. Dit alles klemt des te meer, nu de verzoekende partijen in hun uiteenzetting zelf verwijzen naar de toelichtingsnota bij het goedgekeurde plan, waarin, onder meer door het formuleren van milderende maatregelen, de nodige aandacht wordt besteed aan de herinrichting van de N499, meer bepaald ter hoogte van de aanwezige school. 16. De door de verzoekende partijen in hun laatste memorie geformuleerde mening dat “de verbindingsbrug de Urselweg niet zal kunnen ontlasten” en “integendeel, in deze hypothese (...) de weg niet alleen (zal) gebruikt en belast worden door het (transport)verkeer van het bedrijventerrein Woestijne, maar ook bijkomend door het (transport)verkeer van het bedrijventerrein Lakeland”, toont de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan. Het middel is niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het vierde middel 17. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel aan wat volgt: “D.4. Vierde middel Het PRUP Aalter is in strijd met verschillende bepalingen van het PRS D.4.1. Open ruimtestructuur 50. Het PRS formuleert het ruimtelijk beleid in de verschillende landschapsregio’s van het Westelijk Openruimtegebied, waaronder het plangebied valt (...): - De opeenvolgende verschillen in het landschap en de gradiënten ertussen moeten behouden en zo mogelijk versterkt worden en de nieuwe landschappen moeten gestructureerd worden tot een kwaliteitsvol openruimte onderdeel; - Het gebied moet worden gevrijwaard van verdere verstedelijking; - Natuurverbindingen moeten worden gerealiseerd in en tussen de verschillende ecotopen. - De openruimtecorridors moeten gevrijwaard blijven als visuele en functionele openruimteverbindingen; X-13.273-36/41 - De landbouwstructuur wordt versterkt ten behoeve van een gediversifieerde land- en tuinbouw die rekening houdt met de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Bovendien wordt voor de Moervaartdepressie, de depressie van Aalter en de Durmevallei het maximaal behoud van de landschapswaarden in de depressie (kavelpatroon e.d.) en de accentuering van de gradiënten naar de andere zones als doelstelling geformuleerd. 51. Door de vestiging van een regionaal bedrijventerrein in het betrokken gebied wordt elk van deze beleidsdoelstellingen met de voeten getreden. Zo zullen de reliëfverschillen compleet weggewerkt worden (zie o.a. intentie om op te hogen tot 10,90 m TAW, de kanaalbermen van het kanaal Gent-Brugge zullen compleet versnipperd worden door de aanleg van kades, de landbouwstructuur wordt grondig aangetast). 52. Artikel 19, §3 van het Decreet Ruimtelijke Ordening bepaalt: ‘Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan de overheid bij het nemen van beslissingen niet mag van afwijken tenzij onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen’. Gezien het om een richtinggevende bepaling van het PRS gaat, kan de plannende overheid aldus afwijken van deze bepaling, mits een motivering conform artikel 19 §3. Dit wordt in het PRS zelf bevestigd: ‘De gewenste ruimtelijke structuur is richtinggevend voor de overheid. De overheid kan er alleen maar van afwijken op basis van een aantal zeer duidelijke motieven’ (...). Het PRUP bevat evenwel geen uitgebreide motivering waaruit concrete onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of dringende sociale, economische of budgettaire redenen blijken. D.4.2. Bovenlokale ecologische structuur 53. Het kanaal Gent-Brugge is in het PRS geselecteerd als bovenlokale ecologische infrastructuur vanwege de bloemrijke bermen, bomenrijen en natte graslanden (...) (zicht op kanaalbermen (...)). Het PRS stelt in deze richtinggevende bepaling dat de ontwikkelings- perspectieven van de ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang gericht zijn op het instandhouden en versterken van de ecologische functie van deze infrastructuur. 54. De inplanting van een nieuw kanaalgebonden bedrijventerrein aan de andere kant van het kanaal Gent-Brugge waarbij onder meer talrijke kades zullen gebouwd worden, druist in tegen de ruimtelijke structuurplanning voorzien in het PRS. In het bijzonder zal de ecologische waarde van de bermen en de natte graslanden sterk worden aangetast. Onder meer voor zeer waardevolle en kwetsbare soorten zoals de waterspitsmuis, de hazelworm en de levendbare hagedis zal de realisatie van kades een onoverkomelijke barrière vormen waarbij het verspreidingsgebied van deze uiterst kwetsbare soorten versnipperd wordt. 55. Artikel 19, §3 van het Decreet Ruimtelijke Ordening bepaalt: ‘Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan de overheid bij het nemen van beslissingen niet mag van afwijken tenzij onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van X-13.273-37/41 dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderings- gronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen’. Gezien het om een richtinggevende bepaling van het PRS gaat, kan de plannende overheid aldus afwijken van deze bepaling, mits een motivering conform artikel 19 §3. Dit wordt in het PRS zelf bevestigd: ‘De gewenste ruimtelijke structuur is richtinggevend voor de overheid. De overheid kan er alleen maar van afwijken op basis van een aantal zeer duidelijke motieven’ (...). Het PRUP bevat hier echter evenmin een uitgebreide motivering waaruit concrete onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of dringende sociale, economische of budgettaire redenen blijken. D.4.3. Besluit 56. De bestreden beslissing is niet in overeenstemming met het PRS omdat het de beleidsdoelstellingen inzake de inrichting van het Westelijk Openruimtegebied niet naleeft, alsook de ecologische functie van de bovenlokale ecologische structuur niet instandhoudt, en dit alles zonder enige gegronde motivering. Het vierde middel is bijgevolg gegrond”. Beoordeling van het vierde middel 18. In hun uiteenzetting omtrent het vierde middel verwijzen de verzoekende partijen naar de bepalingen uit het richtinggevend gedeelte van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan (hierna : PRS) met betrekking tot het ruimtelijk beleid in de verschillende landschapsregio’s van het Westelijk Openruimtegebied, waarvan de gemeente Aalter deel uitmaakt. Zij gaan evenwel voorbij aan wat in het richtinggevend gedeelte van het PRS wordt bepaald met betrekking tot de economische knooppunten in het Westelijk Openruimtegebied. Daar wordt immers het volgende gesteld : “Bijkomende ruimte voor regionale bedrijvigheid situeert zich op goed ontsloten plaatsen en gekoppeld met het economisch knooppunt. (...) Aalter en Maldegem spelen een ondersteunende rol inzake werkgelegenheid in het Westelijk Openruimtegebied. Bijkomende ontwikkelingen worden gesitueerd in functie van de draagkracht, de ontsluitingsmogelijkheden en vooral de openruimtepotenties. Bij situering van een bedrijventerrein aan/nabij een waterweg moeten de mogelijkheden voor watergebonden bedrijven aangewend worden”. De toelichtingsnota bij het PRUP stelt onder meer het volgende : X-13.273-38/41 “7.1 VISIE EN CONCEPTEN VOOR DE SITE WOESTIJNEGOED De visie omtrent het ganse studiegebied wordt opgehangen aan drie concepten. - behoud van de site Woestijnegoed als identiteitsbepalend element voor het bedrijventerrein (...) De herkenbaarheid van de site wordt gegarandeerd door behoud van de site, de natuurlijke loop van de beken (ten noorden van de hoeve) en het drevenpatroon. De Woestijnegoedhoeve krijgt een nieuwe functie die complementair is aan de activiteiten van het regionaal bedrijventerrein (...). Het gebied ten westen en ten noorden van de site blijft zijn open karakter behouden. Hierdoor blijft de zichtrelatie vanaf de N499 behouden en is de hoeve een aantrekkingspunt voor het oog. Ook de zichtrelatie tussen de Pietendriesmolen en het Woestijnegoed blijft behouden. - realisatie van een duurzaam bedrijventerrein met nadruk op de specifieke potenties voor watergebonden bedrijvigheid (...) - realisatie van een natuurlijk retentiebekken en een natuurstapsteen binnen het verbindingsgebied tussen het Drongengoedbos en de Markettebossen- Kraenepoel Het gebied ten noorden van de hoeve wordt ingericht als natuurstapsteen. Het is een lager gelegen gebied (valleigebied van de Woestijnebeek en zijbeek) en van deze kwaliteit wordt gebruik gemaakt om een natuurvriendelijk retentiebekken te realiseren waarbij maximaal gebruik gemaakt wordt van de aanwezige reliëfkenmerken. De Woestijnebeek en zijbeek en de Hollebeek worden beheerd als ecologische infrastructuur en vormen de verbinding tussen het weilandgebied en het kanaal. De hoogstamboomgaard ten zuiden van de hoeve wordt behouden en krijgt een functie die complementair is aan de nieuwe functie van de hoeve. Rondom het bedrijventerrein wordt een groene buffer aangelegd van hoog- of laagstammige bomen en struiken en die aldus een bijkomend groenelement vormen binnen het plangebied. Het landbouwgebied ten westen van het Woestijnegoed dient net als het weilandgebied een bouwvrije ruimte te blijven. Dit versterkt de band van het Woestijnegoed met de open ruimte en bovendien zorgt dit ervoor dat de zichtrelaties vanaf de Urselweg naar de hoeve gevrijwaard blijven. Het agrarisch grondgebruik kan voortgezet worden. Er kunnen evenwel geen landbouwbedrijfszetel of -gebouwen opgericht worden”. In zijn advies van 12 oktober 2006 overweegt de PROCORO onder meer het volgende : “In de afweging is rekening gehouden met deze selecties vanuit het PRS. Enerzijds is het gebied een belangrijk openruimtegebied (...) anderzijds heeft het belangrijke economische potenties. In de afweging is uiteindelijk beslist het regionaal bedrijventerrein te situeren op de site Woestijne, maar bij de inrichting maximaal rekening te houden met aanwezige natuur- en erfgoedelementen (dreven, waterlopen, enz). (...) De prioriteiten die gesteld worden bij de opmaak van provinciale RUP’s worden bepaald door het politiek orgaan en is een beleidskeuze. Bij de uitwerking van het projectgebied is evenwel maximaal rekening gehouden met de negatieve effecten op het milieu en worden milderende maatregelen voorgesteld. (...) X-13.273-39/41 Het realiseren van watergebonden infrastructuur langs het kanaal betekent inderdaad dat de corridorfunctie van het kanaal voor een aantal soorten onderbroken wordt. Het betreft de specifieke fauna die gesitueerd zou zijn op de oever van het kanaal (in hoofdzaak amfibieën). Met betrekking tot de flora wordt de corridorfunctie niet aangetast aangezien slechts een afstand van 750 meter te overbruggen is. De corridorfunctie van de kanaalbermen voor zoogdieren (en mogelijks voor amfibieën) kan worden opgevangen door de inrichting van de zone voor waterretentie, en door een gepaste inrichting van de Hollebeek. (...)”. Het eerste bestreden besluit overweegt wat volgt : “(...) Overwegende het RSV waarin gesteld wordt dat de provincie ruimtelijke uitvoeringsplannen moet opmaken voor de regionale bedrijventerreinen in specifiek economische knooppunten; Overwegende het PRS waarin voor het specifiek economisch knooppunt Aalter een taakstelling wordt voorzien van 30 ha; dat in voorliggend RUP 32,4 ha nieuw bedrijventerrein wordt gecreëerd; (...) Overwegende dat bij uitwerking van het ruimtelijk uitvoeringsplan maximaal rekening werd gehouden met landschappelijke, cultuurhistorische elementen, o.a. door behoud van de site Woestijne en het dreefkarakter en behoud van de zichtrelatie tussen het Woestijnegebied enerzijds en het openruimtegebied ten noorden van de Urselweg anderzijds; (...)”. Uit de richtinggevende bepalingen van het PRS met betrekking tot de economische knooppunten in het Westelijk Openruimtegebied blijkt dat economische ontwikkeling eveneens tot de beleidsdoelstellingen van het PRS behoort, mits respect voor de overige beleidsdoelstellingen. Uit de samenlezing van de toelichtingsnota, het advies van de PROCORO en het eerste bestreden besluit blijkt dat bij de uitwerking van het PRUP aandacht werd besteed aan en rekening werd gehouden met natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische elementen. De stedenbouwkundige voorschriften bieden tevens de garantie op de instandhouding van de ecologische functie van de bovenlokale ecologische structuur. Aangezien de door de verzoekende partijen aangevoerde kritieken niet doen blijken dat het PRUP strijdig is met de richtinggevende bepalingen van het PRS met betrekking tot het Westelijk Openruimtegebied, noch met betrekking tot de gewenste natuurlijke structuur, kan niet worden besloten tot een schending van artikel 19, § 3 DRO. X-13.273-40/41 19. Het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde betoog van de verzoekende partijen dat de overheid de ecologische beleidsdoelstellingen ondergeschikt heeft gemaakt aan de economische beleidsdoelstellingen, is onontvankelijk. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State stelt de afstand vast in hoofde van de eerste verzoeker. 2. De Raad van State verwerpt het beroep. 3. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1050 euro, ieder voor een derde. Dit arre