← België

Arrest 197524 - Huisvesting - 29/10/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.524 Rolnummer: A. 192859/VII-37713 Zaak: Arrest 197524 - Huisvesting - 29/10/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-09 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:46 Fiche Arrest nr 197.524 van 29 oktober 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 197.524 van 29 oktober 2009 in de zaak A. 192.859/X-14.

  1. In zake: de b.v.b.a. OZ BELGIË bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn VERBIST kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Graaf van Hoornestraat 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de provincie ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 120 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. De vordering, ingesteld op 2 juni 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het Ministerieel Besluit van 3 april 2009 waarbij aan de provincie Antwerpen een aanvullende machtiging tot onteigening wordt verleend met toepassing van de spoedprocedure van het onroerend goed gelegen in de Koninging Elisabethlei 26 te 2000 Antwerpen, kadastraal gekend onder Antwerpen, 10de Afdeling, sectie K, nummers 1552 w 5 en 1552 l 8”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. X-14.211-1/13 Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober
  4. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ingrid Van Aken, die loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Veerle Tollenaere, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Stef Bleyenbergh, die loco advocaat Patrick Van Der Straten verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Tussenkomst
  6. Met een op 14 juli 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de provincie Antwerpen om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. IV. Feiten 4.
  7. Op 19 november 1996 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting een besluit waarbij de verwerving van een onroerend goed gelegen aan de Koningin Elisabethlei nr. 26 te Antwerpen (een patriciërswoning met een tuin), kadastraal bekend sectie K, nrs. 1552/w5 en 1552/l8 met een totale oppervlakte van 71a 40ca 40dm², waartoe de provincieraad van Antwerpen op 8 februari 1996 heeft besloten tot het gebruik als ontvangstruimte voor plechtige gelegenheden en als bureelruimte voor een deel X-14.211-2/13 van de provinciale administratie, tot nut van het algemeen wordt erkend. Krachtens hetzelfde besluit wordt het provinciebestuur van Antwerpen ertoe gemachtigd om tot onteigening over te gaan en wordt de inbezitname van het aangeduide onroerend goed volstrekt noodzakelijk geacht. 4.
  8. Met een brief van 11 februari 2009 vraagt de provincie Antwerpen aan de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden om een aanvullende machtiging te verlenen om het onroerend goed gelegen aan de Koningin Elisabethlei nr. 26 te Antwerpen bij hoogdringendheid te kunnen onteigenen. 4.
  9. Bij het thans bestreden besluit van 3 april 2009 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering wordt de verwerving van de onroerende goederen gelegen in de provincie Antwerpen, met een totale in te nemen oppervlakte en kadastraal bekend zoals vermeld op het bijgevoegde onteigeningsplan, waartoe de provincie Antwerpen met het oog op de renovatie van het pand en de huisvesting van de provinciale diensten definitief besloten heeft op 27 november 2008, tot nut van het algemeen erkend, wordt beslist dat de inbezitneming van de onroerende goederen, voorkomend op bijgaand plan met innemingsnummers 1 en 2 aangeduid, volstrekt noodzakelijk is, wordt de provincie Antwerpen ertoe gemachtigd om, ter verwezenlijking van de in artikel 1 bedoelde werken, tot onteigening over te gaan, bij toepassing van de wet van 26 juli 1962, en wordt beslist dat de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden, bedoeld bij artikel 5 van de wet van 26 juli 1962, derhalve op deze onteigening mag worden toegepast. 4.
  10. Op 25 mei 2009 wordt de verzoekende partij ten verzoeke van de provincie Antwerpen gedagvaard om op 3 juni 2009 te verschijnen voor de Vrederechter van 6e kanton te Antwerpen, op de te onteigenen innemingen te Antwerpen, Koningin Elisabethlei 26, en dit in uitvoering van het bevel uitgesproken door de Vrederechter van het 6e kanton op 19 mei 2009 ingevolge het verzoekschrift ingediend door de provincie Antwerpen op 13 mei
  11. 4.
  12. Bij vonnis van de Vrederechter van het 6e kanton te Antwerpen van 22 juni 2009 werd de vordering van de provincie Antwerpen ontoelaatbaar verklaard en voor recht gezegd dat de begonnen onteigeningsprocedure geen voortgang kan hebben. X-14.211-3/13 4.
  13. Op 3 juli 2009 heeft de provincie Antwerpen hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Dit beroep is thans nog hangende. V. Bevoegdheid van de Raad van State Standpunt van de partijen 5.
  14. De verzoekende partij stelt met betrekking tot de bevoegdheid van de Raad van State wat volgt: “Uw Raad is wel degelijk bevoegd om zich uit te spreken over de wettigheid van een onteigeningsmachtiging. Weliswaar is de vrederechter bevoegd om zich uit te spreken over de wettigheid van een onteigeningsprocedure. Dit doet echter niets af aan de bevoegdheid van de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof heeft immers in zijn arrest nr. 41/2003 dd. 9 april 2003 geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: ‘Schendt artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10, 11 en 24 Grondwet in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de beslissingen van de commissies voor uitreiking van getuigschriften voor de studie tandheelkunde die binnen de instellingen voor vrij onderwijs zijn opgericht met toepassing van artikel 11 § 7, van het decreet van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden, van het begrip administratieve overheid en dus van de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit?’ Het Grondwettelijk Hof antwoordde hierop als volgt: B.
  15. De studenten van een vrije universiteit kunnen zich weliswaar wenden tot de gewone rechtbanken, die zich soms bevoegd hebben geacht om een wettigheidscontrole uit te oefenen op de beslissingen genomen door overheden die in instellingen van het vrij onderwijs zijn opgericht. Dergelijke vorderingen zijn evenwel niet gebaseerd op een inquisitoriaal onderzoek en zij leiden tot beslissingen die, anders dan de arresten van de Raad van State, slechts een relatief gezag van gewijsde hebben. B.
  16. Daaruit volgt dat de prejudiciële vraag, in de daarin voorgestelde interpretatie, bevestigend dient te worden beantwoord vermits die interpretatie ertoe leidt twee categorieën van studenten verschillend te behandelen zonder de toegelaten verantwoording’. Het Grondwettelijk Hof geeft hiermee duidelijk aan dat er wel degelijk een verschil bestaat tussen de rechtsbescherming die wordt genoten bij de gewone rechter en de rechtsbescherming die wordt genoten door de Raad van State. De premisse die in de rechtspraak van het Hof en a fortiori in de rechtspraak van de Raad van State wordt gehanteerd, mn. dat de rechtsbescherming voor de gewone rechter gelijkwaardig is aan de rechtsbescherming voor de Raad van State, houdt derhalve niet langer stand. Verzoekende partij betoogt dus dat het Grondwettelijk Hof heeft gesteld dat vorderingen die worden ingeleid voor de gewone rechtbanken niet gebaseerd zijn op een inquisitoriaal onderzoek en leiden tot beslissingen die, anders dan de arresten van de Raad van State, slechts een relatief gezag van gewijsde hebben. Enkel op basis van deze overweging komt het Grondwettelijk hof tot het besluit dat er twee categorieën van rechtsonderhorigen zijn die een verschillende behandeling genieten zonder toelaatbare verantwoording. X-14.211-4/13 Gelet op het gewijzigde standpunt van het Grondwettelijk Hof lijkt het gerechtvaardigd om opnieuw een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof welke luidt als volgt: ‘Worden de artikelen 6 en 6 bis van de grondwet geschonden door de artikelen 2, 4, 5, 6 en 19 van de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte, de artikelen 3, 6, 7 en 16 tweede lid van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte en artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in zoverre belanghebbende derde, andere dan deze bedoeld in artikel 19 van de wet van 17 april 1835 en in artikel 6 van de wet van 26 juli 1962 de nietigverklaring van een onteigeningsbesluit kunnen vorderen voor de Raad van State, terwijl de onteigende na het instellen van de gerechtelijke fase de onwettigheid van het besluit slechts bij wege van exceptie kan aanvoeren?’ Hiernaast en ten overvloede wenst verzoekende partij nog op te merken wat volgt. De partij die rechtsbescherming zoekt, neemt niet zelf het initiatief om een procedure bij de vrederechter te starten. Deze procedure wordt gestart door de kandidaat - onteigenaar. Anders dan bij de vereiste dat administratieve proceduremogelijkheden moeten zijn uitgeput door verzoekende partij zelf, is de Raad van State de enige mogelijkheid, voor of tijdens de procedure voor de vrederechter, om zelf initiatief te nemen tot rechtsbescherming. Immers kan de eigenaar, op grond van artikel 8 Onteigeningswet Hoogdringende Omstandigheden geen beroep instellen tegen de beslissing van de vrederechter waarmee de onteigeningsvordering wordt ingewilligd. Inderdaad kan de eigenaar op grond van artikel 16 Onteigeningswet Hoogdringende Omstandigheden een herzieningsprocedure starten, doch ook deze wordt gevoerd voor de gewone rechter waarvan het Grondwettelijk Hof heeft gesteld dat de geboden rechtsbescherming niet gelijkwaardig is aan de rechtsbescherming door de Raad van State geboden. De kandidaat-onteigenaar kan, door na hiertoe te zijn gemachtigd over te gaan tot dagvaarding op grond van artikel 5 Onteigeningswet Hoogdringende Omstandigheden éénzijdig bepalen wanneer de mogelijke rechtsbescherming door de Raad van State, waartoe de partij die rechtsbescherming zoekt, met name de eigenaar die wel het initiatief neemt, eindigt. Het voorwerp van huidige procedure voor de Raad van State betreft een onteigeningsmachtigingsbeslissing. De verwerende partij is de toezichthoudende overheid die de kandidaat onteigenaar machtigt om tot onteigening over te gaan. De kandidaat-onteigenaar is meestal een andere overheid dan de overheid die de kandidaat-onteigenaar administratief machtigt om tot onteigening over te gaan. Het voorwerp van de procedure voor de vrederechter is de beoordeling van de interne en externe wettigheid van de integrale onteigeningsprocedure zodat de vrederechter, voornamelijk gelet op de korte tijdsspanne waarover hij beschikt, minder aandacht kan besteden aan de wettigheid van de onteigeningsmachtigingsbeslissing alleen. De Raad van State is dus bevoegd om kennis te nemen van dit verzoekschrift”. 5.
  17. De verwerende partij werpt een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op, die zij uiteenzet als volgt: “II. ONTVANKELIJKHEID - BEVOEGDHEID
  18. Artikel 14, R.v.St.-Wet bepaalt dat ieder die van een belang doet blijken een beroep tot nietigverklaring kan instellen tegen ‘de akten en X-14.211-5/13 reglementen van de onderscheiden administratieve overheden’. Deze algemene bevoegdheid van de Raad van State is uitgesloten wanneer een specifiek gerechtelijk beroep tegen een bepaalde bestuurshandeling is georganiseerd. Zodra de onteigenaar de vordering tot onteigening bij de vrederechter heeft ingeleid, heeft deze laatste krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte als opdracht de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid zowel op hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. De bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen, evenals van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan, indien dat beroep en die vordering zijn ingesteld door de onteigende of door een belanghebbende derde, als bedoeld in artikel 6 van voornoemde wet van 26 juli
  19. Deze bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben. De bevoegdheidsuitsluiting geldt bijgevolg ook wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging of het beroep tot nietigverklaring van dat besluit bij de Raad van State is ingesteld vooraleer de vrederechter werd geadieerd. De vraag naar de bevoegdheid moet immers worden beoordeeld op het ogenblik dat over de vordering uitspraak moet worden gedaan. (...) Voormelde rechtspraak van de Raad van State vindt steun in de arresten van het Grondwettelijk Hof. Artikel 6, EVRM bepaalt dat eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Dat rechten moet blijkens artikel 14, EVRM zonder discriminatie worden verzekerd. Vermelde bepalingen vereisen weliswaar dat de eigenaar en de belanghebbende derden over een recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter beschikken om de wettigheid van een onteigeningsbesluit te betwisten, doch zij staan er niet aan in de weg dat de door hen geadieerde rechter zich onbevoegd moet verklaren ten voordele van een ander gerecht dat door de onteigenaar is geadieerd, wanneer beide gerechten beantwoorden aan de door artikel 6, EVRM gestelde eisen en wanneer de wettigheidstoetsing die door het ene en het andere gerecht wordt uitgeoefend gelijkwaardig is. De gelijkwaardigheid van de rechtsbescherming heeft het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 75/93 als volgt beoordeeld: ‘... B.
  20. In de eerste plaats is een verschil in behandeling uitdrukkelijk in het eerste gedeelte van de prejudiciële vraag opgeworpen in zoverre de gewone derden bij de Raad van State een beroep tot vernietiging van het onteigeningsbesluit kunnen instellen, terwijl, zodra de gerechtelijke fase een aanvang heeft genomen, de eigenaar en de belanghebbende derden de wettigheid van zulk een besluit slechts bij wege van exceptie voor de gewone rechter kunnen aanvechten. Uit dat procedureverschil mag echter niet worden afgeleid dat er een ongelijke behandeling zou zijn. Krachtens X-14.211-6/13 artikel 107 van de Grondwet geldt de aan de gewone rechter toegekende bevoegdheid om na te gaan of de bij de wet voorgeschreven vormvereisten in acht zijn genomen, voor alle externe en interne onwettigheden. Zijn de aan de enen en de anderen geboden procedures weliswaar verschillend, de wettigheidstoetsing die zij organiseren is gelijkwaardig. B.
  21. Uit de vergelijking van de in de prejudiciële vraag vermelde bepalingen kan worden afgeleid dat daarin een ander verschil in behandeling impliciet is aangeklaagd in zoverre de voorgeschreven procedures de partijen niet de mogelijkheid zouden bieden hun verweer te organiseren met waarborgen die te vergelijken zijn met die van de procedure die bij de artikelen 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voorgeschreven. Wanneer de eigenaar en de belanghebbende derden voor de vrederechter worden gedaagd, zijn zij immers krachtens artikel 7, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 ertoe gehouden ‘alle excepties die zij menen te kunnen opwerpen, ineens voor te brengen’ en is de vrederechter verplicht binnen achtenveertig uur uitspraak te doen. De gewone derden, die bij de Raad van State een vernietigingsarrest kunnen verkrijgen ook al is de gerechtelijke procedure reeds ingezet, beschikken van hun kant over termijnen die hun de mogelijkheid bieden gedurende zestig dagen hun verzoekschrift voor te bereiden en later nieuwe middelen aan te voeren indien ze gegrond zijn op elementen die aan het licht zijn gekomen bij het lezen van het administratief dossier dat de onteigenaar binnen dertig dagen dient neer te leggen. Zij kunnen ook een laatste memorie neerleggen na het verslag te hebben ontvangen dat de auditeur- verslaggever heeft opgesteld na een onderzoek dat in het raam van een inquisitoire procedure is gevoerd. B.
  22. Wat de wet van 26 juli 1962 betreft, is de aanwending van de afwijkende procedure uitsluitend verantwoord door redenen van algemeen belang en is zij slechts toegestaan wanneer de onmiddellijke inbezitneming van het goed door de onteigenende overheid onontbeerlijk is. De vrederechter dient dus na te gaan of de overheid geen machtsoverschrijding of machtsafwending heeft begaan door het juridisch begrip ‘dringende noodzakelijkheid’ niet in acht te nemen. Hij zal de bij hem aanhangig gemaakte vordering van de onteigenende overheid verwerpen indien de in het onteigeningsbesluit aangevoerde dringende noodzakelijkheid niet of niet meer bestaat. Bovendien kunnen de eigenaar en de belanghebbende derden, na het vonnis waarbij de voorlopige vergoedingen zijn vastgesteld, voor de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot herziening instellen die zij krachtens artikel 16, tweede lid, onder meer zullen kunnen gronden op de onregelmatigheid van de onteigening. Volgens de interpretatie die het Hof van Cassatie in zijn arrest van 7 december 1990 in voltallige zitting heeft gegeven, staat die bepaling de eigenaar en de belanghebbende derden toe hun vordering tot herziening te gronden op motieven die zij voor de vrederechter niet hadden aangevoerd, wat hun de mogelijkheid biedt het gehele proces te herbeginnen. Aldus uitgelegd corrigeert artikel 16, tweede lid, de overdreven gevolgen die artikel 7, tweede lid, zou kunnen hebben : de aanwezige verweerders zijn enkel voor de vrederechter ertoe gehouden, op straffe van verval, alle excepties die zij menen te kunnen opwerpen, ineens voor te brengen. X-14.211-7/13 Artikel 16, tweede lid, vermeldt ook dat de vordering tot herziening door de rechtbank wordt behandeld ‘overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering’. De eigenaar en de belanghebbende derden die de herziening vragen, beschikken aldus over de termijnen, de onderzoeksmaatregelen en de rechtsmiddelen die hun door het Gerechtelijk Wetboek worden geboden. B.
  23. Weliswaar staat de wetgever, door te bepalen dat het vonnis waarbij het verzoek van de onteigenaar wordt ingewilligd, niet vatbaar is voor beroep (artikel 8, tweede lid), door de onteigenaar toe te staan bezit te nemen van het goed zodra hij is overgegaan tot de betekening van dat vonnis (artikel 11) en door de onteigende pas toe te staan de wettigheid van de onteigening opnieuw aan te vechten nadat het vonnis is gewezen waarbij de voorlopige vergoedingen worden bepaald (artikelen 14 tot 16), de onteigenaar toe te beschikken over een onroerend goed waarvan later misschien zal worden geoordeeld dat het op onwettige wijze is onteigend. Die inbezitneming kan onomkeerbare gevolgen hebben wanneer de onteigenaar inmiddels is overgegaan tot afbraak- of bouwwerken die de volledige teruggave in natura van het goed waarover hij op onwettige wijze heeft beschikt, onmogelijk maken. Die gevolgen kunnen echter niet worden beschouwd als zijnde kennelijk onevenredig met het nagestreefde doel. De wetgever kan oordelen dat, voor zover de vrederechter heeft toegestaan dat de onteigening wordt doorgevoerd, nadat hij krachtens artikel 107 van de Grondwet zowel de interne als de externe wettigheid van het onteigeningsbesluit heeft nagegaan, het algemeen nut vereist dat, in spoedeisende gevallen, de onteigenaar onmiddellijk in het bezit wordt gesteld van het onteigende goed. De latere vaststelling van de onwettigheid van de onteigening zal de eigenaar ertoe in staat stellen het volledige herstel van het door hem geleden nadeel te verkrijgen, hetzij in natura, hetzij door de tegenwaarde. Het risico dat hij loopt niet de integrale teruggave van zijn goed te verkrijgen, is geen onevenredig gevolg van de onteigeningsprocedure bij hoogdringende omstandigheden, ten aanzien van het nadeel dat het algemeen belang zou kunnen lijden indien de inbezitneming door de onteigenaar zou worden uitgesteld totdat alle rechtsmiddelen waarover de onteigende beschikt, zouden zijn uitgeput. Het komt het Hof niet toe te oordelen of de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden wordt aangewend in gevallen waarin daarvoor geen verantwoording bestaat en evenmin te onderzoeken of de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure binnen redelijke termijnen wordt afgewikkeld. B.
  24. Sedert de Raad van State met toepassing van het nieuwe artikel 17 van de gecoördineerde wetten schorsingsbevoegdheid heeft gekregen, kan de buur van een onteigend goed, indien hij de twee door dat artikel vereiste voorwaarden vervult, een arrest verkrijgen dat het onteigeningsbesluit schorst, arrest dat bindend is voor de vrederechter bij wie de gerechtelijke procedure aanhangig is. Een gewone derde zou aldus die procedure onwerkdadig kunnen maken, hoewel hij daaraan niet eens kan deelnemen, totdat de Raad van State uitspraak heeft gedaan over de vordering tot vernietiging, terwijl de Raad van State zich onbevoegd moet verklaren ten aanzien van de eigenaar en de belanghebbende derden zodra de gerechtelijke procedure een aanvang heeft genomen. X-14.211-8/13 Nochtans moet worden opgemerkt dat, overeenkomstig de interpretatie die het Hof in zijn arrest nr. 42/90 heeft gegeven aan de artikelen 7 en 16, tweede lid, van de wet van 26 juli 1962 alsmede aan artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de eigenaar, de belanghebbende derden en de gewone derden vóór de gerechtelijke fase van de onteigening gelijk worden behandeld, aangezien zij allen toegang hebben tot de Raad van State. Alleen gedurende de enkele dagen die liggen tussen de bij artikel 5 van de wet van 26 juli 1962 voorgeschreven dagvaarding en het bij artikel 7 van die wet beoogde vonnis, zou een gewone derde via een schorsingsarrest de gerechtelijke procedure onwerkdadig kunnen maken, terwijl de eigenaar en de belanghebbende derden alsdan over dat rechtsmiddel niet beschikken. Die kunnen echter, tijdens dezelfde periode, van de vrederechter verkrijgen dat hij weigert een onwettig onteigeningsbesluit uitvoerbaar te verklaren. Zonder zich te houden aan het zogenaamde ‘privilège du préalable’ heeft de wetgever aldus de onteigening afhankelijk gemaakt van een rechterlijke controle, zodat, enerzijds, de eigenaar en de belanghebbende derden en, anderzijds, de gewone derden, ieder over een snelle procedure beschikken die hen in staat stelt zich tegen een onregelmatige onteigening te verzetten. B.
  25. Het is ook waar [...] dat de combinatie van twee jurisdictionele stelsels ertoe kan leiden dat de onteigende in herziening of in hoger beroep de vaststelling van de onwettigheid van de onteigening kan verkrijgen nadat de derde in zijn vordering is geslaagd, terwijl hij die niet kan verkrijgen bij de Raad van State. Een dergelijk gevolg kan er niet toe leiden dat een verschil tussen jurisdictionele stelsels dat niet discriminerend is, discriminerend wordt gemaakt, te meer daar het een bijkomende waarborg betreft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van het vernietigingsarrest van de Raad van State. B.
  26. Uit de vergelijking van de procedures die, enerzijds, de eigenaar en de belanghebbende derden, en, anderzijds, de gewone derden ter beschikking staan, blijkt dat beiden een gelijkwaardige rechtsbescherming genieten. Het naast elkaar bestaan van de twee procedures kan wellicht abnormale interferenties veroorzaken en tot tegengestelde oplossingen leiden. Maar het komt het Hof niet toe (dit) te verhelpen. ...’ Deze overwegingen zijn bevestigd in het arrest nr. 68/
  27. (Zie o.a. Grondwettelijk Hof, nr. 68/2002, 28 maart 2002; Grondwettelijk Hof, nr. 51/95, 22 juni 1995; Grondwettelijk Hof, nr. 75/93, 27 oktober 1993; Grondwettelijk Hof, nr. 80/92, 23 december 1992; Grondwettelijk Hof, nr. 57/92, 14 juli 1992; Grondwettelijk Hof, nr. 42/90, 21 december 1990.)
  28. Het door de verzoekende partij aangehaalde arrest van het Grondwettelijk Hof, nr. 41/2003 van 9 april 2003 m.b.t. de rechtsbescherming van studenten van vrije universiteiten alsook de rechtsgeleerde commentaar daarbij kan niet deugdelijk worden ingeroepen om de vaststaande rechtspraak van zowel het Grondwettelijk Hof als de Raad van State ter discussie te stellen. Het Grondwettelijk Hof is na een uitgebreid en concreet onderzoek herhaalde malen tot de vaststelling gekomen dat inzake onteigeningen de rechtsbescherming vanwege de Raad van State en de vrederechter als gelijkwaardig mogen worden beschouwd. Aan voormeld vaststaand oordeel van het Grondwettelijk Hof kan geenszins afbreuk worden gedaan door een enkele overweging uit het X-14.211-9/13 arrest nr. 41/
  29. Het voorwerp van laatstgenoemd arrest is al te verschillend van de voorliggende problematiek en de verzoekende partij verliest de concrete context geheel uit het oog. De verzoekende partij laat na de overwegingen aan te halen die het Grondwettelijk Hof hebben gebracht tot de geciteerde overweging: ‘... B.
  30. Hoewel de gelijke behandeling van de studenten het uitgangspunt is, staat artikel 24, §4, van de Grondwet een verschil in behandeling toe op voorwaarde dat die gegrond is op de karakteristieken die eigen zijn aan de inrichtende machten. Een van die karakteristieken is de juridische aard van de inrichtende machten, die, in het vrij onderwijs privaatrechtelijke rechtspersonen of instellingen zijn en in het officieel onderwijs publiekrechtelijke rechtspersonen of instellingen zijn. B.
  31. Die verschillen verantwoorden dat de bevoegdheid van de Raad van State wordt uitgesloten voor de geschillen die ontstaan uit de contractuele betrekkingen van een vrije universiteit, onder meer de betrekkingen tussen haar en haar personeel. De juridische aard van de universiteit in de schoot waarvan de bij het decreet van 5 september 1994 opgerichte commissie wordt ingesteld, heeft evenwel geen enkele weerslag op de adviezen die die commissie moet geven en op de beroepen die het mogelijk maken de wettigheid ervan te betwisten. Daaruit volgt dat de studenten van de vrije universiteiten anders worden behandeld dan die van de gemeenschapsuniversiteiten, zonder dat voor dat verschil een grondslag kan worden gevonden in de eigen karakteristieken van de inrichtende machten die het betrokken onderwijs organiseren. B.
  32. De studenten van een vrije universiteit kunnen zich weliswaar wenden tot de gewone rechtbanken, die zich soms bevoegd hebben geacht om een wettigheidscontrole uit te oefenen op de beslissingen genomen door overheden die in instellingen van het vrij onderwijs zijn opgericht. Dergelijke vorderingen zijn evenwel niet gebaseerd op een inquisitoriaal onderzoek en zij leiden tot beslissingen die, anders dan de arresten van de Raad van State, slechts een relatief gezag van gewijsde hebben. ...’
  33. Er bestaat geen enkele noodzaak tot het voorleggen van nieuwe prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Het gebrek aan actuele noodzaak van de voorgestelde prejudiciële vragen blijkt reeds uit de verwijzing naar de oude artikelen 6 en 6bis, Grondwet (sic). In elk geval is het voorleggen van prejudiciële vragen niet verenigbaar met een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging.
  34. De Raad van State is niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer die prejudiciële vraag zijn rechtsmacht betreft. De beslissing van de Raad van State dienaangaande is immers vatbaar voor een voorziening in cassatie overeenkomstig artikel 158, Grondwet en de artikelen 33 en 34, R.v.St.-Wet en de betrokken grondwetsbepalingen klaarblijkelijk niet worden geschonden. (...)
  35. De verzoekende partij laat overigens na in het beschikkend gedeelte de Raad van State te verzoeken de prejudiciële vragen te stellen.
  36. De discussie inzake bij wie het initiatiefrecht rust om de rechtsbescherming te activeren, kan niet voor gevolg hebben dat de Raad van State zich bevoegd zou moeten verklaren. De discussie is bovendien irrelevant in de zaak. X-14.211-10/13 De verwerende partij kan enkel vaststellen dat de verzoekende partij geen enkel initiatief heeft genomen naar aanleiding van oorspronkelijke onteigeningsmachtiging teneinde haar rechtsbescherming te activeren. De verwerende partij moet bovendien vaststellen dat de verzoekende partij laattijdig initiatief heeft genomen teneinde haar rechtsbescherming tegen de aanvullende onteigeningsmachtiging te activeren. In elk geval is haar initiatief er slechts gekomen nadat de rechtsbescherming reeds is geactiveerd door de onteigenaar.
  37. De kosten van de procedure komen ten laste van de verzoekende partij. Op 25 mei 2009 is immers aan de verzoekende partij reeds een dagvaarding betekend om te verschijnen voor de bevoegde vrederechter. Slechts op 2 juni 2009 - bijgevolg reeds na het ogenblik dat de Raad van State zijn bevoegdheid heeft verloren - is zij overgegaan tot het indienen van de voorliggende vordering.
  38. Voor zover als nodig wenst de verwerende partij nog kort in te gaan op de aangevoerde middelen en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel”. 5.
  39. De tussenkomende partij werpt eveneens een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij verwijst daarbij naar de motieven en de argumenten die door de verwerende partij in haar nota zijn ontwikkeld, en zij sluit zich daarbij aan. Beoordeling 5.
  40. Krachtens de bepalingen van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, heeft de vrederechter, wanneer de onteigenaar de vordering tot onteigening bij hem heeft ingeleid, als opdracht de voor de onteigening vereiste besluiten van de onteigenende overheid zowel op hun interne als op hun externe wettigheid te toetsen. Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die handelingen, indien dat beroep is ingesteld door de onteigende. Deze bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben. 5.
  41. Uit de voormelde gegevens van de zaak blijkt dat de verwerende partij de vordering tot onteigening van het pand van de verzoekende partij bij de vrederechter heeft ingeleid. De exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State, opgeworpen door de verwerende partij en de tussenkomende partij, is gegrond. De vordering is niet ontvankelijk. X-14.211-11/13 5.
  42. In het arrest nr. 41/2003 van 9 april 2003 van het Grondwettelijk Hof, waarnaar de verzoekende partij verwijst, heeft het Hof geenszins op een principiële wijze gesteld dat er automatisch een schending van het gelijkheidsbeginsel zou zijn indien bepaalde rechtszaken worden uitgesloten van de bevoegdheid van de Raad van State. In het arrest 41/2003 werd gesteld dat er geen toelaatbare verantwoording voorhanden was waarom bepaalde beslissingen van de commissie voor de uitreiking van de getuigschriften voor de studie van de tandheelkunde aan de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State waren onttrokken. De vergelijking die de verzoekende partij maakt tussen de rechtsbescherming tegen de beslissingen van de commissies voor de uitreiking van getuigschriften voor de studie tandheelkunde met de rechtsbescherming die de gewone rechtbanken bieden met betrekking tot onteigeningen gaat op het eerste gezicht niet op. Voor onteigeningen gelden immers specifieke procedures die voor de onteigenden meerdere mogelijkheden bieden om voor hun rechten op te komen wanneer zij worden geconfronteerd met onteigeningsbesluiten en de aangeboden vergoedingen omtrent onteigeningen. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt voorts dat de prejudiciële vraag die de verzoekende partij gesteld wil zien reeds is beantwoord. Inzonderheid het arrest nr. 80/92 van 23 december 1992 geeft een antwoord op de prejudiciële vraag. In toepassing van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/ van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof is er op het eerste gezicht geen reden om de prejudiciële vraag (nogmaals) te stellen. Bovendien is de Raad van State niet gehouden de prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, vermits die prejudiciële vraag zijn rechtsmacht betreft, en zijn beslissing hierover vatbaar is voor een voorziening in cassatie overeenkomstig artikel 158 van de Grondwet en de artikelen 33 en 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en de betrokken grondwetsbepalingen klaarblijkelijk niet worden geschonden (artikel 26, § 4, tweede lid, 2/ van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof). BESLISSING
  43. Het verzoek van de provincie Antwerpen tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  44. De Raad van State verwerpt de vordering. X-14.211-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig oktober 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens. Johan Bovin. X-14.211-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.524 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.