id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.599 Rolnummer: A. 164155/X-12405 Zaak: Arrest 197599 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:47 Fiche Arrest nr 197.599 van 3 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.599 van 3 november 2009 in de zaak A. 164.155/X-12.405. In zake: de v.z.w. STICHTING OMER WATTEZ, thans de v.z.w. MILIEU- FRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 juli 2005, strekt tot de nietigverkla- ring van “de stedenbouwkundige vergunning van 20 april 2005, afgeleverd door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (...) aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Administratie Waterwegen en Zeewezen, afdeling Bovenschelde met als adres Nederkouter 28, 9000 Gent voor het aanpassen ten opzichte van de eerder vergunde constructie van een dwarsdijk in gecontroleerd overstromingsgebied op een goed gelegen aan de Veldekensdreef (Overboelare) in 9500 Geraardsbergen met als kadastrale omschrijving Geraardsbergen 4e afdeling, sectie B, 1”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. X-12.405-1/19 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Wim Lammens, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Ontvankelijkheid van het beroep 3. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij meent dat niet voldaan is aan de voorwaar- den voor een v.z.w. om in rechte te treden voor de Raad van State, vermits er geen band van evenredigheid bestaat tussen de bijzonder ruime definiëring van de doelstelling van de verzoekende partij, alsook het ruime werkingsgebied ervan, verspreid over 21 gemeenten, enerzijds, en de zeer beperkte weerslag van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, die louter bedoeld is om een kleinschalig gecontroleerd overstromingsgebied te creëren, anderzijds. Bijgevolg voldoet de verzoekende partij niet aan het vereiste specialiteitsbeginsel en beschikt zij niet over het vereiste persoonlijk belang bij het beroep. 4. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij het beroep als volgt toe: “4. Het (rechts)persoonlijk en rechtstreeks belang van de V.Z.W. Stichting Omer Wattez bij de vordering tot vernietiging 1. In bijlage 4 vindt u de statuten van de vereniging zoals gepubliceerd op 3 december 2004 in het Belgisch Staatsblad. X-12.405-2/19 In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkingsgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Geraardsbergen. 2. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkingsgebied worden de navolgende doelstellingen nage- streefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiver- siteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatro- nen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucom- partimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezen- lijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatrege- len, enz. §3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; X-12.405-3/19 - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dieren welzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit....).’ 4. De vzw. Stichting Omer Wattez streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. De vzw. Stichting Omer Wattez is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na. Voor de milieuvereniging v.z.w. Stichting Omer Wattez ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltref- fendheid. In het algemeen aanvaardt Uw Raad trouwens dat milieuverenigingen een annulatievordering kunnen instellen ter verwezenlijking van hun verenigings- doel en er dus kan ingepast worden. (...) Ook het feit dat de statuten van de vzw. concreet, specifiek en lokaalgericht zijn, verhindert te zeggen dat haar doelstellingen te algemeen zijn. De vzw. SOW streeft welomschreven milieudoelstellingen na binnen een beperkt geografisch werkingsgebied. Deze doelstellingen zijn niet omvangrijk of te algemeen (bvb. niet het klimaat, niet alle mogelijke bronnen en vormen van vervuiling, niet in een oneindig ruim gebied). Overigens is het belangrijk hierbij vast te stellen dat 1/) geen enkele wet verbiedt dat een milieu-VZW meer dan één specifieke milieudoelstelling (bvb. enkel bescherming van bossen) nastreeft; 2/) de vereniging actief is in een tamelijk beperkt werkgebied (de Vlaamse Arden- nen); 3/) zelfs als een vereniging zelden of nooit actief zou zijn op het vlak van een aantal doelstellingen (bvb. landbouw, dierenwelzijn,..), dit niet verbiedt wel X-12.405-4/19 actief te zijn op een aantal andere doelstellingen (bvb. bosbehoud, bescherming landschappen). 5. In de statuten is uitdrukkelijk vermeld, hoewel dit niet hoeft, dat de vereniging kan optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen te verwezenlijken. Hierbij kan zij alle nodige vorderingen stellen. Het vorderen van de vernietiging om de openruimte gebieden met specifieke waarden te bewaren en te versterken en dit zowel voor de vereniging en voor haar leden, alsook voor de huidige en toekomende generaties, kan beschouwd worden als een manier om haar doelstellingen te realiseren. 6. Dat een milieuvereniging in rechte kan optreden tegen het Vlaams Gewest voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van Uw Raad. (...) (...) De aan te leggen dijk ligt in een natuurlijk maar ook in een recent over- stroomd gebied (ROG-zone) zoals gesteld in de adviezen van afdeling Water. Dit is de Dendervallei. Voor bepaling van de biologische waarde van het gebied vroegen wij op 16 december 2003 advies aan het Instituut voor Natuurbehoud. Dit advies van dit Instituut uitgebracht op 20 februari 2005 (...) bevat een uittreksel van de Biologische Waarderingskaart versie 2.1 voor het gebied. Uit de vergelijking van deze kaart en de ligging van de dijk, valt te zien dat de dijk komt te liggen op een biologisch zeer waardevol perceel (hc), een complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen (hp + k(hp*), een biologisch waardevol perceel (hp* + kbs) en een complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen (hpr* + hc + kb). In tegenstelling tot hetgeen de afdeling Natuur beweert in haar adviezen dd. 15/04/2004 en 22/12/2004 is het gebied dus alles behalve ‘biologisch minder waardevol’. Aangezien het betrokken Instituut instaat voor de opmaak van deze kaarten en aangezien de afdeling Natuur nalaat een kaart te voegen bij haar adviezen of inhoudelijk nader te omschrijven waarbij ze haar bewering t.a.v. de biologische waarde van de gronden staaft, stelt verzoekende partij dat de afd. Natuur een fout maakte, hetgeen verder leidde tot een verkeerde inschatting van de mogelijke natuur- schade door de aanleg van de dijk op biologisch (zeer) waardevolle gronden. Ook in het bij de aanvraag gevoegde document ‘informatie aan de Europese Commissie inzake plan/project in Natura 2000 vogelrichtlijngebieden (SBZ-V) en habitatrichtlijngebieden (SBZ-H) in navolging van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)’ wordt eenzelfde uittreksel uit de Biologische Waarderingskaart opgenomen. Bij aanleg van de geplande dijk zal er een ernstige reductie van de overstroombare ruimte plaatsvinden. Verzoekende partij raadde in haar bezwaarschriften aan om de dijk vlak achter de woningen te leggen. Het is de bedoeling van het project om de zone ten noorden van de aan te leggen dijk met de woningen in dit deel van de Majoor Van Lierdelaan volledig vrij te houden van overstromingen, die zich regelmatig voordoen omdat de woningen midden in een natuurlijk overstromingsgebied gelegen zijn. Doordat de dijk niet achter de woningen ligt, aan de grens van de bestemming landelijk woongebied, maar er ca. 300 ver van verwijderd ligt, worden hiermee niet alleen de woningen gevrijwaard van overstromingen, maar tevens een gebied van 6 ha groot, m.n. de zone tussen de bedreigde woningen en de aan te leggen dijk. Hierin staat het water bij de overstromingen ca. 1m hoog. Dit impliceert dat er minstens 60.000m³ aan overstroombare ruimte nodeloos verloren gaat. Aangezien dit water bij overstromingen andere oorden zal opzoeken (lees:overstromen) dreigt hierdoor het menselijk leefmilieu van andere mensen die voorheen nooit overstromingen zagen, aangetast te worden. X-12.405-5/19 De aan te leggen dijk zal, minstens gedurende enkele jaren, het niet meer mogelijk maken dat het park-, ven- en habitatrichtlijngebied dat ten noorden van deze geplande dijk ligt, nog op een natuurlijke wijze kan overstromen. M.a.w. de waterhuishouding of hydrologie van dit gebied wordt gewijzigd. In het advies van het Instituut voor Natuurbehoud dd. 16 december 2003 alsook in het bij de aanvraag gevoegde document ‘informatie aan de Europese Commissie inzake plan/project in Natura 2000 vogelrichtlijngebieden (SBZ-V) en habitatrichtlijngebieden (SBZ-H) in navolging van artikel 6 van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG)’ wordt als vereiste maatregel voor de instandhouding van de biotopen in het kwetsbare gebied genoemd ‘een natuurlijk inundatieregime’. Met de aanleg van de hier betwiste dijk wordt beoogd de zone ten noorden ervan gevrijwaard van overstromingen. In deze zone zal dus geen sprake meer zijn een natuurlijk inundatieregime. De geplande dijk ligt volledig in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, volgens het gewestplan van Aalst-Geraardsbergen-Ninove-Zottegem vastgesteld bij K.B. van 30/05/1978. Deze landschappelijke waardevolle ruimte zal doorsneden wordt door een zeer lange (±570m) dijk. De hoogte van de dijk zal op sommige delen meer dan 2m bedragen bij de aanleg (de dijk komt op 18m95 T.A.W.; volgens de opmetingen op het terrein is de huidige hoogte van dit stuk valleigrond op sommige plaatsen minder dan 17m T.A.W.) De breedte aan de voet zal 10m bedragen, en 3m aan de kruin. Bij berekening van het volume van deze reliëfwijziging neemt de dijk ca. 8000m³ in. Artikel 100 § 1, lid 2 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening stelt een volumebeperking van maximum 1000m³ in, voor de exploitatiewoningen bij een landbouwbedrijf. In de Memorie van Toelichting bij deze decreetbepa- ling (M.v.T., Parl. St., Vl. Parl., 1998-1999, stuk 1332, nr. 8) wordt gesteld dat een groter volume niet aanvaardbaar is in een gebied dat in essentie bewaard moet blijven voor de basisbestemming. Als de gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar zijn standpunt motiveert (...) door te stellen dat het gaat om ‘(..)enkele kleinschalige ingrepen (..)’ dan maakt hij o.i. een ernstige inschat- tingsfout. De dijk is immers 8 keer volumineuzer dan het maximaal toelaatbare voor een exploitatiewoning in deze bestemmingszone (i.c. (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied). Hiermee wenst verzoekende partij aan te tonen dat de open ruimte en het landschap sterk zal wijzigingen bij aanleg van deze dijk. Bij tal van vernietigingen van milieuvergunningen door Uw Raad worden de middelen die betrekking hebben op de schendingen van de bepalingen van de decreten en besluiten aangaande de ruimtelijke ordening ernstig en gegrond verklaard. (...) De hier betwiste stedenbouwkundige vergunning is een vergunning verleend in het kader van twee decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening (decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996). In de eerste orde wordt een bouwvergunningsaanvraag getoetst aan het vigerende gewestplan en aan de bijhorende stedenbouwkundige voorschriften van het K.B. van 28 december 1972. De realisatie van de bestemming is de grond van het bestaan van het bouwvergunningstelsel. Indien aangetoond werd dat verzoekende partij belang heeft bij hogerge- noemd middel aangaande de stedenbouwkundige voorschriften inzake het verlenen van een milieuvergunning, zou het onlogisch zijn mocht geoordeeld worden dat deze geen belang heeft bij de vernietiging van een voorwerp (bouwvergunning) dat evenzeer en daarenboven rechtstreeks gestoeld is op de stedenbouwkundige elementen. 8. Verzoekende partij wenst te benadrukken dat voorliggende stedenbouw- kundige vergunning niet louter een besluit betreft dat welbepaalde werken en handelingen op één welbepaalde plaats voor gevolg heeft. De aanleg van de X-12.405-6/19 dijk in een natuurlijk overstromingsgebied verhoogt het overstromingsgevaar van gronden en gebouwen op andere plaatsen die in of nabij de Dendervallei gelegen zijn. Het optrekken van een dijklichaam in een landschappelijk waardevol gebied tast de landschappelijke waarde en de belevingswaarde van het gehele gebied aan. Diverse van de bezwaarindieners (zowel bij de aanvraag d.d. 08/07/2004 als de aanvraag d.d. 06/12/2004) uit de Veldekensdreef, die vlakbij de plaats wonen waar de dijk zal aangelegd worden, haalden dit aan in hun bezwaarschrift. Daarenboven wenst verzoekende partij nog te benadrukken dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnor- men, die de bescherming van landschappelijke waardevolle, biologisch (zeer) waardevolle en natuurlijke overstromingsgebieden kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en een ernstige aantasting van de landschappelijke waardevolle en natuurlijke omgeving en het leefmilieu voor gevolg hebben. Het is niet louter één enkele stedenbouwkundi- ge vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van gevolgen die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Indien uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij niet doet blijken van de vereiste hoedanigheid, dan verhindert uw Raad dat nog op enige en ernstige wijze de wettigheid van de betrokken besluiten onderzocht kan worden. De specifieke keuze om tot annulatie te verzoeken van deze steden- bouwkundige vergunning, is gebaseerd op een weloverwogen keuze en afweging van de Raad van Bestuur van de vereniging om een voorbeeld te stellen naar toekomstige (gelijkaardige) besluiten. Voorliggende stedenbouw- kundige vergunning vormt volgens ons een ernstige schending van tal van rechtsnormen, dit in tegenstelling met bepaalde andere vergunningen waar de schending van zowel het aantal rechtsnormen als van de ernst van de schending geringer wordt geacht, zodat de keuze voor het aanvechten van deze vergunning verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de vereniging. 9. De vzw. Stichting Omer Wattez werd opgericht op 16 juni 1981 (B.S. 3 december 1981). Al meer dan 24 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral de kwaliteit van de natuur, landschap en alles wat er bij komt kijken, op peil te houden binnen haar werkingsgebied, o.a. voor haar 800-tal leden. Om haar doelstellingen te realiseren, is het logisch dat zij streeft naar meer in plaats van minder groene ruimtes, naar meer bos, meer natuurgebieden, meer landschappelijk waardevolle gebieden, meer natuurlijke overstromingsgebie- den, ook een betere buffering van wel beschermde natuurgebieden, enz. Dit collectief van mensen kan immers allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van overstromingsproblematiek of problematiek van de schade aan natuurwaarden, actief te zijn: bvb. een vergunningverlenende overheid neemt recent tal van beslissingen die tezamen veel natuur of veel overstromingsruimte doen verloren gaan. De keuzes om al dan niet op te treden kunnen gebaseerd zijn op : rekening houden met menselijke aspecten van een zaak, of een zaak is bij voorbaat kansloos, of er ontbreekt een meerderheid in de Raad van Bestuur om in rechte op te treden, of er zijn te weinig financiële middelen, of er is een nieuwe juridische context die de kansen om in rechte op te treden wijzigen, of er is nieuwe rechtspraak van toepassing, enz. Dit is eerder een samenspel van opportuniteit en actuele toestand waar allerlei feitelijkheden een rol spelen. 10. VZW Stichting Omer Wattez oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat op dit punt geen bevraging naar ontvankelijk- heid kan zijn. X-12.405-7/19 Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een tweemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuureducatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verwante verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde, .. Het organiseren van tal van persacties. Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals de S.O.W. werkgroep Leievallei, de S.O.W. werkgroep Maarkedal, de S.O.W. werkgroep Oudenaar- de, de S.O.W. werkgroep Zingem, de S.O.W. werkgroep Ronse, enz. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkings- gebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw. Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw. Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw. Natuurpunt en vzw. Vogelbescherming Vlaanderen. 11. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstro- mingsruimte in een beperkt geografisch werkingsgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de Dendervallei te Geraardsbergen gelegen is en die ook door de deelgemeente Overboelare stroomt, langs gronden waar de betwiste stedenbouwkundige vergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkavelings- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebie- den. In bijlage 7 voegt verzoekende partij 12 bezwaarschriften van de laatste twee jaren, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’
- s)specifiek binnen dat deel van haar werkingsgebied die uitgaan van verzoekende partij vanuit haar doelstelling om op te komen voor de bescher- ming van de waarden van overstromingsgebieden. Het gaat meer bepaald over 5 verkavelingsvergunningsaanvragen om op te hogen plus te bouwen in valleigebied, 3 bouwvergunningsaanvragen voor reliëfwijzigingen (i.c. ophogingen) in valleigebieden, twee milieuvergunningsaanvragen en twee BPA’s in valleigebied. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift (...). Verzoekende partij voert ook geregeld acties en stelt diverse persberichten op. In bijlage 8 vindt u een persbericht/open brief die handelt over het verlies van valleigebieden aan de gemeenteraadsleden van de stad Geraardsbergen en een krantenartikel n.a.v. een actie op 22 februari 2005. Verder heeft verzoekende partijen diverse zaken ingesteld bij Uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele X-12.405-8/19 opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken: ondermeer 159.404/X-12.183 inzake het voorgaande plan voor de hier betwiste dijk met een andere ligging; 151.701/X-11.884 inzake het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan dat ondermeer ontwikkelingsperspectieven voorziet voor de uitbreiding van een (verblijfs)recreatiegebied in de Dendervallei te Geraards- bergen (Onkerzele) en voor de uitbreiding van een recreatiegebied in een Europese Speciale Beschermingszone meer bepaald in het Kluisbos te Geraardsbergen; 157.407/X-12.124 inzake een verkavelingsvergunning in de Molenbeekvallei te Geraardsbergen; 158.749/X-12.167 en 158.750/X-12.168 inzake de aanleg van twee dijken in de Dendervallei te Geraardsbergen (Zandbergen) waarbij verzoekende op basis van nagenoeg identieke motieven besloten heeft tot het instellen van een annulatieverzoek; 154.668/X-12.014 inzake de bouwvergunning voor de ontbossing en de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 156-333/VII-32.911 inzake de milieuvergunning voor de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde. Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen, Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkingsgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid, van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening. 12. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegen- heden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag dat : ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuurspro- cesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassings- gebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. X-12.405-9/19 Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b.’ Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 13. Tot slot zijn we van mening dat de bestaande ruimte in dit landschappe- lijk waardevol gebied en overstromingsgebied niet efficiënt en verantwoord gebruikt wordt, hetgeen wij behartigen conform artikel 2 § 2 van de statuten. Immers, de dijk had veel dichter kunnen aansluiten bij de bestaande bewoning. Er is geen deugdelijke motivering waarom de dijk het landschappelijk waardevol agrarisch gebied dient te doorkruisen en niet ligt in het nabijgelegen landelijk woongebied. Per slot van rekening dient de dijk om woningen die gelegen zijn in deze bestemming te beveiligen. De vergunningverlenende overheid neemt dus geen voorzorgen om de aantasting van biologisch waardevolle en landschappelijk waardevolle terreinen te voorkomen (...). Door de schending van al deze onderdelen van de doelstellingen van de vereniging, acht verzoekende partij zich genoodzaakt de vernietiging te vorderen van de betrokken vergunning. Om deze redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van V.Z.W. Stichting Omer Wattez bij de vordering tot annulatie van deze stedenbouwkundige vergunning, samengevat een feit is”. 5. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog de volgende wezenlijke argumenten toe: “Het parkgebied op het gewestplan, tevens Europese Speciale Bescher- mingszone (Habitatrichtlijngebied; besluit Vlaamse Regering d.d. 24 mei 2002, B.S. 17/08/2002) en tevens onderdeel van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN gebied; Besluit Vlaamse Regering d.d. 18 juli 2003, B.S. 17/10/2003) ten noorden van de Majoor Van Lierdelaan wordt volledig geïsoleerd van de Dender door de zonder vergunning aangelegde dijk in 2003 plus de dwarsdijk die hier betwist wordt, waardoor natuurlijke overstromingen onmogelijk worden en waardoor de natuurlijke kenmerken van dit gebied aangetast worden. Het niet meer mogelijk maken van de overstromingen betekent een verlies aan flora en fauna die exclusief gebonden zijn aan overstromingen en de dynamiek die dit teweeg brengt. Het areaal (9ha) en het leefgebied van een aantal planten- en dierensoorten krimpt hierdoor. In de passende beoordeling wordt inzake de impact op de kwalitatieve aspecten van het gebied door de aanleg van de dwarsdijk als volgt beoordeeld: ‘- graad van verstoring: mogelijk significant; - graad van versnippering/fragmentatie: significant (verdere isolatie van het gebied), (..) - indirecte gevolgen op habitats/leefgebied soorten door wijziging van waterhuis- houding: significante impact (..); - wijzigingen in indicatoren natuurwaarde: negatieve impact, (..)’. In dit document wordt ook gesteld dat de instandhou- ding van de te beschermen soorten en habitats conform de habitatrichtlijn in het gedrang komt met de aanleg van de dwarsdijk (...). X-12.405-10/19 Verwerende partij is van oordeel dat met de mitigerende maatregelen opgenomen in het besluit, er op termijn positieve effecten te verwachten zijn op het bedreigde gebied. Verzoekende partij wenst te benadrukken dat de ruimtelijke impact van de voorgestelde mitigerende maatregelen dermate groot is dat ze voorwerp dienen uit te maken van een afzonderlijke stedenbouwkundi- ge vergunningsaanvraag (...). De verwachte positieve effecten kunnen o.i. niet in aanmerking genomen worden om te oordelen dat de dwarsdijk op zich geen effect zou hebben”. 6. Ten slotte stelt de verzoekende partij in haar laatste memorie: “I.1 Betreffende het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 (...) Artikel 2 van hoger genoemd decreet bepaalt dat het verdrag en zijn bijlagen volkomen gevolg zullen hebben, voor het Vlaamse Gewest. We wijzen met nadruk op artikel 9.2 van het verdrag waarin duidelijk gestipuleerd staat ‘Elke Partij waarborgt, (..) dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben (..) toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, (..) Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. (..)’ Kortom het verdrag bepaalt dat organisaties zoals verzoekster toegang horen te krijgen om de rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, dus ook zoals in voorliggende zaak. We betwisten dat de bepaling ‘..binnen het kader van de nationale wetgeving..’ dermate kan geïnterpreteerd worden dat er nog andere eisen -zoals de hoedanigheidsvereiste - kunnen opgelegd worden t.a.v. de ngo’s. Indien uw Raad aanhoudt dat verzoekster geen belanghebbende is, vormt dit o.i. enerzijds een miskenning van hoger geciteerde duidelijke bepaling van het verdrag en anderzijds zou dit impliceren dat die specifieke verdragsbepalingen weinig betekenis hebben en uw Raad oordeelt dat de rechtspraak gehandhaafd kan blijven, terwijl het net een expliciete doelstelling van het verdrag was om milieuverenigingen als partijen te beschouwen die voldoende belang hebben zoals in de aanhef van het verdrag aangegeven wordt. Bij het onontvankelijk verklaren van verzoekende partij komen we in een soort van vicieuze cirkelredenering terecht. In de aanhef van het verdrag staat: ‘(..)Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen, Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf, Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties, Overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden X-12.405-11/19 moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen, (..) Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen, (..) Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu, (..) Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie, (..) Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast, (..)’ Het doel van het verdrag luidt (artikel 1): ‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.’ Kortom het was de bedoeling om met dit verdrag 1) te voorzien in een extra of (beter) gegarandeerde milieubescherming. Het milieu bestaat uit diverse compartimenten zoals de fauna, flora, mens, het landschap met diens natuurlijke elementen en fenome- nen (zoals overstromingen). Toegepast op voorliggende zaak impliceert dit dat biologisch waardevolle zones een betere bescherming behoren te genieten alsook de bedreigde biodiversiteit en de natuurlijke overstromingsgebieden. Het verdrag van Aarhus wil ondermeer een betere milieubescherming garanderen en betere integratie van die milieubescherming (en dus ook de landschapsbe- scherming en de natuurbescherming) in de besluitvorming. 2) een verbeterde toegang te verlenen aan o.a. milieuorganisaties in de besluitvorming en de diverse rechtsorganen. Het vroegere kader en rechtspraak kunnen niet zomaar als kader dienen voor voorliggende zaak. Het verdrag wil een verbeterde toegang verzekeren. Als alles bij het oude blijft zou dit verdrag geen enkele meerwaarde betekenen terwijl dit niet de bedoeling was. Er dient ook op gewezen worden dat in 1998 het natuurdecreet en in 2003 (naast het verdrag van Aarhus ook in 2003) het DIWB van kracht geworden is, hetgeen het belang van verzoekende partij vergroot. Een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State betreffende bet belang waarvan milieuverenigingen moeten doen blijken is in de rechtsleer op felle kritiek onthaald wat betreft de verenigbaarheid met artikel 9.2 van het Verdrag. (...) Maar niet alleen de doctrine heeft zo zijn bedenkingen bij een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State. Het Comité voor toezicht op de naleving van de bepalingen van het Verdrag kwam in een aanbeveling van 28 juli 2006 (ECE/MP.PP/C.1/2006/4/Add.2) na een uitvoerig en genuanceerd onderzoek tot de conclusie dat de rechtspraak van de Raad van State inzake de toegang van milieuverenigingen tot de rechter in bepaalde gevallen onverenigbaar is met artikel 9 van het Verdrag. (...) X-12.405-12/19 Het is duidelijk dat in het licht van het Verdrag van Aarhus niet kan aanvaard worden dat milieuverenigingen zeer moeilijk toegang hebben tot de Raad van State. Men zou er kunnen inkomen dat het belang van de vereniging verschillend moet zijn van de individuele belangen van haar leden, en evenzeer kan men aannemen dat verenigingen niet moeten opkomen voor het algemeen belang in de brede betekenis van het woord, want dat zou neerkomen op een actio popularis, maar de rechtspraak mag deze beide uitersten niet zo breed gaan interpreteren dat het vinden van een weg ertussen in de praktijk een onmogelijke opgave wordt. In casu komt verzoekster op voor de bescherming van welbepaalde waarden die zich situeren in de Dendervallei een van de levensaders van verzoekster waar het verlies van heel wat natuurwaarden op het spel staan en waar het woonleefmilieu sterk bedreigd wordt ten gevolge van overstromingen. Het beroep is o.i. derhalve ontvankelijk in het licht van het verdrag van Aarhus. I.2 Betreffende de reikwijdte van de effecten van het bestreden besluit (...) 0) Omtrent de studie van het Instituut voor Natuurbehoud: a. Het is fout te stellen dat de studie ook van toepassing is voor het VEN-gebied, immers: i. De auditeur citeert de titel waarin staat dat het een studie is dat de gevolgen op het Habitatrichtlijngebied (en dus niet op het VEN-gebied) onderzoekt; ii. De studie blijkt een passende beoordeling te zijn in toepassing van de bepalingen die van kracht zijn op de Habitatrichtlijngebie- den. De studie is in se geen toepassing van de VEN-toets, noch van de natuurtoets en onderzoekt evenmin of bepalingen (uit de decreten en de uitvoeringsbesluiten) die van toepassing zijn op de VEN-gebieden, de parkgebieden en de landschappelijk waarde- volle agrarische gebieden op het gewestplan al dan niet geschon- den zijn. b. De conclusies van dergelijke studie kunnen - omdat gemeend worden dat deze positief zijn voor het Habitatrichtlijngebied mits toepassing van de mitigerende maatregelen - niet aangegrepen worden om zomaar te stellen dat hierdoor verzoekster geen belang meer heeft. In tegendeel, door het feit dat er diverse beschermingsstatuten rusten op het gebied wordt bevestigd dat het gebied dat beïnvloed wordt door de dwarsdijk een uitzonderlijk belang heeft in het werkgebied van verzoekende partij en benadrukt de ernst van de activiteit. c. De studie suggereert enkele mitigerende maatregelen waaronder het wegnemen van een langsdijk langsheen de Dender. We wijzen erop dat die te verwijderen dijk een constructie is die aangelegd is in 2003 zonder stedenbouwkundige vergunning en die volgens ons wederrech- terlijk aangelegd werd aangezien hier een vergunning voor vereist is en die nog steeds aanwezig is. De aangelegde langsdijken en een andere dwarsdijk zijn voorwerp van een zaak waarin verzoekster zich burgerlijke partij stelde. Het opleggen van dergelijke voorwaarde (het verwijderen van een constructie die wederrechterljk is aangelegd) kan o.i. niet als een geldige voorwaarde opgenomen worden in een vergunning. 1) De landschappelijke impact van de dijk. De ruimtelijke context van de dijk is anders dan eender welk (bouwvergun- ningsplichtig) project in een van de 21 gemeenten of steden van het werkgebied van de vzw. Milieufront Omer Wattez (vzw. MOW). We bevinden ons hier in een riviervallei, het laagste punt van het werkingsgebied van vzw. MOW. De rivieren zijn bepalend voor de vochtige en natte natuurelementen in de regio X-12.405-13/19 van de Vlaamse Ardennen, ruimtelijke gezien zijn ze groot, samenhangend, ze onderscheiden zich duidelijk in het landschap en zijn dus structuurbepalend. In heel het werkingsgebied van verzoekende partij bevinden zich drie rivieren : de Schelde, de Leie en de Dender. De eerste twee werden tot de jaren ’70 onderworpen aan diverse ingrijpende rechttrekkingen. Enkel de Dender (en vallei) en het deel van de Leie (en vallei) tussen Deinze en Gent zijn relatief goed gespaard gebleven. De natuurlijke kenmerken zijn behoorlijk bewaard gebleven. Dit zijn ook de enigste twee delen van beide riviervalleien waar een stuk aangeduid werd als Habitatrichtlijngebied. In een boek uitgegeven door MOW over het landschap van de Vlaamse Ardennen (...) wordt een hoofdstuk gewijd aan de drie rivieren, met als titel: ‘Leie, Schelde, Dender: levensaders in de streek.’ (...) Deze publicatie geeft aan hoe belangrijk de uitgesproken landschappen rond onze rivieren zo belangrijk zijn. Het landschap van de Dendervallei is hier waar de dwarsdijk aangelegd wordt, nog heel duidelijk. Vanaf de straat helt het terrein naar beneden tot in de komgrond van de winterbedding van de Dender en gaat weer lichtjes omhoog ter hoogte oever, hier vinden we de oeverwal naast de zomerbedding van de rivier. Met deze bouwvergunning wordt groen licht geven om een prachtig stuk open riviervallei te doorkruisen met een hoge dijk. In bovenstaande figuur uit bijlage 3 heeft u zicht op de Dendervallei te Geraardsbergen; waar het woord alluviale vlakte staat is ongeveer de plaats waar de dijk aangelegd is met de betwiste vergunning. Dit is een uitgestrekte lage vlakte die heel wat water opvangt. Bij het onmogelijk maken van overstromingen is er niet alleen de landschappelijke aantasting maar zijn er ook de gigantische risico’s die de lage stad (op de linkeroever van de Dender) en de hoge stad (op de rechteroever) oplopen om onder water te komen staan. Verzoekende partij vraagt niet de annulatie van eender welke vergunning maar van ene die een van de grootste riviervalleistructuren in haar werkingsge- bied waarvan de Dender nog het meest natuurlijk is en landschappelijk best bewaard is gebleven in twee stukken knipt door deze rond de percelen heen zigzaggende dwarsdijk. Dat verzoekende partij zich in sterke mate richt op het bewaren van het gaaf karakter en de rust in de drie riviervalleien bewijzen de verschillende zaken die ze aanspande ter vrijwaring van de Dender-, de Leie- en de Scheldevallei. Uit de fotoreportage van de dijk (...) - die intussen reeds aangelegd werd met litigieuze besluit -ziet u de grote impact die deze dijk heeft op het landschap. De dijk is quasi even hoog (i.c. 2m) als stam van de knotwilgen waarnaast hij gebouwd werd. uw Raad heeft ook in andere zaken duidelijk gewezen op de landschappelijke impact van constructies in landschappelijke waardevol gebied en dit louter op basis van de grootte van de constructie (...) De ligging van deze dwarsdijk werd tot drie maal toe aangepast en in vergelijking met het eerste en het tweede (vergunde) ontwerp, kwam de ligging van dit derde ontwerp (met een kronkelend of zigzagmotief) verder weg van de woningen te liggen en dus dieper in het landschappelijk waardevolle gebied waardoor dit ontwerp des te meer de landschapswaarde aantast. 2) Ter aanvulling bij het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord gaan we hier nog verder in op het effectieve verlies aan biologische waarden. Op een van de bijgevoegde foto’s in bijlage 1 ziet u het soortenrijke grasland met diverse bloeiende planten. Op dit graslanden treffen we ondermeer de bijzonder planten scherpe boterbloem, de pinksterbloem, het ruw beemdgras, het reukgras,.. aan. Dit graslandtype (Hp*) wordt in het overzicht van de zeldzaamheid van de verschillende biotopen in Vlaanderen gerangschikt als ‘zeldzaam’. In dit gebied leeft ook een populatie van de groene en bruine kikker. Verder komen er de watervleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de rosse vleermuis en de laatvlieger af en toe voedsel zoeken en zeer regelmatig X-12.405-14/19 wordt er de gewone dwergvleermuis gezien die er ook foerageert. Een ander effect is het feit dat tijdens de overstromingen de overstromingsvlakte druk bezocht wordt door diverse soorten eenden (wilde eend, krakeend, kuifeend,..) en fuutachtigen (fuut, dodaars,..) die er hun voedsel komen vergaren. Bij verlies van 25ha overstromingsvlakte verliezen deze dieren een aanzienlijke opper- vlakte foerageerruimte in de winter. 3) Het verlies aan ruimte waar het water kan overstromen is hier zeer ernstig. Met deze ingreep kan 25 ha niet meer overstromen. Hier staat het water gemiddeld genomen ca. lm hoog. Dit betekent een verlies aan 250.000.000 liter overstromingswater dat elders in de vallei zijn weg zal moeten zoeken. De milderende maatregelen moeten er voor zorgen dat het Habitatrichtlijngebied weer zou kunnen overstromen, in het ene geval (openen schuif in langsdijk) zorgt dat voor kunstmatige overstromingen die niet hetzelfde effect hebben als natuurlijke overstromingen (bij natuurlijke overstromingen worden de komgronden uitgeschuurd door de kracht van het stromende water dat in dezelfde richting stroomt als de rivier; als het gebied dient te overstromen via een schuif op een buis door de langsdijk die loodrecht staat op de stroomrichting van de rivier, is de snelheid van het water gebroken en wordt er alleen maar slib afgezet en wordt de komgrond niet meer uitgeschuurd). Die mitigerende maatregelen, enerzijds op korte termijn het openen van de schuif op de buis door de langsdijk en tegen medio 2007 het verwijderen van de langsdijk t.h.v. het Habitatrichtlijngebied (dewelke op heden bij het verzenden van deze laatste memorie nog steeds niet uitgevoerd werd) zijn in strijd met de doelstelling van de dwarsdijk, nl. de woningen in de Majoor Van Lierdelaan vrijwaren van overstromingen. Immers, het Habitatrichtlijngebied laten overstromen betekent ook dat men de woningen in de Majoor Van Lierdelaan en enkele andere woningen in de aangrenzende straten toch laat onderstromen. Indien uw Raad zou stellen dat overstromingen in die 25ha terug mogelijk zullen worden na het uitvoeren van de opgelegde voorwaarden (verwijderen van die langsdijk) benadrukt dit des te sterker de absurditeit van deze dijk waarbij de landschappelijke waarde teloor gaat en waarbij vochtige soortenrijke graslanden zomaar opgeofferd worden voor een zinloze dijk. Indien er alsnog na het verwijderen van die langsdijk een dijk aangelegd zou worden aan de andere zijde van de woningen van de Majoor Van Lierdelaan zal er in dit geval nog 6ha niet meer kunnen overstromen, hetgeen nog steeds aanzienlijk is. Dit laatste scenario vormde het uitgangspunt waarop we ons verder gebaseerd hebben in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. De verhoogde risico’s die de stad en het woon- of leefmilieu aldaar door nakende overstromingen zijn pertinent na aanleg van de dwarsdijk. Het aantal woningen dat bedreigd is ettelijke malen groter dan het aantal woningen dat men tracht te vrijwaren voor overstromingen. 4) Het belang van het gebied op landschappelijk en natuurwetenschappelijk gebied komt ook naar voor in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (verder RSV) en Oost-Vlaams ruimtelijk structuurplan (verder PRS). In het RSV worden volgende ontwikkelingsperspectieven geformuleerd voor het buitengebied (...) : ‘Ontwikkeling van beken en rivieren in relatie met de omgevende vallei. Structuurbepalend voor het buitengebied zijn de riviervalleien, (met name die van de IJzer, de Leie, de Schelde, de Dender, de Durme, de Demer, de. Rupel, de Zenne, de Dijle, de Grote Nete, de Kleine Nete, de Gete, de Maas en de Jeker) en het sterk vertakt netwerk van beekvalleien. Het ruimtelijk beleid van rivieren en beken moeten worden ontwikkeld in relatie tot de omgevende valleien. Dit betekent dat er ruimtelijke voorwaarden worden gecreëerd die het integraal waterbeheer ondersteunen en die de relaties tussen de waterloop en de omgevende vallei versterken.’ (...) Met X-12.405-15/19 voorliggende vergunning wordt de relatie tussen de vallei en haar rivier deels verbroken. In het PRS wordt het gebied geselecteerd als Natuuraandachtszone met als nummer 6V25 : Markvallei - Arduinbos - Hoge Buizemond. Dit onderstreept het belang van de locatie waar de vergunning betrekking op heeft, zeker in het licht van de doelstellingen van verzoekende partij. Het is niet zomaar een vergunning op één welbepaalde locatie met beperkt effect, maar een vergunning die een grote impact op landschappelijk en biologisch vlak heeft in een uniek gebied. I.3 Het belang conform de Belgische Grondwet Enkele grondwetsartikelen zijn bepalend voor het belang waarnaar verzoekende partij handelt in het bijzonder bij het aanvechten van voorliggende stedenbouwkundige vergunning. I.3.1 Artikel 7bis van de Belgische grondwet luidt ‘Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieu gebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.’ Het kan o.i. niet dat de Vlaamse Overheid bij het uitvaardigen van een stedenbouwkundige vergunning geen rekening houdt met dit streven naar duurzame ontwikkeling, m.a.w. er zorg voor draagt dat de unieke Dendervallei niet nog verder achteruit gaat zowel op biologisch en landschappelijk vlak alsook op het belang ervan als natuurlijke overstromingsgebied. De zorg voor natuurwaarden is ondermeer geregeld via het stand-still principe (artikel 8 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 [verder het natuurdecreet]) en deze zorg wordt met de voeten getreden doordat rechtstreeks 5,7 ha biologisch waardevolle grond gedegradeerd wordt en er ook onrechtstreeks invloed is op de rest van het gebied dat niet meer op een natuurlijke wijze kan overstromen. Het verlies van deze is in strijd met de duurzame ontwikkeling van de valleigebieden zoals die is ingeschreven in een van de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 [verder DIWB] o.m. in artikel 5, 4/ van het DIWB dat luidt: ‘het voorkomen van de verdere achteruitgang (..) van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door
- a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
- b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen; (..)’. Deze grondwetsbepaling is eveneens een specifieke doelstelling van verzoekster zoals omschreven in art. 2 §1 van de statuten van verzoekster: ‘De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen’. In het kader van de doelstelling van de nagestreefde duurzame ontwikkeling zoals neergeschreven in de grondwet diende verzoekende partij het verzoekschrift in bij uw Raad en heeft zij aldus de vereiste hoedanigheid en belang. I.3.2 Artikel 23 van de grondwet bepaalt : ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : (..) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (..).’ X-12.405-16/19 Een precieze definitie van een gezond leefmilieu ontbreekt in de Grondwet. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995 vinden we volgende definitie van milieu: ‘Art. 1.1.2. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder: 1/ milieu: de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de eco-systemen, de landschappen en het klimaat;’. Betreffende de draagwijdte en drempelwaarde van wat als gezond beschouwd wordt, leren we uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling dat minstens een stand-still nagestreefd wordt. In het unieke riviervalleigebied van de Dender gaan biologische waarden verloren bij uitvoering van de bouwvergunning. M.a.w. er wordt geen stand-still nagestreefd met deze bouwvergunning (wat wel gekund had door een compensatie in natura). En verzoekster heeft derhalve het recht om het leefmilieu hier te beschermen en de wettigheid van de tenuitvoerlegging van de bouwvergunning bij uw Raad aan te vechten. Deze duidelijke grondwetsbepaling om de stand-still van het eco-systeem en de fauna en flora van dat eco-systeem en de unieke landschapswaarde te verdedigen voor uw Raad is conform de doelstellingen van verzoekster. (...)”. 7. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. 8. Met betrekking tot het werkingsgebied van de verzoekende partij stelt artikel 1, §4 van de statuten, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van het beroep, het volgende: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. X-12.405-17/19 In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat : -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz.”. 9. De bestreden stedenbouwkundige vergunning houdt een aanpassing in van de op 16 november 2004 verleende stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen van een dwarsdijk in gecontroleerd overstromingsgebied, gelegen aan de Veldekensdreef te Overboelare (Geraardsbergen). Meer bepaald wordt de ligging van de dijk op de percelen nrs. 44/c, 44/e, 43/b en 42/c gewijzigd. Voor het overige blijft de stedenbouwkundige vergunning van 16 november 2004 ongewijzigd. X-12.405-18/19 De laatstgenoemde stedenbouwkundige vergunning maakt het voorwerp uit van het annulatieberoep, gekend onder A. 159.404/X-12.183. In deze zaak werd bij arrest nr. 197.598 van 3 november 2009 de exceptie die ook te dezen wordt aangevoerd verworpen. Om dezelfde redenen wordt ook de hier voorliggende exceptie verworpen. Het auditoraatsverslag is beperkt tot het onderzoek van de exceptie. Er bestaat derhalve grond de zaak verder te onderzoeken. BESLISSING 1. De debatten worden heropend. 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.405-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.599 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div