id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.600 Rolnummer: A. 169939/X-12686 Zaak: Arrest 197600 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:47 Fiche Arrest nr 197.600 van 3 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.600 van 3 november 2009 in de zaak A. 169.939/X-12.686. In zake: de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de stad GERAARDSBERGEN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Irène D’HAESE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 3 februari 2006, strekt tot de nietigverklaring van “de verkavelingsvergunning van 22 november 2005, afgeleverd door het College van burgemeester en schepenen, aan D’Haese Iréne met als adres Verbondenenstraat 3, 9500 Geraardsbergen, voor het verkavelen van een grond in twee kavels voor vrijstaande eengezinsbouw op een terrein met als adres Gaverstraat en met als kadastrale omschrijving afdeling 4 sectie B nummer 41/b”. X-12.686-1/20 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 mei 2006. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Wim Lammens, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Thomas Eyskens, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Ontvankelijkheid van het beroep 3. Zowel de verwerende partijen als de tussenkomende partij werpt op dat niet voldaan is aan de vereisten voor een v.z.w. om in rechte te treden voor de Raad van State, vermits de verzoekende partij niet beantwoordt aan het vereiste X-12.686-2/20 specialiteitsbeginsel. Zij menen dat de draagwijdte van de bestreden beslissing, die slechts een lokaal belang heeft, niet even algemeen is als die van de doelstelling waarop de verzoekende partij zich beroept, zodat het optreden van de vereniging dient te worden gelijkgesteld met de actio popularis en het beroep aldus niet ontvankelijk is. 4. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij het beroep als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging 1. In bijlage 4 vindt u de statuten van de vereniging zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 8 november 2005. In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Brakel en Geraardsbergen. 2. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder lichthinder, ...; het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. X-12.686-3/20 - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding bewarende maatregelen, enz. §3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - her voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. -het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit ...).’ 4. Milieufront Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. Milieufront Omer Wattez vzw is een lokale milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. X-12.686-4/20 In het algemeen aanvaardt uw Raad trouwens dat milieuverenigingen een annulatievordering kunnen instellen ter verwezenlijking van hun verenigingsdoel en dus in hun doel kan ingepast worden. (...) Ook het feit dat de statuten van de vzw concreet, specifiek en lokaalgericht zijn, verhindert te zeggen dat haar doelstellingen te algemeen zijn. MOW vzw streeft welomschreven milieudoelstellingen na binnen een beperkt geografisch werkgebied. Deze doelstellingen zijn niet omvangrijk of te algemeen (bvb. niet het klimaat, niet alle mogelijke bronnen en vormen van vervuiling, niet in een oneindig ruim gebied). Overigens is het belangrijk hierbij vast te stellen dat 1/) geen enkele wet verbiedt dat een milieu-VZW meer dan één specifieke milieudoelstelling (bvb. enkel bescherming van bossen) nastreeft; 2/) de vereniging actief is in een tamelijk beperkt werkgebied (de Vlaamse Ardennen); 3/) zelfs als een vereniging zelden of nooit actief zou zijn op het vlak van een aantal doelstellingen (bvb. landbouw, dierenwelzijn,..), dit niet verbiedt wel actief te zijn op een aantal andere doelstellingen (bvb. bosbehoud, bescherming landschappen). 5. In de statuten is uitdrukkelijk vermeld, hoewel dit niet hoeft, dat de vereniging kan optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen te verwezenlijken. Hierbij kan zij alle nodige vorderingen stellen. Het vorderen van de vernietiging om de openruimte gebieden met specifieke waarden te bewaren en te versterken en dit zowel voor de vereniging en voor haar leden, alsook voor de huidige en toekomende generaties, kan beschouwd worden als een manier om haar doelstellingen te realiseren. 6. Dat een lokale milieuvereniging in rechte kan optreden tegen het Vlaams Gewest voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van uw Raad. (...) 8. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van landschappelijke waardevolle, biologisch (zeer) waardevolle en natuurlijke overstromingsgebieden kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en een ernstige aantasting van de landschappelijke waardevolle en natuurlijke omgeving en het leefmilieu in het gehele geografische werkgebied van de vereniging voor gevolg hebben. Het is niet louter één enkele verkavelingsvergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van gevolgen die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Indien uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij niet doet blijken van de vereiste hoedanigheid, dan verhindert uw Raad dat nog op enige en ernstige wijze de wettigheid van de betrokken besluiten onderzocht kan worden. De specifieke keuze om tot annulatie te verzoeken van deze verkavelingsvergunning, is gebaseerd op een weloverwogen keuze en afweging van de Raad van Bestuur van de vereniging om een voorbeeld te stellen naar toekomstige (gelijkaardige) besluiten. Voorliggende stedenbouwkundige vergunning vormt volgens ons een ernstige schending van tal van rechtsnormen, dit in tegenstelling met bepaalde andere vergunningen waar de schending van zowel het aantal rechtsnormen als van de ernst van de schending geringer wordt geacht, zodat de keuze voor het aanvechten van deze vergunning verantwoord is in het licht van de doelstellingen van de vereniging. 9. Milieufront Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 onder de naam Stichting Omer Wattez (B.S. 3 december 1981). De Wet betreffende de X-12.686-5/20 verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van 2 mei 2002 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 december 2002) maakte een gebruik van het woord Stichting niet meer mogelijk aangezien een Stichting een andere finaliteit heeft. Al meer dan 24 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral de kwaliteit van natuur en landschap en alles wat er bij komt kijken, op peil te houden binnen haar werkgebied, o.a. voor haar 700-tal leden. Om haar doelstellingen te realiseren, is het logisch dat zij streeft naar meer in plaats van minder groene ruimtes, naar meer bos, meer natuurgebieden, meer l a n d s c h a p p e l i j k w a a r de v o l l e g e b i e d e n , me e r n a t u u r l i j k e overstromingsgebieden, ook een betere buffering van wel beschermde natuurgebieden, enz. Dit collectief van mensen kan immers allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van overstromingsproblematiek of problematiek van de schade aan natuurwanden, actief te zijn: bvb. een vergunningverlenende overheid neemt recent tal van beslissingen die tezamen veel natuur of veel overstromingsruimte doen verloren gaan. De keuzes om al dan niet op te treden kunnen gebaseerd zijn op : rekening houden met menselijke aspecten van een zaak, of een zaak is bij voorbaat kansloos, of er ontbreekt een meerderheid in de Raad van Bestuur om in rechte op te treden, of er zijn te weinig financiële middelen, of er is een nieuwe juridische context die de kansen om in rechte op te treden wijzigen, of er is nieuwe rechtspraak van toepassing, enz. Dit is eerder een samenspel van opportuniteit en actuele toestand waar allerlei feitelijkheden een rol spelen. 10. Milieufront Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een tweemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1 200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuureducatieve activiteiten al dan niet in samenwerking met andere verwante verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde, Het organiseren van tal van persacties. Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals de MOW werkgroep Leievallei, de MOW werkgroep Maarkedal, de MOW werkgroep Oudenaarde, de MOW werkgroep Zingem, de MOW werkgroep Ronse, enz. Door te beschikken over een Secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkgebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. X-12.686-6/20 Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 11. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de Kalster- en Molenbeekvallei te Zarlardinge en Everbeek gelegen zijn, waarin de gronden gelegen zijn waar de betwiste stedenbouwkundige vergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkavelings- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebieden. In bijlage 6 voegt verzoekende partij 13 bezwaarschriften van de laatste drie jaren, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’
- s)specifiek binnen haar werkgebied, waarbij ‘verzoekende partij uitgaat van haar doelstelling om op te komen voor de bescherming van de waarden van overstromingsgebieden. Het gaat meer bepaald over 4 verkavelingsvergunningsaanvragen om op te hogen plus te bouwen in valleigebied, 5 bouwvergunningsaanvragen voor reliëfwijzigingen (i.c. ophogingen) in valleigebieden, 2 milieuvergunningsaanvragen en 2 BPA’s in valleigebied. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift (...) (uit). Verder heeft verzoekende partij diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken: ondermeer 159.404/X-12.183 inzake een tweede plan voor een dwarsdijk in de Dendervallei die t.o.v. het eerste (ingetrokken) plan gewijzigd werd om de hier betwiste verkaveling mogelijk te maken [in een eerste plan was de dijk voorzien om in te planten op het perceel van deze verkaveling] en waardoor veel overstromingsruimte verloren ging; 164.155/X-12.405 inzake een derde plan voor een dwarsdijk dat t.o.v. het tweede plan nog een groter deel van de Dendervallei indijkte waardoor nog meer overstromingsruimte verloren zou gaan; 151.701/X-11.884 inzake het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan dat ondermeer ontwikkelingsperspectieven voorziet voor de uitbreiding van een (verblijfs)recreatiegebied in de Dendervallei te Geraardsbergen (Onkerzele) en voor de uitbreiding van een recreatiegebied in een Europese Speciale Beschermingszone meer bepaald in het Kluisbos te Kluisbergen; 157.407/X-12.124 inzake een verkavelingsvergunning in de Molenbeekvallei te Geraardsbergen; 158.749/X-12.167 en 158.750/X-12.168 inzake de aanleg van twee dijken in de Dendervallei te Geraardsbergen (Zandbergen) waarbij verzoekende op basis van nagenoeg identieke motieven besloten heeft tot het instellen van een annulatieverzoek; 154.668/X-12.014 inzake de bouwvergunning voor de ontbossing en de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 156-333/VII-32.911 inzake de milieuvergunning voor de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde. Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om X-12.686-7/20 natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid, van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening. 12. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag dat : ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b.’ Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘ Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming ; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 13. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen.(..)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die X-12.686-8/20
- a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
- b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of; anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. (..)’. Door het verlenen van de vergunning voor dit project worden biologisch waardevolle gronden opgehoogd en bebouwd en gaat overstromingsruimte verloren waardoor de veiligheid van andere woningen afneemt. Door het verlies van biologisch waardevolle grond en door verlies aan overstromingsruimte treedt er milieuschade op aan de milieucompartimenten flora en fauna en bodem. Gelet op de bepalingen van de richtlijn 2004/35/EG heeft verzoekende partij zeker toelating tot uw Raad om de vernietiging te vorderen van deze betwiste vergunning. Om al hogernoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze stedenbouwkundige vergunning, samengevat een feit is”. 5. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog de volgende wezenlijke argumenten toe: “De verkaveling ligt integraal in de gelegen Dendervallei midden in de laag gelegen komgronden die landschappelijk typisch zijn voor valleien. De verkaveling ligt voor ca. 1.700 m² in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In die zone van de verkaveling is evenwel geen huizenbouw voorzien, maar wel ruimte voor ophogingen, tuin(huiz)en, koeren, terrassen en verhardingen. Op een oppervlakte van 1.700m² die bestemd is voor behoud en versterking van de landschappelijke waarde wordt de landschappelijke waarde aangetast. Ook in de zone (ca. 1740m²) die bestemd is als woongebied gaat diezelfde landschappelijke waarde integraal verloren. (...) Daarenboven heeft deze zone een overstromingsfunctie. Er wordt een ophoging voorzien van minimum 50cm en maximum 60cm boven het straatpeil ter hoogte van de te bouwen woningen (15m bouwdiepte) en minimaal 40cm en maximaal 55cm boven het straatpeil ter hoogte van de voortuinstrook (28,55m diepte) en de terrassen (10m diepte). Uitgerekend wordt hiermee ca. 932m² opgehoogd. Actueel liggen de weiden ca. 1m lager dan het straatpeil. Aangezien bij overstromingen het Denderwater tot boven het straatpeil uitsteekt, gaat met deze verkaveling minimum 1000m³ overstroombare ruimte verloren. (...) De geplande verkaveling met een oppervlakte van 3.428 m² komt te liggen op percelen die op de recentste versie van de BWK gekarteerd staan als biologisch waardevol. Het ophogen, bebouwen, verharden en inrichten als tuin van het perceel degradeert het perceel tot biologisch minder waardevol. Er gaat derhalve 3.428m² aan natuurwaarden rechtstreeks verloren. (...) X-12.686-9/20 Verzoekende partij stelt met klem dat het mathematisch foutief en intellectueel onjuist is te stellen dat ‘Enige invloed op het watersysteem of op de veiligheid van de overige vergunde of vergund geachte constructies is, gelet op de geringe oppervlakte, niet te verwachten’. Mathematisch gezien is een nieuw volume van 1.000m³ door realisatie van de verkaveling elders bedreigd door wateroverlast. In absolute termen is er dus wel een reductie van overstroombare ruimte. Door verwerende en tussenkomende partijen wordt dit misschien relatief gezien, gering geacht. Met betwiste beslissing wordt wel degelijk een achteruitgang veroorzaakt, niet alleen van de hoger vernoemde facetten (...) maar ook van de totale beschikbare overstroombare ruimte in het werkingsgebied van de verzoekende partij, en van het leefmilieu van de mensen. Mede gelet op het standstill-beginsel van de diverse decreten veroorzaakt de betwiste vergunning een absolute achteruitgang van de natuur, het leefmilieu en de overstromingsgebieden, zowel in kwantiteit als kwaliteit. Dit is m.a.w. een wezenlijke aantasting van de waarden in het werkingsgebied van verzoekende partij. Verzoekende partij benadrukt dat het absurd zou zijn mocht zij enkel besluiten die bvb. alle natuurwaarden of alle overstroombare ruimte in het ganse werkingsgebied van de kaart vegen, kunnen aanvechten, aangezien dergelijke besluiten nooit kunnen getroffen worden”. 6. Ten slotte stelt de verzoekende partij in haar laatste memorie: “I. Betreffende de ontvankelijkheid van het annulatieberoep I.1. Betreffende het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 (...) Artikel 2 van hoger genoemd decreet bepaalt dat het verdrag en zijn bijlagen volkomen gevolg zullen hebben, voor het Vlaamse Gewest. We wijzen met nadruk op artikel 9.2 van het verdrag waarin duidelijk gestipuleerd staat ‘Elke Partij waarborgt, (..) dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben (..) toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, (..) Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele Organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. (..)’ Kortom het verdrag bepaalt dat organisaties zoals verzoekster toegang horen te krijgen om de rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, dus ook zoals in voorliggende zaak. We betwisten dat de bepaling ‘.. binnen het kader van de nationale wetgeving..’ dermate kan geïnterpreteerd worden dat er nog andere eisen - zoals de hoedanigheidsvereiste - kunnen opgelegd worden t.a.v. de ngo’s. Indien uw Raad aanhoudt dat verzoekster geen belanghebbende is, vormt dit o.i. enerzijds een miskenning van hoger geciteerde duidelijke bepaling van het verdrag en anderzijds zou dit impliceren dat die specifieke verdragsbepalingen weinig betekenis hebben en uw Raad oordeelt dat de rechtspraak gehandhaafd kan blijven, terwijl het net een expliciete doelstelling van het verdrag was om milieuverenigingen als partijen te beschouwen die voldoende belang hebben zoals in de aanhef van het verdrag aangegeven wordt. Bij het onontvankelijk verklaren van verzoekende partij komen we in een soort van vicieuze cirkelredenering terecht. X-12.686-10/20 In de aanhef van het verdrag staat: ‘(..)Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen, Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf, Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties, Overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen, (..) Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen, (..) Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet- gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu, (..) Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie, (..) Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast, (..)’ Het doel van het verdrag luidt (artikel 1): ‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.’ Kortom het was de bedoeling om met dit verdrag 1) te voorzien in een extra of (beter) gegarandeerde milieubescherming. Het milieu bestaat uit diverse compartimenten zoals de fauna, flora, mens, het landschap met diens natuurlijke elementen en fenomenen (zoals overstromingen). Toegepast op voorliggende zaak impliceert dit dat biologisch waardevolle zones een betere bescherming behoren te genieten alsook de bedreigde biodiversiteit en de natuurlijke overstromingsgebieden. Het verdrag van Aarhus wil ondermeer een betere milieubescherming garanderen en betere integratie van die milieubescherming (en dus ook de landschapsbescherming en de natuurbescherming) in de besluitvorming. 2) een verbeterde toegang te verlenen aan o.a. milieuorganisaties in de besluitvorming en de diverse rechtsorganen. Het vroegere kader en rechtspraak kunnen niet zomaar als kader dienen voor voorliggende zaak. Het verdrag wil een verbeterde toegang verzekeren. Als alles bij het oude blijft zou dit verdrag geen enkele meerwaarde betekenen terwijl dit niet de bedoeling was. Er dient ook op gewezen worden dat in 1998 het natuurdecreet en in 2003 (naast het X-12.686-11/20 verdrag van Aarhus ook in 2003) het DIWB van kracht geworden is, hetgeen het belang van verzoekende partij vergroot. Een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State betreffende bet belang waarvan milieuverenigingen moeten doen blijken is in de rechtsleer op felle kritiek onthaald wat betreft de verenigbaarheid met artikel 9.2 van het Verdrag. (...) Maar niet alleen de doctrine heeft zo zijn bedenkingen bij een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State. Het Comité voor toezicht op de naleving van de bepalingen van het Verdrag kwam in een aanbeveling van 28 juli 2006 (ECE/MP.PP/C.1/2006/4/Add.2) na een uitvoerig en genuanceerd onderzoek tot de conclusie dat de rechtspraak van de Raad van State inzake de toegang van milieuverenigingen tot de rechter in bepaalde gevallen onverenigbaar is met artikel 9 van het Verdrag. (...) Het is duidelijk dat in het licht van het hogergenoemde decreet niet kan aanvaard worden dat milieuverenigingen zeer moeilijk toegang hebben tot de Raad van State. Men zou er kunnen inkomen dat het belang van de vereniging verschillend moet zijn van de individuele belangen van haar leden, en evenzeer kan men aannemen dat verenigingen niet moeten opkomen voor het algemeen belang in de brede betekenis van het woord, want dat zou neerkomen op een actio popularis, maar de rechtspraak mag deze beide uitersten niet zo breed gaan interpreteren dat het vinden van een weg ertussen in de praktijk een onmogelijke opgave wordt. In casu komt verzoekster op voor de bescherming van welbepaalde waarden die zich situeren op het vlak van het landschap van de karakteristieke laaggelegen valleigrond van de Dendervallei, van de biologische waarden van zeldzame historisch permanente soortenrijke graslanden en op vlak van de hydrologie van het winterbed van de Dender. Het beroep is o.i. derhalve ontvankelijk in het licht van het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998. I.2 Betreffende het geografisch werkingsgebied van de betrokken vereniging. (...) We betwisten dat het geografische werkingsgebied van Milieufront Omer Wattez onbeperkt zou zijn. De werking situeert zich in de 21 gemeenten die deel uitmaken van de Vlaamse Ardennen zoals ca. 100 jaar geleden voor het eerst omschreven door Omer Wattez. Alle verzoekschriften voor uw Raad hebben zich tot op heden louter en alleen tot die 21 gemeenten gericht. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat verzoekster overal activiteiten ontplooit. Dat er ook daarbuiten activiteiten kunnen ontplooid worden, werd in de statuten ingeschreven omdat het mogelijk is dat er bvb. grensoverschrijdende milieu- en natuureducatieve activiteiten opgezet worden in samenwerking met andere aangrenzende verenigingen of besturen of dat er kan opgetreden worden tegen externe bedreigingen voor de natuur, het milieu en het landschap van de Vlaamse Ardennen. Dit gebeurde bvb. toen verzoekster optrad tegen het stort in het d’Hoppebos te Flobecq (Vloesberg) (net over de (taal)grens van het werkgebied van verzoekende partij) omdat dit bos één gebied vormt met het Brakelbos en de milieuhygiënische kwaliteit in het Brakelbos te lijden heeft van uitspoelingen uit dit stort en dus ook de fauna en flora daaronder te lijden kan hebben. Samengevat concentreert de werking van verzoekende partij zich tot de 21 gemeenten opgesomd in haar statuten en is diens werking niet onbeperkt. I.3 Betreffende de ruimtelijke context en de reikwijdte van de effecten van het bestreden besluit X-12.686-12/20 (...) 0) Het bestreden besluit impliceert meer dan een opdeling van een perceel. De decreetgever heeft dit type besluit net als bouwvergunningen ondergebracht in het vergunningenstelsel. Aan dergelijke vergunningen hangen diverse verplichtingen vast, zoals ondermeer de zogenaamde natuurtoets, in het watertoetsbesluit alwaar expliciete verplichtingen opgelegd worden ten aanzien van verkavelingvergunningen om te vermijden dat er overstromingsruimte of elementen van het watersysteem verloren gaat en in de watertoets. Mocht het dus enkel en alleen gaan om een perceelsopdeling dan zou de toepassing van de watertoetsregeling in dat besluit op verkavelingvergunningen geen betekenis hebben. In de paragrafen 1 en 2 van artikel 101 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening die betrekking hebben op het instrument verkavelingsvergunning lezen we duidelijk wat de bedoeling is, met name: ‘§1 Niemand mag zonder voorafgaande verkavelingsvergunning een stuk grond verkavelen. Onder verkavelen wordt verstaan een grond vrijwillig verdelen in twee of meer kavels om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor meer dan negen jaar, een erfpacht of een opstalrecht te vestigen of één van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, voor woningbouw of voor het opstellen van vaste of verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt. § 2. Een verkavelingsvergunning kan eveneens worden aangevraagd en verleend voor het verdelen van een stuk grond in twee of meer kavels om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor meer dan negen jaar, een erfpacht of een opstalrecht te vestigen of een van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, voor de bouw of aanleg van industriële, ambachtelijke of commerciële gebouwen, constructies of terreinen.’ (...). 1) De ruimtelijke context van de verkaveling is anders dan eender welke gemiddelde verkaveling in een van de 21 gemeenten of steden van het werkgebied van de vzw. Milieufront Omer Wattez. De rivieren zijn bepalend voor de vochtige en natte natuurelementen in de regio van de Vlaamse Ardennen, ruimtelijk gezien zijn ze groot, samenhangend, ze onderscheiden zich duidelijk in het landschap en zijn dus structuurbepalend. In heel het werkingsgebied van verzoekende partij bevinden zich drie rivieren : de Schelde, de Leie en de Dender. De eerste twee werden tot de jaren ’70 onderworpen aan diverse ingrijpende rechttrekkingen. Enkel de Dender (en vallei) en het deel van de Leie (en vallei) tussen Deinze en Gent zijn relatief goed gespaard gebleven. De natuurlijke kenmerken zijn behoorlijk bewaard gebleven. Dit zijn ook de enige twee delen van beide riviervalleien waar een stuk aangeduid werd als Habitatrichtlijngebied. Het landschap van de Dendervallei is hier nog heel duidelijk. Vanaf de Gaverstraat helt het terrein naar beneden (waar de te verkavelen grond gelegen
- is)tot in de komgrond van de winterbedding van de Dender en gaat weer lichtjes omhoog ter hoogte oever, hier vinden we de oeverwal naast de zomerbedding van de rivier. Met de verkavelingsvergunning wordt groen licht gegeven om een prachtig stuk riviervallei op te hogen, te bebouwen en er een woonfunctie aan te geven. Verzoekende partij vraagt niet de annulatie van eender welke verkavelingsvergunning maar van ene die gelegen is in een van de grootste riviervalleistructuren in haar werkingsgebied waarvan de Dender nog het meest natuurlijk is en landschappelijk best bewaard is gebleven. Verzoekende partij diende trouwens reeds verschillende zaken in die een landschappelijke aantasting of verstoring betekenen van de Dendervallei net zozeer als ze zich richt op bedreiging voor de Leie- en Scheldevallei. 2) Het reëel verlies aan biologische waarden kwam aan bod in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. Op bijgevoegde foto’s (...) ziet u het soortenrijke grasland met diverse bloeiende planten. Op dit grasland X-12.686-13/20 treffen we de scherpe boterbloem, de pinksterbloem, het ruw beemdgras, het reukgras, .. Dit graslandtype (Hp*) wordt in het overzicht van de zeldzaamheid van de verschillende biotopen in Vlaanderen gerangschikt als ‘zeldzaam’. Op dit perceel leeft ook de groene en bruine kikker. Verder komen er de watervleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de rosse vleermuis en de laatvlieger af en toe voedsel zoeken en zeer regelmatig wordt er de gewone dwergvleermuis gezien die er ook foerageert. 3) Het concreet verlies aan ruimte waar het water kan overstromen werd eveneens uitvoerig behandeld in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, meer bepaald kan in deze overstromingsvlakte meer dan 1.000m³ ofwel 1.000.000 liter water niet meer ’s winters staan, hetgeen het globale waterniveau doet stijgen en het woonmilieu van mensen onder druk zet. 4) Het belang van het gebied op landschappelijk en natuurwetenschappelijk gebied komt ook naar voor in het Oost-Vlaams ruimtelijk structuurplan (...). In het PRS wordt het gebied geselecteerd als Natuuraandachtszone met als nummer 6V25 Markvallei - Arduinbos - Hoge Buizemond. Dit alles onderstreept het belang van de locatie waar de vergunning betrekking op heeft, zeker in het licht van de doelstellingen van verzoekende partij. Het is niet zomaar een vergunning op één welbepaalde locatie met beperkt effect, maar een vergunning die impact heeft op landschappelijk en biologisch vlak en dit in een uniek gebied. I.4 Het belang conform de Belgische Grondwet Enkele grondwetsartikelen zijn bepalend voor het belang waarnaar verzoekende partij handelt in het bijzonder bij het aanvechten van voorliggende verkavelingsvergunning. I.4.1 Artikel 7bis van de Belgische grondwet luidt ‘Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.’ Het kan o.i. niet dat de Vlaamse Overheid bij het uitvaardigen van een verkavelingsvergunning geen rekening houdt met dit streven naar duurzame ontwikkeling, m.a.w. er zorg voor draagt dat de unieke Dendervallei niet nog verder achteruit gaat zowel op biologisch en landschappelijk vlak alsook in het belang ervan als natuurlijk overstromingsgebied. De zorg voor natuurwaarden is ondermeer geregeld via het stand-still principe (artikel 8 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 [verder het natuurdecreet]) en deze zorg wordt met de voeten getreden doordat rechtstreeks 3.428 m² floristisch hoogstaande grond waar ook amfibieën en vleermuizen hun gading vinden biologisch gezien gedegradeerd wordt. Het verlies van een authentiek riviervalleigebied is in strijd met de duurzame ontwikkeling van de valleigebieden zoals die is ingeschreven in een van de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 [verder DIWB] o.m. in artikel 5, 4/ van het DIWB dat luidt: ‘het voorkomen van de verdere achteruitgang (..) van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door
- a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
- b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen;(..)’. Deze grondwetsbepaling is eveneens een specifieke doelstelling van verzoekster zoals omschreven in art. 2 §1 van de statuten van verzoekster: ‘De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het X-12.686-14/20 gedrang komen’. In art. 2 §2 van de statuten specificeert veel concreter in welke domeinen verzoekende precies actief is. In het kader van de doelstelling van de nagestreefde duurzame ontwikkeling zoals neergeschreven in de grondwet diende verzoekende partij het verzoekschrift in bij uw Raad en heeft zij aldus de vereiste hoedanigheid en belang. I.4.2 Artikel 23 van de grondwet bepaalt : ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid: (..) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (..).’ Een precieze definitie van een gezond leefmilieu ontbreekt in de Grondwet. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995 vinden we volgende definitie van milieu: ‘Art. 1.1.2. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder: 1/ milieu: de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de eco-systemen, de landschappen en het klimaat;’. Betreffende de draagwijdte en drempelwaarde van wat als gezond beschouwd wordt, leren we uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling dat minstens een stand-still nagestreefd wordt. In het unieke riviervalleigebied van de Dender gaan biologische waarden verloren bij uitvoering van de verkavelingsvergunning. M.a.w. er wordt geen stand-still nagestreefd met deze verkavelingvergunning (wat wel gekund had door een compensatie in natura). En verzoekster heeft derhalve het recht om het leefmilieu hier te beschermen en de wettigheid van de tenuitvoerlegging van de verkavelingvergunning bij uw Raad aan te vechten. Deze duidelijke grondwetsbepaling om de stand-still van het eco-systeem en de fauna en flora van dat eco-systeem en de unieke landschapswaarde te verdedigen voor uw Raad is conform de doelstellingen van verzoekster”. 7. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. X-12.686-15/20 8. Met betrekking tot het werkingsgebied van de verzoekende partij stelt artikel 1, §4 van de statuten, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van het beroep, het volgende: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz.”. X-12.686-16/20 9. Te dezen is de bestreden beslissing een verkavelingsvergunning voor het opdelen van een perceel in twee kavels voor vrijstaande eengezinsbouw. De tweede verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat “uit onderzoek van het studiebureau ORBID-ID GROEP (...) reeds (
- is)gebleken dat de verkaveling, en naderhand bebouwing van beide percelen, geen schadelijk effect heeft op het watersysteem (...) en zich enkel beperkt tot het perceel zelf” en het advies van de gemachtigde ambtenaar stelt dat “(mijn bestuur) uit het gunstig advies van de afdeling Bovenschelde (...) af(leidt) dat de bebouwing van het perceel niet problematisch is wat betreft de in dit bezwaar aangehaalde facetten”. In het licht van deze elementen toont de verzoekende partij niet aan dat er een voldoende band bestaat tussen haar maatschappelijk doel en de bestreden beslissing. 10. De verzoekende partij beroept zich verder op het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst zij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 2.5 van het verdrag luidt als volgt: “5. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het verdrag bepaalt: “9. Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. Artikel 9.2 van het verdrag bepaalt: “2.Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, X-12.686-17/20 toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van dit verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van het verdrag. 11. Voorts beroept de verzoekende partij zich op de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
- a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
- b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke X-12.686-18/20 organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedures 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. De hoger bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid strijden niet met de bepalingen van de genoemde richtlijn. 12. Ten slotte legt de verzoekende partij haar belang bij het onderhavige beroep bij de precedentwaarde ervan, nu zij stelt dat “de specifieke keuze om tot annulatie te verzoeken van deze verkavelingsvergunning (...) gebaseerd (
- is)op een weloverwogen keuze en afweging van de Raad van Bestuur van de vereniging om een voorbeeld te stellen naar toekomstige (gelijkaardige) besluiten”. Dergelijk onrechtstreeks belang, enkel geput uit de precedentwaarde die van de nietigverklaring zou uitgaan, volstaat evenmin om de verzoekende partij het rechtens vereiste belang bij het beroep te verschaffen. 13. De verzoekende partij doet niet blijken van de vereiste hoedanigheid bij het ingestelde beroep. De verwijzingen in de laatste memorie naar X-12.686-19/20 de artikelen 7bis en 23 van de Grondwet en het stand-still-principe doen aan deze conclusie geen afbreuk en houden eerder verband met de grond van de zaak. De exceptie van de verwerende partijen en de tussenkomende partij is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.686-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div