← België

Arrest 197601 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.601 Rolnummer: A. 170191/X-12707 Zaak: Arrest 197601 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:47 Fiche Arrest nr 197.601 van 3 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.601 van 3 november 2009 in de zaak A. 170.191/X-12.707. In zake: de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23 tegen: 1. de stad GERAARDSBERGEN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 februari 2006, strekt tot de nietigverklaring van “de stedenbouwkundige vergunning van 29 november 2005, afgeleverd door het College van burgemeester en schepenen, aan N.V. VBG met als adres Welvaartstraat (HRT) 14-1 B8, 2200 Herentals, voor het wijzigen van het reliëf van een bodem op een terrein met als adres 9506 Grimminge (Geraardsber- gen), Hoogvorst en met als kadastrale omschrijving afdeling 11 sectie A nummer 548 H 9”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-12.707-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Geert Van Damme, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Wim Lammens, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Ontvankelijkheid van het beroep 3. In haar memorie van antwoord werpt de tweede verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op. Zij meent dat niet voldaan is aan de voorwaarden voor een v.z.w. om in rechte te treden voor de Raad van State, vermits er geen band van evenredigheid bestaat tussen het ruime geografische werkingsge- bied en de ruime definiëring van de doelstelling van de verzoekende partij, enerzijds, en de beperkte draagwijdte van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, die betrekking heeft op zeer specifieke werken en handelingen op een welbepaalde plaats en verder geen gevolgen heeft voor de onmiddellijke omgeving, anderzijds. De eerste verwerende partij werpt een soortgelijke exceptie op. Zij stelt dat de verzoekende partij, door haar belang zodanig wijd en uitgebreid te formuleren, in feite het bestaan van enig belang ondergraaft. 4. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij het beroep als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging 1. In bijlage 9 vindt u de statuten van de vereniging zoals gepubliceerd op 8 november 2005 in het Belgisch Staatsblad. X-12.707-2/22 In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Geraardsbergen, waar de betwiste vergunning betrekking op heeft. 2. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiver- siteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatro- nen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucom- partimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezen- lijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatrege- len, enz. §3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; X-12.707-3/22 - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit....).’ 3. Milieufront Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk, individualiseerbaar belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een collectief belang van al haar leden tezamen dat zij zich tot maatschap- pelijk doel heeft gesteld. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltref- fendheid. Dit collectief van leden sloot zich aan bij de vereniging omdat ze - in eenvoudige bewoordingen uitgedrukt - het behoud van de esthetische (landschappelijke) waarden en de biologische waarden van het Vlaamse Ardennenlandschap belangrijk vinden. Het herstel van vernietigde en het behoud van de bestaande overstromingsruimte in dit landschap is eveneens een gedeeld belang van de leden in hun streven naar een leefbare woonomgeving waarbij zo weinig mogelijk mensen te kampen hebben met wateroverlast en waarbij de problemen ook niet mogen verplaatst worden. Het zijn deze belangen die met voorliggend verzoekschrift verdedigd worden. Een natuurlijke persoon kan geen of slechts een gering belang inroepen voor de achteruitgang van deze waarden in het Vlaamse Ardennenlandschap. Een groep mensen heeft zich daarom verenigd om deze waarden die zij appreciëren en typisch zijn voor wat zij toeschrijven aan de regio de ‘Vlaamse Ardennen’ zoals beschreven door Omer Wattez te verdedigen. X-12.707-4/22 Het collectief van mensen beleeft en geniet met volle teugen van de Vlaamse Ardennen en ze observeren er de natuur. De betwiste stedenbouwkundige vergunning zal een achteruitgang in de belevingswaarde van het landschap en de biologische waarde bewerkstelligen. De natuurwaarden kunnen niet toegeëigend worden aan een individu. Ze kunnen evenmin beschouwd worden als collectief bezit van de leden van onze vereniging. Maar opkomen voor het belang van deze natuurwaarden in de Vlaamse Ardennen is een zeer specifieke eigenschap van het collectief van al haar leden. 4. In het algemeen aanvaardt uw Raad trouwens dat milieuverenigingen een annulatievordering kunnen instellen ter verwezenlijking van hun verenigings- doel en er dus kan ingepast worden. (...) Ook het feit dat de statuten van MOW vzw concreet, specifiek en lokaal gericht zijn, verhindert te zeggen dat haar doelstellingen te algemeen zijn. MOW vzw streeft welomschreven milieudoelstellingen na binnen een beperkt geografisch werkgebied. Deze doelstellingen zijn niet omvangrijk of te algemeen (bvb. niet het klimaat, niet alle mogelijke bronnen en vormen van (externe) vervuiling, niet in een oneindig ruim gebied). Overigens is het belangrijk hierbij vast te stellen dat geen enkele wet verbiedt dat een milieu-VZW meer dan één specifieke milieudoelstelling (bvb. enkel bescherming van bossen) nastreeft en zelfs als een vereniging zelden of nooit actief zou zijn op het vlak van een aantal doelstellingen (bvb. landbouw, dierenwelzijn,..) verbiedt dit niet actiever te zijn op het vlak van een aantal andere doelstellingen (bvb. bosbehoud, bescherming landschap,..). 5. In de statuten is uitdrukkelijk vermeld, hoewel dit niet hoeft, dat de vereniging kan optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen te verwezenlijken. Hierbij kan zij alle nodige vorderingen stellen. Het vorderen van de vernietiging om de openruimte gebieden met specifieke waarden te bewaren en te versterken en dit zowel voor de vereniging van leden, alsook voor de toekomstige generaties van leden, kan beschouwd worden als een manier om haar doelstellingen te realiseren. 6. Dat een milieuvereniging in rechte kan optreden tegen het Vlaams Gewest voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van uw Raad. (...) 8. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoek- schrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van landschappelijke waardevolle, biologisch (zeer) waarde- volle en natuurlijke overstromingsgebieden kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en een ernstige aantasting van het Vlaamse Ardennenlandschap met zijn landschappelijk waardevolle en natuurlijke omgevingen en het leefmilieu in het gehele geografische werkge- bied van de vereniging voor gevolg hebben. Het is niet louter één enkele stedenbouwkundige vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van gevolgen die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Telkens opnieuw wordt door dergelijke vergunningen, door het niet toepassen van die bepalingen uit de vigerende wetgeving die in het belang staan van verzoekende partij, een stuk authentiek, en o.m. biologisch waardevol en landschappelijk waardevol, Vlaamse Ardennenlandschap aangetast. Dit wordt ook bevestigd door het advies van afdeling Land (...) bij de hier betwiste vergunning. Indien uw Raad zou oordelen dat verzoekende partij niet doet blijken van de vereiste hoedanigheid, dan verhindert uw Raad dat nog op enige en ernstige wijze de wettigheid van de betrokken besluiten onderzocht kan worden. X-12.707-5/22 Voorliggende stedenbouwkundige vergunning vormt volgens ons een ernstige schending van tal van rechtsnormen, dit in tegenstelling met bepaalde andere vergunningen waar de schending van zowel het aantal rechtsnormen als van de ernst van de schending geringer wordt geacht, zodat de keuze voor het aanvechten van deze vergunning verantwoord is in het licht van de doelstelling- en van de vereniging. 9. Milieufront Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 onder de naam Stichting Omer Wattez (B.S. 3 december 1981). De Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van 2 mei 2002 (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 december 2002) maakte een gebruik van het woord Stichting niet meer mogelijk aangezien een Stichting een andere finaliteit heeft. Al meer dan 24 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral de kwaliteit van de natuur, landschap en alles wat er bij komt kijken, op peil te houden binnen haar werkgebied, o.a. voor haar 700-tal leden. Om haar doelstellingen te realiseren, is het logisch dat zij streeft naar meer in plaats van minder groene ruimtes, naar meer bos, meer natuurgebieden, meer landschappelijk waardevolle gebieden, meer natuurlijke overstromingsgebie- den, een betere buffering van wel beschermde natuurgebieden, enz. Dit collectief van mensen kan immers allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van overstromingsproblematiek of problematiek van de schade aan natuurwaarden, actief te zijn: bvb. een vergunningverlenende overheid neemt recent tal van beslissingen die tezamen veel natuur of veel overstromingsruimte doen verloren gaan. De keuzes om al dan niet op te treden kunnen gebaseerd zijn op : rekening houden met menselijke aspecten van een zaak, of een zaak is bij voorbaat kansloos, of er ontbreekt een meerderheid in de Raad van Bestuur om in rechte op te treden, of er zijn te weinig financiële middelen, of er is een nieuwe juridische context die de kansen om in rechte op te treden wijzigen, of er is nieuwe rechtspraak van toepassing, enz. Dit is eerder een samenspel van opportuniteit en actuele toestand waar allerlei feitelijkheden een rol spelen. 10. Milieufront Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat op dit punt geen bevraging naar ontvankelijk- heid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een tweemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuureducatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verwante verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde, .. Het organiseren van tal van persacties (...). Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals de MOW werkgroep Leievallei, de MOW werkgroep Maarkedal, de MOW werkgroep Oudenaarde, de MOW werkgroep Zingem, de MOW werkgroep Ronse, MOW werkgroep Geraardsbergen. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke X-12.707-6/22 ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkge- bied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 11. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstro- mingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de vallei van deze beek te Grimminge die in de Dender uitmondt gelegen is en waarin ook de grond gelegen is waar de betwiste stedenbouwkun- dige vergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkavelings- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebie- den. In bijlage 11 voegt verzoekende partij 12 bezwaarschriften van de laatste drie jaren, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’

  1. s)specifiek binnen dat deel van haar werkgebied die uitgaan van verzoekende partij vanuit haar doelstelling om op te komen voor de bescher- ming van de waarden van overstromingsgebieden. Het gaat meer bepaald over 4 verkavelingsvergunningsaanvragen om op te hogen plus te bouwen in valleigebied, 4 bouwvergunningsaanvragen voor reliëfwijzigingen (i.c. ophogingen) in valleigebieden, twee milieuvergunningsaanvragen en twee BPA’s in valleigebied. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift (...) (uit), maar voert ze ook af en toe actie zoals op 22 februari 2005 bij de aanvang van de Geraardsbergse gemeenteraad (...) en schrijft ook geregeld persberichten (...) om haar doelstellingen duidelijk te maken. Verder heeft verzoekende partijen diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken: ondermeer 151.701/X-11.884 inzake het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan dat ondermeer ontwikkelingsperspectieven voorziet voor de uitbreiding van een (verblijfs)recreatiegebied in de Dendervallei te Geraardsbergen (Onkerzele) en voor de uitbreiding van een recreatiegebied in een Europese Speciale Beschermingszone meer bepaald in het Kluisbos te Kluisbergen; 154.668/X-12.014 inzake de bouwvergunning voor de ontbossing en de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 156-333/VII-32.911 inzake de milieuvergunning voor de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 157.407/X-12.124 inzake een verkavelingsvergunning in de Molenbeekvallei te Geraardsbergen (Goeferdinge); 159.404/X-12.183 en 164.155/X-12.405 inzake plannen voor dwarsdijken in de Dendervallei (Overboelare) waardoor veel overstromingsruimte verloren zou gaan; 158.749/X-12.167 en 158.750/X-12.168 inzake de aanleg van twee dijken in de Dendervallei te Geraardsbergen (Zandbergen) waarbij verzoekende partij ondermeer op basis van het motief dat zonder enige compensatie overstro- mingsruimte en natuur verloren gaat, besloten heeft tot het instellen van een annulatieverzoek. X-12.707-7/22 Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid, van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening. 12. Diverse recente rechtsnormen sluiten nauw aan bij de doelstellingen of collectieve belangen van verzoekende partij. Er wordt verwezen naar de doelstellingen en beginselen van het decreet op het natuurbehoud en het natuurlijk milieu d.d. 21 oktober 1997, gewijzigd bij decreet van 19 juli 2002, het decreet betreffende het integraal waterbeleid d.d. 18 juli 2003, het decreet d.d. 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, gewijzigd bij decreet d.d. 18 mei 1999, d.d. 8 december 2000, d.d. 21 december 2001, d.d. 19 juli 2002 en d.d. 13 februari 2004, de milieuschaderichtlijn 2004/35/EG,... Verzoekende partij heeft in de loop der jaren meer belang gekregen bij het aanvechten van rechtshandelingen die in strijd zijn met deze rechtsnormen. Diverse van deze nieuwe rechtsnormen impliceren bovendien dat de overheid die besliste over de betwiste rechtshandeling dient rekening te houden met diverse nieuwe bepalingen. Een stedenbouwkundige vergunning dient m.a.w. getoetst te worden aan andere dan louter ruimtelijke aspecten, namelijk ook aan aspecten die aansluiten bij het collectief belang van verzoekende partij. Verzoekende partij heeft hierdoor een groter belang gekregen bij het aanvech- ten van stedenbouwkundige vergunningen. 13. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegen- heden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag: ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuurspro- cesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van eing besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassings- gebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. X-12.707-8/22 Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b.’ Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming ; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 14. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen.(..)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  2. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  3. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  4. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. (..)’. Door het verlenen van de vergunning voor dit project worden biologisch waardevolle gronden opgehoogd en gaat overstromingsruimte verloren waardoor de veiligheid van woningen afneemt. Door het verlies van biologisch waardevolle grond en door verlies aan overstromingsruimte treedt er milieu- schade op aan de milieucompartimenten flora, fauna en bodem. Gelet op de bepalingen van de richtlijn 2004/35/EG heeft verzoekende partij zeker toelating tot uw Raad om de vernietiging te vorderen van deze betwiste vergunning. Om al hogernoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze stedenbouwkundige vergunning, samengevat een feit is”. 5. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog de volgende wezenlijke argumenten toe: “De betwiste reliëfwijziging ligt integraal in een beekvallei midden in de laag gelegen komgronden die landschappelijk typisch zijn voor valleien. De geplande ophoging ligt voor 1,17ha in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Op een oppervlakte van 1.174m² die bestemd is voor behoud en versterking van de landschappelijke waarde zal de landschappelijke waarde worden aangetast. X-12.707-9/22 (...) De betwiste reliëfwijziging heeft een overstromingsfunctie, het ligt namelijk in een van nature overstroombaar gebied. Er wordt een ophoging voorzien die t.h.v. de beek ca. 1m bedraagt en die in de periferie van de percelen over gaat naar 0cm. Uitgerekend wordt hiermee een ophoging van min. 500m³ gereali- seerd. Het is voorwal het centraal overstroombaar gedeelte van de weide dat nl. opgehoogd wordt. De weide verliest hierdoor integraal zijn overstroombare functie. Er gaat m.a.w. minimum 500m³ overstroombare ruimte verloren. (...) De geplande reliëfwijziging met een oppervlakte van 1.174 m² komt te liggen op percelen die op de recentste versie van de BWK gekarteerd staan als biologisch waardevol. Het grasland staat gekarteerd als hp* wat overeenkomt met ‘soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden’. Conform bijlage 4 van het Besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (B.S. 10/09/1998) valt hp* onder de definitie van historisch permanente graslanden (...): ‘een half natuurlijke vegetatie bestaande uit grasland gekenmerkt door het langdurige grondgebruik als graasweide, hooiland of wisselweide met ofwel cultuurhistorische waarde, ofwel een soortenrijke vegetatie van kruiden en grassoorten waarbij het milieu wordt gekenmerkt door aanwezigheid van sloten, greppels, poelen, uitgesproken microreliëf, bronnen of kwelzones, zoals nader aangegeven in bijlage 4;’. Door het ophogen van dergelijke weide wenst men het bijzonder milieu van vochtige en natte elementen teniet te doen. Het is immers op die laagst gelegen plaatsen dat men de natste milieus aantreft met karakteristieke botanische en entomofaunische waarden. Het ophogen degradeert het perceel tot biologisch minder waardevol. Er gaat derhalve 1.174m² aan natuurwaarden rechtstreeks verloren. (...) Mede gelet op het standstill-beginsel van de diverse decreten veroorzaakt de betwiste vergunning een absolute achteruitgang van de natuur, het leefmilieu en de overstromingsgebieden, zowel in kwantiteit als kwaliteit. Dit is m.a.w. een wezenlijke aantasting van de waarden in het werkingsgebied van verzoe- kende partij. Verzoekende partij benadrukt dat het absurd zou zijn mocht zij enkel besluiten die bvb. alle natuurwaarden of alle overstroombare ruimte in het ganse werkingsgebied in één beweging van de kaart vegen, kunnen aanvechten, aangezien dergelijke besluiten nooit kunnen getroffen worden”. 6. Ten slotte stelt de verzoekende partij nog in haar laatste memorie: “We wijzen met nadruk op artikel 9.2 van het verdrag waarin duidelijk gestipuleerd staat ‘Elke partij waarborgt, (..) dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben (..) toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, (..) Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. (..)’ Indien uw Raad aanhoudt dat verzoekster geen belanghebbende is, vormt dit o.i. enerzijds een miskenning van hoger geciteerde duidelijke bepaling van het verdrag en anderzijds zou dit impliceren dat dit (element uit het) verdrag geen betekenis heeft en uw Raad oordeelt dat de rechtspraak gehandhaafd kan blijven, terwijl het net een expliciete doelstelling van het verdrag was om milieuverenigingen als partijen te beschouwen die voldoende belang hebben X-12.707-10/22 zoals in de aanhef van het verdrag aangegeven. Bij het onontvankelijk verklaren van verzoekende partij komen we in een soort van vicieuze cirkelredenering terecht. In de aanhef van het verdrag staat: ‘(..)Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen, Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf, Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties, Overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen, (..) Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen, (..) Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet- gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu, (..) Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie, (..) Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast, (..)’ Het doel van het verdrag luidt (artikel 1): ‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.’ Kortom het was de bedoeling om met dit verdrag 1) te voorzien in een extra of (beter) gegarandeerde milieubescherming. Toegepast op voorliggende zaak impliceert dit dat biologisch waardevolle zones een betere bescherming behoren te genieten alsook de bedreigde biodiversiteit en de natuurlijke overstromingsgebieden. Het verdrag van Aarhus wil ondermeer een betere milieubescherming garanderen en betere integratie van de milieubescherming en natuurbescherming in de besluitvorming. 2) een verbeterde toegang te verlenen aan o.a. milieuorganisaties in de besluitvorming en de diverse rechtsorganen. Het vroegere kader en rechtspraak kunnen niet zomaar als kader dienen voor voorliggende zaak. Het verdrag wil een verbeterde toegang verzekeren. Als alles bij het oude blijft zou dit verdrag geen enkele meerwaarde betekenen terwijl dit niet de bedoeling was. Er dient ook op gewezen te worden dat in 1998 het natuurdecreet en in 2003 (naast het X-12.707-11/22 verdrag van Aarhus) ook het DIWB van kracht geworden is, hetgeen het belang van verzoekende partij vergroot. Een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State betreffende bet belang waarvan milieuverenigingen moeten doen blijken is in de rechtsleer op felle kritiek onthaald wat betreft de verenigbaarheid met artikel 9.2 van het Verdrag. (...) Maar niet alleen de doctrine heeft zo zijn bedenkingen bij een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State. Het Comité voor toezicht op de naleving van de bepalingen van het Verdrag kwam in een aanbeveling van 28 juli 2006 (ECE/MP.PP/C.1/2006/4/Add.2) na een uitvoerig en genuanceerd onderzoek tot de conclusie dat de rechtspraak van de Raad van State inzake de toegang van milieuverenigingen tot de rechter in bepaalde gevallen onverenigbaar is met artikel 9 van het Verdrag. (...) Het is duidelijk dat in het licht van het Verdrag van Aarhus niet kan aanvaard worden dat milieuverenigingen zeer moeilijk toegang hebben tot de Raad van State. Men zou er kunnen inkomen dat het belang van de vereniging verschillend moet zijn van de individuele belangen van haar leden, en evenzeer kan men aannemen dat verenigingen niet moeten opkomen voor het algemeen belang in de brede betekenis van het woord, want dat zou neerkomen op een actio popularis, maar de rechtspraak mag deze beide uitersten niet zo breed gaan interpreteren dat het vinden van een weg ertussen in de praktijk een onmogelijke opgave wordt. In casu komt verzoekster op voor de bescherming van welbepaalde waarden die zich situeren op het vlak van de ruimtelijke ordening, het leefmilieu en het natuurbehoud. Het beroep is o.i. derhalve ontvankelijk in het licht van het verdrag van Aarhus I.2. Betreffende de reikwijdte van de effecten van het bestreden besluit (...) 0) Het effect van de vergunning Buiten de beschrijving van de effecten in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord gaan we hier nog eens dieper in op het (o.i.) belangrijkste effect, m.n. dat van de versnippering. We bevinden ons in een smalle beekvallei. De vallei is hier nog smal omdat de afstand tussen de bron en de beek op deze plaats slechts enkele honderden meters is, waardoor er nog niet zoveel water verzameld is in de beek en ze bij overstromingen niet heel breed kan gaan. Met de betwiste vergunning wordt echter de beekvallei over zijn/haar gehele breedte opgehoogd. Doordat er grond komt te liggen bovenop de natte beekvallei wordt deze natte grond omgezet in een stuk droge grond. Alle planten en kleinere dieren die alleen kunnen overleven op die nattere gronden, en die zich uitsluitend heen en weer via de natte gronden verplaatsen, - bij uitvoering van de vergunning - botsen plots op een barrière (een stuk droge grond die ze niet meer kunnen overbruggen). Dieren zoals bepaalde slakken en amfibieën zal je nooit op droge grond aantreffen. Ze mijden dat als het ware als de pest. We sommen enkele belangrijke soorten op die niet meer van het ene naar het andere stuk vallei kunnen gaan bij uitvoering van de vergunning : o Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana); soort van bijlage II van de Europese Richtlijn 92/43/EEG, tevens van bijlage II van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21/10/1997. In en rond de Dendervallei komt de soort nog voor. Dit is de enigste plaats in heel het werkgebied van Milieufront Omer Wattez waar ze voor komt. Ze komt voor langsheen planten zoals Oeverzegge doorheen de natte valleigronden en verspreidt zich via overstroming- en. Aangezien overstromingen hier onmogelijk gemaakt worden kan X-12.707-12/22 ze niet meer migreren tussen het Raspaillebos en de Dendervallei en is haar netwerk hier fataal onderbroken. (...) o De Gewone Pad: foerageert op natte gronden zoals deze langs de Raspaillebeek. In de kleine plassen op de weide worden in het voorjaar zijn eitjes afgezet. Deze soort verliest hier niet enkel een stuk leefgebied. Ze gaat zich eveneens niet verplaatsen van noord (Dender) naar zuid (Raspaillebos) o De Groene Kikker: hetzelfde verhaal als voor de Gewone Pad. o De Bruine Kikker: idem. o Diverse oeverspinnen: verspreiden zich over de valleigronden maar gaan nooit de droge gronden hogerop verder weg van de beek opzoeken; ze hebben dus nood aan de laag gelegen natte gronden langsheen de beek als corridor. De barrière die hier getrokken wordt is cassant voor de betrokken soorten. Ten noorden van deze barrière gaat de beekvallei over in de grote brede Dendervallei (van de drie rivieren - Leie, Schelde en Dender - in het werkings- gebied van Milieufront Omer Wattez vzw. de meest natuurlijke en nog meest intacte riviervallei). De riviervallei is volledig aangeduid als Grote Eenheid Natuur en Vlaams Ecologisch Netwerk (wat niet tot zeer beperkt het geval is met de Leie- of Scheldevallei) Ten zuiden ligt het Raspaillebos dit is eveneens een gebied aangeduid als Grote Eenheid Natuur en Vlaams Ecologisch Netwerk; daarenboven is het gebied ook aangeduid als Speciale Beschermings- zone en als gebied van Communautair belang door de Europese Commissie. 1) Het gebied waar de reliëfwijziging zal plaatsvinden, is gelegen midden in een ankerplaats zoals aangeduid op de landschapsatlas (...). In de landschaps- atlas worden 2 soort waardevolle landschappen aangeduid, de relictzones en de ankerplaatsen. De ankerplaatsen worden als volgt beschreven: ‘Ankerplaatsen zijn de meest landschappelijke waardevolle gebieden van Vlaanderen. In deze gebieden is de samenhang van de erfgoedwaarden het grootst. Ze zijn ofwel uitzonderlijk gaaf gebleven ofwel zeer herkenbaar voor een bepaalde tijdsperio- de of ze zijn op Vlaams niveau uniek. Hun waarde kan ook liggen in een combinatie van gaafheid, herkenbaarheid en uniciteit.’ Bij de Ankerplaats hoort een inhoudelijke beschrijving (...). • Om te beginnen wordt een opsomming gegeven van de landschapselementen: ‘A. LANDSCHAPSELEMENTEN EN OPBOUWENDE ONDERDELEN GEOMORFOLOGIE/HYDROGRAFIE - Microreliëf: microreliëf, talud - Macroreliëf: macroreliëf, markante terreinovergang, holleweg - Hydrografische elementen: waterloop, beek, vallei (bronnen) - Moerassige gronden: moeras - Geologie: Ontsluitingen’ De betwiste vergunning heeft betrekking op de valleigronden naast de beek, een van de landschapselementen en opbouwende onderdelen van de ankerplaats. • In delen B en C worden de landschapswaarden tekstueel beschreven. Uit die omschrijving citeren we ‘(..)Er zijn verschillende bronnen. Vooral de steile hellingen zijn bebost. Aan het Karkoolbos strekken de weilanden zich tot in het bos uit. De overgang tussen bos en landbouwland is tegenwoordig vrijwel steeds vlijmscherp. Hierdoor X-12.707-13/22 zijn talrijke plantensoorten van zomen en struwelen nagenoeg verdwenen uit de regio. Behoort de Moerbekebosheuvel tot de Vlaamse Ardennen of tot het Pajottenland? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. Volgens de Vlaamse auteur Omer Wattez zijn de Vlaamse Ardennen de sterk heuvelende streek in het zuiden van Oost-Vlaanderen. De streek is hier inderdaad heuvelend: van 17 meter aan de Dender tot 110 meter aan de Oudenberg. Het Pajottenland wordt eerder in Brabant gesitueerd, deze heuvels komen, in tegenstelling tot de Vlaamse Ardennen, eerder in rijen voor. Zo liggen de Buizemontheuvel en de Moerbekebosheuvel evenwijdig aan elkaar. Ze zijn de voorboden van een hele reeks meer oostelijk gelegen heuvels. (..).’ Deze tekst beschrijft dat we hier in een typisch stuk Vlaamse Ardennen zitten volgens Omer Wattez, maar ook dat het een karakteristiek gebied is met aanwezigheid van de bronnen in het bos en de weilanden (die we bijna uitsluitend op de lagere overstroombare gronden langsheen de beken vinden zoals hier het stuk dat dreigt opgehoogd te worden) rond de bronbeek vanuit het bos tot verder richting Dendervallei. De Dendervallei waar deze beek naar toe stroomt, is eveneens ankerplaats, met de naam: ‘Dendervallei tussen Idegem en Ninove en het Geitebos’ (...). 2) Het gebied Waar de ophoging vergund werd is gelegen in een zone ‘ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang’ zoals bepaald in het Oost-Vlaams ruimtelijk structuurplan (goedgekeurd bij Ministrieel Besluit van 18 februari 2004; (...)). Dit gebied wordt op de kaart van het structuurplan hieronder aangeduid (...). Het is zone 6E6, dit is de Raspaillebeek. In het structuurplan schrijft men dat volgende elementen de verbinding schragen (pg. 365 van het structuurplan: ‘bomenrijen, kwel- en bronbosjes, nat (kwel)grasland, ruigte’. Voorliggende zaak heeft betrekking op een (kwel)grasland dat met de betwiste vergunning kan opgehoogd worden waardoor het geen nat grasland met kwel zal zijn. Men schrijft in het structuurplan volgende (pg. 353): ‘Ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang (EIB) is geselecteerd omwille van de meerwaarde die de infrastructuur kan bieden aan de natuurlijke structuur. De omvang en de lengte van de infrastructuur was eveneens bepalend bij de keuze: enkel elementen die voldoende omvang en lengte hebben, werden geselecteerd als ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang.’ En ‘Ecologische infrastructuur beperkt zich tot infrastructuren en de aanpalende stroken. In het geval van een beek of waterloop zijn dit de waterloop zelf en de aanpalende oeverstroken.’. Het litigieuze besluit laat een reliëfwijziging toe op de aanpalende stroken links en rechts van de Raspaillebeek. In het structuurplan schrijft men (pg. 67): ‘De ecologische infrastructuur is het geheel van bossen, kleine landschapselementen en hydrografische systemen die aan tal van fauna- en flora-elementen de mogelijkheid bieden tot vestiging en migratie. Verlies van ecologische infrastructuur in een regio leidt tot verlies aan biodiversiteit in die regio.’ Het is dit verlies, hier in dit uniek stuk van het werkingsgebied van verzoekster dat met deze zaak bestreden wordt door verzoekende partij in het belang haar doelstellingen. Tot slot verwijzen we naar de doelstellingen die men uitschrijft voor deze gebieden (pg. 351): ‘Doelstellingen m.b.t. ecologische infrastructuur van bovenlokaal belang : Naast het VEN en het IVON wordt de natuurlijke structuur vervolledigd door de zogenaamde ‘ecologische infrastructuur’. De ecologische infrastructuur bestaat uit de natuur- en bosgebieden die niet tot het VEN, noch tot het IVON behoren, de kleine landschapselementen en uit de natuur in de bebouwde omgeving. Ecologische infrastructuur wordt X-12.707-14/22 geselecteerd omwille van de meerwaarde die de infrastructuur kan bieden aan de natuurlijke structuur. Andere voorbeelden zijn planmatig ontworpen landschappen die door hun aangelegde natuurlijke elementen sterk herkenbaar zijn en een structuurbepalende invloed uitoefenen, zoals ontginningspatronen of dijken en houtwallen. Het kan ook zijn dat het netwerk van natuurlijke en landschappelijke elementen op een bepaalde plaats zo’n hoge ecologische kwaliteit heeft, dat een grote natuurlijke rijkdom in het gebied kan voorkomen. Typische voorbeelden hiervan zijn de kleinere onbevaarbare waterlopen van tweede categorie, spoorwegbeddingen, kanaalbermen, belangrijke waterpartijen, enz. Ecologische infrastructuur is van bovenlokaal belang wanneer het gemeentegrensoverschrijdend is of een bovenlokale invloed uitoefent. Dit laatste doet zich onder meer voor wanneer een bepaald type landschappelijk of natuurlijk element zeldzaam is, of de mate waarin het zich op een bepaalde plaats ontwikkelt, zeldzaam is’ Dit onderstreept het belang van de locatie waar de vergunning betrekking op heeft, zeker in het licht (...) van de doelstellingen van verzoekende partij. Het is niet zomaar een vergunning op één welbepaalde locatie met beperkt effect, maar een vergunning voor een perceel van bovenlokaal belang waarbij de doelstelling om een netwerk tussen de natuurgebieden tot stand te brengen verhinderd wordt. In de adviezen van de eerste geweigerde vergunning wordt het belang van de landschappelijke waarde alsook de waarde van dit uniek nat stuk grond volledig onderschreven. 3) Het Raspailleboscomplex is naast ankerplaats ook een bij koninklijk besluit beschermd landschap (K.B. 25/04/1980; B.S. 27/08/1980 ; bijlage 3). Hierin staat bij de beschermingsvoorschriften o.a. de bescherming van de vegetatie van schraalgraslanden. 4) Zowel het Raspaillebos als de Gemene meers (het stuk Dendervallei te Grimminge) zijn erkende reservaten: Het eerste bij ministerieel besluit van 4 oktober 2004 (B.S. 10/3/2005) voor een periode van zevenentwintig jaar en het tweede bij ministerieel besluit van 25 november 2005 (B.S. 28/4/2006) voor een periode van zevenentwintig jaar. Bij die besluiten werd een uitbreidingszone voor beide reservaten vastgesteld. 5) Het gebied vormt de cruciale verbinding tussen twee gebieden met uitmuntende biologische, landschappelijke en hydrografische waarden: de Dendervallei en het Raspailleboscomplex Kortom we hebben hier te maken met een toplocatie in het werkingsgebied van verzoekster met bijzonder hoge natuurwaarden. De beekvallei vormt de unieke en essentiële natuurverbinding tussen het Raspaillebos en de Dendervallei. Door uitvoering van de ophoging (via de vergunning) werpt men een barrière op tussen beide super gebieden in het bijzonder dan voor de planten en (minder mobiele) dieren die alleen maar kunnen leven op die natte gronden vlak bij een bron, beek, of rivier. I.3 Het belang conform de Belgische Grondwet Enkele grondwetsartikelen zijn bepalend voor het belang waarnaar verzoekende partij handelt in het bijzonder bij het aanvechten van voorliggende stedenbouwkundige vergunning. I.3.1 Artikel 7bis (inwerking getreden op 6 mei 2007) van de Belgische grondwet luidt ‘Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.’ Het kan o.i. niet dat de Vlaamse Overheid bij het uitvaardigen van een stedenbouwkundige vergunning geen rekening houdt met dit streven naar X-12.707-15/22 duurzame ontwikkeling, m.a.w. er zorg voor draagt er nog de natuurwaarden niet nog verder achteruit gaan (zodat deze kwetsbare planten en dieren nog aanwezig kunnen zijn voor de volgende generaties) en dat er nog voldoende overstromingsruimte overblijft zodat er niet nog meer mensen (van de volgende generaties) in de toekomst te kampen zullen krijgen met dreigende overstromingen. De zorg voor natuurwaarden is ondermeer geregeld via het stand-still principe (artikel 8 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 [verder het natuurdecreet]) en deze zorg wordt met de voeten getreden door een biologisch waardevol perceel met tal van zeldzame planten en dieren (zie verder) verloren gaat door bebouwing en doordat een groot aaneengesloten (van de Dendervallei t.e.m. het Raspaillebos) biologisch (zeer) waardevol stuk in twee geknipt wordt en zo versnipperd wordt. De ophoging van een stuk valleigebied (wat een van de naastliggende beek afhankelijk terrestrisch ecosysteem
  5. is)die mogelijk wordt gemaakt met voorliggende vergunning is in strijd met de duurzame ontwikkeling van de valleigebieden zoals die is ingeschreven in een van de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 (verder DIWB) o.m. in artikel 5, 4/ van het DIWB dat luidt: ‘het voorkomen van de verdere achteruitgang (..) van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door
  6. a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
  7. b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen; (..)’. Deze grondwetsbepaling is eveneens een specifieke doelstelling van verzoekster zoals omschreven in art. 2 §1 van de statuten van verzoekster: ‘De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen’. In het kader van de doelstelling van de nagestreefde duurzame ontwikkeling zoals neergeschreven in de grondwet diende verzoekende partij onderhavig verzoekschrift in bij uw Raad en heeft zij aldus de vereiste hoedanigheid en belang. I.3.2 Artikel 23 van de grondwet bepaalt: ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : (..) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (..).’ Een precieze definitie van een gezond leefmilieu ontbreekt in de Grondwet. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995 vinden we volgende definitie van milieu: ‘Art. 1.1.2. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder: 1/ milieu: de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de eco-systemen, de landschappen en het klimaat;’. Betreffende de draagwijdte en drempelwaarde van wat als gezond beschouwd wordt, leren we uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling dat minstens een stand-still nagestreefd wordt. Aangezien in dit unieke beeksysteem bij uitvoering van de bouwvergunning de overstromingscapaciteit zal afnemen en er geen compensatie in natura is voorzien, en aangezien twee biologisch waardevolle natuurkernen door uitvoering van de bouwvergunning in 2 stukken geknipt worden en er hierdoor twee eilanden gecreëerd worden, vergroot dit de kans op uitsterven van bepaalde fauna en flora op die plaatsen in deze unieke zone binnen de Vlaamse Ardennen. M.a.w. op deze unieke plaats wordt geen X-12.707-16/22 stand-still nagestreefd. En verzoekster heeft derhalve het recht om het leefmilieu hier te beschermen en de wettigheid van de tenuitvoerlegging van de bouwvergunning bij uw Raad aan te vechten. Op de schending van het stand-still beginsel wordt ook in de vorige paragraaf m.b.t. art. 7bis van de grondwet, ingegaan. Deze duidelijke grondwetsbepaling om de stand-still van het eco-systeem van de biologisch waardevolle beekvallei, de fauna en flora van dat eco-systeem en de kwantitatieve hoeveelheid overstromingscapaciteit van dat natuurlijk overstromingsgebied te verdedigen voor uw Raad conform de doelstellingen van verzoekster”. 7. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. 8. Met betrekking tot het werkingsgebied van de verzoekende partij stelt artikel 1, §4 van de statuten, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van het beroep, het volgende: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van X-12.707-17/22 de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat : -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz.”. 9. Te dezen is de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor het wijzigen van het reliëf van de bodem van een welbepaald perceel. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op een perceel “van bovenlokaal belang” dat “de cruciale verbinding (vormt) tussen twee gebieden met uitmuntende biologische landschappelijke en hydrografische waarden” zodat “twee biologisch waardevolle natuurkernen door uitvoering van de bouwvergunning in 2 stukken geknipt worden” en dat “met de betwiste beslissing (...) wel degelijk een achteruitgang (wordt) veroorzaakt (...) van het leefmilieu van de mensen door de reductie van de totale beschikbare overstroombare ruimte”. Zulks blijkt evenmin uit het advies van de afdeling Land Oost-Vlaanderen van 25 augustus 2005, waarin overigens uitdrukkelijk wordt gesteld dat “de onmiddellijke omgeving niet (wordt) X-12.707-18/22 beïnvloed door deze ophoging”. Het bestreden besluit overweegt in die zin onder meer dat “het perceel niet gelegen is in overstromingsgebied volgens de ROG kaarten en niet bijzonder waardevol is zoals vermeld in het bezwaarschrift”. De verzoekende partij toont aldus niet aan dat er een voldoende band bestaat tussen haar maatschappelijk doel en de bestreden beslissing. 10. De verzoekende partij beroept zich verder op het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst zij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 2.5 van het verdrag luidt als volgt: “5. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het verdrag bepaalt: “9. Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. Artikel 9.2 van het verdrag bepaalt: “2.Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. X-12.707-19/22 Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van dit verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van het verdrag. 11. Ten slotte beroept de verzoekende partij zich op de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  8. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  9. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  10. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid X-12.707-20/22 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedures 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. De hoger bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid strijden niet met de bepalingen van de genoemde richtlijn. 12. De verzoekende partij doet niet blijken van de vereiste hoedanigheid bij het ingestelde beroep. De verwijzingen in de laatste memorie naar de artikelen 7bis en 23 van de Grondwet en het stand-still-principe doen aan deze conclusie geen afbreuk en houden eerder verband met de grond van de zaak. De exceptie van de verwerende partijen is gegrond. Het beroep is om deze redenen niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.707-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.707-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.601 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.