← België

Arrest 197602 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.602 Rolnummer: A. 176994/X-13026 Zaak: Arrest 197602 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:47 Fiche Arrest nr 197.602 van 3 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.602 van 3 november 2009 in de zaak A. 176.994/X-13.026. In zake: de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: het AUTONOOM PROVINCIEBEDRIJF DE GAVERS gevestigd te 9500 GERAARDSBERGEN Onkerzelestraat 280 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 21 september 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 6 juli 2006 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan het autonoom provinciebedrijf “De Gavers” de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van 10 bungalows op een perceel gelegen te Geraardsbergen, Onkerzelestraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 170/a. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 december 2006. X-13.026-1/19 Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2009. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Wim Lammens, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en bestuurder-directeur Johan Quintelier en bestuurssecretaris Kaat Van Keymeulen, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Ontvankelijkheid van het beroep 3. Zowel de verwerende als de tussenkomende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van het vereiste persoonlijk en rechtstreeks belang bij het beroep. Zij menen dat niet voldaan is aan de vereisten voor een v.z.w. om in rechte te treden voor de Raad van State vermits de doelstellingen van de verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid zijn dat er geen band van evenredigheid bestaat tussen het actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing, die geen verdere gevolgen heeft voor de onmiddellijke omgeving, anderzijds. 4. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij het beroep als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging X-13.026-2/19 1. De statuten van de vereniging werden op 8 november 2005 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (...). Milieufront Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 onder de naam Stichting Omer Wattez (BS 3/12/1981). De Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van 2 mei 2002 (BS 11/12/ 2002) maakte een gebruik van het woord Stichting niet meer mogelijk aangezien een Stichting een andere finaliteit heeft. Al 25 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral de kwaliteit van de natuur, landschap en alles wat er bij komt kijken, op peil te houden binnen haar werkgebied, voor haar 700-tal leden. Dit collectief van mensen kan allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van geluidshinder, op het vlak van overstromingsproblematiek of schade aan natuurwaarden, actief te zijn. 2. In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Geraardsbergen, waar de betwiste vergunning betrekking op heeft. De beschrijving en omschrijving van de streek van de Vlaamse Ardennen vat aan in 1908 bij de boeken van Omer Wattez: o.m. ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel III. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ en ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel II. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ Later volgen nog tal van wetenschappelijke publicaties over deze streek in het vakgebied van de Geografie. De recentste publicatie die ons bekend is luidt: ‘Dr. Vanmaercke-Gottigny M-C, 2005. Levend Landschap in de Vlaamse Ardennen. Oudenaarde.’ 3. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het X-13.026-3/19 beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. §3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coordineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet- winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit....).’ 4. Milieufront Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk, individualiseerbaar belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. X-13.026-4/19 Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een collectief belang van al haar leden tezamen dat zij zich tot maatschappelijk doel heeft gesteld. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. Dit collectief van leden sloot zich aan bij de vereniging omdat ze - in eenvoudige bewoordingen uitgedrukt - het behoud van de esthetische (landschappelijke) waarden en de biologische waarden van het Vlaamse Ardennenlandschap belangrijk vinden. Het herstel en behoud van natuurlijke overstromingsgebieden in het Vlaamse Ardennenlandschap is eveneens een gedeeld belang van de leden in hun streven naar een leefbare woonomgeving waarbij zo weinig mogelijk mensen te kampen hebben met wateroverlast en maximaal kunnen genieten van de landschappelijke en biologische waarden aanwezig in deze overstromingsgebieden. Het zijn deze belangen die met voorliggend verzoekschrift verdedigd worden. Een natuurlijke persoon kan geen of slechts een gering belang inroepen voor de achteruitgang van de som van deze waarden (i.c. landschappelijke, biologische en het leefmilieu van de mensen) in het Vlaamse Ardennenlandschap. Een groep mensen heeft zich daarom verenigd om deze waarden die zij appreciëren en die typisch zijn voor wat zij toeschrijven aan de regio de ‘Vlaamse Ardennen’ zoals beschreven door Omer Wattez te verdedigen. Het collectief van mensen beleeft en geniet met volle teugen van de Vlaamse Ardennen in al zijn facetten en ze observeren er de natuur. De betwiste stedenbouwkundige vergunning zal een achteruitgang in de belevingswaarde van het landschap, van de natuurwaarden van de Dendervallei en van het leefmilieu van de mensen bewerkstelligen. Al deze waarden kunnen niet toegeëigend worden door een individu. Ze kunnen evenmin beschouwd worden als collectief bezit van de leden van onze vereniging. Maar opkomen voor het belang van deze waarden in de Vlaamse Ardennen is een zeer specifieke eigenschap van het collectief van al haar leden. (...) 7. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van rechtsnormen, die de bescherming van natuurlijke overstromingsgebieden en het menselijk leefmilieu daarbuiten kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van deze rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en tot een ernstige aantasting van het Vlaamse Ardennenlandschap leiden. Het is niet louter één enkele vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van effecten die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Telkens opnieuw wordt met dergelijke vergunningen, door het niet toepassen van die bepalingen uit de vigerende wetgeving die in het belang staan van verzoekende partij, een stuk authentiek Vlaamse Ardennenlandschap aangetast. De decreetgever beseft ook meer en meer het belang van de samenhang van diverse elementen. Bvb. in artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid staat X-13.026-5/19 in het 2e lid: ‘Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt (..)’; in artikel 36ter §3 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu staat ‘Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken (..)’. De combinatie van vele kleine schadelijke effecten veroorzaakt een groot schadelijk effect. Natuurgebieden kan je niet als afzonderlijke strak begrensde gebieden aanschouwen; organismen zijn gedoemd om uit te sterven indien ze geïsoleerd zitten in een soort van ‘eilanden’. Je kan niet blijven stukjes ‘afknabbelen’ van de natuurgebieden tot je op den duur een geïsoleerde box overhoudt. Net zo is ieder stukje ruimte in natuurlijke overstromingsgebieden van essentieel belang om zoveel mogelijk mensen te sparen van wateroverlast. Als je verkaveling na verkaveling, ophoging na ophoging, bebouwing na bebouwing toestaat in overstromingsgebieden gaan de volgende generaties met een immens wateroverlastprobleem zitten. 8. Milieufront Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een tweemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuur- en milieueducatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verwante verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde, .. Het organiseren van tal van persacties (...). Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals MOW-Leievallei, MOW-Maarkedal, MOW-Oudenaarde, MOW-Zingem, MOW-Ronse, MOW-Geraardsbergen en MOW-Horebeke. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkgebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 9. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen X-13.026-6/19 gerekend worden en waarin ondermeer de vallei van deze beek te Smeerebbe-Vloerzegem die in de Dender uitmondt gelegen is en waarin ook de grond gelegen is waar de betwiste verkavelingvergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden; tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkaveling- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebieden. In bijlage 5 voegt verzoekende partij 15 bezwaarschriften toe van de laatste drie jaren, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’

  1. s)binnen haar werkgebied met het doel om de overstromingsgebieden, biologisch waardevolle gebieden en stiltebehoevende gebieden te beschermen en om de correcte toepassing van de bepalingen van het natuurdecreet, het decreet integraal waterbeleid, het milieuvergunningdecreet en/of de ruimtelijke ordeningswetgeving te vragen. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift (...) (uit) maar voert ze ook af en toe acties en schrijft ook geregeld persberichten (...) om haar doelstellingen duidelijk te maken. Verder heeft verzoekende partij diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken: ondermeer 151.701/X-11.884 inzake het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan dat ondermeer ontwikkelingsperspectieven voorziet voor de uitbreiding van het (verblijfs)recreatiegebied ‘de Gavers’ in de Dendervallei te Geraardsbergen (Onkerzele) en voor de uitbreiding van een recreatiegebied in een Europese Speciale Beschermingszone meer bepaald in het Kluisbos te Kluisbergen; 154.668/X-12.014 inzake de bouwvergunning voor de ontbossing en de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 156-333/VII-32.911 inzake de milieuvergunning voor de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 157.407/X-12.124 inzake een verkavelingsvergunning in de Molenbeekvallei te Geraardsbergen (Goeferdinge); 159.404/X-12.183 en 164.155/X-12.405 inzake plannen voor dwarsdijken in de Dendervallei (Overboelare) waardoor veel overstromingsruimte verloren zou gaan; 158.749/X-12.167 en 158.750/X-12.168 inzake de aanleg van twee dijken in de Dendervallei te Geraardsbergen (Zandbergen) waarbij verzoekende partij ondermeer op basis van het motief dat zonder enige compensatie overstromingsruimte en natuur verloren gaat, besloten heeft tot het instellen van een annulatieverzoek. Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van ondermeer het decreet integraal waterbeleid. 10. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. X-13.026-7/19 De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag: ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 11. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen.(..)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  2. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  3. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  4. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. (..)’. X-13.026-8/19 In de aanhef van de richtlijn staat ‘Milieuschade omvat ook schade veroorzaakt door in de lucht aanwezige elementen voorzover zij schade veroorzaken aan water, bodem, of beschermde soorten of natuurlijke habitats.’. Door het verlenen van de litigieuze stedenbouwkundige vergunning wordt eveneens milieuschade veroorzaakt, meer bepaald omdat er schade is aan het watersysteem en aan natuurlijke habitats. Om al hogernoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze stedenbouwkundige vergunning, samengevat een feit is”. 5. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij de volgende wezenlijke argumenten toe: “Door uitbreiden van het bungalowpark in de Dendervallei waarbij als vergunningsvoorwaarde opgelegd wordt door de verwerende partij dat het terrein nog 35 cm extra opgehoogd moeten worden dan voorzien in de aanvraag, gaat tussen 152.000 liter en 354.000 liter (deze volumes zijn berekend indien er vanuit gegaan wordt dat enkel de extra voorziene verharde oppervlakte opgehoogd wordt, wat een minimalisering van de werkelijkheid is aangezien de ophogingen wellicht met een hellend vlak uitgevoerd zullen worden) waterbergingsruimte verloren en gaat 6 ha 44a 90ca (oppervlakte conform de hemelwaternota) natuurlijk overstromingsgebied (d.i. een van een waterlichaam (i.c. de Dender) afhankelijk terrestrisch ecosysteem) verloren (meer bepaald de er van nature voorkomende vegetaties en fysische structuur zijnde de komgrondoeverwalstructuur die door bebouwing, ophoging en door graven van een grachtenstructuur verloren gaat). Door afname van overstroombare ruimte hier wordt de overstromingsdruk op andere gebieden (lees: het leefmilieu van andere mensen) groter. Verwerende partij oordeelt dat het maar om een beperkte oppervlakte gaat en concludeert dan dat er zich geen probleem in die zin zal stellen. Dit zou er op neer komen dat hoe kleiner de aanvraag is, hoe vlotter deze goedgekeurd wordt door de verwerende partij, wat indruist tegen de doelstellingen van het DIWB, nl. ieder stuk overstromingsruimte is belangrijk en dient gevrijwaard, zoniet gecompenseerd te worden om de gevolgen niet af te wentelen op andere gebieden en woningen. De stelling van de verwerende partij dat er geen gevolgen zijn klopt helemaal niet, immers het water dat op deze locatie niet meer kan geborgen worden dient elders te staan. Door de toename van de verharde oppervlakte met 1010,2 m² (conform rubriek B van het ingevulde document 99/2A159 in het aanvraagdossier gehandtekend door de voorzitter en directeur van het provinciebedrijf en de architect) zal er over deze oppervlakte geen (regen- en overstromings)water kunnen infiltreren in de bodem. Ook dit versterkt de overstromingsdruk op andere gebieden. Gelet op het feit dat uit de recentste modellen van wetenschappelijke instellingen zoals de Katholieke Universiteit Leuven en het Koninklijk Meteorologisch Instituut naar voren komt dat de intensiteit van de regenbuien de laatste jaren gestegen is, en verwacht wordt dat dit in de komende jaren nog zal toenemen en dat derhalve ook overstromingen in intensiteit en duur zullen toenemen in ons land, blijkt dat de verwerende partij allerminst het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel in acht hebben genomen, zeker door het systematisch niet toepassen door de verwerende partij van de rechtsnormen die de bescherming van de overstromingsgebieden en overstroombare ruimte voor ogen hebben”. X-13.026-9/19 6. Ten slotte stelt de verzoekende partij in haar laatste memorie: “I. Betreffende de ontvankelijkheid van het annulatieberoep I.1 Betreffende het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 (...) Artikel 2 van hoger genoemd decreet bepaalt dat het verdrag en zijn bijlagen volkomen gevolg zullen hebben, voor het Vlaamse Gewest. We wijzen met nadruk op artikel 9.2 van het verdrag waarin duidelijk gestipuleerd staat ‘Elke Partij waarborgt, (..) dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben (..) toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, (..) Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. (..)’ Indien uw Raad aanhoudt dat verzoekster geen belanghebbende is, vormt dit o.i. enerzijds een miskenning van hoger geciteerde duidelijke bepaling van het verdrag en anderzijds zou dit impliceren dat dit (element uit het) verdrag geen betekenis heeft en uw Raad oordeelt dat de rechtspraak gehandhaafd kan blijven, terwijl het net een expliciete doelstelling van het verdrag was om milieuverenigingen als partijen te beschouwen die voldoende belang hebben zoals in de aanhef van het verdrag aangegeven. Bij het onontvankelijk verklaren van verzoekende partij komen we in een soort van vicieuze cirkelredenering terecht. In de aanhef van het verdrag staat: ‘(..)Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen, Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf, Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties, Overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen, (..) Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen, (..) Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu, (..) Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie, X-13.026-10/19 (..) Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast, (..)’ Het doel van het verdrag luidt (artikel 1): ‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.’ Kortom het was de bedoeling om met dit verdrag 1) te voorzien in een extra of (beter) gegarandeerde milieubescherming. Toegepast op voorliggende zaak impliceert dit dat biologisch waardevolle zones een betere bescherming behoren te genieten alsook de bedreigde biodiversiteit en de natuurlijke overstromingsgebieden. Het verdrag van Aarhus wil ondermeer een betere milieubescherming garanderen en betere integratie van de milieubescherming en natuurbescherming in de besluitvorming. 2) een verbeterde toegang te verlenen aan o.a. milieuorganisaties in de besluitvorming en de diverse rechtsorganen. Het vroegere kader en rechtspraak kunnen niet zomaar als kader dienen voor voorliggende zaak. Het verdrag wil een verbeterde toegang verzekeren. Als alles bij het oude blijft zou dit verdrag geen enkele meerwaarde betekenen terwijl dit niet de bedoeling was. Er dient ook op gewezen worden dat in 1998 het natuurdecreet en in 2003 (naast het verdrag van Aarhus ook) het DIWB van kracht geworden is, hetgeen het belang van verzoekende partij vergroot. Een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State betreffende bet belang waarvan milieuverenigingen moeten doen blijken is in de rechtsleer op felle kritiek onthaald wat betreft de verenigbaarheid met artikel 9.2 van het Verdrag. (...) Maar niet alleen de doctrine heeft zo zijn bedenkingen bij een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State. Het Comité voor toezicht op de naleving van de bepalingen van het Verdrag kwam in een aanbeveling van 28 juli 2006 (ECE/MP.PP/C.1/2006/4/Add.2) na een uitvoerig en genuanceerd onderzoek tot de conclusie dat de rechtspraak van de Raad van State inzake de toegang van milieuverenigingen tot de rechter in bepaalde gevallen onverenigbaar is met artikel 9 van het Verdrag. (...) Het is duidelijk dat in het licht van het Verdrag van Aarhus niet kan aanvaard worden dat milieuverenigingen zeer moeilijk toegang hebben tot de Raad van State. Men zou er kunnen inkomen dat het belang van de vereniging verschillend moet zijn van de individuele belangen van haar leden, en evenzeer kan men aannemen dat verenigingen niet moeten opkomen voor het algemeen belang in de brede betekenis van het woord, want dat zou neerkomen op een actio popularis, maar de rechtspraak mag deze beide uitersten niet zo breed gaan interpreteren dat het vinden van een weg ertussen in de praktijk een onmogelijke opgave wordt. In casu komt verzoekster op voor de bescherming van welbepaalde waarden die zich situeren op het vlak van de ruimtelijke ordening, het leefmilieu en het natuurbehoud. Het beroep is o.i. derhalve ontvankelijk in het licht van het verdrag van Aarhus I.2 Betreffende de reikwijdte van de effecten van het bestreden besluit (...) 0) Het feit dat het een uitbreiding betreft van een bestaand bungalowpark. Het bungalowpark bestond oorspronkelijk uit 5 bungalows (...) op een terrein met oppervlakte van ca. 52a en wordt nu uitgebreid met 10 extra bungalows die X-13.026-11/19 komen op de rest van het terrein met een oppervlakte van 6 ha 44a 90ca. De oorspronkelijke 5 bungalows werden op een qua flora soortenarm grasland gebouwd. De 10 bijkomende bungalows worden gebouwd op een terrein dat deels een verlengde is van dat floristisch soortenarm grasland en dat deels moerasbos is met een belangrijke ondergroei van zeggen betreft en dit rond een te graven vijver waarvoor een aparte stedenbouwkundige vergunning dient aangevraagd te worden. In dit verband wijzen we op de rechtspraak van uw Raad waarbij gesteld werd dat het reeds bestaan van storende of onesthetische constructies in een bepaald gebied geen excuus kan vormen voor een verdere aantasting. Bij het onderzoeken van het belang van verzoekende partij kan het o.i. niet meespelen of het landschap al dan niet reeds aangetast werd. Het uitzicht verandert bij de bewuste 10 bungalows meer dan bij de eerste 5 bungalows doordat er ook moerasbos sneuvelt. Het soortenarm zijn van het betrokken grasland betekent niet dat er geen andere natuurwaarden aanwezig zijn. Dit bungalowpark is onderdeel van het domein de Gavers (in de Geraardsbergse deelgemeenten Onkerzele en Schendelbeke) waar zowel recreatieve infrastructuur voorkomt alsook waar heel wat natuurwaarden aanwezig zijn. Het is tevens gelegen in de Dendervallei, de meest natuurlijke van de drie aanwezige riviervalleien in het werkgebied van Milieufront Omer Wattez vzw. In de Gavers komt de grootste kolonie uit heel Vlaanderen voor het volledige werkingsgebied van broedende blauwe reigers voor, meer bepaald met 125 nesten. De blauwe reigers zoeken hun voedsel in de omgeving en maken ook gebruik van de omliggende vochtige graslanden waar ze heel wat kikkers, padden en salamanders vinden. De inplanting van 10 bungalows impliceert dat dit gehele terrein niet meer in aanmerking komt voor hun voedselvoorziening. De verwerende en tussenkomende partij beweren dat het ruimtebeslag van deze 10 bungalows beperkt is. Zelfs als het grasland in kwestie beperkt aangetast wordt, dient er bovenal opgemerkt te worden dat blauwe reigers en andere (trek)vogels geen tamme dieren zijn; ze mijden de menselijke aanwezigheid en zullen dus ook de terreinen met de bungalows niet meer betreden. Conclusie : deze vogels verliezen dus een terrein waar ze op aangewezen zijn voor hun voedselbevoorrading. Acht van de tien bungalows worden gebouwd rond een te graven vijver. Hiervoor verdwijnt een deel van het moerasbos op het perceel (...). Het bos heeft een bijzonder ondergroei, meer bepaald staat het vol met cypergrassen zoals zeggen en diverse andere grasachtige planten (...). Dergelijke ondergroei is het typisch leefgebied van de zeggekorfslak. De Dendervallei is de enigste plaats in het werkgebied van verzoekster waar deze slak voorkomt (...) Het verdwijnen van moerasgebieden stuk voor stuk vormt een bedreiging voor de soort. Ook de uitbreiding van het bungalowpark maakt het typische leefgebied van de soort (zeggerijke moerasgebieden) op de enige plaats in het werkgebied van verzoekende partij (de Dendervallei) kleiner en zet dus de populatie onder druk. De populaties van deze soort zijn bijzonder kwetsbaar (anders waren deze ook niet opgenomen op de bijlage van de habitatrichtlijn en het natuurdecreet) zodat verzoekende partij meer dan ooit belang heeft bij het aanvechten van een zaak die het leefgebied van een met uitsterven bedreigde soort reduceert. 1) Het belang van het gebied op landschappelijk en natuurwetenschappelijk gebied komt ook naar voor in het Oost-Vlaams ruimtelijk structuurplan (goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 18 februari 2004; (...)). In het PRS wordt het gebied geselecteerd als Natuuraandachtszone met als nummer 6V18 : Dendervallei - Gavers (tussen Geraardsbergen en Ninove) en hier worden de Gavers expliciet vermeld. X-13.026-12/19 Dit onderstreept het belang van de locatie waar de vergunning betrekking op heeft, zeker in het licht van de doelstellingen van verzoekende partij. Het is niet zomaar een vergunning op één welbepaalde locatie met beperkt effect, maar een vergunning in een uniek gebied. 2) Er blijft onduidelijkheid waar het afvalwater wordt geloosd. Lozing in de omgeving leidt tot negatieve gevolgen voor de kwetsbare fauna en flora. I.3 Het belang conform de Belgische Grondwet Enkele grondwetsartikelen zijn bepalend voor het belang waarnaar verzoekende partij handelt in het bijzonder bij het aanvechten van voorliggende stedenbouwkundige vergunning. I.3.1 Artikel 7bis van de Belgische grondwet luidt ‘Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.’ Het kan o.i. niet dat de Vlaamse Overheid bij het uitvaardigen van een stedenbouwkundige vergunning geen rekening houdt met dit streven naar duurzame ontwikkeling, m.a.w. er zorg voor draagt dat de unieke fauna niet nog verder achteruit gaan (zodat deze kwetsbare dieren nog aanwezig kunnen zijn voor de volgende generaties). De zorg voor natuurwaarden is ondermeer geregeld via het stand-still principe (artikel 8 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 [verder het natuurdecreet]) en deze zorg wordt met de voeten getreden doordat het leefgebied van zowel de blauwe reiger als de zeggekorfslak inkrimpt door de bungalows die er gebouwd worden ten koste van foerageerruimte voor de blauwe reiger en van moerasbos, het leefgebied van de zeggekorfslak. Het verlies van deze is in strijd met de duurzame ontwikkeling van de valleigebieden zoals die is ingeschreven in een van de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 [verder DIWB] o.m. in artikel 5, 4/ van het DIWB dat luidt: ‘het voorkomen van de verdere achteruitgang (..) van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door
  5. a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
  6. b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen; (..)’. Deze grondwetsbepaling is eveneens een specifieke doelstelling van verzoekster zoals omschreven in art. 2 §1 van de statuten van verzoekster: ‘De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen’. In het kader van de doelstelling van de nagestreefde duurzame ontwikkeling zoals neergeschreven in de grondwet diende verzoekende partij het verzoekschrift in bij uw Raad en heeft zij aldus de vereiste hoedanigheid en belang. I.3.2 Artikel 23 van de grondwet bepaalt : ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : (..) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (..).’ Een precieze definitie van een gezond leefmilieu ontbreekt in de Grondwet. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995 vinden we volgende definitie van milieu: ‘Art. 1.1.2. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder: 1/ milieu: de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de X-13.026-13/19 mens, de eco-systemen, de landschappen en het klimaat;’. Betreffende de draagwijdte en drempelwaarde van wat als gezond beschouwd wordt, leren we uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling dat minstens een stand-still nagestreefd wordt. Aangezien in het unieke riviervalleigebied de Gavers bepaalde kwetsbare fauna onder druk wordt gezet bij uitvoering van de bouwvergunning vergroot dit de kans op uitsterven ervan. M.a.w. er wordt geen stand-still nagestreefd met deze bouwvergunning (wat wel gekund had door ter compensatie in natura extra leefgebied te maken voor zowel de blauwe reiger als de zeggekorfslak). En verzoekster heeft derhalve het recht om het leefmilieu hier te beschermen en de wettigheid van de tenuitvoerlegging van de bouwvergunning bij uw Raad aan te vechten. Deze duidelijke grondwetsbepaling om de stand-still van het eco-systeem en de fauna en flora van dat eco-systeem te verdedigen voor uw Raad is conform de doelstellingen van verzoekster”. 7. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. 8. Met betrekking tot het werkingsgebied van de verzoekende partij stelt artikel 1, §4 van de statuten, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van het beroep, het volgende: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: X-13.026-14/19 “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat : -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel, en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz.”. 9. Te dezen is de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor de realisatie van 10 bungalows ter uitbreiding van een reeds bestaand bungalowpark op een perceel gelegen te Geraardsbergen. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat “door afname van overstroombare ruimte hier (...) de overstromingsdruk op andere gebieden groter (wordt)”. Het bestreden besluit overweegt onder meer dat “in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is tot de veiligheid van het vergunde project zelf” en dat “enige invloed op het watersysteem of de veiligheid van de overige vergunde of vergund geachte constructies (...), gelet op de beperkte oppervlakte, niet te verwachten (is)”. X-13.026-15/19 Om dezelfde redenen kan ook het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partij met betrekking tot de aanwezige natuurwaarden in het gebied en de inkrimping van het leefgebied van de blauwe reiger en de zeggekorfslak door de aanleg van de bungalows, niet overtuigen. De verzoekende partij toont aldus niet aan dat er een voldoende band bestaat tussen de bestreden beslissing en haar maatschappelijk doel. 10. De verzoekende partij beroept zich verder op het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst zij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 2.5 van het verdrag luidt als volgt: “5. Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het verdrag bepaalt: “9. Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. Artikel 9.2 van het verdrag bepaalt: “2.Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en de formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang X-13.026-16/19 van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van dit verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van het verdrag. 11. Ten slotte beroept de verzoekende partij zich op de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  7. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  8. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  9. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. X-13.026-17/19 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedures 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. De hoger bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid strijden niet met de bepalingen van de genoemde richtlijn. 12. De verzoekende partij doet niet blijken van de vereiste hoedanigheid bij het ingestelde beroep. De verwijzingen in de laatste memorie naar de artikelen 7bis en 23 van de Grondwet en het stand-still-principe doen aan deze conclusie geen afbreuk en houden eerder verband met de grond van de zaak. De exceptie van de verwerende partij en de tussenkomende partij is gegrond. Het beroep is om deze redenen niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.026-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.026-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.602 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.