← België

Arrest 197603 - Plannen van aanleg - 03/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.603 Rolnummer: A. 183636/X-13310 Zaak: Arrest 197603 - Plannen van aanleg - 03/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:47 Fiche Arrest nr 197.603 van 3 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.603 van 3 november 2009 in de zaak A. 183.636/X-13.

  1. In zake: Yves NINOVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 BERINGEN Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lemache kantoor houdend te 3800 SINT-TRUIDEN Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de stad HALEN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2007, strekt tot de nietigverkla- ring van : - het besluit van 26 juni 2006 van de gemeenteraad van de stad Halen houdende definitieve vaststelling van het bijzonder plan van aanleg “Zelem Recreatie”, bestaande uit een plan bestaande toestand, een bestemmingsplan, een onteigenings- plan, stedenbouwkundige voorschriften en een memorie van toelichting; - het besluit van 11 januari 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij het bijzonder plan van aanleg “Zelem Recreatie” genaamd, van de stad Halen, bestaande uit een plan bestaande toestand, een bestemmingsplan met de stedenbouwkundige voorschriften en een onteigenings- plan gedeeltelijk wordt goedgekeurd met uitzondering van de met blauw omrande delen en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften. X-13.310-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  5. De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend, de tweede verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederant- woord ten aanzien van de eerste verwerende partij en een toelichtende memorie ten aanzien van de tweede verwerende partij ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
  6. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Gregory Goossens, die loco advocaat Christian Lemache verschijnt voor de eerste verwerende partij. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. De verzoeker is mede-eigenaar van “een woning met omliggende gronden” gelegen aan de Kruisstraat 23 te Halen, deelgemeente Zelem. X-13.310-2/10 3.
  9. Op 9 januari 2006 stelt de gemeenteraad van de stad Halen een ontwerp van bijzonder plan “Zelem-Recreatie” voorlopig vast. De memorie van toelichting geeft, in de rubriek “4.1 Ruimtelijke structuurplannen” aan “welke richtinggevende elementen en/of bepalingen” van het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen (RSV) en van het Ruimtelijk Structuurplan Provincie Limburg (RSPL) “voor Halen van belang zijn”. Tevens bevat die toelichting een rubriek “9 Afwijkingen t.o.v. het gewestplan”. Het bij dit ontwerp horend onteigeningsplan voorziet in de onteigening van een deel van voornoemde gronden, meer bepaald de kadastrale percelen 239/e (volgnummer 1 en 2), 237/d (volgnummer 4), 237/e (volgnummer 5) en 234/b (volgnummer 9). 3.
  10. Tijdens het omtrent het voornoemde plan van 15 februari 2006 tot en met 17 maart 2006 gehouden openbaar onderzoek dient de verzoeker een bezwaarschrift in, waarin het volgende wordt gesteld: “Onze cliënt is mede-eigenaar van een onroerend goed gelegen te Zelem aan de Kruisstraat (Kad. Sectie B, nrs. 239E, 239F, 237D, 237E, 234B). Deze eigendom maakt het voorwerp uit van een nieuw openbaar onderzoek n.a.v. een voorlopig goedgekeurd bijzonder plan van aanleg met bijhorend onteigeningsplan (BPA Zelem-Recreatie), goedgekeurd op 09.01.2006 door uw gemeenteraad. Onze cliënt stelt vast dat hij in vergelijking met het vorige ontwerp nog steeds het grootste slachtoffer is van het BPA met goedgekeurd onteigenings- plan gezien zijn eigendom grotendeels zal worden onteigend. Weliswaar is nu de woning uitgesloten uit het onteigeningsplan, doch is de onteigeningsgrens aan de linkerzijde van de woning pal naast die woning gelegd. Dit is werkelijk onbegrijpelijk. De garage van de woning is immers links achteraan gelegen. Indien onteigend zou worden conform het goedgekeurde plan, kan onze cliënt zijn eigen garage niet eens meer bereiken. Eveneens wordt de volledige tuin aan de linkerzijde van de woning afgenomen en wordt de achterste grens van de eigendom van onze cliënt ook aanzienlijk beperkt. De living is aan de achterzijde. Indien onteigend zou worden conform het plan, zullen alle bezoekers van het sportcomplex zo maar kunnen binnenkijken bij cliënt die dan geen enkele privacy meer heeft. De kwestieuze woning met tuin heeft voor cliënt een bijzondere waarde vermits zij van zijn ouders was en hij daar als kind vroeger heel veel aangena- me momenten heeft beleefd. Momenteel wordt het gebruikt als vakantieverblijf door hemzelf, familie en vrienden. Bovendien is het de bedoeling dat cliënt, zodra hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt binnen enkele jaren, daar zou willen gaan wonen. Door de beoogde onteigening ingevolge het BPA zullen deze voordelen grotendeels van hem worden ontnomen. In de memorie van toelichting bij het BPA staat verkeerdelijk dat de woning van de bezwaarindieners geen achtertuin heeft. Cliënt beschikt over een mede-eigendom van meer dan 2,5 ha waaruit wel degelijk blijkt dat er een achtertuin is. X-13.310-3/10 Bovendien roept het feit dat het BPA voor de mede-eigendom van onze cliënt voornamelijk in zones voor parking en sport voorziet toch allerlei juridische vragen op. In de tuin van onze cliënt bevinden zich immers vele waardevolle bomen en natuurelementen. Volgens de biologische waarderingskaart, zijn de percelen van cliënt zelfs bestemd als biologisch waardevol. Die percelen vormen ook een toevluchtsoord voor allerlei bijzondere vogels, zoals de groene specht, de zwarte specht, een koppel waterkiekens en een koppel colverts. Er valt dan ook moeilijk in te zien hoe de creatie van een zeer ruime parkeerzone en een zone voor sport en recreatie op de percelen van cliënt kan getuigen van behoorlijk bestuur. Er kan immers niet miskend worden dat een gemeente binnen haar grondgebied dient bij te dragen tot de doelstellingen inzake milieubeleid zoals die zijn neergelegd in art. 1.2.
  11. van het Decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van 05.04.1995 en het natuurbehoud (incl. de instandhou- ding van landschappen met ecologische waarde) maakt daar deel van uit (zie art. 1.2.1., 3/ DABM) Het feit dat het voorliggend dossier een stedenbouwkundig thema tot voorwerp heeft (een BPA), betekent dan ook geenszins dat in dit dossier aan de verplichting tot bijdrage in de realisatie van het milieubeleid geen aandacht moet worden besteed. Gezien de waardevolle natuurelementen die aanwezig zijn op de percelen van cliënt dient uw gemeente o.a. het standstill-, voorzorgs- en preventiebegin- sel in acht te nemen en de bestemmingen die het BPA voorziet voor die percelen kunnen daarmee niet worden verzoend. Bovendien is er de specifieke zorgplicht die op iedereen, en derhalve ook op de gemeentelijke overheid, rust ingevolge de artikelen 14 en 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu: ‘Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen.’ Het is trouwens opvallend dat in de memorie van toelichting geen enkele aandacht wordt besteed aan het DABM en aan de hoger geciteerde artikelen 14 en 16 van het decreet van 21.10.1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Onze cliënt heeft dan ook de stellige indruk dat hij als niet-inwoner van de stad Halen als een gemakkelijke prooi beschouwd worden in het kader van de onteigening. Het voorzien van sportterreinen op de eigendom van onze cliënt is trouwens ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Aan de overzijde van de Linkhoutse- straat is immers eveneens een zeer uitgebreid stuk grond ter beschikking dat kan worden gebruikt voor de doeleinden die nu voorzien zijn op de eigendom van onze cliënt. Er wordt dan weliswaar in de eerste 50 meter een bouwzone voorzien en daarachter agrarische zone, doch in die agrarische zone zal evengoed het geplande sport- en recreatiegebied kunnen ontwikkeld worden. Een andere discriminatie bestaat in het feit dat de zone voor open en halfopen bebouwing (artikel 8) wel wordt voorzien binnen het BPA, doch niet op de eigendom van onze cliënt. Voor zover deze percelen zijn opgenomen in het BPA wordt immers enkel voorzien in een zone voor sport en recreatie, een zone voor parkeren in het groen en nog wat groenstroken. X-13.310-4/10 Om die redenen verzoekt onze cliënt dat de tuin grotendeels kan behoud worden en ook dat de voorziene zone voor parkeren in het groen op zijn eigendom wordt gesupprimeerd en uit het onteigeningsplan gehaald. Het verlies aan parkings kan gemakkelijk gecompenseerd worden op andere plaatsen binnen het projectgebied. Uit de memorie van toelichting blijkt trouwens dat de parking van het sportcentrum reeds een capaciteit heeft van +/- 100 wagens, zodat de voorziene zone voor ‘parkeren in het groen’ niet noodzakelijk is voor de werking van de sportinfrastructuur. Bezwaarindiener vraagt verder uitdrukkelijk om te worden gehoord. Hij heeft dit in zijn vorig bezwaar ook gedaan, doch betreurt dat u daarop niet bent ingegaan. Onze cliënt is niet tegen uw initiatief op zich, doch wenst wel een aanvaardbare tuin te behouden wat minstens impliceert dat aan de linkerzijde van de woning nog twintig meter kan behouden worden. Ook achteraan dient nog bijkomend twintig meter uit het onteigeningsplan gelaten te worden of toch dat minstens de lijn gelijkgetrokken met de lijn die aan de rechterkant van het onteigeningsplan begint. Waarom springt die lijn trouwens in achter die gebouwen getekend ander punt 2 op het onteigeningsplan ? Dat op zich is eveneens een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel wordt zodat perceel 237d grotendeels behouden kan worden”. 3.
  12. Op 20 maart 2006 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Halen dat “de ontwerper een nota opmaakt over de ingediende bezwaren”. 3.
  13. In een 11 mei 2006 gedateerd stuk worden de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren op een omstandige wijze besproken en weerlegd door de n.v. groep Delta stedenbouw, zijnde de ontwerper van het ontwerp van het bijzonder plan van aanleg. 3.
  14. Op 16 mei 2006 bespreekt en weerlegt de Gecoro het bezwaar- schrift van de verzoeker als volgt: “De onteigeningslijn links van de woning, nu ingetekend tot tegen de woning is inderdaad niet logisch en eigenlijk niet realiseerbaar. De Gecoro stelt voor de onteigeningslijn 10 m op te schuiven. Samen met de groenbuffer van 10 m garandeert dit voldoende privacy voor de woning. De overige argumenten welke worden aangebracht in het bezwaarschrift worden niet bijgetreden”. 3.
  15. Op 12 juni 2006 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Halen het ontwerp van bijzonder plan van aanleg ter goedkeuring aan de gemeenteraad voor te leggen “overwegende dat de GECORO de bezwaren en adviezen heeft besproken in zitting van 16 mei 2006”. X-13.310-5/10 3.
  16. Op 26 juni 2006 stelt de gemeenteraad van de stad Halen het bijzonder plan van aanleg Zelem-Recreatie (hierna: het BPA), bestaande uit een plan bestaande toestand, een bestemmingsplan, een onteigeningsplan, stedenbouwkundi- ge voorschriften en een memorie van toelichting, definitief vast “met uitsluiting uit het onteigeningsplan en bestemmingsplan van een zone van 10 meter. Deze zone voor buffergroen wordt door de stad Halen gerealiseerd. Dit om tegemoet te komen aan de bezwaren”. Dit is het eerste bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Gezien de voorgenomen ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de visie neergeschreven in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Halen dat nu in een definitieve fase getreden is. (...) Overwegende dat de GECORO de bezwaren en adviezen heeft besproken in zitting van 16 mei 2006”. 3.
  17. Op 11 januari 2007 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het BPA goed met uitzondering van de met blauw omrande delen en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en beslist hij dat “het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen, aangegeven op het onteigeningsplan”. Dit is het tweede bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördi- neerd op 22 oktober 1996, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999, stelt dat een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het Ruimtelijk Structuur- plan Vlaanderen. (...) Overwegende dat de plenaire vergadering over het ontwerp gemeentelijk ruimtelijk structuurplan HALEN plaats vond op 4 juli 2005 en dat daarmee aan de eerste voorwaarde voor toepassing van de zonet vermelde bepaling uit artikel 14 is voldaan. Overwegende dat voor voorliggend bijzonder plan van aanleg, zoals blijkt uit de stedenbouwkundige verantwoording bij de plannen, een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het Ruimtelijk Structuur- plan Vlaanderen; dat daarmee voor het bijzonder plan van aanleg is voldaan aan de tweede voorwaarde in toepassing van vermeld artikel 14”. X-13.310-6/10 IV. Onderzoek van het tweede middel A. Uiteenzetting van het middel 4.
  18. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de materiële en de formele motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “* Uit de bestreden besluiten, noch uit het advies van de GECORO, blijkt dat het bezwaarschrift dat de verzoekende partij heeft ingediend op een correcte manier werd behandeld en beantwoord. Een zorgvuldige overheid dient voor de concrete inrichting van het betrokken gebied de belangen van de onderscheiden eigenaars zoals die tijdens het openbaar onderzoek aan het licht zijn Igekomen, af te wegen tegen het algemeen belang. Indien de betrokken overheden vaststellen dat het ontworpen BPA ernstige problemen doet rijzen vanuit het oogpunt van de hinder voor bepaalde eigenaars, dienen die betrokken overheden in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften op te nemen om de hinder binnen aanvaardbare grenzen te houden. Zo stelde Uw Raad in haar arrest nr. (...) dat de gemeenteraad zelf verplicht is zich een eigen oordeel over het al dan, niet definitief aannemen van een ontwerpplan te vormen. Dit is in casu niet gebeurd. Het is nogal logisch dat het recht dat wordt gegeven om bezwaar in te dienen de verplichting met zich meebrengt voor de tegenpartijen om de ingediende bezwaren te onderzoeken en te beantwoorden. (...) * De tegenpartijen komen in casu aan de op hen rustende zorgvuldigheids- plicht tekort vermits zij enerzijds vaststellen dat het plan aanleiding kan geven tot het ontstaan van hinder voor verzoeker, doch nalaten daarvoor op een rechtszekere manier een oplossing te bieden, minstens geen oplossing hebben geboden die ook aan andere eigenaars werd toegestaan. Het is eveneens in strijd met de algemene motiveringsplicht dat de gemeente- raad, noch de Minister in casu het bezwaar van verzoekende partij hebben weerlegd. De summiere weerlegging van de bezwaren door de GECORO werd niet door de gemeenteraad tot de zijne gemaakt, noch door de Minister. Bovendien is de weerlegging van de bezwaarschriften door de GECORO op een zeer summiere wijze gebeurd, wat helemaal niet getuigt van een behoorlij- ke behandeling van de bezwaarschriften, laat staan van een behoorlijke beantwoording ervan. Dit alles is een schending van de in dit middel aangehaal- de beginselen van behoorlijk bestuur. Het vier bladzijden tellende bezwaarschrift van verzoeker (...) werd door de GECORO als volgt beantwoord: ‘Bezwaarschrift Yves Ninove De onteigeningslijn links van de woning, nu ingetekend tot tegen de woning, is inderdaad niet logisch en eigenlijk niet realiseerbaar. De GECORO stelt voor de onteigeningslijn 10 m op te schuiven. Samen met de groenbuffer van 10 m garandeert dit voldoende privacy voor de woning. De overige argumenten welke worden aangebracht in het bezwaarschrift worden niet bijgetreden.’ De gedeeltelijke tegemoetkoming door de onteigeningslijn links van de woning 10 meter op te schuiven is maar een klein aspect van het bezwaar- schrift. X-13.310-7/10 De uiteindelijke weerlegging van de andere bezwaren, die helemaal niet werden aanvaard, is zeer summier en nietszeggend: ‘De overige argumenten welke worden aangebracht in het bezwaarschrift worden niet bijgetreden’. (...) Er wordt helemaal niet aangetoond waarom die andere bezwaren niet worden bijgetreden, wat nochtans de essentie uitmaakt van een motiverings- plicht en zorgvuldigheidsplicht. Blijkbaar heeft de GECORO alleen de eerste bladzijde van het bezwaarschrift van verzoekende partij gelezen. Er wordt helemaal geen antwoord geboden op het bezwaar: - dat de achterste grens van de eigendom van verzoekende partij aanzienlijk wordt beperkt. Verzoekende partij beschikt over een eigendom van meer dan 2,5 ha, waaruit wel degelijk blijkt dat er een achtertuin is. Met de voorziene onteigening behoudt hij maar een zeer kleine ruimte achter zijn huis. Voor zijn huis, is er een bos en geen tuin. - dat er zich zeer vele waardevolle bomen en natuurelementen in de tuin achter de woning bevinden. (...) - dat er strijdigheid is met o.m. het decreet houdende algemene bepaling- en inzake milieubeleid van 05.04.1995 en het decreet natuurbehoud. - dat verzoekende partij de strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel aanhaalt met de buur die een stal mag behouden waardoor de onteige- ningslijn niet evenwijdig met de Kruisstraat loopt maar een knik krijgt ter hoogte van het perceel van verzoeker en met de overzijde van de Linkhoutsestraat. Evenmin wordt uitgelegd waarom er maar een zone van 10 meter is uitgesloten aan de linkerzijde van het perceel, daar waar - voor zover het BPA met onteigeningsplan toch zou goedgekeurd worden- in onderge- schikte orde 20 meter werd gevraagd en er bovendien ook gevraagd werd om achter de woning nog bijkomend 20 meter uit het onteigeningsplan te laten of toch minstens de lijn gelijk te trekken met de lijn die aan de rechterkant van het onteigeningsplan (gezien vanuit de Kruisstraat) begint. (...) Alle hogere elementen tonen duidelijk aan dat de alhier bestreden beslissing- en niet gemotiveerd zijn, minstens niet afdoende, en geen rekening hebben gehouden, althans niet afdoende, met de ingediende bezwaren, wat strijdig is met de in dit middel aangehaalde beginselen. * In de bestreden besluiten wordt ook een inbreuk gepleegd op de materiële motiveringsplicht in die zin dat de in de bestreden besluiten opgenomen argumenten niet afdoende aantonen waarom de bestreden beslissingen genomen kunnen worden, minstens ook feitelijk onjuiste elementen bevatten die van wezenlijk belang zijn. Op blz. 2 van het M.B. wordt gesteld dat het BPA de uitbreiding van het recreatiegebied Kambergen beoogt. Uit het gewestplan Hasselt-Genk (...) blijkt dat er in de omgeving helemaal geen recreatie gebied Kambergen is. De omgeving is gekenmerkt door woongebied, agrarisch gebied, bosgebied, natuurgebied en woonuitbreidingsgebied en zone voor openbare nutsvoorzie- ningen. Recreatiegebied is niet aanwezig”. X-13.310-8/10 B. Beoordeling 4.2.
  19. Het recht om bezwaar in te dienen brengt voor de overheid tot wie deze bezwaren zijn gericht de verplichting mee de regelmatigheid en de gegrond- heid van de ingediende bezwaarschriften te onderzoeken en te beoordelen. 4.2.
  20. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker een omstandig bezwaar heeft ingediend dat niet enkel betrekking had op het feit dat volgens het onteigeningsplan zijn “eigendom grotendeels zal worden onteigend” en dat, desondanks, de Gecoro, in zijn advies van 16 mei 2006, zich beperkt heeft tot een bespreking van het onteigeningsaspect, en voor het overige enkel heeft gesteld dat “de overige argumenten welke worden aangebracht in het bezwaarschrift niet worden bijgetreden”. Anders dan de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord wil doen voorkomen zijn de andere bezwaren van de verzoeker er niet “enkel op gericht de geplande onteigening te verhinderen”. Immers die bezwaren blijken mede betrekking te hebben op de planologische bestemmingen welke het bestreden plan van aanleg aan de te onteigenen goederen beoogt te geven. 4.2.
  21. Uit het gemeenteraadsbesluit van 20 juni 2006 blijkt dat de gemeenteraad rekening heeft gehouden met voormeld onteigeningsaspect, doch geenszins oog heeft gehad voor de andere door de verzoeker aangevoerde bezwaren. In voormelde beslissing wordt evenmin verwezen naar de weerlegging van de bezwaren, opgemaakt door de ontwerper van het bijzonder plan van aanleg, laat staan dat - zoals de eerste verwerende partij in haar laatste memorie voorhoudt - de gemeenteraad zich die weerlegging zou hebben eigen gemaakt. In de gegeven omstandigheden blijkt niet dat verzoekers bezwaren naar behoren werden onderzocht. 4.2.
  22. Het bestreden goedkeuringsbesluit, waarin overigens evenmin wordt verwezen naar de weerlegging van de bezwaren door de ontwerper, overweegt ten onrechte dat “de bezwaarschriften uit het openbaar onderzoek allebei betrekking hebben op dit onteigeningsplan” en “dat de bezwaarschriften uitgebreid behandeld zijn door de Gecoro”. 4.2.
  23. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. X-13.310-9/10 BESLISSING
  24. De Raad van State vernietigt : - het besluit van 26 juni 2006 van de gemeenteraad van de stad Halen houdende definitieve vaststelling van het bijzonder plan van aanleg “Zelem Recreatie”, bestaande uit een plan bestaande toestand, een bestemmingsplan, een onteigeningsplan, stedenbouwkundige voorschriften en een memorie van toelichting; - het besluit van 11 januari 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening waarbij het bijzonder plan van aanleg “Zelem Recreatie” genaamd, van de stad Halen, bestaande uit een plan bestaande toestand, een bestemmingsplan met de stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan gedeeltelijk wordt goedgekeurd met uitzondering van de met blauw omrande delen en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften.
  25. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
  26. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.310-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.