id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.606 Rolnummer: A. 150224/X-11835 Zaak: Arrest 197606 - Wegenwezen - 03/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:47 Fiche Arrest nr 197.606 van 3 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.606 van 3 november 2009 in de zaak A. 150.224/X-11.835. In zake : Jozef DE SMEDT, die woonplaats kiest bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, 2. de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat 28. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef DE SMEDT op 31 maart 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: 1. het besluit van 22 januari 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het besluit van 5 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant tot gedeeltelijke afschaffing van de voetwegen nrs. 61 en 64 te Opwijk; 2. het besluit van 5 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende de gedeeltelijke afschaffing van de voetwegen nrs. 61 en 64; 3. het besluit van 19 december 2002 van de gemeenteraad van de gemeente Opwijk inzake de gedeeltelijke afschaffing van de voetwegen nrs. 61 en 64; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-11.835-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. DU GARDEIN, die loco advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat M. van DIEVOET, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar en bewoner van een woning gelegen aan de Marktstraat te Opwijk, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nrs. 329/l en 330/m. 1.2. Vertrekkend aan de Marktstraat loopt de voetweg nr. 64 over de voormelde percelen van de verzoeker (deel A-B) naar de Ringlaan (deel B-C-E). X-11.835-2/11 Vanaf de Fabriekstraat loopt de voetweg nr. 61 naar de voetweg nr. 64 (deel M-L-K-G-B), waarna deze aansluit op de voetweg nr. 64 en deels de bedding ervan volgt (deel B-C), om dan rechtsaf te slaan en uit te lopen in de voetweg nr. 66 (deel C-D). 1.3. Van 29 mei 2002 tot 13 juni 2002 wordt over de afschaffing van de voormelde weggedeelten van de voetwegen nrs. 61 en 64 een openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden twee bezwaarschriften ingediend, waaronder één door de verzoeker. In het bezwaarschrift van de verzoeker wordt onder meer het volgende gesteld: “Door het afschaffen van dit gedeelte van voetweg 61 zou onze tuin niet meer bereikbaar zijn via deze openbare voetweg die meer dan 5 m breed is. Dit veroorzaakt een aanzienlijke te verhalen minwaarde voor mijn woning”. 1.4. Op 19 december 2002 beslist de gemeenteraad van Opwijk, na onderzoek van de ingediende bezwaren, aan de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant voor te stellen de voetwegen nrs. 61 en 64 gedeeltelijk af te schaffen. Dit is het derde bestreden besluit. Over het bezwaarschrift van de verzoeker wordt in het gemeenteraadsbesluit onder meer het volgende gesteld: “Wij snappen niet dat de afschaffing van voetweg een minwaarde voor zijn eigendom zou betekenen vermits de klager beweert dat hij een conventioneel recht van overgang heeft over de eigendom van de brouwerij en zodoende zijn tuin achteraan wel bereikbaar is. Dit conventioneel recht van overgang wordt in vraag gesteld door de brouwerij”. In het gemeenteraadsbesluit wordt gesteld dat in 1953 het deel K-L van de voetweg nr. 61 overbouwd werd door de n.v. Brouwerij (Mouterij) De Smedt met toelating van de gemeente Opwijk en dat in 1969 een onderdeel van de op het perceel van de verzoeker gelegen delen A-B en B-G van de voetweg nr. 64 door de gemeente verkocht werd aan A. De Smedt-Luycx. Verder wordt in het gemeenteraadsbesluit onder meer het volgende overwogen: “Gelet op het feit dat in dit dossier de gemeente Opwijk allicht administratief in de fout is gegaan door het feit dat de oude bedding pas kan verkocht worden via een besluit van de gemeenteraad (desaffectatie uit het openbaar domein plus verkoop) en een administratieve of notariële akte als gevolg hiervan nadat de Bestendige Deputatie van de Provincie een besluit heeft genomen tot afschaffing; (...) X-11.835-3/11 Gelet op het feit dat de toenmalige eigenaars A. De Smedt -Luycx door het kopen van de bovenvermelde 90,75 m² wellicht in de waan verkeerden dat hierdoor alles in orde was om een woning aldaar (sectie B 330-m, 329-
- l)op te trekken; Gelet op het feit dat de gemeente Opwijk in dit geval administratief in gebreke is gebleven en dat de toenmalige noch de huidige eigenaars moeilijk hiervoor kunnen opdraaien; (...) Gelet op het feit dat de voetweg nr. 61 op het bovenvermeld plan aangeduid tussen D en C (...) thans ligt op de eigendom van de gemeente Opwijk welke gelegen is aan de Ringlaan 20 en waarop het gemeentehuis (GAC nr. II) van Opwijk staat; Gelet op het feit dat de zate van de voetweg nr. 64 tussen de punten B en C behoort tot de eigendom van de Affligem Brouwerij BDS N.V. en de zate van de voetweg nr. 64 tussen de punten C en E grotendeels behoort tot de eigendom van de Affligem Brouwerij BDS N.V. en voor een klein gedeelte tot de eigendom van de gemeente Opwijk; Gelet op het feit dat het voorstel tot gedeeltelijke afschaffing van de bovenvermelde voetwegen er eigenlijk in bestaat om een feitelijke toestand te regulariseren welke in een aantal gevallen onomkeerbaar is”. 1.5. Met een brief van 12 januari 2003 deelt de verzoeker het volgende mee aan de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant: “Het advies van de gemeenteraad berust hoofdzakelijk op verkeerde overwegingen. (...)
- b)Met onze bezwaren dient geen rekening te worden gehouden omdat wij toch over een conventionele erfdienstbaarheid beschikken. Spijtig genoeg blijkt dit recht van overgang volgens de vrederechter niet meer geldig te zijn o.a. doordat het ten dele samenvalt met de buurtweg 61 en er geen geschreven verlegging van de zate bestaat.
- c)Het zou gaan om een regularisatie van een reeds jaren bestaande toestand. Dit is niet zo, want de aanpalers hadden steeds een uitweg. Feit is dat de aanpalende eigenaars slechts protest hebben aangetekend vanaf het ogenblik dat de brouwerij - Enerzijds de facto het gebruik van de buurtweg onmogelijk maakte toen zij haar overbouwing aan de Fabriekstraat in 1991 toemetste. Dit zonder bouwvergunning. - Nadien ook de uitweg die zij aanvaardde langs de Ringlaan weigerde. - In een derde fase zich beroept op haar eigen onrechtmatig handelen om ook de afschaffing en aankoop van de zate te vragen, stellende dat de buurtweg niet meer wordt gebruikt”. 1.6. In een nota aan de gouverneur van 26 maart 2003 stelt de directeur infrastructuur van de provinciale dienst wegen, onder meer het volgende: “Ter plaatse blijkt dat het openbaar karakter van beide wegen verdwenen is door de aanwezigheid van een woning, muren in metselwerk en een fabrieksgebouw. Geen van beide wegen werd officieel afgeschaft. X-11.835-4/11 Uit de overwegingen weerhouden in de gemeenteraad van 19/12/2002 blijkt dat deze weggedeelten reeds verkocht werden. Alvorens tot de verkoop van een wegzate, in volle eigendom van de gemeente, over te gaan, dient volgens de wet op de buurtwegen van 10 april 1841, voorafgaandelijk de buurtweg afgeschaft bij beslissing van de bestendige deputatie. Na afschaffing kunnen de aanpalende eigenaars een gedeelte van de afgeschafte bedding aankopen. Doordat een gedeelte van voetweg nr. 61 en voetweg nr. 64 reeds verkocht werden zonder de noodzakelijke, door de bestendige deputatie goedgekeurde afschaffing is een onwettige toestand ontstaan die door de gemeente thans wordt aangewend om de afschaffing van deze wegen te motiveren. De dienst wegen is van mening dat onwettige beslissingen uit het verleden, waarvan derden het slachtoffer zijn, geen aanleiding kunnen geven voor het indienen van een regularisatie teneinde deze toestanden ‘recht’ te trekken. Gezien de toestand ter plaatse is de dienst wegen van mening dat, niettegenstaande de betrokken wegzates onrechtmatig verkocht werden, de gemeente Opwijk dringend dient verzocht de voetwegen nrs. 61 en 64 terug open te stellen. Pas dan kan een objectief oordeel geveld worden over de opportuniteit van de af te schaffen gedeelten. In de huidige toestand wordt de bestendige deputatie in haar beoordeling voor een voldongen feit geplaatst waarvoor in essentie geen alternatief bestaat”. 1.7. Op 5 juni 2003 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant tot de gedeeltelijke afschaffing van de voetwegen nrs. 61 en 64. Dit is het tweede bestreden besluit. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen: “III. Uiteenzetting van de feiten: De aanvraag tot verplaatsing van voetweg nr. 26 gaat uit van het gemeentebestuur van Opwijk om een feitelijke toestand te regulariseren. Het gedeelte van voetweg nr. 61 dat de verbinding vormt tussen de Fabriekstraat (buurtweg nr. 23) en voetweg nr. 64 behoort in volle eigendom aan de gemeente. Dit gedeelte heeft een breedte van 4,40m. tot 5,60m. Het gedeelte van voetweg nr. 64 dat de verbinding vormt tussen de Marktstraat (buurtweg nr. 1) en voetweg nr. 61 behoort in volle eigendom aan de gemeente. De weg heeft een breedte tussen 1,80 en 2,40m. Ter plaatse blijkt dat het openbaar karakter van beide wegen verdwenen is door de aanwezigheid van een woning, muren in metselwerk en een fabrieksgebouw. Geen van beide wegen werd officieel afgeschaft. Een deel van deze voetwegen werd reeds door de gemeente verkocht aan de aanpalende eigenaars. IV. Onderzoek en motivering: (...) De heer en mevrouw De Smedt-De Doncker vragen de doorgang naar de Ringlaan, die nu nog aanwezig is, open te houden. Zij betwisten dat zij zich akkoord hebben verklaard met de afschaffing van deze voetweg. Door de gedeeltelijke afschaffing van de voetweg is de tuin van hun woning niet meer bereikbaar via deze voetweg wat een minwaarde van hun eigendom betekent. In de beraadslaging van de gemeenteraad van 19 december 2002 werden deze klachten gemotiveerd weerlegd. Voetweg nr. 61 is in onbruik geraakt door de oprichting van een loods van ongeveer 30 meter lang. Op het einde van het tracé van de voetweg nr. 64, ter X-11.835-5/11 hoogte van de Marktstraat, werd een woning opgericht zodat deze voetweg eveneens in onbruik geraakte. Door de gedeeltelijke afschaffing van voetweg nr. 61 en van voetweg nr. 64 wordt de feitelijke toestand geregulariseerd”. 1.8. Tegen het voornoemde besluit van de bestendige deputatie stelt de verzoeker op 11 juli 2003 beroep in. Daarin voert hij onder meer het volgende aan: “De feiten (...) In 1999 verwerft de gemeente Opwijk een perceel grond waarover de voetwegen 64 en 61 lopen. (...) De gemeente [koopt] het perceel volledig en verkoopt dezelfde dag nog een stuk van dit erf aan de Brouwerij (...). De brouwerij legt over dit nieuw verworven stuk een nieuwe verharde straat tot aan het erf van de indieners van het beroep. (...) Gronden 1. Machtsafwending De bestendige deputatie zegt enkel ‘dat zij door de gemeente Opwijk voor een voldongen feit wordt geplaatst’. En dat zij tegen het advies van de administratie in, de gemeente Opwijk in niets wil ontbloten. Dit terwijl de beslissing over het al dan niet afschaffen van een straat dient te steunen op overwegingen van algemeen belang en van afweging van belangen van de aanpalenden. (...) 4. Niet naleving zorgvuldigheidsplicht De Bestendige Deputatie stelt dat het gaat om ‘een regularisering van een feitelijke toestand en het afschaffen van een in onbruik geraakte voetweg’. Niets is minder waar. De bestendige deputatie aanvaardt zonder meer deze voorstelling van zaken die door de gemeente en de brouwerij wordt gegeven (...). Dit terwijl zoals blijkt de afschaffing van buurtweg nr. 61 (...) een zeer ernstig nadeel berokkent aan de particuliere aangelanden in het bijzonder, maar ook aan het verkeer in het centrum van de gemeente zelf en het dorpsleven”. 1.9. Op 22 januari 2004 keurt de bevoegde Vlaamse minister het besluit van de bestendige deputatie van 5 juni 2003 goed. Dit is het eerste bestreden besluit. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende dat de betrokken wegen gelegen zijn in woongebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse; Overwegende dat de betrokken voetwegen beiden gelegen zijn in het bijzonder plan van aanleg nr. 4 ‘Gasthuis’, goedgekeurd bij ministerieel besluit op 15 mei 2003, dat het bijzonder plan van aanleg voor de betrokken delen van de voetwegen de bestemmingen ‘zone voor gesloten bebouwing type’, ‘zone voor koeren en tuinen’, ‘zone voor niet hinderlijke kleine en middelgrote ondernemingen’, ‘zone voor openbaar nut of gemeenschapsvoorzieningen’ voorziet; Overwegende dat het vermelde bijzonder plan van aanleg ‘Gasthuis’ een stedenbouwkundige ordening bevat die de ontsluiting van de deelgebieden en X-11.835-6/11 binnengebieden van het plangebied regelt; dat hierin paden voor voetgangers en fietsers werden voorzien; Overwegende dat het beroep geen stedenbouwkundige elementen betreft maar privaatrechtelijke erfdienstbaarheden die geen onderwerp kunnen uitmaken van deze beslissing maar dienen te worden afgehandeld door de bevoegde gerechtelijke instanties, Overwegende dat de gedeeltelijke afschaffing van de voetwegen geen weerslag heeft op structuurbepalende elementen van Vlaams niveau; dat er geen tegenstrijd is met opties van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; Overwegende dat de gemeente Opwijk beschikt over een goedgekeurd gemeentelijk structuurplan en de afschaffing van de betrokken buurtwegen binnen de structuurschets, kern Opwijk site Gasthuis, past”. 2. Ontvankelijkheid 2.1. De aangevoerde excepties 2.1.1. In hun memories van antwoord voeren de verwerende partijen aan dat het beroep enkel ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen het ministerieel besluit van 22 januari 2004, aangezien het besluit van 19 december 2002 van de gemeenteraad een louter voorbereidende handeling uitmaakt en het ministerieel besluit van 22 januari 2004 in de plaats is gekomen van het besluit van 5 juni 2003 van de bestendige deputatie. 2.1.2. De tweede verwerende partij voert in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis aan die zij afleidt uit het feit dat het besluit van de bestendige deputatie aan de verzoeker ter kennis werd gebracht bij schrijven van 16 juni 2003 en uit het feit dat het ministerieel besluit van 22 januari 2004 aan de verzoeker ter kennis werd gebracht bij schrijven van 29 januari 2004. 2.1.3. In haar memorie van antwoord voert de eerste verwerende partij aan dat de verzoeker geen belang heeft bij het beroep aangezien “de verzoekende partij reeds jaren kennis had van de onbruikbaarheid van een groot gedeelte van de voetweg”, zodat de verzoeker “geen belang heeft om te reageren tegen een beslissing welke een feitelijke toestand regulariseert”. In haar memorie van antwoord voert de tweede verwerende partij aan dat de verzoeker geen belang heeft bij het beroep aangezien “de voetweg aldaar (door het eigen bedrijf van de familie van verzoeker) werd overbouwd en de gevorderde ‘ontsluiting’ of ‘losrechten’ klaarblijkelijk enkel nog een conventioneel recht kunnen uitmaken, waartoe niet de Raad van State doch wel de burgerlijke rechtbanken bij uitsluiting bevoegd zijn”. X-11.835-7/11 2.2. Beoordeling van de excepties 2.2.1. De bestreden besluiten zijn tot stand gekomen in het kader van de procedure als bepaald in artikel 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, waarvan de Nederlandse vertaling als volgt luidt: “De aanleg, de afschaffing of de wijziging van een buurtweg moeten voorafgegaan zijn van een onderzoek. De beraadslagingen der gemeenteraden worden onderworpen aan de bestendige deputatie van de provinciale raad, welke beslist behoudens beroep bij de Koning vanwege de gemeente of van de belanghebbende derden. De beslissingen van de deputatie worden bekendgemaakt door de colleges van burgemeester en schepenen, van de zondag af na dezelver ontvangst en blijven gedurende acht dagen aangeplakt. Het beroep bij de Koning schorst de beslissingen. Het moet uitgeoefend en aan de gouverneur overgemaakt worden, binnen de vijftien dagen volgende op de in vorige paragraaf vermelde bekendmaking”. De in de voornoemde bepaling bedoelde respectieve bevoegdheden van de gemeenteraad, de bestendige deputatie en de regering dienen als volgt begrepen te worden: de gemeenteraad beoordeelt het nut van de afschaffing van een buurtweg maar aan de bestendige deputatie komt de beslissing toe. De bestendige deputatie treedt daarbij niet op als toezichthoudende overheid, maar oefent een beslissingsrecht uit. De Koning -met toepassing van artikel 6, X, 1/ van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, nu de gewestregering - oefent een goedkeuringstoezicht uit ten aanzien van de beslissing genomen door de bestendige deputatie. Het voornoemde gemeenteraadsbesluit is slechts een “voorstel” en derhalve geen voor nietigverklaring vatbare handeling. Anders dan de verwerende partijen dat zien, komt het bestreden ministerieel goedkeuringsbesluit niet in de plaats van de deputatiebeslissing en heeft het tegen die laatste beslissing gerichte beroep dus wel degelijk een voorwerp. Ratione materiae is het beroep ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen het eerste en het tweede bestreden besluit. 2.2.2. Zolang een aan goedkeuring onderworpen besluit niet is goedgekeurd, kan het geen uitwerking hebben, is het niet voor nietigverklaring vatbaar en kan de beroepstermijn dan ook niet ingaan. Die beroepstermijn kan ten vroegste ingaan de dag waarop het aan goedkeuring onderworpen besluit wordt goedgekeurd. X-11.835-8/11 Bij brief van 29 januari 2004, die de verzoeker daags nadien heeft ontvangen, wordt enkel meegedeeld dat er “op 22/01/04 een ministerieel besluit werd getroffen” en dat “U hiervan inzage kunt verkrijgen bij het betrokken gemeentebestuur, dat heden door mij in kennis van het besluit wordt gesteld”. De verzoeker heeft binnen vijf dagen -dit is binnen een redelijke termijn- inzage genomen van het voormelde besluit. Derhalve is het op 31 maart 2004 ingestelde beroep tijdig, zowel ten aanzien van het goedgekeurde besluit als ten aanzien van het goedkeuringsbesluit. 2.2.3. Als aanpalende van de voetwegen nrs. 61 en 64, die het hem krachtens artikel 28, tweede lid van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen openstaande beroep heeft ingesteld, doet de verzoeker blijken van het rechtens vereiste belang. 3. Ten gronde 3.1. Het eerste en het derde middel In het eerste en het derde middel voert de verzoeker onder meer aan dat er, spijts zijn uitdrukkelijk bezwaar dienaangaande, in het tweede bestreden besluit geen afdoende en pertinente rechtvaardiging wordt gegeven voor de voorgenomen afschaffing, althans voor wat betreft de redenen van algemeen belang die aan dit initiatief ten grondslag zouden moeten liggen. In haar memorie van antwoord benadrukt de tweede verwerende partij dat in het tweede bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gewezen op de oprichting van een loods op het deel K-L ter hoogte van de Fabriekstraat en van een woning op het deel A-B ter hoogte van de Marktstraat, waardoor de voetwegen in onbruik zijn geraakt. Verder stelt zij dat het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest een historisch gegroeide situatie te regulariseren. In zoverre de overweging in het tweede bestreden besluit dat “de feitelijke toestand geregulariseerd (wordt)” betrekking heeft op een wederrechtelijke bezetting van de openbare weg, moet worden vastgesteld dat een dergelijke “inpalming” op zich niet voor een wettig motief kan worden gehouden van het besluit waarbij over de afschaffing van de weg uitspraak wordt gedaan. In zijn memorie van wederantwoord merkt de verzoeker terecht op dat de verwijzing in het tweede bestreden besluit naar de voornoemde loods en X-11.835-9/11 woning slechts een gedeelte van de af te schaffen gedeelten van de buurtwegen betreft. De voornoemde gebouwen bevinden zich immers niet op de tracés die lopen van de achterzijde van de eigendom van de verzoeker naar de Ringlaan (deel B-C- E) en naar de voetweg nr. 66 (deel B-C-D). Voor de laatstgenoemde tracés vermeldt het tweede bestreden besluit geen overwegingen van algemeen belang die de afschaffing verantwoorden. Het eerste en het derde middel zijn in de aangegeven mate gegrond. 3.2. Het tweede middel In het tweede middel voert de verzoeker onder meer aan dat zijn beroep in het eerste bestreden besluit louter en alleen wordt getoetst aan de voor het gebied vigerende stedenbouwkundige voorschriften en bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het gemeentelijk structuurplan, terwijl de wetgeving inzake buurtwegen volkomen los staat van de stedenbouwkundige ordening van het gebied en het bij de vraag tot afschaffing van een buurtweg essentieel is dat wordt nagegaan of de besluitvorming hieromtrent het algemeen belang dient. In haar memorie van antwoord herneemt de eerste verwerende partij de in het eerste bestreden besluit tot uitdrukking gebrachte overwegingen, waarvan niet wordt betwist dat ze uitsluitend betrekking hebben op het feit dat de afschaffing niet in strijd is met de wetgeving inzake de stedenbouw en de ruimtelijke ordening en op het feit dat het beroepschrift van de verzoeker enkel privaatrechtelijke erfdienstbaarheden betreft. Bij het uitoefenen van het in artikel 28 van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen bedoelde goedkeuringstoezicht, heeft de minister in wezen te oordelen over de vraag of, gelet op de bewoordingen van het bij hem ingediende beroep, de afschaffing van de buurtwegen al dan niet verantwoord is en dus strookt met het algemeen belang. Ondanks het feit dat de verzoeker in zijn beroepschrift uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat het besluit van de bestendige deputatie de regel dat “de beslissing over het al dan niet afschaffen van een straat dient te steunen op overwegingen van algemeen belang en van afweging van belangen van de aanpalenden” schendt, bevat het eerste bestreden besluit daaromtrent geen enkel motief. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. X-11.835-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd worden: 1. het besluit van 22 januari 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het besluit van 5 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant tot gedeeltelijke afschaffing van de voetwegen nrs. 61 en 64 te Opwijk; 2. het besluit van 5 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende de gedeeltelijke afschaffing van de voetwegen nrs. 61 en 64. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie november 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.835-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.606 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div