← België

Arrest 197608 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 03/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.608 Rolnummer: A. 191990/XIV-33058 Zaak: Arrest 197608 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 03/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-10 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:47 Fiche Arrest nr 197.608 van 3 november 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 197.608 van 3 november 2009 in de zaak A. 191.990/IX-6285 In zake: Herman ROGGEMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carine Flamend kantoor houdend te Meise Vilvoordsesteenweg 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad AALST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep en de vordering

  1. Het verzoekschrift, ingediend op 30 maart 2009, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 oktober 2008 van de gemeenteraad van de stad Aalst, waarbij Nancy De Bruyne in aanmerking wordt genomen als geschikte kandidaat voor het begeven, via het systeem van de mobiliteit, van de betrekking van inspecteur van politie bij de dienst recherche van de lokale politie van Aalst, waarbij de voornoemde kandidaat wordt aangewezen voor die betrekking, waarbij wordt voorzien in de benoeming van de voornoemde kandidaat met ingang van het tijdstip van de daadwerkelijke opname van het ambt en waarbij wordt gesteld dat de kandidatuur van de verzoeker niet ontvankelijk is. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-6285-1/9 Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juni
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Carine Flamend, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politie van Aalst. Hij was werkzaam op de dienst recherche van het voornoemde politiekorps. Bij beslissing van 22 december 2006 van de zonechef, bevestigd op 16 januari 2007, werd hij bij ordemaatregel herplaatst naar de dienst kantschriften. Tot deze herplaatsing werd besloten, omdat -samengevat- de verzoeker het vertrouwen had verloren, zowel intern van de lokale recherche als extern van de parketmagistraten. De verzoeker heeft de desbetreffende beslissingen van de zonechef bestreden met een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing (zaak A. 181.217/IX-5573). De vordering tot schorsing werd bij arrest nr. 171.773 van 4 juni 2007 verworpen, omdat geen van de aangevoerde middelen ernstig werd bevonden. Bij afwezigheid van een verzoek tot voortzetting van de IX-6285-2/9 procedure binnen de voorgeschreven termijn, heeft de Raad van State bij arrest nr. 178.528 van 14 januari 2008 de afstand van het geding vastgesteld. 3.
  6. Op 18 december 2007 beslist de gemeenteraad van Aalst één betrekking van inspecteur van politie bij de dienst recherche vacant te verklaren en bij mobiliteit te laten begeven. Tevens wordt een selectiecommissie ad hoc samengesteld, die de kandidaten zal horen en advies zal verstrekken. 3.
  7. Op 18 februari 2008 stelt de selectiecommissie haar eindverslag op. Daarin vermeldt zij de kandidaatstelling van de verzoeker onder de “ontvank- elijke kandidaturen”, maar zij stelt voor de verzoeker niet geschikt te verklaren wegens het niet behalen van de vereiste score van 70 %. 3.
  8. Op 26 februari 2008 stelt de gemeenteraad de lijst van geschikte kandidaten vast en beslist hij Nancy De Bruyne aan te wijzen voor de vacante betrekking. Na een klacht van de verzoeker schorst de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen het desbetreffende gemeenteraadsbesluit, omdat de selectiecommissie niet regelmatig was samengesteld. 3.
  9. Op 24 juni 2008 beslist de gemeenteraad zijn geschorste besluit in te trekken en het gemeenteraadsbesluit van 18 december 2007 te wijzigen wat de samenstelling van de selectiecommissie betreft. 3.
  10. Met een brief van 30 juni 2008 worden alle kandidaten ervan in kennis gesteld dat de procedure voor het invullen van de vacature zal worden hernomen vanaf de hoorzitting door de selectiecommissie. 3.
  11. Met een brief van 17 september 2008 vraagt de verzoeker de wraking van een lid van de selectiecommissie. Blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting van de selectiecom- missie van 19 september 2008 wordt verzoekers vraag ingewilligd, maar maakt de verzoeker er nog wel bezwaar tegen dat het gewraakte lid alleen voor wat hem betreft en niet voor de andere kandidaten wordt vervangen. IX-6285-3/9 3.
  12. Op 19 september 2008 hoort de selectiecommissie de kandidaten. De selectiecommissie besluit dat de kandidatuur van de verzoeker niet ontvankelijk is. Het proces-verbaal van de hoorzitting vermeldt daarvoor de volgende motivering: “Roggeman Herman: deelt tijdens de hoorzitting mee aan de leden van de selectiecommissie dat hij in 2007 bij ordemaatregel overgeplaatst werd van de dienst recherche naar een andere dienst binnen de lokale politie Aalst. De selectiecommissie is van mening dat deze ordemaatregel (die rechtsgeldig werd bevonden door de Raad van State) door de kandidaat niet omzeild kan worden door zich opnieuw kandidaat te stellen voor een functie binnen de recherche van de lokale politie Aalst en dat het bestaan van deze rechtsgeldige ordemaatregel voldoende grond is om de kandidatuur van Herman Roggeman niet-ontvankelijk te verklaren.” Voorts stelt de selectiecommissie dat zij “op basis van de hoorzitting en het mobiliteitsdossier” Nancy De Bruyne de enige geschikte kandidaat acht voor het vacante ambt. 3.
  13. Op 21 oktober 2008 besluit de gemeenteraad, met verwijzing naar het verslag van 19 september 2008 van de selectiecommissie, dat Nancy De Bruyne wordt aangenomen als geschikte kandidaat (artikel 1), dat deze kandidaat “via het systeem van de mobiliteit” wordt aangewezen voor de betrekking van inspecteur van politie bij de dienst recherche van de politie van Aalst (artikel 2) en dat wordt voorzien in de benoeming van deze kandidaat met ingang van het tijdstip van daadwerkelijke opname van het ambt (artikel 3). Dit is het bestreden besluit. 3.
  14. Met een aangetekende brief van 20 november 2008 dient de verzoeker tegen dit gemeenteraadsbesluit klacht in bij de gouverneur. De gouverneur antwoordt met een brief van 28 januari 2009 dat hij het standpunt van de selectiecommissie deelt dat het niet de bedoeling kan zijn om via deelname aan het stelsel van de mobiliteit de eerder aan de verzoeker opgelegde ordemaatregel van de herplaatsing te omzeilen. IX-6285-4/9 IV. Ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring 4.
  15. De auditeur-verslaggever werpt in zijn verslag over de zaak ambtshalve een exceptie op van onontvankelijkheid van het beroep op, die hij steunt op de afwezigheid van een “geoorloofd” belang in hoofde van de verzoeker. Hij betoogt dienaangaande dat de verzoeker bij beslissingen van de zonechef van 22 december 2006 en 16 januari 2007 werd herplaatst van de dienst recherche naar de dienst kantschriften. De verzoeker heeft tegen die beslissingen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld, maar de Raad van State heeft de vordering tot schorsing wegens gebrek aan ernstige middelen verworpen en heeft vervolgens bij gemis aan voortzetting van de procedure door de verzoeker de afstand van het geding vastgesteld. Volgens de auditeur-verslaggever betekent dit laatste dat de verzoeker zich heeft neergelegd bij zijn herplaatsing, die hoe dan ook definitief wettig moet worden geacht. Wanneer de verzoeker met de voorliggende vordering de nietigverklaring en de schorsing beoogt van de beslissing waarbij zijn kandidatuur voor het begeven van de betrekking van inspecteur bij de dienst van de recherche van de lokale politie van Aalst onontvankelijk wordt verklaard, vraagt hij wezenlijk aan de Raad van State -aldus de auditeur-verslaggever- dat deze zijn medewerking zou verlenen aan het buiten werking stellen van de eerder aan de verzoeker opgelegde maatregel van herplaatsing, die inmiddels definitief als wettig moet worden beschouwd. De nietigverklaring van het bestreden besluit zou ertoe leiden dat de verwerende partij opnieuw de geschiktheid van de verzoeker moet beoorde- len, terwijl zij reeds eerder heeft geoordeeld dat de verzoeker niet geschikt is. De Raad van State zou zich aldus mengen in een aangelegenheid die tot de discretionai- re bevoegdheid van de verwerende partij behoort. De auditeur-verslaggever besluit “dat een belang dat erin bestaat een beslissing te laten schorsen/vernietigen om op die manier een andere beslissing, die genomen werd op grond van een discretionaire bevoegdheid en die als definitief en wettig moet worden beschouwd, buiten werking te stellen geen geoorloofd belang is”. IX-6285-5/9 Beoordeling 4.
  16. De beslissing van de zonechef van de lokale politie van Aalst van 22 december 2006, waarbij de verzoeker werd herplaatst van de dienst recherche naar de dienst kantschriften, bevestigd bij beslissing van dezelfde zonechef van 16 januari 2007, is na de verwerping van verzoekers vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissingen en de vaststelling van verzoekers afstand van het beroep tot nietigverklaring van deze beslissingen, voorzeker definitief geworden. Deze beslissingen hebben dan ook ten volle uitwerking kunnen krijgen. Hun uitwerking is evenwel beperkt tot de eigenlijke herplaatsing van de verzoeker. Ze houden niet in dat de verzoeker daarenboven uitgesloten is van de mogelijkheid om, op grond van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van de politiediensten, zich kandidaat te stellen voor vacante betrekkingen die bij mobiliteit worden begeven bij andere diensten van de lokale politie, zelfs bij de dienst recherche waar hij vóór zijn herplaatsing werd tewerkge- steld. Integendeel werd luidens de beslissing van de zonechef van 22 december 2006 de herplaatsing aan de verzoeker weliswaar opgelegd om een einde te stellen aan de bestaande problematiek, maar werd aldus aan de verzoeker ook de kans geboden het vertrouwen van de korpsleiding en de collega’s terug te winnen en zijn ervaring als lid van de lokale recherchedienst ten volle te benutten. Er werd dan ook geen afbreuk gedaan aan de aanspraken die de verzoeker uit de voormelde rechtspositie- regeling kan putten. De verzoeker heeft er dienvolgens een wettig belang bij een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een beslissing waarbij zijn kandidaat- stelling voor een vacante betrekking die bij mobiliteit wordt begeven, als onont- vankelijk wordt afgewezen en een andere kandidaat in die betrekking wordt benoemd. Door de nietigverklaring van een dergelijke beslissing zou de Raad van State zich geenszins in de plaats van het bestuur stellen. Dit laatste zou slechts ertoe verplicht worden de kandidaatstelling van de verzoeker opnieuw te onderzoeken en, in de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid die het te dezen kan laten gelden, zich daarover uit te spreken. De ambtshalve opgeworpen exceptie is derhalve niet gegrond. Hieruit volgt dat de beslechting van de zaak ten gronde niet kan worden afgedaan in korte debatten, in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling IX-6285-6/9 bestuursrechtspraak van de Raad van State. De zaak dient verder te worden onderzocht volgens de gewone rechtspleging. Er is dan ook grond om uitspraak te doen over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. V. Ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing 5.
  17. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij betwist dat de verzoeker ingevolge het bestreden besluit een financieel verlies lijdt. Zij laat tevens gelden dat geen van de door de verzoeker aangevoerde middelen gericht is tegen het feit dat Nancy De Bruyne geschikt werd bevonden voor de te begeven betrekking. Zij betoogt voorts dat de verzoeker in elk geval niet aanvoert dat wanneer zijn kandidaatstelling wel ontvankelijk was bevonden, hij eveneens geschikt zou kunnen worden geacht of zelfs geschikter dan de genoemde kandidate. 5.
  18. Vermits hierna zal blijken dat één van de voorwaarden voor het bevelen van de schorsing niet is vervuld, dient deze exceptie in de huidige stand van de rechtspleging niet te worden onderzocht. VI. Onderzoek van de vordering tot schorsing
  19. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 7.
  20. Met betrekking tot de tweede genoemde voorwaarde voert de verzoeker aan dat de verwerende partij, zoals hij in zijn tweede middel laat gelden, volkomen ten onrechte zijn kandidaatstelling onontvankelijk heeft verklaard omdat hij eerder het voorwerp uitmaakte van een herplaatsing bij ordemaatregel. Die IX-6285-7/9 herplaatsing is een vaststaand gegeven dat door de verzoeker niet ongedaan kan worden gemaakt, zodat te vrezen valt dat ook verzoekers latere kandidaatstellingen systematisch onontvankelijk zullen worden verklaard. Volgens de verzoeker zal hij aldus gedurende de volledige duur van de vernietigingsprocedure geen enkele kans meer hebben om in het kader van de mobiliteit met succes te postuleren voor vacante betrekkingen in de eigen politiezone. De carrièrekansen van de verzoeker lijden daardoor ernstige schade die niet adequaat kan worden hersteld door een later vernietigingsarrest. Beoordeling 7.
  21. De verzoeker lijkt het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit meent te kunnen lijden, uitsluitend te situeren op het vlak van zijn carrièremogelijkheden. Hij vreest namelijk gedurende de vernietigingsprocedure niet meer met kans op succes te kunnen postuleren voor vacante betrekkingen die binnen de eigen politiezone bij mobiliteit worden begeven. Vooreerst moet daartegen worden ingebracht dat het thans bestreden besluit slechts betrekking heeft op verzoekers kandidaatstelling voor de vacante betrekking van inspecteur van politie bij de dienst recherche. De verzoeker brengt geen enkel gegeven aan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook zijn eventuele toekomstige kandidaatstellingen voor andere betrekkingen op andere diensten bij de lokale politie van Aalst zullen worden afgewezen. Alleszins houdt het thans bestreden besluit geen dergelijke algemene afwijzing in, zodat het aangevoerde nadeel niet alleen hypothetisch is, maar ook niet rechtstreeks uit dat besluit voortvloeit. Voorts moet worden opgemerkt dat de verzoeker niet het minst uitlegt waarom de gemiste kans op een terugkeer naar de dienst recherche voor hem een ernstig nadeel uitmaakt, dat na een vernietigingsarrest niet meer of nog maar moeilijk zou kunnen worden hersteld. De verzoeker maakt derhalve niet aannemelijk ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen lijden. IX-6285-8/9
  22. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  23. De debatten worden heropend.
  24. Het beroep tot nietigverklaring wordt verder behandeld volgens de gewone rechtspleging.
  25. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Bert Thys IX-6285-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.