← België

Arrest 197615 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.615 Rolnummer: A. 173402/X-12848 Zaak: Arrest 197615 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.615 van 4 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.615 van 4 november 2009 in de zaak A. 173.402/X-12.848. In zake: Marcel VERRECKT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 LEUVEN Vaartstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. INFRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 mei 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 10 maart 2006 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Noordelijke ontsluiting van de internationale luchthaven van Zaventem”; II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 165.753 van 8 december 2006 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-12.848-1/16 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 oktober 2007. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Verstraeten, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Jan Roggen, die loco advocaat Jan Bouckaert verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is eigenaar en bewoner van een hoeve met gronden gelegen aan de Molenstraat 47 te Perk-Steenokkerzeel, alwaar hij witloof teelt. X-12.848-2/16 De hoeve en haar omgeving zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.2. Op 18 maart 2005 beslist de Vlaamse regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Noordelijke ontsluiting van de internationale luchthaven van Zaventem” voorlopig vast te stellen. Met het voormelde plan worden twee verschillende doelstellingen nagestreefd. Enerzijds is het de bedoeling om de luchthaven Brussel-Nationaal in noordelijke richting beter te ontsluiten, door onder meer te voorzien in een nieuw spoorwegtracé richting Antwerpen in de middenberm van de E 19 met aftakking naar de luchthaven, door de gewestweg N 211 om te vormen tot primaire weg, en door economische ontwikkeling mogelijk te maken op het multimodale knooppunt van de internationale luchthaven (“airport village”). Anderzijds worden op het plan ook twee mogelijke, alternatieve locaties aangegeven voor de inplanting van een nieuw waterzuiveringsstation, dat de afvalwaters van Perk en Melsbroek en van de luchthaven moet zuiveren. Een eerste zone wordt afgebakend nabij de woonkern Huinhoven op het grondgebied van de stad Vilvoorde. Een tweede zone situeert zich meer in noordelijke richting, langs de Brembosstraat te Perk-Steenokkerzeel, en ligt tussen de hoeve van de verzoeker en de E 19-autosnelweg. 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp-plan wordt onder andere een bezwaar ingediend door het “actiecomité Landelijk Boekt”, dat zich verzet tegen de inplanting van een waterzuiveringsinstallatie aan de Brembosstraat. Het bezwaarschrift wordt mede ondertekend door de verzoeker en bevat onder andere de argumenten dat het station midden in de open ruimte wordt voorzien op ruime afstand van woongebied, dat het landschap zal verminkt worden, en dat er risico’s verbonden zijn aan de aanwezigheid van aardgaspijpleidingen in de grond. 3.4. Op 2 juni 2005 verleent de gemeenteraad van Steenokkerzeel een negatief advies over de locatie Huinhoven, die “niet verantwoord” wordt genoemd. X-12.848-3/16 3.5. Op 20 juni 2005 brengt ook de gemeenteraad van Vilvoorde een ongunstig advies over de site Huinhoven uit. 3.6. De Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening verleent op 4 oktober 2005 een advies, en stelt daarin in de eerste plaats dat het “opmerkelijk” is dat twee alternatieve lokaties voor de afvalwaterzuiveringsinstallatie in openbaar onderzoek worden gebracht. De Commissie stelt verder “dat beide locaties voor- en nadelen kennen”. Meer bepaald zorgt een inplanting langs de Brembosstraat voor versnippering van de open ruimte, doch daar is geurhinder minder te vrezen, terwijl een situering in Huinhoven dichter aansluit bij de bebouwde omgeving, doch daar zullen dan weer maatregelen noodzakelijk zijn om overlast voor de omwonenden te beperken. 3.7. De afdeling wetgeving van de Raad van State verstrekt op 2 maart 2006 een advies (advies 39.862/1). 3.8. Op 10 maart 2006 gaat de Vlaamse regering over tot de definitieve vaststelling van het betreffende gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Dit is het bestreden besluit. Wat de locatie voor de waterzuiveringsinstallatie betreft, wordt in het definitief vastgestelde plan enkel nog de site aan de Brembosstraat weerhouden, “rekening houdende met de ongunstige adviezen van de betrokken gemeenten ten aanzien van het alternatief Huinhoven en het geringe maatschappelijk draagvlak”. De Vlaamse regering overweegt voorts dat de gronden aan de Brembosstraat niet biologisch waardevol zijn, dat een aansluiting bij een bestaande woonkern niet noodzakelijk is vermits het station voornamelijk afvalwater afkomstig van de luchthaven zal zuiveren, dat de situering in de nabijheid van de E 19 en een brug over de autosnelweg zorgt voor een “bundeling van infrastructuur”, en dat de afgelegen ligging ervoor zorgt dat de mogelijke hinder beperkt zal blijven. X-12.848-4/16 IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verwerende en de tussenkomende partij voeren aan dat de verzoeker hoogstens een belang vertoont bij een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit, met name in zoverre het plan een locatie vastlegt voor zuiveringsinfrastructuur voor afvalwater aan de Brembosstraat te Perk-Steenokkerzeel (artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden besluit). 5. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekers enkel een belang doet gelden bij de vernietiging van het bestreden besluit in zoverre dit in een locatie voor zuiveringsinfrastructuur voor afvalwater aan de Brembosstraat te Perk-Steenokkerzeel (artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden besluit) voorziet. De problematiek van de inplanting van het afvalwaterzuiveringsstation is voorts ruimtelijk en inhoudelijk afsplitsbaar ten opzichte van de andere onderdelen van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna RUP), met name het voorzien van een noordelijke ontsluiting van de luchthaven Brussel-Nationaal. De exceptie is gegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van “het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 05.04.1995 (bijgesteld op 31.01.1996, bevestigd op 02.04.1996), de artt. 7 §3 en 11 §2 van het Decreet houdende de ruimtelijke planning dd. 24.07.1996, het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 23.09.1997 houdende de definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, bekrachtigd bij decreet van 17.12.1997, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, het adagium ‘patere legem quem ipse fecisti’” : “Doordat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als toetskader geldt voor de wijzigingen in de bestemmingen, zodat de Vlaamse Regering met de principes van het RSV rekening dient te houden en er niet mag van afwijken (zonder motivering) X-12.848-5/16 Terwijl de Vlaamse Regering de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen inhoudelijk geenszins als kader heeft gehanteerd, en aldus het RSV heeft geschonden gezien ze de RWZI-bestemming niet koppelt aan een woonkern (zonder de vereiste adequate, begrijpelijke motivering). Toelichting De verzoekende partij stelt dat het richtinggevend gedeelte van het RSV niet wordt nageleefd. Art. 7 §3 van het planningsdecreet definieert het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan als dat deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De decreetgever heeft aldus zeer duidelijk willen beklemtonen dat het algemeen principe is dat van het richtinggevend gedeelte niet wordt afgeweken. De afwijking is een uitzondering, die zeer restrictief moet worden toegepast. LUST bevestigt dat ook hier uiteraard rechterlijke controle mogelijk is op de geldigheid van de uitvoeringsbeslissingen, en zal de bevoegde rechter sanctionerend kunnen optreden indien zou blijken dat van het richtinggevend gedeelte van een structuurplan zou worden afgeweken in strijd met art. 7 §3 van het planningsdecreet (...). De verzoekende partij toont verder aan dat er geenszins wordt rekening gehouden met de doelstellingen geformuleerd in het richtinggevend gedeelte van het RSV, en dit zonder dat hiervoor enige of afdoende motivering wordt gegeven. Dit houdt minstens een schending in van de zorgvuldigheidsplicht. In het richtinggevend gedeelte worden de basisdoelstellingen en de principes vastgelegd m.b.t. de wijze waarop in de toekomst met het ruimtegebruik in Vlaanderen zal worden omgegaan. Er worden m.a.w. op verschillende domeinen, zoals de beoordeling van de ruimteaanspraken, enz. fundamentele keuzes gemaakt, die kaderen in een globale visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling. De bedoeling is een kader te bieden voor concrete beleidsbeslissingen, of m.a.w. een garantie tegen losstaande maatregelen zonder veel ruimtelijke verantwoording. Het thans bestreden besluit is precies een dergelijke losstaande maatregel zonder veel ruimtelijke verantwoording. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, richtinggevend gedeelte, p. 426 wordt gesteld : ‘Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur Nieuwe infrastructuur voor de zuivering van industrieel afvalwater moet worden gelokaliseerd op het bedrijventerrein, gekoppeld aan het bedrijf of gegroepeerd. De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’

  1. s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s. - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling X-12.848-6/16 waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is ; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap; - de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan’. (...) Het RSV voorziet dus duidelijk dat de RWZI gekoppeld worden aan woonkernen, woonkorrels. In casu in de inplanting van het RWZI in het bestreden Besluit voorzien op een plaats die helemaal niet gekoppeld is aan een woonkern, meer nog het afvalwater van de onmiddellijke omgeving is niet aangesloten en het afvalwater zal niet gezuiverd worden in het RWZI. De VLACORO merkte dit terecht op en stelde vast dat de andere locatie, zuidelijker gelegen wel ruimtelijk gebonden is aan de woonkern. In zijn advies stelt VLACORO (...) : ‘De zuidelijke locatie is gelegen in de nabijheid van een woonkorrel, en sluit dus aan bij de reeds bebouwde omgeving, zoals dit vooropgesteld wordt in het RSV’ Tevens p.5 : ‘De zuivering van huishoudelijk afvalwater is gekoppeld aan woonkernen. Locatie Huinhoven( alternatief 1) voldoet aan het principe van de gedeconcentreerde bundeling wegens aansluiting bij een bestaande woonkorrel. Een verdere versnippering en isolatie van het gebied dient vermeden te worden door nieuwe geïsoleerde infrastructuur. De zuiveringsinfrastructtur in de locatie Brembosstraat (alternatief 2) is niet gekoppeld aan bestaande bebouwing maar is eveneens omgeven door de bestaande lijninfrastructuur. Het terrein sluit niet aan bij bebouwing; het gebied is derhalve kwetsbaar voor verdere aantasting en versnippering door nieuwe geïsoleerde infrastructuur’ Het is manifest duidelijk dat er een afwijking is van het RSV. De enige -de rest van het Besluit omtrent de RWZI gaat niet over dit aspect of zijn zeer algemene stellingnames zonder dat zij een concrete motivering aangeven - motivering die terug te vinden is in het bestreden Besluit en die effectief betrekking heeft op dit aspect is de volgende: ‘dat een locatie aan een woonkern (zoals het alternatief Huinhoven) minder evident is vermits het RWZI voornamelijk huishoudelijk afvalwater van de luchthaven Zaventem zal zuiveren, in plaats van huishoudelijk afvalwater louter afkomstig uit een woonkern’; Dat deze motivering onduidelijk, tegenstrijdig, niet afdoende en onbegrijpelijk is; Dat het inderdaad zo is dat een groot deel van het afvalwater afkomstig zal zijn van de zeer zuidelijk gelegen luchthaven (ca 2/3) en voor 1/3 van de woonkern Huinhoven; Dat dus in ieder geval de woonkern Huinhoven gekoppeld is aan de RWZI; Dat de tweede locatie waarvoor nu gekozen is, noordelijker is gelegen en geenszins gekoppeld is aan de RWZI; Dat er dus geen enkele voor verzoekende partij begrijpelijke reden is waarom de RWZI ingeplant wordt ten noorden van de woonkern Huinhoven en ten noorden van de luchthaven, alwaar verzoekende partij en zijn omgeving er niet zullen op aangesloten zijn; Dat aldus het argument dat het bestreden Besluit aangeeft nl. dat de locatie 1 niet evident is vermits ze op een afstand gelegen is van de luchthaven, een argumentatie is die nog des te meer opgaat voor locatie 2; dat in ieder geval locatie 1 Huinhoven dé woonkern is wiens afvalwater gezuiverd is en aldus duidelijk gekoppeld is aan en gekoppeld dient te zijn aan de RWZI; X-12.848-7/16 Een afwijking van het RSV dient sterk gemotiveerd te zijn, hetgeen niet het geval is door deze zin. Het planningsdecreet voorziet tevens dat het slechts kan omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. Een dergelijke motivering is niet terug te vinden. De zuivering van afvalwaters is geen onvoorziene ontwikkeling. Gezien aldus een afwijking zeer restrictief dient te worden geïnterpreteerd, kan niet anders dan besloten worden tot een schending van het recht”. Beoordeling 7.1. Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel naar het oordeel van de verzoeker door het bestreden besluit wordt geschonden. De verzoeker geeft geen omschrijving van de wijze waarop “het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 05.04.1995 (bijgesteld op 31.01.1996, bevestigd op 02.04.1996)” is geschonden. In zoverre de schending van dit besluit wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. Het voorgaande geldt evenzeer voor de door de verzoeker aangevoerde schending van artikel 11, § 2 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, bepaling die overigens met ingang van 1 mei 2000 bij artikel 170 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna DRO) werd opgeheven. De door de verzoeker aangevoerde schending van het ten tijde van het bestreden besluit eveneens opgeheven artikel 7, § 3 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, dient, gelet op de toelichting bij het middel, geacht te worden op artikel 19, § 3 DRO betrekking te hebben en maakt een ontvankelijk middel uit. 7.2. Artikel 19, § 3, eerste lid DRO luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt : “Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen”. X-12.848-8/16 Wanneer de overheid een RUP vaststelt in uitvoering van het corresponderende ruimtelijk structuurplan, beschikt zij over een ruime beoordelingsbevoegdheid. In het raam van de uitoefening van het wettigheidstoezicht zal de Raad van State zich ertoe beperken om na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, deze correct heeft beoordeeld, en op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 7.3. Onder punt 7.2.2. “Ontwikkelingsperspectieven voor infrastruc tuur voor afvalbeheer en afvalwaterzuivering” van de richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna RSV) wordt onder meer het volgende gesteld : “Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur (...) De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’
  2. s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s. - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap; - de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Voor de aanleg van nieuwe rioleringen en collectoren geldt zoveel mogelijk het principe van bundeling met lijninfrastructuren (cf. hoofdstuk III.4. 7. Pijpleidingen en elektriciteitsleidingen)”. De Vlaamse regering verantwoordt de keuze voor de locatie van de kwestieuze rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Brembosstraat in het bestreden besluit “rekening houdende met de ongunstige adviezen van de betrokken gemeenten ten aanzien van het alternatief Huinhoven en het geringe maatschappelijk draagvlak”, en voorts overwegende dat de gronden aan de Brembosstraat niet biologisch waardevol zijn, dat een aansluiting bij een bestaande woonkern niet noodzakelijk is vermits het station voornamelijk afvalwater afkomstig van de luchthaven zal zuiveren, dat de ligging in de nabijheid van de E 19 en een brug over de autosnelweg zorgt voor een “bundeling van infrastructuur”, en dat de afgelegen ligging ervoor zorgt dat de mogelijke hinder beperkt zal blijven. X-12.848-9/16 Voorts worden ook in de toelichtingsnota bij het RUP meerdere overwegingen gewijd aan de toetsing van het RUP aan het RSV, wat de locatiekeuze voor het gebied voor zuiveringsinfrastructuur van afvalwater betreft. Zo wordt in de nota gesteld dat het Vlaamse Gewest de bevoegdheid draagt om RUP’s op te maken voor afvalwaterzuiveringsinfrastructuur in het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel en voor afvalwater afkomstig van de internationale luchthaven (p. 36-37), wordt de nood aan dergelijke infrastructuur in het gebied benadrukt, wordt gemotiveerd waarom het grootste deel van het afvalwater van de luchthaven gelijk te stellen is met huishoudelijk afvalwater (p. 38-39), wordt een overzicht gegeven van in totaal vijf verschillende locaties die werden onderzocht voor de inplanting van het station en wordt gemotiveerd waarom uiteindelijk werd geopteerd voor de site aan de Brembosstraat (p. 40-41), wordt de geplande zuiveringsinfrastructuur omschreven (p. 41-42), wordt de bestaande natuurlijke en landschappelijke structuur ontleed (p. 42-43), wordt verantwoord waarom de locatie voldoet aan het principe van de gedeconcentreerde bundeling (p. 43), wordt uitgelegd op welke wijze de installatie landschappelijk gebufferd zal worden (p. 44), en wordt een passende beoordeling gemaakt ten aanzien van als speciale beschermingszones te beschouwen gebieden (p. 44-45). Gelet op het voorgaande heeft de verwerende partij bij het vastleggen van een locatie voor de inplanting van de waterzuiveringsinfrastructuur wel degelijk rekening gehouden met de bepalingen van het richtinggevend gedeelte van het RSV. Het bestreden besluit komt ter zake niet als kennelijk onredelijk of onjuist voor, minstens toont de verzoeker dit niet aan. Aan deze laatste vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de in de laatste memorie van de verzoeker aangevoerde omstandigheid dat bij besluit van 6 november 2008 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar en bij besluit van 3 april 2008 van de provincieraad van Vlaams-Brabant aan de n.v. The Brussels Airport Company een stedenbouwkundige vergunning, respectievelijk een milieuvergunning, werd verleend voor de oprichting en de exploitatie van een waterzuiveringsinstallatie op de luchthaven zelf. De verwerende partij betoogt te dezen terecht dat de gebeurlijke omstandigheid dat de vuilvracht van de luchthaven niet in de kwestieuze rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt gezuiverd, de onwettigheid van het bestreden besluit, dat op meerdere motieven is gestoeld, nog niet aantoont. Bovendien toont de verwerende partij op afdoende wijze aan dat met de installatie op de luchthaven enkel de zuivering van “het afvalwater van de vliegtuigen, van de gebouwen van The Brussels Airport Company (terminal, parking, technische zone langs Haachtsesteenweg)”, evenals het “de-icingwater X-12.848-10/16 tijdens de winterperiode” wordt beoogd en dat de zuivering van “het afvalwater van de Brucargozone, van het militair domein en van Canac/Belgocontrol” middels de kwestieuze waterzuiveringsinstallatie zal geschieden. Het door de verzoeker ter terechtzitting bijgebrachte ministerieel besluit van 7 januari 2009 houdende machtiging tot hoogdringende onteigening ten algemenen nutte van onroerende goederen bestemd voor de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur te Steenokkerzeel, waarin wordt overwogen dat deze laatste “tot doel heeft het afvalwater afkomstig van de deelgemeenten Perk en Melsbroek te zuiveren”, is niet van aard om anders te oordelen en toont de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van “het recht, art. 2, art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, juncto de beginselen van behoorlijk bestuur met name het motiveringsbeginsel, juncto zorgvuldigheidsbeginsel” : “Doordat er op een aantal bezwaren van de verzoekende partij niet, of minstens op onvoldoende wijze wordt geantwoord, Terwijl voor de bezwaarindiener uit het advies van de VLACORO of uit het Besluit van de Vlaamse Regering op begrijpelijke wijze moet blijken waarom zijn bezwaar niet gegrond werd bevonden. Toelichting Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat uit het advies van de VLACORO of uit het besluit van de Vlaamse Regering op voor de bezwaarindiener begrijpelijke wijze moet blijken waarom zijn bezwaar niet gegrond werd bevonden. De bezwaarindiener moet m.a.w. in de tekst zelf een afdoend antwoord op zijn bezwaren vinden (...). Dit is niet het geval Supra werd reeds een citaat gegeven van het bezwaarschrift én van de motivering in het Besluit. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat het bezwaarschrift van verzoekende partij niet is beantwoord geworden door de VLACORO. VLACORO nam geen standpunt in. Het Besluit zelf diende er dus op te antwoorden, hetgeen formeel alleszins NIET gebeurde. Oorspronkelijk, werd er een eerste ontwerp RUP in 2004 opgemaakt uitsluitend over de RWZI; Op dat moment werd enkel de locatie Huinhoven weerhouden (...); Dit ontwerp werd aan een openbaar onderzoek onderworpen maar vervolgens stopgezet; Nadien werd de RWZI geglobaliseerd met de noordelijke ontsluiting in een nieuw RUP waarbij twee locaties werden weerhouden, waaronder locatie Huinhoven en locatie Brembosstraat; X-12.848-11/16 Het Besluit zelf geeft op p.4 in eerste orde weer wat de VLACORO gezegd heeft, nl. dat ze zich van advies onthoudt; De eigenlijke motivering is slechts in één paragraaf te vinden; er wordt nergens gesteld dat het een antwoord is op het bezwaar van verzoekende partij; Voor zover het dat toch zou zijn, is het antwoord onvoldoende. 1.Vooreerst verwijst verzoekende partij naar het eerste middel. In zijn bezwaarschrift stelde hij eveneens dat de inplanting van een RWZI gebonden moet zijn aan een woongebied. Zoals in het eerste middel gesteld is het antwoord van het bestreden Besluit onbegrijpelijk voor verzoekende partij; 2.Daarenboven geeft verzoekende partij juist aan waarom locatie 2 (Brembosstraat) nog meer ingaat tegen het principe ‘de vervuiler betaalt’ en tegen het principe van het RSV, nl. : ‘De locatie Brembosstraat maakt deel uit van een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en kadert volledig in het plan ter bescherming van open ruimten. Er is hier op kilometers afstand geen sprake van een woongebied’. Het Bestreden Besluit antwoordt hier niet of onvoldoende op. Er wordt louter toegegeven dat deze locatie afgelegen is van woongebied en dat daarmee ‘de mogelijke hinder beperkt blijft’ Het is voor verzoekende partij een raadsel hoe dit een antwoord is op zijn bezwaar ‘de vervuiler betaalt’ Het is evenmin een antwoord op het principe van het RSV dat woongebied koppelt aan RWZI. 3.Verzoekende partij voerde tevens aan dat deze locatie deel uitmaakt van een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Dit wordt erkend in het Besluit maar er wordt aan toegevoegd dat het op de biologische waarderingskaart als ‘niet waardevol’ wordt beschouwd. Met die simpele zinsfrase, met die eenvoudige woorden moet verzoeker het stellen... Desalniettemin wordt door verzoekende partij aangegeven dat de open ruimte dient beschermd te worden. 4.Een ander bezwaar van verzoekende partij betreft de samenhang met de aardgaspijpleidingen. Het gevolg hiervan is immers dat de RWZI enkel op de lengteas kan komen. De impact op het landschap zal daardoor groter worden. Dit bezwaar blijft geheel en al onbeantwoord. 5. De problematiek van gevaar en mogelijke rampen zoals in Gellingen wordt door verzoekende partij onder de aandacht gebracht. Het bestreden Besluit negeert dit en beantwoordt dit niet. 6. Verzoekende partij geeft aan dat de locatie Brembosstraat verder is verwijderd en aldus een aanzienlijke meerkost met zich meebrengt. Er zullen langere leidingen moeten worden gelegd. Het Besluit negeert dit bezwaar. 7. Meer leidingen zullen een grotere impact hebben op het landschap in een beschermde open ruimte. Het Besluit beantwoordt dit bezwaar niet. 8. Verzoekende partij stelt dat het niet kan dat de positieve elementen van de ene zone worden belast met de negatieve van de andere. Dit bezwaar wordt niet beantwoord. 9. Verzoekende partij stelt zéér concreet dat ‘de natuurlijke ligging van de reeds zuivere Platte Steenbeek’ door de inplanting van het RWZI in gevaar komt, evenals talrijke kleine landschapselementen. Dit bezwaar wordt niet beantwoord, wordt niet behandeld. 10. de vrees voor ongecontroleerdelozingen: wordt niet behandeld. 11. het bezwaar ivm de sanering van de ‘Stinkvijver’ en aldaar het RWZI in te planten: verzoekende partij doet hier een concreet alternatief voorstel. X-12.848-12/16 Dit bezwaar wordt in geen enkel document behandeld, laat staan beantwoord”. Beoordeling 9.1. Uit het advies van de VLACORO of uit het besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het RUP dient voor de bezwaarindiener op begrijpelijke wijze te blijken waarom zijn bezwaar als niet gegrond werd bevonden, waarbij de bezwaarindiener in de tekst zelf van het advies van de VLACORO -of van het besluit van de Vlaamse regering- een afdoend antwoord op zijn bezwaarschrift moet kunnen vinden, hetzij in een individuele stellingname, hetzij in een algemene richtlijn van de VLACORO die op zijn bezwaar begrijpelijk toepasselijk is, hetzij in het antwoord op een bezwaar of opmerking van een ander particulier, of op een advies van een overheidsinstantie. Bezwaren die geen verband houden met de doeleinden die het ruimtelijke ordeningsdecreet op het oog heeft, behoeven bovendien geen inhoudelijk antwoord. 9.2. Het bezwaar van de verzoeker dat het station middenin de open ruimte wordt voorzien op ruime afstand van woongebied en dat het landschap zal verminkt worden, wordt afdoende beantwoord door het motief dat de inplantingsplaats voor de zuiveringsinfrastructuur op de biologische waarderingskaart is aangeduid als “niet waardevol” en door de gemotiveerde keuze die de verwerende partij maakt om de woonkern van Huinhoven niet te bezwaren met de inplanting van een installatie vlakbij. Daarbij worden in het bestreden besluit uitdrukkelijk de negatieve adviezen van de gemeentebesturen van Vilvoorde en Steenokkerzeel in dit opzicht bijgetreden en wordt de nabijheid van, en de brug over, de E 19 benadrukt, alsook het streven naar bundeling van infrastructuur. 9.3. Wat de verenigbaarheid van het bestreden besluit met de richtinggevende principes uit het RSV betreft, kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middel. 9.4. Meerdere onderdelen van het bezwaarschrift hebben voorts geen uitstaans met de doeleinden die het ruimtelijke ordeningsdecreet op het oog heeft, met name de aangevoerde schending van het principe “de vervuiler betaalt”, de kritiek op de aanzienlijke meerkost van de locatie en de vrees voor ongecontroleerde lozingen. Zoals uit de toelichtende nota bij het RUP blijkt, is de verwerende partij X-12.848-13/16 zich tevens bewust van de aanwezigheid van aardgaspijpleidingen in de ondergrond. Het betreft in de eerste plaats een uitvoeringsaspect, waarvan de verzoeker niet aantoont dat dit een onoverkomelijk probleem voor de aanleg van de kwestieuze zuiveringsinstallatie vormt. 9.5. Evenmin is duidelijk wat in het bezwaarschrift precies bedoeld wordt met eventuele gevolgen die het project zou hebben voor de loop van de Platte Steenbeek en voor “talrijke kleine landschapselementen”. Uit de toelichtende nota blijkt dat er ter plaatse geen waterlopen aanwezig zijn, terwijl in het bestreden besluit ook de watertoets wordt doorgevoerd en deze positief beoordeeld werd. Welke de talrijke kleine landschapselementen zijn die dreigen te verdwijnen wordt niet gespecifieerd, zodat deze algemene opmerking ook geen concreet antwoord behoefde. 9.6. Het niet beantwoorden van verzoekers loutere vraag om de sterk verontreinigde “Stinkvijver” aan het Floordambos te saneren en de zuiveringsinstallatie “hier centraal in te planten”, is tenslotte evenmin van aard om het bestreden besluit te vitiëren. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 10. De verzoeker roept in een derde middel de schending in van “het vertrouwensbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid” : “Toelichting : De burger mag van de overheid enige rechtszekerheid verwachten. In casu stelt verzoeker vast dat in het verleden de overheid zich nogal stringent heeft opgesteld ten aanzien van de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied: Verzoeker is zelf eigenaar van een aantal percelen (...) Uit stukken 4b met plan blijkt: 1.dat zijn zoon Hendrik een bouwvergunning werd geweigerd gezien er op de ‘ouderlijke bedrijfszetel voldoende ruimtelijke uitbreidingsmogelijkheden aanwezig’ waren; gezien de drastische verandering hedentendage met de inplanting van het RWZI komt dit eigenaardig over; 2.de heer De Boeck: weigering bouwvergunning 3.de heer Zegers (buur verzoeker): weigering bouwvergunning voor het heropbouwen van een hoeve 4. zelf ontving verzoeker het bericht van het OCMW dat een perceel grond dat hij pacht (naast de percelen in zijn eigendom) voor een termijn van 99 jaar X-12.848-14/16 ter beschikking wordt gesteld van Bos en Groen voor de inrichting van een bos nadat het Witte Kinderbos is verdwenen... 5. Fluxys, verantwoordelijke voor de aardgaspijpleidingen liet weten aan verzoeker dat men ‘geen andere bomen of struiken dan deze vermeld op de hierbijgevoegde lijst’ mocht aanplanten boven de leiding... Met andere woorden alles wees erop dat de overheid in dit gebied uitdrukkelijk het landschappelijk waardevol agrarisch karakter zou behouden. Verzoeker en zijn omgeving hebben zich hiernaar dienen te gedragen. Het is dan ook een schending van het vertrouwensbeginsel dat er nu plots een drastische wijziging wordt doorgevoerd. Het Vlaams Gewest (Afdeling Bos en Groen) laat nog begin januari weten (...) dat men ter plaatse een alternatief voor het Witte Kinderbos wil ontwikkelen. Hoe zulks verenigbaar is, is een raadsel voor verzoeker die mag rekenen op een behoorlijk bestuur dat zijn vertrouwen niet schendt”. Beoordeling 11.1. De door de verzoeker aangevoerde omstandigheid dat “de overheid zich nogal stringent heeft opgesteld ten aanzien van de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied”, toont allerminst een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel bij het nemen van het bestreden besluit aan. 11.2. Het in de laatste memorie van de verzoeker aangevoerde betoog dat uit de nieuw bijgebrachte stukken blijkt “dat ondertussen het afvalwater van de luchthaven van Zaventem niet langer op deze plaats zal gezuiverd worden”, toont evenmin een schending van het vertrouwensbeginsel aan en dat alleen al om de bij de beoordeling van het eerste middel, onder de laatste alinea van randnummer 7.3., vermelde reden. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-12.848-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-12.848-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.615 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.