← België

Arrest 197616 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.616 Rolnummer: A. 188748/X-13822 Zaak: Arrest 197616 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 04/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.616 van 4 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.616 van 4 november 2009 in de zaak A. 188.748/X-13.822. In zake: 1. Marleen PELEMAN 2. Ann VAN KEER 3. Jo VERBRUGGHEN 4. Francine VAN DEN BOSSCHE 5. Hans VAN KEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de provincie OOST-VLAANDEREN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de stad DENDERMONDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter De Smedt kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 juni 2008, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van 12 december 2007 van de provincieraad van Oost- Vlaanderen houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde” en van het besluit van 28 april 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring, met X-13.822-1/26 uitzondering van de in blauw aangeduide delen, van dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan van de provincie Oost-Vlaanderen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2008. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 187.898 van 13 november 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. De verwerende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 februari 2009. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie en een verzoek tot voortzetting ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2009. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoekende partijen, Marc Cromheecke, waarnemend directeur, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Peter De Smedt, die verschijnt voor de tussenkomen- de partij, zijn gehoord. X-13.822-2/26 Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen selecteert Dendermonde als een “structuurondersteunend kleinstedelijk gebied”. Zodanige gebieden dienen in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen te worden afgebakend. 3.2. In zitting van 28 maart 2002 beslist de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen tot de opmaak van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Dendermonde” (hierna: PRUP). 3.3. In dit plan wordt ook de inplanting van een nieuw penitentiair complex voorzien. De site “Oud Klooster”, die aanvankelijk niet werd opgenomen in de afbakening van het kleinstedelijk gebied, wordt, naast andere, als mogelijke inplantingszone aangeduid. Deze site bevindt zich ten westen van Dendermonde, in een gebied dat wordt begrensd door een spoorweg in het zuiden, de Dender in het westen en het noorden en een oud fortencomplex in het oosten. Op de Dender sluiten het Denderkanaal en een oude Denderarm aan. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Dendermonde is de site gelegen, deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, deels in woongebied, deels in woonuitbreidingsgebied, deels in gebied voor gemeenschapsvoorzieningen, deels in recreatiegebied en deels in parkgebied. In het zuidwesten wordt het plangebied begrensd door de zogenaamde “Boonwijk”, omvattende de straten Klein Gent, Gasthuisstraat, Meersstraat, Eikelstraat, Oud Klooster en Galeidestraat. Voor de beide als meest gunstige locaties aangewezen sites, met name “Oud Klooster” en “N41”, stelt zich een probleem van ontsluiting. Om reden dat de inplanting van de gevangenis op laatstgenoemde site “technisch en financieel waarschijnlijk moeilijker te realiseren is dan in de site Oud Klooster”, wordt beslist de voorkeur te geven aan de site “Oud Klooster”. X-13.822-3/26 Aanvankelijk wordt de locatiegeschiktheid van de site “Oud Klooster” gekoppeld aan het niet afwikkelen van het verkeer via de straten van de Boonwijk. Een nieuwe ontsluiting via het Denderkanaal wordt voorgesteld. Omwille van de kostprijs van deze laatste ontsluitingsmogelijk- heid wordt uiteindelijk voorgesteld de afwikkeling van het verkeer te laten verlopen via de Gasthuisstraat. Hierop is de ontwerper overgegaan tot een “milieubeoordeling”, waarin, met betrekking tot de verkeerstoename ingevolge de voorziene inplanting van een gevangenis, wordt gesteld wat volgt: “Er zijn geen verkeerstellingen beschikbaar van het kruispunt Galeidestraat- Klein Gent met de Gasthuisstraat. Een inschatting van de afwikkelingsmoge- lijkheden van het gegenereerd verkeer richting centrum Dendermonde is dan ook niet mogelijk”. 3.4. Het voorontwerp van PRUP wordt vervolgens onderworpen aan adviezen. De afdeling Ruimtelijke Planning stelt dat er nog een “aanvullen- de toelichting nodig is met betrekking tot mogelijke problemen nabij de spoorweg- overgang op de Paardentrapstraat”. De GECORO stelt dat, wanneer er zou worden van uitgegaan dat de Gasthuisstraat het bijkomend verkeer inderdaad aankan, de mogelijke ontsluiting via het noorden minstens open moet worden gehouden. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Dendermonde stelt wat volgt: “De ontsluiting van de gevangenis dient normaal voorzien te worden via het Denderkanaal. Deze oplossing wordt echter afgewezen omdat ze te duur zou zijn. Alle alternatieven hebben als nadeel dat ze via woonstraten en knelpunten voor het verkeer moeten gaan. Daarom geven wij de voorkeur aan de Galeidestraat omdat op deze manier de Gasthuisstraat niet worden belast”. Aanvullend vraagt de gemeenteraad om een aanvullende mobiliteitsstudie. 3.5. De plenaire vergadering vindt plaats op 21 mei 2007. 3.6. In zitting van 13 juni 2007 stelt de provincieraad van Oost-Vlaanderen het ontwerp van PRUP voorlopig vast. X-13.822-4/26 De site “Oud Klooster” wordt aangeduid als een randstedelijk groengebied, met uitzondering van een zone voor gevangenis in het zuidwesten, tussen de woningen aan de Gasthuisstraat en de oude Denderarm. De ontsluiting wordt indicatief aangeduid door een pijl in de richting van de Eikelstraat. Bedoeling is dat het verkeer nadien via de Gasthuisstraat wordt afgeleid naar het centrum van Dendermonde. 3.7. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 16 juli 2007 tot en met 13 september 2007, dienen de verzoekende partijen een bezwaar- schrift in. Met verwijzing naar verkeerstellingen aan de Paardentrapstraat onder controle van een gerechtsdeurwaarder wordt onder meer gewezen op de niet-wenselijkheid van een ontsluiting via de woonstraten van de Boonwijk. 3.8. In zitting van 8 november 2007 oordeelt de PROCORO, wat betreft de bezwaren inzake de impact op het verkeer in de Paardentrapstraat, dat het gaat om een bestaand probleem waaraan de gevangenis niets zal veranderen omdat het overgrote deel van het verkeer buiten de spitsuren plaats vindt. Het ontwerp wordt gunstig geadviseerd met enkele voorstellen tot wijziging. 3.9. Op 12 september 2007 verleent de minister volgend advies over het ontwerpplan: “Overwegende dat de provincie binnen het deelplan ‘Dendermonde West’ de ontsluiting regelt voor de nieuwe gevangenis; dat deze ontsluiting ook invloed heeft op de omliggende wijk; dat deze invloed niet volledig wordt uitgeklaard in de toelichtingsnota”. 3.10. Bij het eerste bestreden besluit van 12 december 2007 stelt de provincieraad van Oost-Vlaanderen het PRUP “Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde” met de deelRUP’s “Grenslijn” en “Dender- monde West” definitief vast. 3.11. In vergelijking met het ontwerp PRUP voorziet het definitief vastgestelde PRUP in een bijkomende indicatieve ontsluiting voor de gevangenis langsheen de rechteroever van de Dender. De groenzone tussen de gevangenis en de spoorweg wordt niet behouden. Voor de “zone voor gevangenis” gelden volgende stedenbouw- kundige voorschriften: X-13.822-5/26 “3.1. Bestemming: 1.4. deze zone is bestemd voor de inplanting van een gevangenis. Het gaat over de gebouwen en diensten in functie van een gevangenis en bijhorende accommodatie zoals buitenruimtes, parkeerterreinen, afsluitingen 3.2. Gebouwen en constructies • alle gebouwen en constructies die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de gevangenis zijn toegelaten • de gebouwen en constructies worden ingeplant op minstens 10,00m van de zonegrens. De hoogte van de gebouwen en de constructies bedraagt maximaal de afstand ten opzichte van de zonegrens (45/ regel) • de gebouwen en aanhorigheden worden zoveel mogelijk in het westen van de deelzone ingeplant, waarbij echter rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van een hoog- spanningsleiding • de niet bebouwde delen van de zone kunnen ingericht worden als open ruimte bij de gevangenis. De noodzakelijke parkeerplaatsen worden hierbij samengebracht op één parkeerterrein in de nabijheid van de hoofdontsluiting voor de gevangenis • bij de inplanting van de gevangenis en de inrichting van het terrein worden maatregelen genomen om de lichthinder voor het randstedelijk groengebied en de omliggende woningen te beperken • de delen van de zone die niet bruikbaar zijn voor de gevangenis en haar aanhorigheden worden ingericht als onderdeel van het randstedelijk groengebied”. 3.12. Op 4 april 2008 stuurt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan de minister een rappelbrief. 3.13. Bij het tweede bestreden besluit van 28 april 2008 keurt de Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het PRUP “Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde” goed, met uitzondering van de in blauw aangeduide delen. Dit besluit overweegt onder meer wat volgt: “Overwegende dat de provincie binnen het deelplan ‘Dendermonde-West’ de ontsluiting regelt voor een nieuwe gevangenis; dat deze ontsluiting naar aanleiding van de adviezen en bezwaren tijdens het openbaar onderzoek werd gewijzigd omwille van de invloed op de omliggende wijk; dat met name aan de westzijde een bijkomende ontsluitingsmogelijkheid is voorzien tot aan de oude Dender teneinde een ‘noordelijke ontsluiting’ mogelijk te maken; dat de interne wegen nu indicatief worden aangeduid; dat de toelichtingsnota hierover geen bijkomende uitleg verschaft; dat naar aanleiding van bovenvernoemd M.B. van 12 september 2007 en op advies van de PROCORO het deelplan voor de gevangenis werd aangepast en de zone voor gevangenis is uitgebreid tot tegen de spoorwegberm; dat wordt vastgesteld dat slechts weinig inrichtingsprincipes zijn opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften; dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek wordt gesteld dat de gevangenis aan de westzijde X-13.822-6/26 van het gebied moet worden gesitueerd; dat anderzijds voor de inrichting van (delen) van het gebied een inrichtingsstudie wordt opgelegd; dat het derhalve aan de vergunningverlener is om de concrete inrichtingsvoorstellen te beoordelen”. 3.14. Dit ministerieel besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2008. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 4.1. De verzoekende partijen stellen met betrekking tot de ontvankelijkheid van hun beroep wat volgt: “30. Het voorliggend verzoekschrift bestrijdt het P.R.U.P. in zijn geheel. 31. De verzoekende partijen putten hun belang evenwel in het bijzonder uit de wijze waarop het P.R.U.P. een keuze maakt voor de locatie van een nieuw penitentiair complex. 32. Niettemin verzoeken zij uw Raad toch in hoofdorde om de schorsing en nietigverklaring van het volledige P.R.U.P. Het P.R.U.P. regelt immers in de eerste plaats de afbakeningslijn van het SKSG Dendermonde. Het P.R.U.P. legt de locatie Oud-Klooster, met de begrenzing die hoger werd geformuleerd (gebied tussen de spoorweg, de forten en de Dender ( in het stedelijk gebied, wat maakt dat er een stedelijk beleid kan worden gevoerd. De afbakening van het gebied kan gevolgen hebben voor meerdere toekomstige ontwikkelingen, en dit zowel op gemeentelijk, provinciaal als gewestelijk vlak. Zoals hoger werd aangetoond gingen de eerste voorstellen er van uit dat het gebied, behoudens de woonstrook langs de Gasthuisstraat, buiten het stedelijk gebied zou worden gehouden. Juist mede omdat het gebied een nieuwe gevangenis dient te huisvesten werd het opgenomen in het stedelijk gebied. Dit heeft de PROCORO met zoveel woorden gesteld in het kader van de bespreking van het bezwaarschrift van de verzoekende partijen (...): ‘Oud Klooster wordt opgenomen in het stedelijk gebied om een deel van het stedelijk programma te kunnen realiseren, op de eerste plaats het randstedelijk groengebied en bijkomend de nieuwe gevangenis’. Indien bijgevolg de nieuwe gevangenis niet op deze plaats kan komen, is het niet langer zeker dat het gebied binnen het stedelijk gebied dient te vallen. Anderzijds blijkt uit het voorgaande dat de locatie N41-west als een ‘zeer gunstige’ locatie voor de vestiging van de gevangenis werd beschouwd. Indien na schorsing en vernietiging van de bestreden beslissing de locatiekeuze wordt geëvalueerd, hebben de verzoekende partijen er belang bij dat de grenslijn van het stedelijk gebied nog niet vaststaat. De locatie N41-west is immers door het bestreden P.R.U.P. buiten het stedelijk gebied gesitueerd. De verzoekende partijen hebben dan ook een belang bij de vernietiging van de grenslijn. Aangezien de bepaling van de grenslijn voor het P.R.U.P. één en ondeelbaar is, dient de grenslijn in haar geheel geschorst en vernietigd te worden. X-13.822-7/26 In de opvatting van de verzoekende partijen hangen alle andere deelplannen op onlosmakelijke wijze vast aan het deelplan inzake de grenslijn, zodat dit onvermijdelijk ook de schorsing en vernietiging van die andere plannen met zich meebrengt”. 4.2. De eerste verwerende partij werpt op dat het beroep voor zover het ook de nietigverklaring van de afbakening van het stedelijk gebied (deelplan 1) omhelst, niet ontvankelijk is. Zij zet deze exceptie uiteen als volgt: “2.1. Verzoekende partijen bestrijden het provinciaal RUP ‘Afbakening Structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde’ in zijn geheel, ondanks dat hun belang volledig geput wordt uit de locatie van de nieuwe gevangenis, die geregeld wordt in het deelplan Dendermonde-West. Zij stellen daaromtrent dat een gunstig alternatief voor de locatie van de gevangenis, ‘N41- West’ is, maar dat deze locatie door het bestreden PRUP buiten het stedelijk gebied gesitueerd wordt, waardoor de kans dat na een eventuele vernietiging van het PRUP, de gevangenis alsnog op deze alternatieve plaats gelocaliseerd zal worden, bijzonder klein is. Zij menen m.a.w. dat de kans dat de gevangenis niet komt waar zij nu voorzien is, groter wordt als ook de afbakening van het stedelijk gebied vernietigd wordt. Zoals de auditeur in het verslag met betrekking tot de vordering tot schorsing, opmerkte, moet het belang zoals vereist door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voldoende zeker en rechtstreeks zijn en is dat niet het geval voor wat betreft de afbakening van het stedelijk gebied. Het rechtstreeks karakter van het belang houdt in dat er een direct of rechtstreeks causaal verband tussen het nadeel en de bestreden beslissing moet bestaan, terwijl de eis dat het belang zeker moet zijn, inhoudt dat een eventueel of louter potentieel belang niet volstaat. De afbakening van het stedelijk gebied is nodig om de inplanting van een gevangenis te kunnen voorzien, maar impliceert op zich niet dat er daadwerkelijk een gevangenis ingeplant moet worden. Er is dan ook geen voldoende rechtstreeks causaal verband tussen de afbakening van het stedelijk gebied en het door verzoekers gevreesde nadeel van de gevangenis. Voorts is het niet omdat huidig beroep door Uw Raad ingewilligd zou worden, dat de keuze tussen de verschillende locaties zoals naar voorgeschoven tijdens het planproces, terug aan de orde zal zijn”. 4.3. De tweede verwerende partij werpt op dat de verzoekende partijen enkel belang hebben bij het bestrijden van het deelplan “Dendermonde West”. Zij zetten deze exceptie uiteen als volgt: “6. De verzoekende partijen verklaren hun belang ‘in het bijzonder (te putten) uit de wijze waarop het PRUP een keuze maakt voor de locatie van een nieuw penitentiair complex’. Zij vragen de vernietiging van het volledige PRUP. In beginsel kan worden gesteld dat de opdeling van een afbakeningsplan in deelplannen naast de vastlegging van de grenslijn een partiële vernietiging, X-13.822-8/26 beperkt tot het kwestieuze deelplan mogelijk maakt zonder afbreuk te doen aan de algemene economie van het plan (...). In wezen betrachten de verzoekers met hun verzoek tot vernietiging van het integrale plan, de kwestie van de afbakening van het kleinstedelijk gebied door middel van de vaststelling van de grenslijn open te houden voor het geval, na een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest, de locatie van de in te planten gevangenis opnieuw moet worden geëvalueerd met mogelijks gevolgen buiten de thans goedgekeurde afbakening. Dergelijk belang is niet in overeenstemming met het belang zoals vereist door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat een voldoende zeker en rechtstreeks belang vereist in hoofde van een verzoekende partij. Het belang waarop zij zich beroepen om de optie te vrijwaren om elders, in dit geval buiten de thans goedgekeurde afbakening, de nieuwe gevangenis te localiseren, is onvoldoende zeker en onrechtstreeks. De verzoekende partijen maken onvoldoende concreet aannemelijk dat zij belang hebben bij de vernietiging van het integrale plan”. 4.4. De tussenkomende partij werpt in haar memorie tot tussenkomst eenzelfde exceptie op. 4.5. In hun laatste memorie laten de verzoekende partijen dienaangaande nog gelden wat volgt: “Er valt met name niet in te zien waarom het grievend karakter van het afbakeningsplan niet afdoende zou vast staan door het feit dat dit plan het juist mogelijk maakt dat het deelplan Dendermonde-West tot stand komt, waarbij dit deelplan hen duidelijk grieft. Het gaat hier om twee beslissingen die tegelijk genomen worden, waarbij één van de twee beslissingen onbetwistbaar de verzoekende partijen grieft, en de andere beslissing een noodzakelijke voorwaarde is om die ene beslissing te kunnen nemen. Dit is wel degelijk een voldoende belang. De verzoekende partijen hoeven niet aan te tonen dat de opname in het stedelijk gebied hen op zich, dus zonder verdere uitvoering, grievend is. In dezelfde redenering zou immers ook het deelplan Dendermonde-West niet grievend zijn. Het is immers maar een plan, dat op geen enkele wijze rechtstreeks een invloed heeft op de woonomgeving van de verzoekende partijen. Maar dit plan maakt op zich wel het verlenen van een vergunning voor de bouw van een gevangenis mogelijk, en die bouw is wel grievend. Juist om die reden hebben de verzoekende partijen wél een belang bij de vernietiging van het deelplan Dendermonde-West. Er valt dan ook niet in te zien waarom ze geen belang zouden hebben bij de vernietiging van de afbakeningslijn, nu dit op zich het deelplan Dendermonde-West mogelijk maakt. Het feit dat de middelen ingeroepen worden tegen die afbakening op zich belet niet dat de verzoekende partijen wel degelijk een belang hebben bij de vernietiging van die afbakening. Zoals afdoende werd aangetoond is de opname van het oud klooster binnen het stedelijk gebied juist het gevolg van de beslissing om de gevangenis daar te vestigen, waarbij die beslissing geconcretiseerd werd in het deelplan Dendermonde-West. De middelen die in de bestreden beslissing gericht zijn tegen die beslissing hebben dan ook zowel betrekking op het deelplan Dendermonde-West als op het deelplan afbakeningslijn”. X-13.822-9/26 Beoordeling 4.6. Het afbakeningsplan (deelplan 1) vormt een noodzakelijke voorwaarde voor het vaststellen van het deelplan 2 “Dendermonde West”. De beide plannen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De verzoekende partijen doen derhalve blijken van het rechtens vereiste belang bij de vernietiging niet alleen van het deelplan 2 “Dendermonde West”, maar ook van het deelplan 1 “Grenslijn” dat de vaststelling van het deelplan 2 mogelijk maakt. 4.7. De excepties kunnen niet worden aangenomen. V. Onderzoek van de middelen Tweede middel Standpunt van de partijen 5.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, “Doordat, de bestreden beslissing een zone voorziet voor de inplanting van een gevangenis, waarbij de ontsluiting via twee indicatieve aanduidingen in het plan wordt weergegeven Terwijl, aangezien de ontsluitingsmogelijkheden van het gebied één van de kernbekommernissen was en diende te zijn bij de totstandkoming van het R.U.P. dat de locatie van een nieuwe gevangenis bepaalt, het plan de ontsluiting op een rechtszekere wijze dient te regelen. TOELICHTING 39. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt dat de ontsluitingsproblematiek één van de voornaamste bekommernissen was bij de keuze voor de inplanting van een nieuwe gevangenis. Voor zover dit niet voor de hand ligt, kan worden gezegd dat dit uit vele elementen blijkt: • Het is één van de elementen geweest waaraan de locatiestudie aandacht besteed; • Wanneer er in de verschillende voorbereidende vergaderingen over de inplanting van de gevangenis wordt gesproken, gaat de discussie zowat uitsluitend daarover; • Het advies van de gewestelijke planologische ambtenaar van 10 november 2004 stelt met zoveel woorden dat ‘de verkeersontsluiting voor de nieuwe gevangenis een belangrijke randvoorwaarde vormt bij de evaluatie van zoeklocaties'; • Het was één van de aandachtspunten bij de ‘milieubeoordeling’; X-13.822-10/26 • Het bezwaarschrift van de verzoekende partijen had grotendeels daarop betrekking; • ... De ontsluitingsmogelijkheid is bij uitstek een ruimtelijk aspect. De omvang van de hinder die aan de ontsluiting ten grondslag ligt dient in de eerste plaats met ruimtelijke ingrepen te worden beperkt. De wijze van exploiteren van de gevangenis heeft hier omzeggens geen invloed op. 40. Uw raad heeft reeds meermaals benadrukt dat voor dergelijke primordiale hinderaspecten het plan zelf met een rechtszekere oplossing dient te komen. Uw Raad stelde in het kader van een B.P.A. dat de overheden ‘aan de op hen rustende zorgvuldigheidsplicht tekortkomen, indien zij wel vaststellen dat het plan aanleiding kan geven tot het ontstaan van hinder, doch nalaten daarvoor op een rechtszekere manier een oplossing te bieden’. Deze rechtspraak werd, in een kort geding arrest, bevestigd voor wat betreft provinciale R.U.P.’s. 41. In deze creëert het bestreden R.U.P. geen rechtszekere oplossing voor het probleem van de ontsluiting. Enerzijds voorziet het plan in twee mogelijke hoofdontsluitingen. De keuze voor de concreet te gebruiken hoofdontsluiting wordt vooruitgeschoven, en zal moeten beoordeeld worden in het kader van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. Anderzijds zijn die hoofdontsluitingen slechts indicatief aangegeven. De voorschriften bepalen uitdrukkelijk dat de bepaling van het juiste tracé dient te worden bepaalt bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning, en dit op een zeer expliciete wijze. De voorschriften bepalen letterlijk dat ‘Het tracé voor de hoofdontsluiting wordt zo gekozen dat de weg zo weinig mogelijk het functioneren van het randstedelijk groengebied verstoort. Het exacte tracé wordt vastgelegd bij de aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning voor de gevangenis of bij de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning van de nieuwe hoofdontsluiting’ 42. De problematiek van de ontsluiting is bijgevolg niet op een rechtszekere wijze geregeld in het P.R.U.P.”. 5.2. De eerste verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “3.2.1. In het tweede middel stellen verzoekers dat de keuze voor twee indicatief aangeduide ontsluitingswegen het zorgvuldigheids- en rechtzekerheidsbeginsel schendt, aangezien de ontsluiting net een kernbekommernis zou zijn. 3.2.2. In het schorsingsarrest sluit uw Raad zich hierbij aan door te stellen dat de ontsluiting van de ‘zone voor gevangenis’ een noodzakelijk gegeven is dat in het plan zelf op een rechtszekere wijze dient te worden vastgesteld. Dat is niet het geval nu het ontsluitingsvraagstuk geregeld is middels de indicatieve aanduiding van het tracé en de twee mogelijke ontsluitingswegen, waarbij indien één ontsluiting reeds bestaat en een nieuwe wordt aangelegd, de bestaande nog slechts mag worden gebruikt als ‘noodweg’. Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds opgeworpen werd, is de bepaling van artikel 38, §1, 2/ van het decreet van 18 mei 1999 heel wat soepelder dan de bepaling met betrekking tot de vroegere bijzondere plannen van aanleg die oplegt dat een BPA op zijn minst de gedetailleerde bestemming X-13.822-11/26 van de gebiedsdelen, het tracé van alle in het bestaande verkeerswegennet te brengen wijzigingen en de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen, moet aangeven. Het nieuwe planinstrumentarium werd dan ook ingevoerd om te kunnen streven naar een meer duurzame ruimtelijke ontwikkeling (cf. art. 4 DOR0), die vaak meer gediend is door een zekere mate van flexibiliteit, waarbij ruimte gegeven wordt voor toekomstige behoeften die op het ogenblik van vaststelling van een plan nog niet volledig duidelijk zijn. Het kan niet de bedoeling zijn om via een ver doorgedreven toepassing van het rechtzekerheidsbeginsel terug te keren naar het door de decreetgever afgeschafte oude planinstrumentarium (...). Aangezien het bovendien om een provinciaal RUP gaat, is er in tegenstelling tot in het geval van een BPA, geen vrijstelling van openbaar onderzoek bij de vergunningsaanvragen. De vergelijking door verzoekende partijen met het arrest (...), gaat dus niet op. Flexibiliteit houdt in essentie in dat er niet meer elementen vastgelegd worden dan nodig zodat er ruimte blijft om in te spelen op onzekere toekomstige ontwikkelingen. De essentie van rechtszekerheid houdt in dat de regels kenbaar en duidelijk moeten zijn. Rechtszekerheid vereist dus niet dat alles in detail geregeld zou moeten worden of dat over alle onderwerpen strikte voorschriften uitgevaardigd moeten worden. Flexibiliteit en rechtszekerheid sluiten elkaar dus niet uit (...). Nazicht van de rechtspraak van de Raad van State in verband met rechtszekerheid bij ruimtelijke uitvoeringsplannen, leert dat er tot nu toe twee soorten problemen waren die tot de conclusie leidden dat het beginsel van rechtszekerheid geschonden werd, namelijk een gebrek aan maximale begrenzing (vb. bij de oppervlakte van een kavel) ofwel een tijdens de opmaak van het plan vastgestelde problematiek waarvoor geen oplossing geboden wordt (...). In casu wordt gesteld dat de problematiek van ontsluiting onvoldoende rechtszeker geregeld wordt door twee mogelijke ontsluitingswegen te voorzien, waarmee dit dossier aanleunt bij de tweede soort arresten inzake rechtszekerheid bij RUPs. Het arrest Nijs (...) gaat over ernstige milieuproblemen waarvoor de oplossing uitgeschoven werd naar een later tijdstip, ook al kon dit een herziening van het betrokken plan vergen. Het arrest Rodenbach en Supply (...) gaat over de vastgestelde behoefte aan een nieuwe toerit die helemaal niet geregeld wordt in het RUP. In deze zaak is er nood aan ontsluiting voor de geplande gevangenis en werden de mogelijkheden daartoe grondig onderzocht. De mogelijke ontsluiting langs de Gasthuisstraat werd door de provincie als aanvaardbaar bevonden. Gelet op de bezwaren tijdens het openbaar onderzoek werd een alternatieve ontsluitingsmogelijkheid ook mee opgenomen, om een andere mogelijke optie, die blijkbaar minder gevoelig ligt, ook open te houden. De reden waarom in het plan zelf de knoop niet doorgehakt werd, is dat beide mogelijkheden, na onderzoek, even aanvaardbaar bleken te zijn. Toch een bepaalde keuze doordrukken, was volstrekt onnodig vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en zou betekenen dat een bepaalde mogelijkheid onnodig uitgesloten werd. In het kader van flexibele planning, is net dat wat vermeden moet worden. In tegenstelling tot de aangehaalde arresten wordt in het bestreden RUP dus wel degelijk een oplossing geboden voor de problematiek van de ontsluiting. De voorschriften zijn ook voldoende rechtszeker, want voldoende duidelijk en kenbaar. De ontsluiting gebeurt ofwel via de Gasthuisstraat ofwel aan noordelijke zijde langsheen de rechteroever van de Dender en niet elders. Weliswaar biedt dit voor verzoekende partijen niet de geruststelling dat de X-13.822-12/26 ontsluiting niet via de Gasthuisstraat zal gebeuren, maar het is eigen aan procedures inzake ruimtelijke ordening dat pas een stedenbouwkundig(

  1. e)vergunning definitief uitsluitsel geeft over wat er precies gerealiseerd zal worden op het perceel. Dit niet erkennen, zou betekenen dat de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid volledig uitgehold wordt. Voorts kan nog opgemerkt worden dat vroeger in de gewestplannen heel wat industriegebieden ingekleurd werden, waarbij de voorschriften zich beperkten tot artikel 7 van het KB van 28 december 1972, zonder dat de problematiek van de ontsluiting nader geregeld werd. Hoewel de discretionaire beoordelingsmarge van de vergunningverlenende overheid i(
  2. n)die gevallen veel groter is, werd dit niet strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel bevonden. Uit de rechtspraak van de Raad van State en het besluit van de Vlaamse regering van 11 april 2008 tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, blijkt bovendien dat een inrichtingsstudie wel toelaatbaar is, terwijl een inrichtingsstudie betekent dat de concrete inrichting van een gebied overgelaten wordt aan de vergunningsaanvrager en aan de beoordeling van de vergunningverlenende overheid en niet in het RUP zelf geregeld wordt. Het is dan ook zeer de vraag waarom in casu het overlaten van de keuze tussen beide alternatieven van ontsluitingswegen aan de vergunningsaanvrager en de beoordelingsbevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, wel een schending van het rechtzekerheidsbeginsel zou inhouden. Enkel indien zou blijken dat de provincie een beoordelingsfout zou gemaakt hebben en het vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening onredelijk is om één van beide mogelijkheden toe te laten, kan het betrokken voorschrift betwist worden. Het feit op zich, dat er twee mogelijke ontsluitingen voorzien worden, kan niet problematisch zijn en vormt geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel. De exacte ligging werd inderdaad niet bepaald, wat logisch is, aangezien ook de exacte inplanting van de gevangenis, evenals de concrete inrichting van het randstedelijk groengebied niet vastgelegd werd in het RUP. Het tracé van de wegen is overigens een aspect dat door de decreetgever niet verplichtend opgelegd wordt als onderdeel van een RUP”. 5.3. De tweede verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “16. Waar het Coördinatiedecreet bepaalt dat een BPA gedetailleerde voorschriften moet bevatten, is in het DRO nergens voorzien dat de stedenbouwkundige voorschriften ‘gedetailleerd’ moeten zijn. Het was de bedoeling van het DRO om de ruimtelijke planologie flexibiliteit te verlenen. Uit artikel 38 §1 DRO volgt dat een RUP een grafisch plan moet bevatten, met de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat een RUP niet steeds alle hierboven vermelde soorten voorschriften moet bevatten. Een plan kan zich op een bepaald moment beperken tot voorschriften met betrekking tot het aspect bestemming zonder dat iets over het beheer wordt bepaald (Memorie van toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 1998-1999, nr. 1332/1,23). Een overheid beschikt aldus over een vrij ruime discretionaire bevoegdheid inzake de detaillering van een RUP. De DRO is gericht op een grotere flexibiliteit. Een extreem flexibele invulling van een bestemmingsvoorschrift kan vlugger rechtsonzekerheid meebrengen dan de invulling van de inrichtings- en beheersvoorschriften (...). X-13.822-13/26 Rechtszekerheid houdt in dat regels kenbaar en duidelijk zijn. Uit de vereiste van rechtszekerheid mag niet afgeleid worden dat een RUP per definitie erg gedetailleerd zou moeten zijn, of dat het over alle mogelijke onderwerpen strikte voorschriften zou moeten bevatten (...). De Raad van State heeft reeds in zijn rechtspraak bevestigd dat het rechtszekerheidbeginsel niet belet dat de voorschriften van de ruimtelijke ordeningsplannen flexibel kunnen zijn. 17. Het tweede middel sluit in grote mate aan bij het eerste. Er wordt dan ook naar dit randnummer 10 verwezen om aan te duiden dat de voorschriften van de RUP’s flexibel kunnen zijn. In dit tweede middel wordt door de verzoekende partijen aangevoerd dat de ontsluiting van de zone voor een gevangenis niet voldoende zorgvuldig en rechtszeker zou zijn geregeld. Dit is een aspect dat de inrichting van het gebied omvat en niet de bestemming. 18. Krachtens artikel 38, § 1, 2/ DRO bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan de bij elk gebiedsdeel horende stedenbouwkundige voorschriften inzake bestemming, de inrichting en/of het beheer. 19. Artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt in het eerste deel (5.1.) de bestemming van de zone en in het andere deel (5.2.) de inrichtingsvoorschriften : (...) Onder ‘bestemming’ worden voorschriften begrepen over het al dan niet toegelaten zijn van bepaalde functies en activiteiten in een gebied. De bestemming van de zone voor gevangenis en de locatie van de gevangenis wordt niet betwist. De bestemming van de grond als ontsluiting evenmin : enerzijds als ontsluitingsweg, anderzijds als noodweg. Wel wordt door de verzoekende partijen de inrichting van de wegen betwist : nl. de keuze voor het tracé van de hoofdontsluiting. De voorschriften van ‘inrichting’ zoals bedoeld in artikel 38 DRO houden voorschriften in over de ordening van een gebied waar bepaalde functies en activiteiten toegelaten zijn, en voorschriften over ‘morfologie en uitzicht (beeldwaarde)’ van gebieden. Deze voorschriften hebben dus betrekking op ‘hoe’ de activiteiten of functies hun plaats krijgen in de ruimte. Het aspect ‘ordening’ betekent onder meer dat via voorschriften de ruimtelijke voorwaarden kunnen worden gecreëerd voor een goede ontwikkeling van de functies en activiteiten die in een bepaald gebied toegelaten zijn. Voorbeelden hiervan zijn voorschriften over kavelgroottes, ontsluiting door wegeninfrastructuur, ecologische infrastructuur, buffering, bebouwingsvrijhouden van bepaalde zones, .... De Raad van State lijkt in het arrest (...) te vertrekken van het gegeven dat het concrete tracé van de ontsluitingsweg als een bestemmingsvoorschrift moet worden beschouwd. Dit is volgens de verwerende partij niet correct. Zoals vermeld, dienen in een PRUP helemaal geen inrichtingsvoorschriften te worden voorzien. Enkel bestemmingsvoorschriften volstaan. In dat geval zou het in ieder geval aan de vergunningverlenende overheid zijn geweest om zonder enige (richt)norm de goede ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg te beoordelen (...). Dit is volledig vergelijkbaar met het gewestplan, waarin zo goed als nooit inrichtingsvoorschriften werden voorzien. Zo werd in verband met de algemene bestemming ‘woongebied’ nooit gesteld dat dit rechtsonzekerheid zou meebrengen. 20. Oorspronkelijk werden bepaalde wegen in het PRUP ingekleurd en andere als indicatief aangeduid. Over dit aspect stelde de PROCORO : ‘Op dit ogenblik zijn enkel de nog niet bestaande ontsluitingen indicatief weergegeven, de bestaande wegen werden ingekleurd. In principe is er geen bezwaar tegen de indicatieve aanduiding van alle wegen, voor zover de filosofie X-13.822-14/26 van het Randstedelijk groengebied gerespecteerd wordt. Men kan ook het stedenbouwkundig voorschrift en de grafische voorstelling van de bestaande wegen weglaten, wel moet er zekerheid gegeven worden dat de woningen langs Oud Klooster bereikbaar blijven. Doorgaande wegen lopen niet door het gebied dat bovendien verder onbebouwd blijft. In het kader van soepele planning lijkt deze suggestie verdedigbaar.’ Deze suggestie werd gevolgd door de provincieraad. Alle wegen worden thans als indicatief aangegeven. Er worden twee - en slechts twee - mogelijke tracés voor de hoofdontsluiting voorzien. Het tracé moet uiteindelijk zo worden gekozen dat de weg zo weinig mogelijk het functioneren van het randstedelijk groengebied verstoort. Rechtszekerheid houdt in essentie in dat regels kenbaar en duidelijk zijn. Waar de ontsluitingsweg komt te liggen, is kenbaar en duidelijk. Het is voor de vergunningverlenende overheid niet mogelijk om om het even waar de ontsluiting te voorzien. (...) Door de mogelijke ontsluiting te beperken tot twee tracés, kunnen de verzoekende partijen in redelijke mate de gevolgen voorzien van het PRUP. De aan de vergunningverlenende overheid toebehorende discretionaire bevoegdheid blijft binnen redelijke grenzen, door de keuze van het tracé te beperken tussen twee ontsluitingswegen. De opgenomen richtnormen in het PRUP, waarbij aan de vergunningverlenende overheid een discretionaire bevoegdheid wordt verleend om de aanvragen te beoordelen, is enkel een toepassing van de bevoegdheid over de ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg, die bij de vergunningverlenende overheid ligt (...). Het is immers steeds zo dat pas een stedenbouwkundige vergunning definitief uitsluitsel geeft over wat precies en concreet zal gerealiseerd worden op het perceel 21. De rechtspraak in het kader van het BPA, waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, is geenszins naar analogie over te nemen. Zoals hoger reeds opgemerkt zal er bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning in casu geen vrijstelling van openbaar onderzoek zijn, in tegenstelling tot wat het geval is en was voor een BPA. (...) Tot slot moet ook bij dit middel nog eens worden gewezen op het feit dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek zal moeten worden georganiseerd. De vrijstelling is enkel voorzien voor gemeentelijke RUP’s”. 5.4. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “35. Noch de Deputatie, noch het Vlaams Gewest ontkennen dat, zoals gesteld in het enig verzoekschrift, de ontsluitingsproblematiek één van de voornaamste bekommernissen was bij de keuze voor de inplanting van een nieuwe gevangenis, en dat dit bij uitstek een ruimtelijk aspect is. 36. Dit is ten zeerste van belang. Het gaat hier niet zomaar om ‘een’ wegenis, of om de wegenis binnen een bepaalde zone. Het gaat om ‘de’ ontsluiting van de site, die hetzij via het oosten, via een woonwijk, hetzij via het noorden, doorheen een natuurgebied moet gebeuren. Om die reden heeft uw Raad, terecht, in het schorsingsarrest verwezen naar noodzaak om op rechtszekere wijze de bestemming van het gebied te regelen. Uw Raad stelde geenszins dat het voorschrift inzake de ontsluitingsweg een X-13.822-15/26 bestemmingsvoorschrift is, maar wel dat de bepaling van de ontsluitingsweg noodzakelijk in het plan moet worden voorzien omdat de bestemming zonder die weg niet kan worden gerealiseerd. Uw Raad stelde bij arrest DEBELVA (...) dat het rechtszekerheidsbeginsel niet in het gedrang wordt gebracht indien de wegenis binnen een woonwijk op indicatieve wijze wordt aangeduid in het specifieke geval dat dit indicatieve karakter enkel tot gevolg heeft dat de exacte situering van die infrastructuren niet vastligt, maar dat wel het type, het aantal en de locatie van elke weg en pad in het netwerk bindend zijn, en dat daarvan niet (kan) worden afgeweken. In de zaak DEBELVA lag de wegenis binnen een te ontwikkelen gebied vast, alleen was het tracé blijkbaar nog niet met de nauwkeurigheid van een rooilijnenplan bepaald. Er konden dus nog afwijkingen met enkele meters doorgevoerd worden. Voor de rest lag zowat alles vast. In de voorliggende zaak ligt niets vast. Alleen dat er een ontsluiting moet komen, maar dat is nog nogal evident indien de gevangenis daar wordt ingeplant. De voorschriften zeggen niets over de materialen, over de breedte, over de uitrustingsgraad van de weg, wat nochtans van belang is: een volledig uitgeruste weg door het natuurgebied maakt dit gebied uitermate geschikt voor andere functies. Verlichting van de weg kan bovendien storend zijn voor het natuurgebied. De ligging van de weg ligt evenmin vast. Ofwel via het noorden, ofwel via het zuiden maar ook dat is evident omdat er gewoonweg geen andere ontsluitingsmogelijkheden zijn. En zelfs op die locaties legt het P.R.U.P. geen beperkingen op, nu de ontsluiting enkel indicatief is aangeduid, en bijgevolg in alle mogelijke richtingen kan verschuiven. Zo kan de noordelijke ontsluiting net langsheen de Denderarm worden aangelegd, maar mogelijk op vijftig meter van die Denderarm. Er ligt terzake gewoonweg niets vast. 37. Juist omdat het zo’n belangrijk aspect was moest het op planniveau door de provincieraad worden geregeld. Dit weerlegt ook het standpunt van de Deputatie en van het Gewest dat het niet gaat om een verplicht onderdeel van het RUP: omdat het gaat om een dergelijk essentieel onderdeel van het plan moest de Deputatie dit onderdeel wél regelen. 38. Het past daarbij erop te wijzen dat beide ontsluitingen vanuit een ander aandachtspunt problematisch zijn. De oostelijke ontsluiting is, zoals aangevoerd in het enig verzoekschrift, problematisch op het vlak van de leefkwaliteit van de bewoners van de woonstraten waarop die ontsluiting aansluit. Bij de consultatie van de stukken van het administratief dossier is daarnaast gebleken dat het probleem voor de noordelijke ontsluiting niet zozeer gelegen is in de kostprijs ervan (...), maar wel in het feit dat de weg het natuurgebied hypothekeert (...). Men kan dus niet zeggen dat de alternatieve noordelijke ontsluiting een onbetwistbaar maar duur alternatief is dat open moet worden gelaten voor het geval de goedkopere maar betwiste oostelijke ontsluiting na nader onderzoek toch niet aanvaardbaar blijkt. De noordelijke ontsluiting zal andere vragen oproepen inzake verstoring van het natuurgebied door licht, geluid en verkeer. Die effecten op de natuur zijn op dit ogenblik op geen enkele wijze onderzocht of aan enige vorm van inspraak onderworpen, aangezien de alternatieve ontsluiting pas na het openbaar onderzoek opgevist werd. Of de twee ontsluitingsmogelijkheden derhalve haalbaar zijn is bijgevolg op dit ogenblik geenszins zeker. Het gaat dus niet om twee op zich aanvaardbare ontsluitingen, maar om twee ontsluitingen waarvan de aanvaardbaarheid niet zeker is. X-13.822-16/26 De Deputatie geeft de keuze voor de beoordeling van die aanvaardbaarheid uit handen, en koppelt ze los van de totstandkoming van het plan en de keuze voor de inplanting van de gevangenis. Hierdoor zal de vraag niet langer rijzen of de gevangenis op die locatie wel op een aanvaardbare wijze kan worden ontsloten, maar zal enkel nog moeten worden bepaald welke van de gekozen ontsluitingsmogelijkheden het best, of beter het minst slecht, is. Dit kan vanuit het rechtszekerheidsbeginsel niet worden aanvaard. 39. De vergelijking met de gewestplannen doet niet terzake. Uw Raad heeft recent ook een gewestplan getoetst aan de vereisten van rechtszekerheid. Uw Raad vond met name dat een aanvullend bestemmingsvoorschrift voor een ontginningsgebied dat voorziet in een nabestemming met een ‘evenwaardige verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats’ een fundamentele onduidelijkheid vertoont voor wat betreft het gebruik dat na de ontginning van het gebied kan worden gemaakt. Dat de gewestplanvoorschriften doorgaans eveneens vaag zijn is juist, maar ook bij een gewestplanwijziging was het uitgesloten dat een bepaald gebied voor ontwikkeling werd vrijgegeven zonder dat het paalde aan een voldoende uitgeruste weg”. 5.5. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel gelden wat volgt: “2.2. De tussenkomende partij verwijst hoofdzakelijk naar haar verweer op het eerste middel, meer specifiek de randnummers 1.2. en 1.3. van de onderhavige memorie. Voor alle duidelijkheid herneemt de tussenkomende partij samengevat haar standpunt. Volgens het RSV dient een PRUP tot afbakening van een kleinstedelijk gebied enkel ‘de grenslijn of het grensgebied met de bijbehorende voorschriften en desgevallend bestemmingswijzigingen voor specifieke locaties’ te bevatten en ‘omzichtig, restrictief en nauwkeurig’ opgesteld te worden. Luidens artikel 38, §1, 2/, van het DRO dient een RUP ‘de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer’ te bevatten. Inrichtingsvoorschriften zijn dus geen noodzaak voor de inhoud van een RUP, waarbij volgens de parlementaire voorbereiding ontsluiting aanzien wordt als een inrichtingsvoorschrift. In tegenstelling met het vroegere planningsinstrumentarium waarbij de ontsluiting diende bepaald te worden, beslist elke bevoegde overheid autonoom over de graad van detaillering van haar ruimtelijk uitvoeringsplan. De decreetgever heeft er duidelijk voor gekozen ‘het tracé van alle in het bestaande verkeerswegennet te brengen wijzigingen’ (cfr. artikel 13 en 14 van het coördinatiedecreet) niet op te nemen als een noodzakelijke bepaling van een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het subsidiariteitsbeginsel speelt niet enkel tussen de drie planningsniveau’s, doch ook tussen de drie planningsniveau’s en de vergunningsverlenende overheid. Minstens kan het planningsproces de opdracht van de vergunningsverlenende overheid niet ondergraven, met name door het nagaan of een concreet stedenbouwkundige aanvraag enerzijds bestaanbaar is met de geldende bestemmingsplannen en verordeningen en anderzijds verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. X-13.822-17/26 Volgens het subsidiariteitsbeginsel dient de provinciale overheid zich bij de opmaak van een provinciaal RUP te beperken tot hetgene dat behoort tot het provinciale niveau. Het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen dd. 11 april 2008 bevestigt de ruime discretionaire bevoegdheid van de planningsoverheid, waarbij enkel wordt opgelegd de verschillende bestemming(
  3. en)van het gebied op te geven. Stedenbouwkundige voorschriften zoals vermeld in artikel 38, §1, 2/ van het DRO kunnen niet aanzien worden als strikte en strakke, uiterst eenduidige regels die geen ruimte meer zouden mogen laten voor enige interpretatie, appreciatie, of modaliteiten qua concrete toepassing op het terrein. De doelstelling van ruimtelijke kwaliteit is niet steeds het best te bereiken via al te starre planvoorschriften. Deze voorschriften dienen immers te kaderen in de beginselbepaling van artikel 4 van het DRO, waarbij een duurzame ruimtelijke ontwikkeling voorop wordt gesteld. Ruimtelijke’ kwaliteit wordt beter bekomen via het inbouwen van een zekere mate van flexibiliteit in de planvoorschriften. Het rechtszekerheidsbeginsel heeft niet tot gevolg dat een RUP in het algemeen en een RUP tot afbakening tot een kleinstedelijk gebied in het bijzonder zou aanzien moeten worden als een plan waarbij reeds alles in geregeld wordt met betrekking tot de concrete inrichting van het gebied, de plaatsing en het uitzicht van de gebouwen, enz. Het is niet zozeer de plannende overheid doch wel de vergunningsverlenende overheid die de zorg voor een goede plaatselijke ordening tot haar kerntaken dient te rekenen. 2.3. De verzoekers verwijzen in hun bespreking van het tweede middel naar drie arresten van uw raad: (...). De arresten De Groof betreffen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring van een bijzonder plan van aanleg (hierna BPA). Hierboven werd reeds aangetoond dat er een essentieel onderscheid bestaat tussen een BPA en een RUP met betrekking tot de vereiste voorschriften en de detailleringsgraad. In het schorsingsarrest De Groof wordt dit overigens ook bevestigd: ‘dat het bijzonder plan van aanleg alle elementen moet bevatten die het mogelijk moeten maken om de gedetailleerde bestemming van het gebied te realiseren’ (eigen onderlijning) De feitelijkheden die aan de grondslag van deze arresten liggen zijn ook verschillend. In de arresten De Groof zijn de planoverheden ‘zich bewust (...) van het bestaan van een probleem inzake geluids- en verkeersoverlast en van de noodzaak om maatregelen te nemen ter beperking van die overlast; dat zij evenwel van oordeel zijn dat het bedoelde probleem niet opgelost hoeft te worden, of niet opgelost kan worden, in het bijzonder plan van aanleg zelf; dat zij zich ertoe beperken te verwijzen naar het evenementenplan dat de huidige exploitant van de feestzaal voornemens is naar aanleiding van een uitbreiding van de feestzaal ten uitvoer te leggen, alsmede naar de voorwaarden die opgelegd kunnen worden in de vergunningen die de exploitant alsdan zal moeten aanvragen; dat de vaststelling van de noodzakelijke voorschriften voor de realisatie van de bestemming van het plangebied aldus gedeeltelijk wordt onttrokken aan het besluitvormingsproces dat door de decreetgever voor een bijzonder plan van aanleg is geconcipieerd, en verschoven wordt naar het ogenblik waarop de exploitant van de feestzaal een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning zal indienen.’ (...) De verzoekers verwijzen ook naar het arrest (...). Dit arrest betreft een vordering tot schorsing van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. X-13.822-18/26 De feitelijkheden zijn evenwel verschillend met deze van het thans voorliggend geschil en dit blijkt reeds uit de hieronder vermelde overwegingen: ‘Overwegende dat de verzoekers samengevat aanvoeren dat de verwerende partijen hebben nagelaten te onderzoeken of de algemene geluidsnormen wel kunnen worden gerespecteerd met het oog op de exploitatie van het circuit door noch te wachten op het desnoods voorlopig rapport van de M.E.R.- studie, noch zich op een andere wijze te hebben vergewist van de ernst van de geluids-, geur- en stofhinder die het circuit veroorzaakt en de haalbaarheid van maatregelen om deze hinder weg te nemen, terwijl zij nochtans kennis hadden van de veelvuldige klachten ter zake. Overwegende dat uit de hiervóór vermelde feitenuiteenzetting blijkt dat de verwerende partijen zich terdege ervan bewust zijn dat de exploitatie van de beoogde permanente omloop voor grondgebonden gemotoriseerde sporten een negatieve impact heeft op het leefmilieu, in het bijzonder wat de geluidsoverlast betreft;’ (...) Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bevoegde overheden erkennen dat het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan een niet te verwaarlozen impact heeft op het leefmilieu, en dat maatregelen noodzakelijk zijn om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden; Overwegende dat, indien de provincieraad vaststelt dat een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ernstige problemen doet rijzen met betrekking tot de impact van de voorziene bestemmingen op het leefmilieu, hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden. (...) dat immers niet op een rechtszekere manier een oplossing wordt geboden aan het ook door de bevoegde overheid erkende probleem van de impact van het betrokken plan op het leefmilieu, doch de oplossing hieromtrent integendeel wordt vooruitgeschoven naar later nog te nemen beslissingen ter realisatie van de in dat plan voorziene bestemmingen, mogelijks zelfs door een herziening van het plan In casu zal geen van beide indicatieve toegangswegen aanleiding geven tot overlast, minstens zal de hinder binnen aanvaardbare perken gehouden worden. Alle mogelijke hinder werd onderzocht en de nodige maatregelen werden genomen, getuige de milieubeoordeling van het provinciaal RUP opgesteld door Grontmij Vlaanderen dd. 25 mei 2007. Bovendien dient vastgesteld te worden dat de ontsluiting geenszins een noodzakelijk voorschrift in een RUP betreft voor de realisatie van de bestemming, doch wel de inrichting betreft. (cfr. supra) Klaarblijkelijk heerst hieromtrent verwarring. (...) De tussenkomende partij beklemtoont nogmaals dat geen enkele regelgeving bepaalt dat de ontsluiting (als onderdeel van de inrichting van een plangebied) verplicht dient opgenomen te worden in een RUP, wat betekent dat in zoverre nodig een grote discretionaire bevoegdheid kan verleend worden aan de vergunningverlenende overheid. 2.4. In casu bestaat geen gevaar voor willekeur, onzorgvuldigheid of een schending van de rechtszekerheid bij de toepassing van de voor verzoekers griefhoudende voorschriften. (...) De ontsluiting gebeurt ofwel via de Gasthuisstraat ofwel via het noorden langsheen de rechteroever van de Dender. X-13.822-19/26 De rechtzoekende kan dan ook perfect de gevolgen van beide mogelijke ontsluitingen voorzien. De aan de vergunningverlenende overheid toebehorende discretionaire bevoegdheid blijkt dan ook binnen redelijke grenzen. Tenslotte wordt in het verslag aan de Koning, gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. dd. 11 april 2008 , expliciet opgenomen dat in een RUP een inrichtingsstudie kan opgelegd worden. Het is evident dat deze mogelijkheid doelloos is indien het rechtszekerheidsbeginsel - zoals begrepen door de verzoekers - de planoverheid zou verplichten exhaustief de inrichting van het plangebied te bepalen in het RUP zelf. Het bestreden RUP verleent ook geen vrijbrief- wat aanleiding gaf tot het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging in (...) Claerhout en Van Pollaert - doch is gesteld in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen. Zoals reeds gesteld, gebeurt de ontsluiting ofwel via de Gasthuisstraat ofwel aan de noordelijke zijde langsheen de rechteroever van de Dender. Het betreft dan ook de keuze tussen twee vaststaande opties”. 5.6. In haar laatste memorie laat de tweede verwerende partij nog gelden wat volgt: “4. De tweede verwerende partij herneemt haar volledige uiteenzetting uit de memorie van antwoord. Zij wenst enkel kort het volgende toe te voegen. 5. Ook de Auditeur, zoals de Raad van State in het arrest nr. (...), gaat er vanuit dat het tracé van een ontsluitingsweg een bestemmingsvoorschrift is. Dit is niet correct. De voorschriften die betrekking hebben op de ordening van een gebied, nl. hoe de activiteiten of functies hun plaats krijgen in het gebied. In een PRUP dienen geen inrichtingsvoorschriften te worden voorzien. Enkel bestemmingsvoorschriften volstaan. 6. De Auditeur stelt vervolgens dat de ontsluiting een essentieel gegeven is, dat in het uitvoeringsplan zelf op afdoende rechtszekere wijze moet worden geregeld. Zij meent dat de indicatieve aanduiding van het tracé van twee mogelijke ontsluitingswegen, waarbij indien één ontsluiting reeds bestaat en een nieuwe wordt aangelegd, de bestaande nog slechts mag worden gebruikt als ‘noodweg’, het ontsluitingsweg op een onvoldoende rechtszekere wijze wordt opgelost. Er worden twee - en slechts twee - mogelijke tracés voor de hoofdontsluiting voorzien. Het tracé moet uiteindelijk zo worden gekozen dat de weg zo weinig mogelijk het functioneren van het randstedelijk groengebied verstoort. Rechtszekerheid houdt in essentie in dat regels kenbaar en duidelijk zijn. De rechtzoekende moet in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kunnen voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Waar de ontsluitingsweg komt te liggen, is kenbaar en duidelijk : ofwel via de Gasthuisstraat ofwel via de noordelijke zijde langsheen de rechteroever van de Dender. Er is geen andere mogelijkheid. De gevolgen van de bestreden beslissing zijn in redelijke mate te voorzien. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften mag niet verhinderen dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij de beoordeling van een concrete aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. X-13.822-20/26 De in casu aan de vergunningverlenende overheid toebehorende discretionaire bevoegdheid blijft binnen redelijke grenzen, door de keuze van het tracé te beperken tussen twee ontsluitingswegen. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen het dan ook volledig karikaturaal waar ze noteren dat er niets vastligt, ‘alleen dat er een ontsluiting moet komen, maar dat is nogal evident indien de gevangenis daar wordt ingeplant’. Dit gaat voorbij aan de inhoud van de bestreden beslissing én het dossier : de ontsluiting zal gebeuren via de Gasthuisstraat of via de rechteroever van de Dender. 7. De verzoekende partijen roepen pas in de memorie van wederantwoord in dat de twee ontsluitingstracés niet haalbaar zouden zijn. Dit aspect kan niet tot vernietiging aanleiding geven, aangezien dit niet in het verzoekschrift werd aangevoerd. Hieruit blijkt anderzijds wel waarom de verzoekende partijen menen dat het voorschrift over de ontsluiting rechtsonzekerheid zou meebrengen. Zij menen dat de aanvaardbaarheid van de twee tracés moet worden betwist. Dit is helemaal iets anders dan rechtsonzekerheid over de keuze”. 5.7. De tussenkomende partij laat nog gelden wat volgt: “Allereerst is het niet volledig juist voor te houden dat heden de litigieuze bestemmingszone niet paalt aan een openbare weg. De bestemmingszone paalt aan de Meersstraat, gelegen evenwijdig met de spoorweg Gent - Dendermonde. (...) Dit blijkt uit de stedenbouwkundige voorschriften waarbij in artikel 5.1. wordt verwezen naar de ‘bestaande infrastructuur’ die in gebruik genomen mag worden als noodweg (zie lokale ontsluitingswegen art. 1.5.) Dit gegeven is essentieel aangezien dit het uitgangspunt voor de auditeur vormt om de ontsluiting te aanzien als een fundamentele optie van het uitvoeringsplan. 1.3. De auditeur voert met de terminologie ‘fundamentele opties in het uitvoeringsplan’ een nieuw begrip in, die geen oorsprong vindt in de betrokken regelgeving. In de regelgeving wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen bestemmingsvoorschriften en inrichtingsvoorschriften. Het kan ook niet betwist worden dat de ontsluiting aanzien dient te worden als een inrichtingsvoorschrift. Door evenwel te stellen dat zonder een bepaald inrichtingvoorschrift de bestemming niet kan gerealiseerd worden (en dus dat dergelijk inrichtingsvoorschrift aanzien dient te worden als een bestemmingsvoorschrift) holt de auditeur dit onderscheid terug te vinden in het DRO en het besluit van de Vlaamse regering dd. 11 april 2008 volkomen uit. Als dit standpunt gevolgd wordt, kan de vraag gesteld worden welke inrichtingsvoorschriften niet opgenomen dienen te worden in een ruimtelijk uitvoeringsplan. Het is immers eigen aan elk inrichtingsvoorschrift dat zij de bestemming helpt te verwezenlijken. De auditeur gaat zelfs verder. Zij stelt dat de definitieve bestemming niet in het uitvoeringsplan zelf, maar pas (...) ingevolge een latere beslissing zal worden vastgelegd. De tussenkomende partij meent dat door het uitvoeringsplan de definitieve bestemming wel degelijk is vastgelegd. In artikel 3.1. van de stedenbouwkundige voorschriften wordt immers vermeld: X-13.822-21/26 ‘Deze zone is bestemd voor de inplanting van een gevangenis. Het gaat over de gebouwen en diensten in functie van een gevangenis en bijhorende accommodatie zoals buitenruimtes, parkeerterreinen, afsluitingen.’ Het is immers niet omdat de inrichting van een bepaald plangebied niet definitief werd vastgelegd dat het bestemmingsgebied ‘zone voor gevangenis’ bijvoorbeeld voor andere bestemmingen zou kunnen gebruikt worden. De vraag blijft dan ook waarom de ontsluiting verplicht dient opgenomen te worden in een ruimtelijk uitvoeringsplan. De decreetgever heeft dit overgelaten aan de discretionaire bevoegdheid van de planoverheid. De rechtsbescherming komt hierdoor geenszins in het gedrang; de beoordeling van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor de gevangenis of voor de nieuwe hoofdontsluiting zorgt er zelfs voor dat bijkomende rechtsbescherming wordt verleend aan de omwonenden door het toetsen van deze aanvraag aan het voorliggende ruimtelijk uitvoeringsplan. 1.4. Het door de auditeur ingenomen standpunt wordt klaarblijkelijk gesteund op het schorsingsarrest (...) (Rodenbach en Suply). In het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd oorspronkelijk een ontsluitingsweg voorzien waarvan na openbaar onderzoek blijkt dat deze weg niet voorzien kan worden aangezien deze ligt binnen een niet-vervallen verkaveling. Het RUP wordt definitief vastgelegd zonder een ontsluitingsweg te voorzien binnen het plangebied en bepaalt enkel de behoefte aan een nieuwe ontsluiting: ‘Uit het bovenstaande lijkt, in de huidige stand van zaken, te moeten worden afgeleid dat het voorhanden zijn van een nieuwe ontsluiting voor het vrachtverkeer naar de Ingelmunstersteenweg onlosmakelijk verbonden is met de gevraagde uitbreiding en dus een essentieel gegeven is om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. In casu maakt het plan de uitbreiding mogelijk, doch zonder het ontsluitingsvraagstuk te regelen. De verwerende partij kan bijgevolg niet gevolgd worden waar zij stelt dat ‘in het ruimtelijk uitvoeringsplan de nodige ruimte wordt voorzien en aangeduid (..)’. Dit klemt des te meer nu de verwerende partij in haar nota zelf opwerpt dat de ‘verlegde weg’ zich ‘buiten het plangebied’ bevindt. Tevens stelt de verwerende partij in haar nota dat ‘de verlegging van de bestaande openbare weg met de geëigende procedure (moet) worden geregeld’. Door tegelijk te erkennen dat de uitbreiding een nieuwe ontsluiting vergt, maar na te laten in het bestreden besluit zelf de gepaste maatregelen te voorzien of deze mogelijk te maken, lijkt de verwerende partij aan de haar opgelegde zorgvuldigheidsplicht tekort te komen. Er wordt immers op het eerste gezicht niet op een rechtszekere manier een oplossing geboden aan het ook door de bevoegde overheid erkende ontsluitingsprobleem dat de uitbreiding met zich brengt, doch de oplossing hieromtrent wordt integendeel vooruitgeschoven naar later nog te nemen beslissingen omtrent de verlegging van de bestaande Mandelstraat naar de linkerzijde van het perceel 337/a, waarvoor bovendien een niet-vervallen verkavelingsvergunning lijkt te zijn afgegeven.’ (...) Hierboven werd reeds verduidelijkt dat een planoverheid niet verplicht is om een inrichtingsvoorschrift, in casu een ontsluiting, te voorzien. Zelfs indien uw raad een andere mening zou toegedaan zijn, kan bovenvermelde rechtspraak niet onverkort worden toegepast op onderhavige zaak. X-13.822-22/26 In het bovenvermelde arrest kiest de planoverheid ervoor geen toegangsweg te voorzien binnen het plangebied van het RUP. Dit is een essentieel onderscheid met de onderhavige zaak. In casu worden liefst twee mogelijke indicatief aangeduide hoofdontsluitingen voorzien in het plangebied van het ruimtelijk uitvoeringsplan. De verwerende partijen hebben dan ook niet nagelaten ‘in het bestreden besluit zelf de gepaste maatregelen te voorzien of deze mogelijk te maken’”. Beoordeling 5.8. Het beginsel van de rechtszekerheid vereist dat stedenbouwkundige voorschriften op voldoende duidelijke wijze worden vastgesteld, hetgeen niet verhindert dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen de grenzen gesteld door het bevoegdheidsniveau waarop zij dienen te worden vastgesteld, een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij de beoordeling van een aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning. Dit houdt onder meer in dat de fundamentele opties van het plan op het daartoe ingevolge de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel bevoegde planniveau dienen te worden vastgesteld. 5.9. Krachtens artikel 38, § 1, 2/ van het op het ogenblik dat het bestreden besluit werd vastgesteld geldende decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan de bij elk gebiedsdeel horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer. Het plan dient aldus op het betrokken planniveau op een rechtszekere wijze de bestemming evenals in voorkomend geval de voor de realisatie daarvan noodzakelijke voorschriften in verband met de inrichting en/of het beheer van de verschillende gebiedsdelen vast te stellen. 5.10. Er bestaat geen betwisting over dat de bestemming “zone voor gevangenis” ingevolge het subsidiariteitsbeginsel als behorende tot het provinciaal planniveau wordt beschouwd. Aangezien deze zone niet paalt aan een openbare weg, en derhalve zonder ontsluitingsweg niet kan worden gerealiseerd, dient dat plan ook noodzakelijkerwijze de daartoe vereiste inrichtingsvoorschriften, met name het tracé van een ontsluitingsweg, aan te geven. X-13.822-23/26 5.11. Wat dit betreft bepaalt “Artikel 5 Hoofdontsluiting gevangenis (indicatieve aanduiding)” van de bij het bestreden PRUP horende stedenbouwkundige voorschriften, wat volgt: “5.1. bestemming • De verbinding tussen de zone voor gevangenis en enerzijds de Gasthuisstraat - Eikelstraat of anderzijds de weg langsheen de rechteroever van de Dender vormt de ontsluiting van de gevangenis voor auto’s en vrachtwagens en wordt de hoofdontsluiting genoemd. Er kan maar één ontsluiting voor auto’s en vrachtwagens functioneren. Indien één ontsluiting reeds bestaat en er een nieuwe aangelegd wordt, dan moet het functioneren van de eerste als hoofdontsluiting voor de gevangenis opgeheven worden. De bestaande infrastructuur mag in gebruik genomen worden als noodweg (zie lokale ontsluitingswegen art. 1.5) 5.2. inrichting • De inrichting van de weg wordt bepaald in functie van de toegankelijkheid van de gevangenis. • Het tracé van de hoofdontsluiting wordt zo gekozen dat de weg zo weinig mogelijk het functioneren van het randstedelijk groengebied verstoort. Het exacte tracé wordt vastgelegd bij de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning voor de gevangenis of bij de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning van de nieuwe hoofdontsluiting”. 5.12. Uit deze voorschriften blijkt dat, wat het tracé van de hoofdontsluiting van de “zone voor gevangenis” betreft, het bestreden PRUP er zich toe beperkt twee alternatieve tracés aan te duiden, en de definitieve vaststelling van het tracé over te laten aan de overheid die later over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor de gevangenis of de nieuwe hoofdontsluiting zal beslissen. De ontsluiting van de “zone voor gevangenis” is, zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat, een noodzakelijk gegeven betreffende de inrichting van de betrokken zone, dat op dat planniveau zelf op een rechtszekere wijze dient te worden vastgesteld. Door evenwel het ontsluitingsvraagstuk te regelen middels indicatieve aanduiding van het tracé van twee mogelijke ontsluitingswegen, waarbij, indien één ontsluiting reeds bestaat en een nieuwe wordt aangelegd, de bestaande nog slechts mag worden gebruikt als “noodweg” in de zin van artikel 1.5 van de stedenbouwkundige voorschriften, wordt de ontsluiting van de “zone voor gevangenis” niet op een afdoende rechtszekere wijze in het plan zelf geregeld. De in het middel ingeroepen schending van het rechtszekerheidsbeginsel zoals uiteengezet door de verzoekende partijen is in de aangegeven mate gegrond. X-13.822-24/26 5.13. Het middel is in zoverre gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt : - het besluit van 12 december 2007 van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde”, en - het besluit van 28 april 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring, met uitzondering van de in blauw aangeduide delen, van dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan van de provincie Oost-Vlaanderen “Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde”. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. 3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1750 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter X-13.822-25/26 Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.822-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.616 Gerelateerde publicatie(
  4. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.898 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.