id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.617 Rolnummer: A. 81082/X-8533 Zaak: Arrest 197617 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.617 van 4 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.617 van 4 november 2009 in de zaak A. 81.082/X-
- In zake:
- Rudy VAN LABEKE
- Benedicte DE VOS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Coryn kantoor houdend te 9000 GENT Casinoplein 19 bij wie woonplaats wordt gekozen het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 12 november 1998, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 25 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partijen tegen het besluit van 7 mei 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hun de vergunning is geweigerd voor het verkavelen van gronden gelegen aan de Geraardsbergsesteenweg en de Kalverhagestraat te Melle (Grontrode), op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 339/e en 340/a. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 186.973 van 9 oktober 2008 wordt het arrest nr.143.871 van 28 april 2005 in de zaak A. 81.082 ingetrokken (zaak A. 185.246); de zaken A. 81.082 en A. 185.246 worden gevoegd; de debatten in de zaak A. 81.082 worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek in de zaak A. 81.
- X-8533-1/10 Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 8 september 1997 dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Melle een vergunningsaanvraag in voor het “verkavelen van gronden in 16 loten” gelegen aan de Geraardsbergsesteenweg, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 339/e en 340/a. Bij besluit van 4 februari 1998 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Melle de gevraagde verkavelingsvergunning. 3.
- Bij besluit van 7 mei 1998 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoekende partijen tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen. 3.
- Op 4 juni 1998 stellen de verzoekende partijen beroep in tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse regering. X-8533-2/10 Na op 12 augustus 1998 de verzoekende partijen te hebben gehoord vraagt de minister een bijkomend advies aan de administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Oost-Vlaanderen, dat op 16 september 1998 wordt verleend. Bij het bestreden besluit van 25 september 1998 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de verzoekende partijen tegen het weigeringsbesluit van 7 mei 1998 van de bestendige deputatie. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat het ontwerp strekt tot het verkavelen van gronden; dat de bestendige deputatie het ingestelde beroep heeft verworpen onder meer om reden dat door de wegenadministratie op 27 oktober 1997 een ongunstig advies werd uitgebracht en het beroep aldus, gelet op dit bindend advies, niet vatbaar is voor inwilliging; Overwegende dat het betrokken terrein volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit d.d. 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone is gelegen in een woongebied met landelijk karakter; dat luidens de bepalingen van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat de woongebieden met een landelijk karakter zijn bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven; dat het betrokken terrein niet is begrepen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg zodat op dit vlak geen specifieke stedenbouwkundige voorschriften gelden; dat, ook wanneer het project in se in overeenstemming is met een dusdanige bestemming, het de taak blijft van de daartoe bevoegde overheid, te waken over een degelijke ruimtelijke ordening van het gebied; Overwegende dat de beoogde verkaveling betrekking heeft op gronden die overwegend langs de Geraardsbergsesteenweg en voor een klein gedeelte (twee loten) langs de Kalverhagestraat zijn gesitueerd; dat de creatie is voorzien van 16 loten voor open bebouwing; dat deze loten een minimale breedte hebben van 20 meter en een diepte van 50 meter, met dien verstande dat de bouwdiepte wordt beperkt tot 25 meter; dat deze gronden en het achterliggend terrein thans nog worden ingenomen door een hoogstamboomgaard, waarvan ongeveer 60 bomen binnen de omtrek van de voorgestelde verkaveling zijn gelegen; dat tenslotte als niet onbelangrijk gegeven ook nog moet worden vermeld dat deze verkaveling zich uitstrekt langs de gewestweg N465; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier is gebleken dat zowel de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen als de verwerpingsbeslissing van de bestendige deputatie zijn gebaseerd op het ongunstig advies van de Administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Oost-Vlaanderen, d.d. 27 oktober 1997, waarin onder meer wordt gestipuleerd dat het plan geen duidelijk beeld geeft van de toegangen en dat dit noodzakelijk X-8533-3/10 is, gelet op het hoogteverschil en de aanwezigheid van steunmuren en van een gemetste bloembak als wegvernauwingseffect; Overwegende dat in verband met dit wegenadvies door de particulier op basis van de door hem aangehaalde rechtspraak van de Raad van State wordt gesteld dat de bestendige deputatie gemachtigd was af te wijken van dit advies, daar door bovenvermelde rechtspraak wordt geponeerd dat de bestendige deputatie in beroep uitspraak kan doen op grond van een eigen beoordeling van de eisen gesteld door de plaatselijke aanleg; dat in dit verband dient opgemerkt dat toch een onderscheid dient gemaakt tussen enerzijds de appreciatiebevoegdheid van de betrokken overheid over de graad van realisatie van een goede plaatselijke aanleg en anderzijds de dwingende en decretaal voorziene reglementering en de daarin voorgeschreven adviezen die dienen te worden gevraagd aan de ter zake bevoegde diensten en nagevolgd, zoals in casu wordt bepaald in artikel 55, §1, van het bovenvermeld coördinatiedecreet; dat niet wordt betwist dat betreffende de appreciatie of de goede plaatselijke aanleg niet wordt verstoord de in beroep uitspraak doende overheid haar volledige zelfstandigheid van oordelen behoudt; dat deze beoordeling echter altijd dient te blijven gebeuren binnen het kader van de decretale voorschriften en de dwingende reglementeringen en adviezen die op basis daarvan worden uitgevaardigd of/en uitgebracht en juist tot doel hebben een goede plaatselijke aanleg te waarborgen; dat in deze optiek het door de particulier opgeworpen argument niet kan worden weerhouden; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, naar aanleiding van de andere door de particulier aangehaalde argumenten een nieuw advies werd gevraagd aan bovengenoemde wegenadministratie; dat in het op 16 september 1998 uitgebrachte advies onder meer wordt gestipuleerd : ‘... - De aanvrager vermeldt onder de stedenbouwkundige voorschriften - punt nr. 5 - dat er geen hellingen van mèèr dan 4% mogen voorkomen in de zone van achteruitbouw. Gezien de hoogteverschillen van het terrein ten opzichte van de rand van de rijweg, is dit dan ook onmogelijk te realiseren. - De keermuur die het hoogteverschil van het terrein opvangt staat juist naast het fietspad. Indien deze weggenomen zou worden zou het fietspad bestendig onder water komen te staan. De terreinen mogen niet afwateren op het gewestdomein. - De inplantingen van de garages werden evenmin op het verkavelingsplan aangeduid. Verder blijf ik bij het advies dat gegeven werd door mijn afdeling op 27/10/97 . . . ’; dat hieruit volgt dat zich wel degelijk technisch-stedenbouwkundige inconveniënten stellen tegenover het project; dat bovendien, in weerwil van de argumentering van de particulier, de beschikbare plannen geen enkele aanduiding geven waar en hoe de toegangen zich juist zullen bevinden; Overwegende dat volledigheidshalve nog dient vermeld dat het betrokken college van burgemeester en schepenen in een nadere toelichting verwijst naar de gemeenteraadsbeslissing van 13 oktober 1997, waarbij de betrokken terreinen worden opgenomen in een voorstel tot voorlopige rangschikking als landschap van de hoogstam-boomgaard, gelegen tussen de Geraardsbergsesteenweg - Watermolenstraat - Vinkeslag en Kalverhage; dat hieraan echter nog geen enkele ministeriële goedkeuring werd gehecht, zodat hieruit nog geen enkele rechtskracht kan worden geput; dat door het college van burgemeester en schepenen ook wordt gewezen op de noodzaak van en de bezorgdheid voor, gestaafd door enkele rapporten, het behoud van de aldaar bestaande open ruimte; dat echter op dit vlak ook nog geen enkel wettelijk instrumentarium met voldoende rechtskracht voorhanden is om dit oogpunt X-8533-4/10 daadwerkelijk te realiseren; dat echter om alle andere bovengenoemde overwegingen kan worden gesteld dat het project de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt en stedenbouwkundig niet kan worden aanvaard; dat zodoende het beroep van de particulier niet in aanmerking komt voor inwilliging; Overwegende dat zowel de particulier als het betrokken college van burgemeester en schepenen de wens hebben uitgedrukt om gehoord te worden; dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud d.d. 12 augustus de particulier, zijn raadsman en de schepen van ruimtelijke ordening van de gemeente zijn verschenen”. IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen 4.
- In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “de rechten van de verdediging”. Zij zetten dit middel uiteen als volgt: “Zoals hierboven gezegd, is de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening inderdaad verder gegaan. Bij de ter zake bestreden beslissing van 25.9.1998 wordt overwogen : ‘Overwegende dat, gelet op het voorgaande, naar aanleiding van de andere door de particulier aangehaalde argumenten aangezien na de hoorzitting er een nieuw advies werd gevraagd aan bovengenoemde wegenadministratie waarop het omstreden besluit is gesteund; dat in het op 16 september 1998 uitgebrachte advies o.m. wordt gestipuleerd : ... Dat hieruit volgt dat zich wel degelijk technisch-stedenbouwkundige inconveniënten stellen tegenover het project’. Maar, door na de echtgenoten Rudy Van Labeke-Benedicte De Vos op 12.8.1998 te hebben gehoord en na de sluiting van de debatten een nieuw advies te hebben gevraagd aan de bevoegde wegenadministratie en zijn beslissing van 25.9.1998 te hebben gegrond op dit nieuwe advies hem eerst op 16.9.1998 door deze wegenadministratie verstrekt, heeft de Vlaamse Minister zich duidelijk schuldig gemaakt aan miskenning van de rechten van de verdediging van de echtgenoten Rudy Van Labeke-Benedicte De Vos. De betrokken echtgenoten zijn immers nooit in kennis gesteld van het hierbovenbedoelde nieuwe advies van 16.9.1998 van de wegenadministratie, zodat zij al evenmin ooit in de gelegenheid zijn gesteld omtrent de inhoud van dat nieuwe advies hun standpunt kenbaar te maken. Deze flagrante schending van de rechten van de verdediging van de echtgenoten Rudy Van Labeke-Benedicte De Vos is te aanzien als een overtreding van een substantiële vormvereiste (...)”. X-8533-5/10 4.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt: “3.
- Dit middel wordt gehaald uit het feit dat de Minister, na verzoekers te hebben gehoord, een ‘nieuw’ advies zou hebben gevraagd aan de wegenadministratie en zijn beslissing zou hebben gesteund op dit advies. Verzoekers leiden hieruit af dat dit een miskenning van hun rechten van verdediging uitmaakt, nu zij nooit in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt omtrent dit advies kenbaar te maken. 3.
- Verzoekers stelden bij aangetekend schrijven dd. 04.06.1998 beroep in tegen de beslissing van 07.05.1998 van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost - Vlaanderen. Bij aangetekend schrijven dd. 01.07.1998 werden verzoekers in kennis gesteld dat overeenkomstig artikel 53, par. 2, lid 3 Coördinatiedecreet een hoorzitting zou worden gehouden : dit onderhoud vond plaats op 12.08.
- Tijdens dit onderhoud (cfr. verslag hoorzitting) werd door verzoekers als argument naar voor gebracht dat het ongunstig advies van de wegenadministratie qua motivering onduidelijk is en dat de poging van de gemeente om het perceel als dorpsgezicht te rangschikken strijdig is met het gewestplan. 3.
- Precies naar aanleiding van de argumenten/bezwaren geopperd door verzoekers tijdens de hoorzitting werden zij bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding dd. 28.08.1998 ervan in kennis gesteld dat : ‘... met het oog op een zo volledig mogelijk en correcte beoordeling van deze aangelegenheid, onmiddellijk na de hoorzitting nog bijkomende adviezen werden aangevraagd, die eerstdaags kunnen worden verwacht...’. Bijkomende adviezen werden inderdaad ingewonnen bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, meer bepaald bij de afdeling Monumenten en Landschappen (17.09.1998) en bij de afdeling Wegen (16.09.1998). 3.
- Het gaat dan ook niet op om de schending van de rechten van de verdediging in te roepen nu de Minister als gevolg van de bezwaren en argumenten door verzoekers tijdens de hoorzitting naar voor gebracht, bijkomende adviezen - pro en contra het standpunt van verzoekers - inwint. 3.
- Trouwens in het uiteindelijk Ministerieel Besluit dd. 25.09.1998 wordt omtrent de gemeenteraadsbeslissing van 13.10.1997, waarbij de betrokken terreinen worden opgenomen in een voorstel tot voorlopige rangschikking als landschap het volgende gesteld : ‘... dat hieraan echter nog geen enkele ministeriële goedkeuring werd gehecht, zodat hieruit nog geen enkele rechtskracht kan worden geput; dat door het college van burgemeester en schepenen ook wordt gewezen op de noodzaak van en de bezorgdheid voor, gestaafd door enkele rapporten, het behoud van de aldaar bestaande open ruimte; dat echter op dit vlak ook nog geen enkel wettelijk instrumentarium met voldoende rechtskracht voorhanden is om dit oogpunt daadwerkelijk te realiseren ...’”. 4.
- De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord: “- Het staat vast dat de ter zake bestreden beslissing van 25.9.1998 door de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening werd genomen mede, zelfs in overgrote mate, op grond van een advies hem eerst op 16.9.1998 door de bevoegde wegenadministratie verstrekt, advies waarvan de verzoekende partijen nooit in kennis werden X-8533-6/10 gesteld en waaromtrent zij al evenmin hun standpunt hebben kunnen kenbaar maken aan de Minister. Een nog flag(r)anter schending van de rechten van de verdediging is moeilijk denkbaar. - Tegen beter weten in houdt de verwerende partij nu voor dat de Minister tot het inwinnen van het hierboven bedoelde nieuwe advies van 16.9.1998 van de bevoegde wegen-administratie zou zijn overgegaan, omdat de verzoekende partijen eerst tijdens de hoorzitting van 12.8.1998 bezwaren/argumenten zouden hebben geuit in verband met het oorspronkelijk ongunstig advies op 27.10.1997 door deze wegenadministratie verleend. De werkelijke toedracht van zaken is wel integendeel dat de verzoekende partijen reeds van meet af aan de inhoud van het oorspronkelijke advies op 27.10.1997 door de bevoegde wegenadministratie verstrekt, inhoudelijk hebben aangevochten. Hun beroepsakte van 27.2.1998 gericht aan de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen en hun beroepsakte van 4.6.1998 gericht aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, laten daaromtrent geen twijfel toe. Zie trouwens ook stuk nr. 20 in het bundel van de verzoekende partijen, dit is de nota opgesteld door de verzoekers. Wanneer in de gegeven omstandigheden er al noodzaak toe bestond bijkomende adviezen in te winnen, belette niets de Minister zulks te doen op een wijze die aan de verzoekende partijen toelaten kon hun standpunt omtrent de inhoud van die bijkomende adviezen kenbaar te maken, bij voorbeeld op de hoorzitting van 12.8.
- Door met het inwinnen van de gezegde adviezen te wachten tot na 12.8.1998, werd aan de verzoekende partijen iedere verweermogelijkheid ontnomen. Nogmaals, de schending van de rechten van de verdediging van de verzoekende partijen is in casu zonder meer flagrant. - Eenieder is het erover eens dat, bij de beoordeling van de verkavelingsaanvraag van de verzoekende partijen, helemaal buiten beschouwing moet worden gelaten, de Gemeenteraadsbeslissing van 13.10.1997 houdende een voorstel tot voorlopige rangschikking als dorpsgezicht van de betrokken percelen. Maar, waarom de verwerende partij dat hier ten berde brengt, zal wel niet alleen de verzoekende partijen volledig ontgaan”. 4.
- In een laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden wat volgt: “
- Tijdens de hoorzitting werd door verzoekende partijen als argument naar voor gebracht dat het ongunstig advies van de Wegenadministratie qua motivering onduidelijk is en dat de poging van de gemeente om het perceel als dorpsgezicht te rangschikken strijdig is met het gewestplan. Juist als gevolg van deze bezwaren en argumenten van verzoekende partijen, tijdens de hoorzitting naar voor gebracht, en met het oog op de beoordeling van deze bezwaren en argumenten, werd door verwerende partij bijkomende adviezen ingewonnen. Op grond van deze adviezen werd het pro en contra van het standpunt van verzoekende partijen onderzocht en uiteindelijk beoordeeld. Het gaat niet op dat, telkens de overheid in haar uiteindelijke beoordeling, voorafgaand aan de beslissing, elementen ter bevestiging dan wel ter afwijzing van de argumenten van verzoekende partij(en) zou betrekken, de vergunningverlenende overheid zou gehouden zijn om telkenmale opnieuw een hoorzitting te organiseren. X-8533-7/10 Een dergelijke werkwijze maakt een beoordeling van en door het bestuur haast onmogelijk. Bovendien kan in casu nog worden benadrukt dat verzoekende partijen kennis hadden van de vraag tot bijkomend advies, gevraagd ter beoordeling van de bezwaren en argumenten van verzoekende partijen. Uit geen enkel document blijkt dat verzoekende partijen zelf enig initiatief hebben genomen om de inhoud van de bijkomend gevraagde adviezen na te gaan en/of in te kijken. Het getuigt minstens van enige fair play in hoofde van verzoekende partijen om ten minste in afwachting van een uiteindelijke beslissing van de vergunningverlenende overheid (beroepsinstantie) zelf contact te nemen temeer daar dit gegeven hen werd medegedeeld door de administratie”. Beoordeling 4.
- In het derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “de rechten van de verdediging”. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen in wezen de schending aanvoeren van het op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen geldende artikel 53, § 2, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidend als volgt: “De aanvrager of zijn raadsman, alsook het college of zijn gemachtigde worden op hun verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde gehoord. Wanneer een partij vraagt te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen”. Aan de voormelde hoorplicht is slechts voldaan indien diegene die verzoekt te worden gehoord evenals de andere op te roepen partijen op het ogenblik dat zij worden gehoord over alle gegevens en stukken beschikken waarop de overheid steunt om over het beroep uitspraak te doen. 4.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Oost-Vlaanderen, op 27 oktober 1997 een ongunstig advies heeft uitgebracht over de verkavelingsaanvraag, luidend als volgt: “Er wordt een ONGUNSTIG advies verleend gezien het plan geen duidelijk beeld geeft van de toegangen. Dit is noodzakelijk gelet op het terrein hoogteverschil en de aanwezigheid van steunmuren en de aanwezigheid van een gemetste bloembak als wegvernauwingseffect. Dit element dient behouden te blijven. Lot 15 & 16 nemen de bestaande toegang via de Kalverhagestraat”. X-8533-8/10 4.
- De verzoekende partijen blijken zowel in hun beroep bij de bestendige deputatie als in hun beroep bij de minister, de deugdelijkheid van dit advies te hebben betwist. Daarop ingaande heeft de minister, zoals blijkt uit het bestreden besluit, de voornoemde administratie opnieuw om advies verzocht. Dit advies is daags na de op 12 augustus 1998 gehouden hoorzitting ingewonnen. Met een op 28 augustus 1998 ter post aangetekende brief werden de verzoekende partijen er onder meer van in kennis gesteld dat “met het oog op een zo volledig mogelijk en correcte beoordeling van deze aangelegenheid, onmiddellijk na de hoorzitting nog bijkomende adviezen werden aangevraagd, die eerstdaags kunnen worden verwacht”. Op 16 september 1998 verleent de administratie Wegen en Verkeer, afdeling Wegen Oost-Vlaanderen, een nieuw advies, luidend als volgt: “- De aanvrager vermeldt onder de stedenbouwkundige voorschriften - punt nr. 5 - dat er geen hellingen van méér dan 4% mogen voorkomen in de zone van achteruitbouw. Gezien de hoogteverschillen van het terrein ten opzichte van de rand van de rijweg, is dit dan ook onmogelijk te realiseren. - De keermuur die het hoogteverschil van het terrein opvangt staat juist naast het fietspad. Indien deze weggenomen zou worden zou het fietspad bestendig onder water komen te staan. De terreinen mogen niet afwateren op het gewestdomein. - De inplantingen van de garages werden evenmin op het verkavelingsplan aangeduid. Verder blijf ik bij het advies dat gegeven werd door mijn afdeling op 27/10/97”. Na dit advies te hebben geciteerd overweegt het bestreden besluit dat “hieruit volgt dat zich wel degelijk technisch-stedenbouwkundige inconveniënten stellen tegenover het project; dat bovendien, in weerwil van de argumentering van de particulier, de beschikbare plannen geen enkele aanduiding geven waar en hoe de toegangen zich juist zullen bevinden”. Hoewel het bijkomende advies van 16 september 1998 nieuwe elementen bevat ten opzichte van het eerdere advies van 27 oktober 1997, en de minister zich hierop heeft gesteund om de gevraagde verkavelingsvergunning te weigeren, werden de partijen niet opnieuw gehoord om hun standpunt omtrent dit advies kenbaar te maken, zodat het bestreden besluit met schending van artikel 53, § 2, derde lid van het gecoördineerde decreet werd genomen. De argumentatie dat het houden van een nieuwe hoorzitting een beoordeling van en door het bestuur haast onmogelijk zou maken, en dat de X-8533-9/10 verzoekende partijen zelf niet om een nieuwe hoorzitting hebben verzocht, doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. 4.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 25 september 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partijen tegen het besluit van 7 mei 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hun de vergunning is geweigerd voor het verkavelen van gronden gelegen aan de Geraardsbergsesteenweg en de Kalverhagestraat te Melle (Grontrode), op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 339/e en 340/a. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq. Roger Stevens. X-8533-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.617 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.871 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div