← België

Arrest 197634 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.634 Rolnummer: A. 192977/XIV-33298 Zaak: Arrest 197634 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.634 van 6 november 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 197.634 van 6 november 2009 in de zaak A. 192.977/XII-

  1. In zake: Geert BAILLEUL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Vandenbussche kantoor houdend te Harelbeke Tuinstraat 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. AZ SINT-JAN AV BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te Assebroek-Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  4. De vordering, ingesteld op 9 juni 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Gouverneur van de Provincie West- Vlaanderen van 10.04.2009”, waarbij “het door [Geert Bailleul] ingestelde beroep tegen het besluit van de Raad van Beheer van het AZ Sint-Jan AV van 17.
  5. 2008 inzake de mutatie van verzoeker, ongegrond is”. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een nota ingediend. XII-5854-1\7 Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober
  7. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Veerle Stroobants, die loco advocaat Wim Vandenbussche verschijnt voor verzoeker, advocaat Jelle Snauwaert, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten
  9. Verzoeker is sinds 1980 als verpleger tewerkgesteld op de afdeling Intensieve Verzorging bij het Algemeen Ziekenhuis Sint-Jan AV te Brugge. Na een onderhoud, op 24 november 2008, met onder anderen de directrice verpleegkundig departement is verzoeker vanaf 1 december 2008 beginnen werken op de verpleegeenheid
  10. Korte tijd later schrijft verzoeker aan de raad van beheer dat hij vanaf 1 december 2008 “noodgedwongen” is beginnen werken op verpleegeenheid 60, maar dat hij gehoord wil worden “in het kader van [die] gedwongen mutatie”. Nadat verzoeker op 17 december 2008 door de raad van beheer van het AZ Sint-Jan AV wordt gehoord, besluit deze om “de mutatie [van verzoeker] te bevestigen” en het hem “als een ordemaatregel [...] op te leggen. Deze maatregel wordt genomen in het kader van een degelijke patiëntenzorg en in het aanbieden van een degelijke begeleiding aan [verzoeker]. Hij krijgt de kans op een nieuwe basis te starten”. XII-5854-2\7 Op 22 januari 2009 tekent verzoeker “beroep” aan tegen deze beslissing bij de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. Op 10 april 2009 deelt de gouverneur zijn bevindingen aan verzoeker mee. IV. Voorwerp van de rechtspleging en ontvankelijkheid
  11. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over het precieze voorwerp van het beroep en over de ontvankelijkheid uitspraak te doen. Een dergelijk onderzoek zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. De schorsingsvoorwaarden
  12. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  13. Verzoeker doet als moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het inleidend verzoekschrift gelden wat volgt: “Verzoeker lijdt een ernstig en moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de aangevochten beslissing die hem voor onbepaalde tijd muteert naar een andere afdeling. Verzoeker is immers reeds bijna 30 jaar tewerkgesteld op de dienst intensieve zorgen. Verzoeker mag derhalve de functie die hij bijna 30 jaar heeft uitgevoerd niet meer uitvoeren, wat als vernedering wordt beschouwd en waarvan het morele nadeel dat hieruit voortvloeit, niet goed te maken is door een eventueel later tussen te komen annulatiearrest (R.v.St. 21 april 1997, nr. 65968 en R.v.St. 28 juni 1996, nr. 60584). Verzoeker wordt thans verplicht te werken op een andere afdeling en moet daarbij tekst en uitleg geven aan derden, over het waarom van de mutatie, uitleg die voor hem vernederend is. Hij moet zijn eigen professionele kwaliteiten en beroepseer naast zich neerleggen en meedelen dat hij werd gemuteerd wegens XII-5854-3\7 vermeende professionele fouten en vermeend opruiend gedrag! Het spreekt voor zich dat één en ander de kern van de persoonlijkheid van verzoeker raakt en bovendien zijn kansen op de nieuwe afdeling hypothekeert. Waarom immers (promotie)kansen geven aan iemand die zogenaamd niet meer gewenst was op de oude afdeling. Bovendien moet verzoeker zich thans inwerken en bijscholen op een totaal andere afdeling. Daartegenover staat dat indien de mutatie niet wordt geschorst verzoeker zich niet meer kan bijscholen en bijwerken in de specialiteiten eigen aan de dienst intensieve zorgen. De kans is dus reëel dat door het gebrek aan schorsing verzoeker op professioneel vlak een achterstand zal hebben wanneer hij terug wordt overgeplaatst naar zijn oorspronkelijke afdeling. De mutatie zal de verdere carrièrekansen van verzoeker dan ook zonder meer fnuiken. Enkel een onmiddellijke schorsing van het bestreden besluit kan in dit verband soelaas bieden. Het is immers zonder meer zo dat indien er geen schorsing wordt uitgesproken de uitspraak ten gronde nog jaren op zich zal laten wachten en de kansen van verzoeker om nog effectief voor de pensioenleeftijd terug tewerk gesteld te worden op zijn eigen vertrouwde afdeling tot nihil herleidt. Volledigheidshalve voegt verzoeker er aan toe dat het feit dat hij, ondanks het gebrek aan financieel nadeel, hij toch de terugkeer naar zijn vertrouwde afdeling benaarstigd, zijn morele schade precies aantoont. Waarom anders dan om zijn eigenwaarde terug te krijgen en eerherstel te bekomen zouden anders de ingestelde procedures worden opgestart?”
  14. Verzoeker geeft zelf aan dat de bestreden maatregel hem geen financieel nadeel doet ondergaan.
  15. Van het aangevoerde moreel nadeel dan weer, wordt in beginsel aangenomen dat dit wordt goedgemaakt door de morele voldoening -het nagestreefde “eerherstel”- dat een eventueel later tussen te komen vernietigingsarrest dat verzoeker in het gelijk stelt hem zal verschaffen. Verzoeker toont niet aan dat van dit beginsel in de voorliggende zaak moet worden afgeweken. Het feit dat een verpleegkundige, zelfs met een lange dienststaat, op een andere dienst wordt ingezet is op zich niet evident een moreel nadeel. De beweerde “totaal andere functie” die verzoeker thans uitoefent valt immers evengoed binnen het raam van zijn opleiding van verpleegkundige en diens normale opdracht binnen een ziekenhuis, die inhoudt dat hij op meerdere diensten moet kunnen worden ingeschakeld naargelang de noodwendigheden van de verschillende diensten. Eerste verwerende partij werpt dan ook terecht in haar nota op dat het belang van de dienst steeds kan vereisen dat personeelsleden op andere plaatsen of voor andere taken worden ingezet. De uiteenzetting van verzoeker of de stukken van het dossier spreken niet tegen dat zijn functie als verpleger op de nieuwe afdeling equivalent is aan zijn vorige functie als verpleger op de afdeling Intensieve Verzorging, buiten het feit dat zich op de laatstgenoemde afdeling meer XII-5854-4\7 stressvolle situaties voordoen. Verzoeker voert alleszins niet aan dat zijn functie als verpleger op de verpleegeenheid 60 een functie van minder aanzien zou betreffen en dus een feitelijke degradatie zou betekenen ten opzichte van zijn vorige functie als verpleger op de dienst Intensieve Verzorging, zoals werd aangevoerd en aangenomen in het door verzoeker aangestipte arrest van de Raad van State van 21 april 1997, nr. 65.
  16. In het tweede arrest waaraan verzoeker refereert, nr. 60.584, van 28 juni 1996, gaat het over een persoon die ingevolge zijn functiewijziging zijn leidende functie verliest ten voordele van een ambtenaar die voordien een hiërarchisch ondergeschikte was, een situatie waar te dezen geen sprake van is. Met eerste verwerende partij lijkt aldus te kunnen worden gesteld dat hier slechts gaat om “een eenvoudige mutatie van de ene verpleegeenheid naar de andere”. Zo een mutatie als “vernederend” bestempelen volgt dan uit de eigen subjectieve perceptie en appreciatie van het gebeuren door verzoeker, eerder dan uit de dienstwijziging op zich. In deze beslissing kleurt integendeel eerder kritiek door op de dienst Intensieve Verzorging. Weliswaar wordt de mutatie ingegeven door de vaststelling dat verzoeker niet verantwoord optreedt in stressvolle situaties, maar ook wordt hij “een goede verpleegkundige” genoemd die “een goede begeleiding nodig heeft”, waarbij wordt vastgesteld dat de dienst Intensieve Verzorging “zelf begeleiding en coaching nodig heeft” en bijgevolg niet in staat is om verzoeker te helpen. Deze mutatie brengt voorts op zich niet mee dat verzoeker “tekst en uitleg” moet verschaffen over “het waarom van de mutatie”, uitleg die volgens hem vernederend zou zijn. Zoals eerste verwerende partij terecht tegenwerpt hoeft verzoeker aan niemand uitleg te verschaffen en weet iedere ambtenaar dat hij om redenen van de goede werking van de dienst een andere dienstopdracht kan krijgen. Verzoeker is zelf meester van de uitleg die hij geeft aan zijn collega’s over de reden van de mutatie. Het gevoel van vernedering kan dan ook niet voortkomen uit de tenuitvoerlegging van de mutatiebeslissing zelf, maar kan slechts ontstaan wanneer hijzelf aan derden informatie verschaft. Terecht ook vraagt eerste verwerende partij zich daarbij af, nu verzoeker op de dienst werkt sinds 1 december 2008, of dit gevreesde nadeel zich al niet heeft gerealiseerd.
  17. Verzoeker verwijst voorts in het algemeen naar het mislopen van promotie- en carrièrekansen, maar licht zulks niet concreet toe. Inzonderheid toont XII-5854-5\7 hij niet aan dat er zich“ promotiekansen” kunnen voordoen op zijn nieuwe afdeling, noch welke “carrièrekansen” door de mutatie zonder meer zullen worden “gefnuikt”.
  18. Dat verzoeker zich op een nieuwe afdeling moet inwerken en bijscholen hoort bij de gebruikelijke verantwoordelijkheden die van elke werknemer mogen worden gevraagd. Verzoeker concretiseert niet waarom die bijscholing in zijn geval een ernstig nadeel vormt, en het is al helemaal niet duidelijk waarin het moeilijk te herstellen karakter bestaat van het verwerven van bijkomende kennis en vaardigheden. Dat verzoeker zich ondertussen niet meer kan bijscholen in de specialiteiten eigen aan de dienst Intensieve Verzorging is een nadeel dat verzoeker evenmin nader toelicht. Ook hier is het nochtans niet evident dat een verpleeg- kundige met een lange staat van dienst onherroepelijk nadeel zou leiden door, in afwachting van een arrest ten gronde, bijkomende vorming te moeten missen.
  19. Tenslotte dient nog aan verzoeker te worden tegengeworpen dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en niet uit de tijd die een annulatieprocedure in beslag neemt. Bovendien, zoals reeds werd vastgesteld, werd verzoeker al sedert 1 december 2008 naar een andere dienst gemuteerd, en heeft hij bijaldien zelf een half jaar gewacht vooraleer zijn annulatieberoep bij de Raad van State in te dienen.
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-5854-6\7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 november 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-5854-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.634 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.