← België

Arrest 197635 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 06/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.635 Rolnummer: A. 96465/XII-2800 Zaak: Arrest 197635 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 06/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.635 van 6 november 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 197.635 van 6 november 2009 in de zaak A. 96.465/XII-

  1. In zake: de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katelijne Ronse kantoor houdend te 1050 Brussel G. Macaulaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Muls kantoor houdend te 1050 Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 16 oktober 2000, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 11 augustus 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij in de beslissing van 29 juni 2000 van de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode houdende vaststelling en uitvoerbaarverklaring van het kohier betreffende de belasting op het ophalen van huisvuil en ermee gelijkgestelde afvalstoffen voor het dienstjaar 1999, de tweede zinsnede in fine, wordt vernietigd. II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker een memorie van wederantwoord. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. XII-2800-1\11 Verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 maart
  3. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Katelijne Ronse, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Katleen Lefever, loco advocaat Walter Muls en advocaat Bart Staelens, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Henry Colin heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 2 april 1998 beraadslaagt de gemeenteraad van Sint-Genesius- Rode over het agendapunt “standpunt inzake de toepassing van de omzendbrief dd. 16.12.1997 ref. BA-97/22 van minister L. Peeters m.b.t. het taalgebruik in de gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied”. De gemeenteraad beslist dat er “geen redenen voorhanden [zijn] om het beleid op het terrein te wijzigen of om nieuwe instructies te geven aan zijn ambtenaren” en : “De rechtspraak van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht zal dus toegepast moeten blijven”. Bij besluit van 29 juni 2000 beslist de gemeenteraad het belastingkohier op het ophalen van huisvuil en de ermee gelijkgestelde afvalstoffen voor het dienstjaar 1999 vast te stellen op 12.016.000 frank en het uitvoerbaar te verklaren, met inachtneming van de beslissing van de gemeenteraad van 2 april 1998 inzake het taalgebruik in bestuurszaken. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport vernietigt bij besluit van 11 augustus 2000 in de XII-2800-2\11 gemeenteraadsbeslissing van 29 juni 2000 de woorden “met inachtneming van de beslissing van de gemeenteraad van 2 april 1998 inzake het taalgebruik in bestuurszaken”. Gemotiveerd wordt: “Overwegende dat het voormelde raadsbesluit van Sint-Genesius-Rode van 2 april 1998 in feite geen nieuwe beschikkingen bevat maar wel een standpuntbepaling naar aanleiding van de omzendbrief van de minister van Binnenlandse Aangelegenheden BA 97/22 van 16 december 1997 betreffende het taalgebruik in gemeentebesturen van het Nederlands taalgebied. Concreet is in het raadsbesluit bepaald dat deze omzendbrief geen aanleiding geeft om het gemeentelijk beleid in dit opzicht te wijzigen of om nieuwe instructies te geven aan de ambtenaren; Overwegende dat de tweede zinsnede in fine van het raadsbesluit van 29 juni 2000 volkomen overbodig is en bovendien geen enkel verband houdt met het eigenlijk voorwerp van het raadsbesluit, namelijk de vaststelling en uitvoerbaarverklaring van het voornoemde belastingkohier; Overwegende dat de procedure voor de vestiging en de invordering van gemeentebelastingen door de wetgever is geregeld, inzonderheid door de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen; Overwegende dat overeenkomstig artikel 4 § 1 van de voornoemde wet de belastingkohieren, na vaststelling en uitvoerbaarverklaring, moeten worden overgezonden aan de met invordering belaste ontvanger die onverwijld instaat voor de verzending van de aanslagbiljetten; Overwegende dat overeenkomstig artikel 136 van de Nieuwe Gemeentewet de verdere invordering van de gemeentebelasting een taak is van de gemeenteontvanger en dat hij dat alleen en onder zijn verantwoordelijkheid doet; Overwegende dat het voornoemde artikel 4 § 1 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen ook de bedoeling heeft om de verantwoordelijkheid van de verschillende organen duidelijk af te bakenen zoals uitdrukkelijk blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij de wet van 24 december 1996, (Gedr. St. Kamer, 1995-1996, nr. 461/1, 4); Overwegende dat de gemeenteontvanger inzake de verzending van de aanslagbiljetten en de verdere invordering van de gemeentebelasting derhalve geen verdere instructies mag ontvangen, noch van de gemeenteraad, noch van het schepencollege en dat een gemeenteraadsbesluit met dat oogmerk, is aangetast door bevoegdheidsoverschrijding; Overwegende dat de tweede zinsnede in fine van het enig artikel van het gemeenteraadsbesluit van Sint-Genesius-Rode van 29 juni 2000 onverenigbaar is met artikel 4 § 1 van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen en met artikel 136 van de Nieuwe Gemeentewet”. IV. Ontvankelijkheid A. Tijdigheid
  6. Volgens verwerende partij, in de memorie van antwoord, werd de bestreden beslissing aan verzoekster toegestuurd met een schrijven van vrijdag XII-2800-3\11 11 augustus 2000 dat laatstgenoemde behoudens tegenbewijs op maandag 14 augustus 2000 heeft ontvangen, zodat de laatste nuttige dag om beroep in te stellen 13 oktober 2000 was. Aangezien het verzoekschrift slechts op 16 oktober 2000 is ingesteld, is het te laat.
  7. Met verzoekster wordt aangenomen dat de brief van 11 augustus 2000 pas op 16 augustus 2000 is ontvangen. Dat mag hieruit blijken, eensdeels, dat het bestreden besluit door verwerende partij voor binnenkomst is afgestempeld op 16 augustus 2000 en, anderdeels, dat vanwege De Post is meegedeeld dat er op 14 augustus 2000 “geen aangetekende stukken zijn meegegaan bestemd voor de gemeente (misschien was dit op de gemeente een brugdag)”, wijl 15 augustus 2000 dan weer een wettelijke feestdag was. Naar de mening van verwerende partij, in de laatste memorie, sluit het voorgaande niet uit dat “wel degelijk 14 augustus als dies a quo [dient] te worden aanzien, waardoor het beroep als onontvankelijk ratione temporis dient te worden verworpen”. Zij gaat er daarvoor van uit dat er door de postdienst op 14 augustus 2000 geen aangetekende brieven besteld zijn “blijkbaar krachtens een akkoord tussen de gemeente en de postdiensten dat er op die dag geen stukken zouden besteld worden, gezien het een brugdag was”. Dit is volgens haar niet aanvaardbaar en leidt tot een schending van het gelijkheidsbeginsel. Wat er van een dergelijk akkoord in voorkomend geval ook aan is, verwerende partij maakt niet aannemelijk dat er te dezen effectief één bestond. Het uitgangspunt van haar zienswijze is niet meer dan een veronderstelling, waarvan niet blijkt dat ze juist is.
  8. Er is bijgevolg reden om aan te nemen dat pas op 16 augustus 2000 aan verzoekster kennisgeving van de bestreden beslissing is gebeurd. Het beroep is dienvolgens tijdig en de exceptie ongegrond. B. Procesbevoegdheid
  9. Naar luid van een tweede exceptie in de memorie van antwoord is de vordering onontvankelijk bij gemis aan voorlegging van een eensluidend verklaard uittreksel uit het notulenboek van de vergadering van het college van burgemeester en schepenen met betrekking tot een besluit van het college binnen de XII-2800-4\11 zestigdagentermijn om een annulatieberoep in te stellen. In de laatste memorie wordt daar nog aan toegevoegd dat de aanstelling van een advocaat niet kan gelden als de beslissing om een geding te voeren, maar een pure uitvoeringsbeslissing is.
  10. Omdat het college van burgemeester en schepenen op 25 augustus 2000 vaststelde dat er geen consensus was met betrekking tot het agendapunt “Gemeentebelasting op huisvuil - vaststelling en uitvoerbaarverklaring kohier dienstjaar 1999 - beroep bij de Raad van State - aanstelling raadsman van de gemeente”, is het punt met toepassing van artikel 107 van de nieuwe gemeentewet op 2 september 2000 voorgelegd aan de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad eerder, bij een afzonderlijk besluit, al had beslist het college van burgemeester en schepenen te machtigen een annulatieberoep in te stellen, besloot het met betrekking tot genoemd agendapunt “Advocaat Tulkens François [...] aan te stellen als raadsman van de gemeente in het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen het besluit dd. 11.8.2000 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden inzake de vaststelling en uitvoerbaarverklaring van het kohier betreffende de belasting op het ophalen van huisvuil en ermee gelijkgestelde afvalstoffen voor het dienstjaar 1999”. Stuk 7 van verzoekster is een afschrift van die beslissing. Zoals de Raad van State ook al in zijn arrest 184.350 van 19 juni 2008, in een zaak van verzoekster tegen verwerende partij, aannam, staat genoegzaam vast dat door te beslissen een advocaat aan te stellen “in het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State”, de gemeenteraad op niet mis te verstane wijze tevens besluit dat beroep in te stellen.
  11. Ook de tweede ontvankelijkheidsexceptie is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van verzoekster
  12. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 24, 25, 26, 27, 28, 29 en 30 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen XII-2800-5\11 in bestuurszaken, de artikelen 30 en 129, § 2, van de Grondwet, de artikelen 6, 7, en 17 tot 24 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van artikel 136 van de nieuwe gemeentewet en van de beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel bestaat uit drie onderdelen. Volgens een eerste onderdeel was de gemeenteraad, gelet op de algemene bevoegdheidsregeling van het college van burgemeester en schepenen en van de gemeenteraad (artikelen 117 en 123 van de nieuwe gemeentewet), wel degelijk bevoegd om te beslissen dat de vestiging en invordering van de belasting op het ophalen van huisvuil en de ermee gelijkgestelde afvalstoffen voor het dienstjaar 1999 moet gebeuren met inachtneming van de beslissing van de gemeenteraad van 2 april 1998, en is de bestreden beslissing dan ook niet naar recht verantwoord. In een tweede onderdeel wordt betoogd dat het bestreden besluit niet mocht oordelen dat de vernietigde zinsnede volkomen overbodig was, nu het wettig en belangrijk is voor de gemeente om over de correcte toepassing van de taalwetten te waken. Minstens is op te merken dat de gemeenteraadsbeslissing van 2 april 1998 niet werd vernietigd, zodat bezwaarlijk nog kan worden teruggekomen op dit definitief geworden besluit. Een derde onderdeel wordt alleen geformuleerd “in de mate zou voorgehouden worden dat het besluit van Sint-Genesius-Rode van 2 april 1998 in strijd zou zijn met de litigieuze omzendbrief [van 16 december 1997] - quod non -”. Alsdan moet worden vastgesteld dat de omzendbrief afbreuk doet aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken en dat het gemeentelijk belang vereist dat de bepalingen van de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken correct worden toegepast, zodat in het bestreden besluit niet mocht worden geoordeeld dat de gemeenteraadsbeslissing van 29 juni 2000 niet kan worden toegepast in zoverre daarin wordt gesteld dat de uitvoerbaarverklaring van het lastenkohier gebeurt met inachtneming van de gemeenteraadsbeslissing van 2 april
  13. Beoordeling
  14. Naar luid van artikel 4, § 1, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen worden, wat de gemeentebelastingen betreft, de kohieren door XII-2800-6\11 het college van burgemeester en schepenen vastgesteld en uitvoerbaar verklaard ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het dienstjaar, waarna het kohier tegen ontvangstbewijs wordt overgezonden aan de met de invordering belaste ontvanger, die onverwijld instaat voor de verzending van de aanslagbiljetten. Aldus heeft de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode, met toepassing van artikel 107 van de nieuwe gemeentewet, bij gebrek aan consensus in de schoot van het college van burgemeester en schepenen, op 29 juni 2000 beslist om het belastingkohier op het ophalen van huisvuil en de ermee gelijkgestelde afvalstoffen voor het dienstjaar 1999 vast te stellen en uitvoerbaar te verklaren. Daarbij liet zij die beslissing vergezeld gaan van de toevoeging “met inachtneming van de beslissing van de gemeenteraad van 2 april 1998 inzake het taalgebruik in bestuurszaken”.
  15. In het eerste onderdeel van het besproken middel gaat verzoekster ervan uit dat zij “wel degelijk” bevoegd was om te beslissen, zoals ze meent in de gemeenteraadsbeslissing van 29 juni 2000 te hebben gedaan, dat “de vestiging en invordering” van de belasting op het ophalen van huisvuil en de ermee gelijkgestelde afvalstoffen voor het dienstjaar 1999 met inachtneming van de gemeenteraads-beslissing van 2 april 1998 gebeurt. Dat uitgangspunt is echter niet in overeenstemming met de tekst van de beslissing, zoals ze werkelijk door verwerende partij genomen is. Immers gaat het in de gemeenteraadsbeslissing van 29 juni 2000 niet over “de vestiging en invordering van de belasting”, maar alleen over de vaststelling en uitvoerbaar- verklaring ervan - reden waarom, overigens, in de bestreden beslissing in de eerste plaats wordt bedacht dat de zinsnede “met inachtneming van de beslissing van de gemeenteraad van 2 april 1998 inzake het taalgebruik in bestuurszaken” overbodig is en zonder enig verband met “het eigenlijk voorwerp van het raadsbesluit, namelijk de vaststelling en uitvoerbaarverklaring van het voornoemde belastingkohier”. Hoe dan wel verzoekster ertoe komt in de voormelde zinsnede te lezen dat “de vestiging en invordering van de belasting” zal gebeuren met inachtneming van de gemeenteraadsbeslissing van 2 april 1998, wordt in het verzoekschrift niet uitgelegd. Niet alleen legt zij dat ook in de memorie van wederantwoord niet uit, zij spreekt daarin zelfs uitdrukkelijk tegen dat de zinsnede tevens de inning (door de ontvanger) zou bedoelen. XII-2800-7\11 Ofschoon verwerende partij in de memorie van antwoord tegenwierp dat verzoekster met de zinsnede “bijkomende instructies [geeft] aan de gemeenteontvanger”, repliceert verwerende partij: “Het is duidelijk dat het door de tegenpartij vernietigde besluit van de Gemeenteraad van verzoekster van 29 juni 2000 de vaststelling en de uitvoerbaar verklaring van het belastingskohier bepaalde. Dit is conform de bevoegdheden van de Gemeenteraad. Uiteraard mag zij ook stellen hoe deze belasting vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt. Men ziet dan ook niet in waarin het feit dat de Gemeente stelt dat de vaststelling en uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier gebeurt met inachtneming van de beslissing van de Gemeenteraad van 2 april 1998 inzake het gebruik der talen in bestuurszaken een inmenging zou inhouden van de bevoegdheden van de gemeenteontvanger”.
  16. In de gegeven omstandigheden stelt de Raad van State vast dat het onderdeel op een onjuiste premisse is gebaseerd. Die conclusie wordt niet in het gedrang gebracht door de bewering die verzoekster pas voor het eerst in de laatste memorie uit, namelijk dat de meer vermelde zinsnede “een algemene administratieve instructie in[houdt] t.a.v. de gemeenteontvanger”. Die bewering is te laat en onverenigbaar met wat verzoekster eerder in de procedure schreef. Het eerste onderdeel wordt verworpen.
  17. De omstandigheid dat het wettig en belangrijk is voor een gemeente om er over te waken dat de taalwetten correct worden toegepast, verantwoordt nog niet dat er in eender welke beslissing over uitgeweid wordt en sluit met andere woorden niet uit dat die uitweiding in de concrete omstandigheden van een zaak overbodig kan zijn. Zo bijvoorbeeld is het niet verkeerd vanwege de verwerende partij om het “overbodig” te noemen dat verzoekster met betrekking tot de gemeentebelasting op huisvuil voor het dienstjaar 1999 beslist -niet gewoon om het belastingkohier vast te stellen en uitvoerbaar te verklaren, maar- om het vast te stellen en uitvoerbaar te verklaren “met inachtneming” van een eerdere gemeenteraadsbeslissing inzake het taalgebruik in bestuurszaken. XII-2800-8\11 Waar verwerende partij daar in de bestreden beslissing nog aan toevoegde dat de betrokken zinsnede “geen enkel verband” vertoont met de vaststelling en uitvoerbaarverklaring van het belastingkohier waarover de beslissing “eigenlijk” gaat, is die band alleszins ook in de huidige procedure niet duidelijk gemaakt.
  18. Voor zoveel het voorts juist zou zijn dat het aangevochten besluit geen afbreuk mag doen aan de gemeenteraadsbeslissing van 2 april 1998, die immers definitief heet te zijn, stelt de Raad van State vast dat het eerste besluit niet aan het tweede afdoet ook. Het bestreden besluit overweegt in verband met de tweede beslissing alleen dat ze “in feite geen nieuwe beschikkingen bevat maar wel een standpuntbepaling naar aanleiding van de omzendbrief van de minister van Binnenlandse Aangelegenheden BA 97/22 van 16 december 1997”. Verwerende partij betwist niet de juistheid van die overweging.
  19. Ook het tweede onderdeel wordt verworpen.
  20. Noch expliciet, noch impliciet doet verwerende partij in het aangevochten besluit als haar mening kennen dat de gemeenteraadsbeslissing van 2 april 1998 in strijd zou zijn met de meer vermelde omzendbrief van 16 december
  21. Bijgevolg is de hypothese die ten grondslag ligt aan het derde onderdeel niet vervuld. Het onderdeel kan niet tot nietigverklaring leiden.
  22. Het eerste middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van verzoekster
  23. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 265 van de nieuwe gemeentewet en van de beginselen van behoorlijk bestuur. Toegelicht wordt dat een partiële vernietiging uitgesloten is en dat de toezicht- houdende overheid niet de mogelijkheid heeft haar controle te beperken tot een gedeelte van de gemeentebeslissing; een gedeeltelijke vernietiging zou een hervorming van de beslissing kunnen betekenen. Tenminste mag de bestreden XII-2800-9\11 beslissing niet terugkomen op de definitief geworden gemeenteraadsbeslissing van 2 april
  24. Beoordeling
  25. Een gedeeltelijke vernietiging door de verwerende partij, in het kader van de uitoefening van de toezichtsbevoegdheid op grond van artikel 265 van de nieuwe gemeentewet, is niet a priori verboden. Zoals hiervoor gebleken heeft verwerende partij de vernietigde zinsnede op goede grond voor overbodig kunnen houden. Daaruit volgt dat haar vernietiging de rest van de gemeenteraadsbeslissing, waarvan de zinsnede perfect afsplitsbaar is, geen schade toebrengt. Te dezen is het gevaar van “een hervorming” van de beslissing, waarvoor verzoekster vreest, fictief. De grief dat het bestreden besluit niet op de gemeenteraads- beslissing van 2 april 1998 mag teruggekomen, is sub 15 reeds ontmoet en daar meer bepaald verworpen.
  26. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. XII-2800-10\11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 november 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-2800-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.635 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.