← België

Arrest 197637 - Diploma’s - 06/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.637 Rolnummer: A. 194388/XII-6001 Zaak: Arrest 197637 - Diploma's - 06/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-06 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.637 van 6 november 2009 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 197.637 van 6 november 2009 in de zaak A. 194.388/XII-

  1. In zake: Laurens LINDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Wauters en Elif Can kantoor houdend te Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS HASSELT KINDSHEID JESU - SINT JOZEF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 24 oktober 2009, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de over Laurens Linders delibererende klassenraad van het Virga Jessecollege te Hasselt van 13 oktober 2009 om Laurens Linders een oriënteringsat- test B uit te reiken. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009, om 11.00 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6001-1\13 Advocaat Kris Wauters, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker heeft zich tijdens het schooljaar 2008-2009 als neveninstromer ingeschreven in het eerste jaar van de derde graad handel (TSO) aan het Virga Jessecollege te Hasselt. 3.
  6. Zijn examenresultaten in december vertonen vier tekorten. Ook voor dagelijks werk heeft hij zeven tekorten. De klassenraad waarschuwt de ouders dat verzoeker regelmatiger zal moeten studeren en zijn houding in de klas zal moeten aanpassen, wil hij kans op slagen hebben. In april 2009 waarschuwt de oriënterende klassenraad dat verzoeker, “ondanks het ophalen van de tekorten voor een aantal vakken”, nog steeds “een erg groot risico” loopt om dit jaar niet te slagen en vraagt hij een extra inspanning. Ook het gedrag van verzoeker in de klas laat nog steeds te wensen over. Uiteindelijk behaalt verzoeker na de juni-examens een onvol- doende jaartotaal voor bedrijfseconomie en Nederlands en een globaal resultaat van 55%. De delibererende klassenraad beslist einde juni 2009 om hem een oriënterings- attest B te geven, met clausulering voor alle richtingen TSO, wegens “een tekort van dertien jaaruren (waarbij richtingsvak bedrijfseconomie) en een laag jaargemiddel- de” die “een overgang naar het zesde jaar TSO-Handel onmogelijk [maken]”. 3.
  7. De ouders van verzoeker overleggen op 1 juli 2009 over dit resultaat met de school. Op 3 juli 2009 deelt de directeur aan de ouders van verzoeker mee dat de elementen die tijdens het overleg zijn aangebracht aan de delibererende klassenraad voorgelegd zullen worden. XII-6001-2\13 Op 31 augustus 2009 beslist de delibererende klassenraad om andermaal een B-attest toe te kennen met gehele clausulering voor TSO. Tegen deze beslissing wordt vervolgens op 2 september 2009 beroep aangetekend bij de beroepscommissie. Op 14 september 2009 beslist het schoolbestuur om het beroep van verzoeker af te wijzen. De tenuitvoerlegging van deze beslissing wordt door de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst bij arrest nr. 196.679 van 6 oktober
  8. 3.
  9. Op 9 oktober 2009 beslist het schoolbestuur om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Deze beslist op 13 oktober 2009 om het B-attest te handhaven, met de volgende argumentatie : “De delibererende klassenraad is opnieuw samengekomen op verzoek van het schoolbestuur (beslissing raad van bestuur d.d. 9 oktober 2009), na kennisname van het arrest van de Raad van State d.d. 6 oktober 2009 (arrest nr. 195.679) waarbij de beslissing van het schoolbestuur om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen bij uiterst dringende noodzakelijk- heid werd geschorst en waarbij het schoolbestuur heeft beslist dat haar eerdere beslissing van 15 september 2009 wordt ingetrokken en waarbij de delibereren- de klassenraad wordt verzocht opnieuw te delibereren. Aanwezig: [...] Gewettigd afwezig en dus verontschuldigd: [...] De delibererende klassenraad heeft kennis genomen van het arrest van de Raad van State d.d. 6 oktober 2009 en de daaropvolgende beslissing van het schoolbestuur d.d. 9 oktober
  10. De delibererende klassenraad heeft kennis genomen van de grieven van Laurens Linders, zoals verwoord door zijn raadsman in het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dat geleid heeft tot het voormelde arrest van de Raad van State en zoals verwoord in de ‘verweernota’ van zijn raadsman d.d. 14 september 2009 en die werd neergelegd bij de voorzitter van de interne beroepscommissie. De delibererende klassenraad heeft kennis genomen van de in deze documenten uiteengezette middelen en grieven, heeft ze onderzocht en afgewogen en betrekt ze bij haar beslissing. De leerling heeft derhalve op afdoende wijze zijn grieven en bezwaren kunnen formuleren, zodat er geen noodzaak bestaat om de leerling, diens ouders of diens raadsman nog bijkomend te horen. XII-6001-3\13 De delibererende klassenraad overweegt: 1 De delibererende klassenraad verwijst in de eerste plaats naar de behaalde resultaten zoals opgenomen in het rapport, zo ondermeer naar het gemiddelde jaarresultaat van 55 %. 2 De delibererende klassenraad is van oordeel dat de behaalde jaartotalen een oriënteringsattest C zouden kunnen verantwoorden. Rekening houdend met - het ophalen van 2 onvoldoendes voor geschiedenis en wiskunde - de vooruitgang voor bedrijfseconomie en Nederlands is de delibererende klassenraad echter van oordeel dat niet moet worden overgegaan tot de toekenning van een oriënteringsattest C. Op die wijze kan Laurens Linders zijn studies desgewenst bijvoorbeeld verder zetten in het 2e leerjaar van de derde graad Kantoor BSO. Er wordt aan Laurens Linders een oriënteringsattest B toegekend met clausulering TSO. 3 De delibererende klassenraad is immers van oordeel dat, bij een globale beoordeling van de doelstellingen zoals die in het leerplan zijn bevestigd, er een aantal tekortkomingen zijn die een doorstroming naar het tweede leerjaar van de derde graad TSO-Handel onmogelijk maken. Meer in het bijzonder wijst de klassenraad op het volgende: 3.1 Het feit dat de 2 opgehaalde onvoldoendes het aantal onvoldoende uren slechts doet dalen van 17 naar 13 (waarbij het totaal aantal uren van de lessentabel bedraagt 34 uren). Het aantal uren dat onvoldoende blijft vertegenwoordigt dus meer dan 1/3 van het totale aantal uren. 3.2 Er slechts sprake is van een lichte vooruitgang voor bedrijfseconomie (stijging met 7% maar slechts 51% voor het tweede semester) en Nederlands (stijging met 2%). 3.
  11. Het feit dat de resterende onvoldoendes zich situeren in 2 van de 3 hoofdcom- ponenten van de richting, zoals terug te vinden in het studierichtingsprofiel (waarin alle vakonderdelen van het vak bedrijfseconomie als één ondeelbaar geheel worden omschreven). 3.3.1 Allereerst wenst de delibererende klassenraad in te gaan op de vragen die door de ouders en de raadsman van Laurens Linders werden gesteld m.b.t. de quotering voor de vakken Nederlands en bedrijfseconomie. De klassenraad stelt vast dat de opmerkingen van de ouders werden bezorgd aan de betrokken leerkrachten Nederlands en bedrijfseconomie. Deze hebben een schriftelijk verslag opgesteld van de wijze waarop ze de examens hebben verbeterd en de ouders hebben hiervan kennis gekregen en hebben hierop toen geen inhoude- lijke kritiek geformuleerd. De klassenraad neemt kennis van deze nota’s en stelt vast dat de betrokken leerkrachten omstandig en op overtuigende wijze hun quoteringen hebben toegelicht. De klassenraad beschouwt de quotering dan ook als correct, onderschrijft de standpunten van de betrokken leerkrachten en maakt hun motieven tot de hare. 3.3.2 Het studierichtingsprofiel van de derde graad Handel TSO-Handel luidt als volgt: De derde graad TSO-Handel is een commerciële studierichting en bereidt voor op verder studeren in hoger onderwijs (professionele bachelor). XII-6001-4\13 Daarom is gekozen voor een brede en evenwichtige vorming met drie componenten: - een stevige algemene vorming - de talen: Nederlands, Frans, Engels, Duits met specifieke aandacht voor de praktische vaardigheden in een bedrijfseconomische context. - een bedrijfsgerichte vorming, bestaand uit: - een commercieel gedeelte met aandacht voor marketing en aan- en verkoopactiviteiten op nationaal en internationaal niveau. - een administratief gedeelte met de afhandeling van de administratie en het voeren van de boekhouding van een handelsonderneming. - een bedrijfseconomisch gedeelte met aandacht voor ondernemersvaardig- heden zodat leerlingen zich later kunnen vestigen als zelfstandige. 3.3.3 Met betrekking tot de tweede component - talen - stelt de klassenraad het volgende vast: voor het vak Nederlands: Laurens Linders behaalde een totaal van 33% voor het onderdeel literatuur met duidelijke onvoldoendes in beide semesters. Laurens Linders behaalde een totaal, van 34% voor het onderdeel taalbeschouwing met duidelijke onvoldoen- des in beide semesters. Aangezien taalbeschouwing en literatuur samen met taalvaardigheid de belangrijkste onderdelen voor het vak Nederlands vormen, zorgen de onvoldoendes (waarbij niet sanctionerend opgetreden werd voor fouten die een gevolg van dyslexie kunnen zijn) van Laurens Linders ervoor dat de norm voor het vak Nederlands niet bereikt werd, dit wil zeggen dat Laurens Linders de doelstellingen uit het leerplan in onvoldoende mate bereikt heeft en de leerinhouden onvoldoende gekend zijn om te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar binnen TSO-Handel. Voor het vak Frans: Laurens Linders slaagde nipt op het examen voor het eerste semester (30/60) en behaalde voor dagelijks werk 23/
  12. Tijdens het tweede semester behaalt hij een onvoldoende voor dagelijks werk (19/40) en een iets beter resultaat op zijn examen (34/60). Het totaalpercentage voor het vak Frans blijft tijdens de twee semesters gelijk, nl. 53%. De delibererende klassenraad beschouwt dit als een zwak resultaat. Binnen de component talen beschikt Laurens Linders bijgevolg over een onvoldoende basis om zijn studies succesvol verder te zetten in dezelfde studierichting. 3.3.4 Wat de derde component - bedrijfsgerichte vorming - betreft, mist Laurens Linders de nodige basisvaardigheden voor boekhouding, waarop in het zesde jaar wordt verdergebouwd. Dit hiaat werd reeds vastgesteld bij de instaptoets in september 2008, waarvoor Laurens Linders een resultaat van 14/50 haalde. De ouders werden geïnformeerd over het problematisch karakter van dit resultaat. In de eerste weken van het schooljaar werd een herhaling georgani- seerd van de beginselen van het boekhouden, om deze achterstand te kunnen wegwerken. Er is op dat vlak in de loop van het schooljaar onvoldoende vooruitgang geboekt. Voor het bedrijfseconomisch en commercieel gedeelte zijn de leerplandoelstel- lingen in onvoldoende mate behaald, terwijl op die noodzakelijke basiscompe- tenties in het zesde jaar wordt voortgebouwd, onder meer in de geïntegreerde proef.
  13. De klassenraad wenst hier ook in te gaan op de wijze waarop het vak bedrijfseconomie wordt georganiseerd. Het fundamenteel gedeelte van de opleiding wordt volgens het leerplan gerealiseerd in één vak van minimum 9 wekelijkse lestijden: bedrijfseconomie. Het vak ‘bedrijfseconomie’ is bijgevolg een ondeelbaar vak van 9 uur per week. Om organisatorische redenen wordt het XII-6001-5\13 vak door twee leerkrachten gegeven. Elk gegeven lesuur heeft hetzelfde gewicht in de beoordeling. Het betreffende onderdeel (vaardigheden en attitudes) is door beide leerkrachten behandeld vanuit een andere invalshoek. Een eerste keer in het eerste semester bij het onderdeel over de vaardigheden en attitudes van een ondernemer (past binnen het leerplanonderdeel ‘Vaardighe- den en attitudes van een ondernemer’). Een tweede keer in het tweede semester bij het onderdeel over de vaardigheden en attitudes van een commercieel- administratief bediende (past binnen het leerplanonderdeel ‘Taakomschrijving van een commercieel-administratief bediende’).
  14. De delibererende klassenraad neemt kennis van de vrijwillige inspanningen van Laurens Linders na de examenperiode, maar stelt echter vast dat de klassenraad bij de deliberatie in juni geen vakantietaak heeft gegeven. Artikel 3.3.1 van het schoolreglement kent deze bevoegdheid toe aan de delibererende klassenraad in uitzonderlijke omstandigheden. Hiervan werd geen gebruik gemaakt en dit kan overigens ook niet eenzijdig door de leerling zelf worden ingevuld. Dit neemt niet weg dat de delibererende klassenraad begrip toont voor het initiatief en de bezorgdheid van de ouders. Zij beschouwt de inspanningen van de betrokken leerling als nobel, maar meent dat ze niet in overweging genomen kunnen worden in de deliberatie. Toepassing makend van artikel 5 van het Organisatiebesluit van 19 juli 2002 baseert de delibererende klassenraad haar beslissing o.m. op de volgende gegevens: - resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; - de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassen- raad.
  15. Wat de dyslexieproblematiek betreft (en de door de leerling en ouders in dat verband geformuleerde grieven), neemt de delibererende klassenraad kennis van de dyslexieafspraken die op 24 oktober 2008 zijn gemaakt met de leerling en zijn ouders en stelt vast dat de betrokken leerling op grond van het contract slechts gebruik wenste te maken van drie faciliteiten (de leerling mag vragen de opdracht opnieuw voor te lezen; de leerkracht noteert de puntenverdeling bij de examens en de leerling waardeert de inspanning van de school en werkt op een positieve manier mee). De voorwaarden van deze afspraken zijn, voor wat de school betreft, nageleefd. De aangeboden kans om het examen in een aparte ruimte af te leggen, heeft de leerling niet benut.
  16. Op basis van al de voormelde overwegingen beslist de delibererende klassen- raad dat Laurens Linders in onvoldoende mate de leerplandoelstellingen heeft bereikt om zijn studies verder te zetten in de onderwijsvorm TSO-Handel. De delibererende klassenraad wijst erop dat een clausulering beperkt tot enkele studierichtingen van de onderwijsvorm TSO in het 1e leerjaar van de derde graad TSO niet mogelijk is, omdat de onderrichtingen bij het invullen van het oriënteringsattest B opgenomen in bijlage 2 bij het Organisatiebesluit van 19 juli 2002 voor het 1e leerjaar van de derde graad TSO enkel toelaten dat een leerling geclausuleerd wordt voor de volledige onderwijsvorm TSO. De klassenraad is op grond van deze bepaling dan ook verplicht, indien hij een oriënteringsattest B wenst uit te reiken, om een clausulering voor de volledige onderwijsvorm TSO uit te spreken. De delibererende klassenraad acht hem wel bekwaam zijn studies verder te zetten In de onderwijsvorm BSO. De delibererende klassenraad reikt aan hem dan ook een oriënteringsattest B uit met de clausulering voor de onderwijsvorm TSO. XII-6001-6\13 De delibererende klassenraad merkt op dat deze clausulering aan de leerling, naast het overzitten van het 1e leerjaar van de derde graad Handel TSO, de mogelijkheid biedt om zijn studies verder te zetten in een studierichting van hetzelfde studiegebied in de onderwijsvorm BSO (weliswaar na gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad; art. 21, 3/ van het Organisatiebesluit van 19 juli 2002). Dit is een bijkomende mogelijkheid die het uitgereikte oriënteringsattest B biedt ten opzichte van een oriënteringsattest C”. IV. De schorsingsvoorwaarden
  17. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. V. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Standpunt van verzoeker
  18. Verzoeker voert een enig middel aan, dat geput wordt uit de schending van de schoolpactwet van 29 mei 1959, “o.a. artikel 6quater”, van “o.a.” de artikelen 5, §§ 5 en 8, 37, 38, 1/, 39 en 57 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs, van het schoolreglement, van de leerplannen bedrijfseconomie en Nederlands, van het materieel motiveringsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbegin- sel, en van het legaliteitsbeginsel “en de eruit afgeleid[e] patere legem-plicht”. Volgens verzoeker weegt de delibererende klassenraad op geen enkele wijze de door hem aangehaalde elementen af tegen de positieve jaarresultaten en relateert hij ze evenmin in concreto aan de doelstellingen die in de leerplannen bedrijfseconomie en Nederlands zijn opgenomen. Er wordt bijgevolg niet aannemelijk gemaakt waarom verzoeker zijn studies in dezelfde richting niet zou kunnen voortzetten. Ook laat de klassenraad opnieuw na om een aantal van verzoekers bezwaren te bespreken. De motieven waarop de klassenraad steunt, zijn daarenboven tegenstrijdig, niet coherent of feitelijk of juridisch niet correct. XII-6001-7\13 Verzoeker licht toe dat 47 % niet dramatisch is en dat er rekening mee dient te worden gehouden dat hij voor bedrijfseconomie een neveninstromer is. Dit laatste gegeven verplicht de school om voor hem een aangepast inhaalprogram- ma op te stellen en te zorgen voor begeleiding. In de bestreden beslissing is volgens verzoeker geen overweging terug te vinden die de afweging maakt van de positieve elementen, zoals het feit dat hij voor acht op tien vakken wel een voldoende heeft, dat hij voor drie van de vier taalvakken -een hoofdcomponent van de studie- voldoet, dat hij voor een onderdeel van bedrijfseconomie geslaagd is, en dat hij voor dagelijks werk van zeven naar drie onvoldoendes is verbeterd. Zijn studiehouding wordt niet meer besproken. Geen melding wordt gemaakt van het feit -tot heden niet betwist- dat de vakleerkracht Nederlands zijn vak niet als een breekpunt beschouwde in juni. Er wordt geen gevolg gegeven aan de vaststelling dat hij in de vakantie uiting gaf aan de vraag om te werken aan het aspect schriftelijke communicatie. De dyslexieproblematiek en haar impact worden niet betrokken bij de globale evaluatie of bij de beoordeling inzake Nederlands. Zijn opmerking dat voor bedrijfseconomie vragen gesteld werden uit de leerstof van het eerste semester blijft onbeantwoord. De opmerkingen over de quotering van de examens Nederlands en bedrijfseconomie die zijn geformuleerd in het beroepschrift aan de beroepscommissie zijn niet onderzocht. Volgens verzoeker zou, rekening houdend met zijn opmerkingen, blijken dat hij wel een voldoende zou hebben gehaald voor de beide vakken. De optie van een vakantietaak is niet overwogen. Volgens verzoeker benadert de klassenraad zonder nadere motivering thans het gewogen jaarresultaat van 55% anders dan bij zijn eerdere beslissingen. De klassenraad moet niet motiveren waarom geen C-attest wordt gegeven, maar wel waarom een A-attest wordt geweigerd. De geboekte vooruitgang voor bedrijfseconomie is niet als een “lichte vooruitgang” te bestempelen. De vorming in de derde graad handel TSO bestaat niet uit drie, maar uit twee componenten, zodat de klassenraad vertrekt van een verkeerd uitgangspunt; bovendien zijn de leerplannen dienend als criterium en niet het studierichtingspro- fiel. Voor Nederlands gaat het daarenboven om een graadleerplan, zodat het bereiken van de doelstellingen maar beoordeeld mag worden op het einde van het tweede jaar. Voor Frans staat vast dat hij een voldoende heeft behaald, zodat het zwak resultaat totaal irrelevant is. Voor de component talen wordt geen rekening gehouden met de taalvakken Engels en Duits. Voor bedrijfseconomie beschouwt XII-6001-8\13 verzoeker zich geslaagd wat de component bedrijfsgerichte vorming betreft; voor de component boekhouding mag geen rekening worden gehouden met de resultaten van de vrijblijvende instaptoets. Verzoeker wijst er nog op dat bedrijfseconomie in het laatste jaar herleid wordt tot vijf lesuren. Beoordeling
  19. Het arrest van de Raad van State nr. 196.679 van 6 oktober 2009 had als uitgangspunt dat twee jaartekorten waaronder een tekort voor een richtingsvak dat negen uren omvat, in combinatie met een zwak jaarresultaat, op het eerste gezicht het uitreiken van een oriënteringsattest B kan verantwoorden. Met verzoeker werd echter meegegaan dat hij in de loop van de georganiseerde beroepsprocedure op een aantal bijzondere omstandigheden had gewezen waarop hij prima facie geen antwoord had gekregen, wijl dit antwoord van aard kon zijn om eventueel tot een voor hem gunstiger resultaat te komen. Die elementen waren toen : “Een eerste element dat in het licht van de noodzakelijke globale evaluatie niet zonder belang is, is de vaststelling door verzoeker dat hij twee van de vier tekorten in december vervolgens wél volledig heeft goedgemaakt, en voor een drie-uursvak als wiskunde zelfs van 45% is vooruitgegaan naar 75% (jaartotaal 60%). Verzoeker argumenteert daarover bijkomend dat rekening gehouden moest worden met het feit dat hij neveninstromer voor deze opleiding is zodat zijn vooruitgang des te opmerkelijk is. Voor de twee vakken die tekorten zijn gebleven stelt de beslissing wel een ‘lichte vooruitgang’ vast, maar deze ‘lichte vooruitgang’ -voor bedrijfseconomie dan toch van 44% naar 51%, weliswaar niet genoeg voor een jaarvoldoende- voegt zich toe aan de twee andere, volledig opgehaalde tekorten. Verzoeker vroeg zich ook af of bij de inschatting of hij voor het gehele schooljaar de doelstellingen van het leerplan heeft bereikt wel passende aandacht is gegeven aan zijn tekort voor Nederlands gelet op zijn dyslexie; het is een vraag die prima facie in de beslissing niet is beantwoord en toch niet zonder belang lijkt nu Nederlands een van de tekorten is waarop het attest steunt. Ook de vraag waarom voor bedrijfseconomie geen rekening wordt gehouden met zijn goede prestatie voor het in uren omvangrijkste onderdeel is zonder antwoord gebleven”.
  20. In de thans bestreden beslissing refereert de delibererende klassenraad opnieuw aan het zwakke totaalresultaat en aan de twee onvoldoendes. Hij gaat nu meer in detail in op die onvoldoendes. XII-6001-9\13 Dat twee andere tekorten wel zijn weggewerkt, wordt nu uitdrukkelijk afgewogen tegenover de vaststelling dat de blijvende tekorten staan voor meer dan een derde van het totale aantal uren en dat die tekorten te situeren zijn in twee hoofdcomponenten van de gekozen richting. Thans is in de bestreden beslissing ook te lezen dat met verzoeker een “contract” gesloten werd met betrekking tot zijn dyslexieprobleem; verzoeker beweert in zijn verzoekschrift niet dat dit “contract” door verwerende partij niet zou zijn nageleefd. Ook legt de klassenraad ditmaal uit waarom hij met afzonderlijke punten voor bedrijfseconomie geen rekening houdt op de wijze die verzoeker beoogt. De te onderscheiden vakonderdelen worden niet aangeboden door de afzonderlijke leerkrachten, maar beide leerkrachten bieden dezelfde vaardigheden en attitudes aan vanuit een andere invalshoek. In de nota met opmerkingen vult de verwerende partij nog aan dat verzoeker wel goed moest weten dat het vak steeds als één geheel wordt opgevat, aangezien op alle rapporten slechts één cijfer wordt gegeven voor bedrijfseconomie. Op het eerste gezicht heeft verzoeker in de nu bestreden beslissing dan ook de antwoorden gekregen die op het ogenblik van het eerste schorsingsarrest ontbraken.
  21. Die antwoorden lijken ook te kunnen volstaan vanuit het oogpunt van de materiële motiveringsplicht, en worden door verzoekers andere opmerkingen in het verzoekschrift op het eerste gezicht niet onderuit gehaald. Zo kan met verwerende partij prima facie worden meegegaan, waar zij opmerkt dat de taalvakken Nederlands en Frans worden gecatalogeerd onder de basisvorming en de vakken Engels en Duits onder het specifieke gedeelte zodat de klassenraad meer gewicht mocht hechten aan de resultaten voor de eerstgenoemde vakken bij het inschatten van de doorstroomkansen van verzoeker. De bewering dat in het laatste jaar slechts vijf lesuren bedrijfseco- nomie worden gegeven, lijkt voorbij te gaan aan de hervorming van de studierich- ting en mist vooralsnog feitelijke grondslag. XII-6001-10\13 Dat de klassenraad niet antwoordt op verzoekers grief dat op het eindexamen bedrijfseconomie vragen werden gesteld over leerstof van het eerste semester lijkt niet relevant in het licht van het gegeven dat op een door verzoeker zélf per e-mail gestelde vraag naar de te kennen leerstof, de leerkracht per e-mail heeft geantwoord met onder meer de duidelijke waarschuwing : “en vooral: de leerstof van het eerste deel kennen, want wie die niet kent kan ze ook niet toepas- sen”. Dat verzoeker niet de rechtmatige begeleiding kreeg tijdens het jaar als neveninstromer - de verwerende partij verduidelijkt dat verzoeker overgekomen is van een ASO-richting met economie als profiel- kan thans niet tot de gevraagde schorsing leiden. Vooreerst kan die vaststelling, mocht ze gegrond zijn, verzoeker thans niet tot een geslaagde maken, zo lijkt. Voorts lijkt verzoeker nagelaten te hebben om zélf te nuttiger tijd op die begeleiding een beroep te doen, terwijl de instaptoets daartoe toch het nodige signaal leek op te leveren. De delibererende klassenraad beslist als collegiaal orgaan, dus ongeacht de eventuele mening van een individuele leerkracht -in casu de leerkracht Nederlands. De kritiek die verzoeker in het nu voorliggend verzoekschrift uit met betrekking tot de quotering van de examens bedrijfseconomie en Nederlands gaat er aan voorbij dat in het voormelde schorsingsarrest is vastgesteld dat “de raadsman van verzoeker ter terechtzitting erkend [heeft] dat hij de ‘ver- duidelijkingen/reflecties’ van de leerkrachten over de examens heeft ontvangen” maar dat verzoeker niettemin in zijn toenmalig verzoekschrift “niet concreet [leek] aan te geven of en waarom de bevindingen van de leerkrachten niet mochten volstaan om de delibererende klassenraad te doen besluiten dat het examenverloop correct was”. In het licht van die vaststelling kan verzoeker de delibererende klassenraad bezwaarlijk verwijten niet meer in detail te zijn ingegaan op zijn vroegere bezwaren. Ook lijkt verzoeker op basis van dat schorsingsarrest niet over de mogelijkheid te beschikken om kritiek die hij toen naliet te concretiseren, thans nieuw leven in te blazen. De punten -onvoldoendes- voor beide vakken zijnde wat ze zijn, lijkt in die tekorten het eerste motief besloten dat verzoeker voor de bedoelde vakken niet de leerplandoelstellingen heeft bereikt. Er moet immers aangenomen XII-6001-11\13 worden dat tot bewijs van het tegendeel en uitgaande van de deskundigheid van de leerkrachten, examens een weerspiegeling zijn van de in het jaar gegeven leerstof en dat die leerstof steunt op de leerplannen. Van de leerling die niet slaagt, lijkt dan ook gesteld te mogen worden dat hij niet de leerplandoelstellingen haalt. Daarenbo- ven heeft de klassenraad op het eerste gezicht die vaststelling nader toegelicht met meer precieze, onder woorden gebrachte beschouwingen die pertinent lijken. De studiehouding van een leerling lijkt bij deliberaties een nuttig, maar niet steeds een noodzakelijk gegeven te zijn om bij twijfel in de ene of de andere zin een beslissing te nemen. Verzoeker zet niet uiteen waarom zijn -toch wel wisselende- studiehouding de delibererende klassenraad tot een ander oordeel had te brengen.
  22. De Raad van State mag zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresulta- ten en van de geschiktheid van de leerling om hogere studies aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoeker derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. Uit wat voorafgaat, blijkt dat verzoeker, in de huidige stand van de procedure, er niet in is geslaagd de Raad daarvan te overtuigen. De door de delibererende klassenraad gemaakte inschatting van de kennis en kunde van verzoeker vermag in rechte en in feite, zo lijkt, een beslissing om hem het bestreden B-attest te geven, verantwoorden. XII-6001-12\13
  23. Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaar- den gesteld in artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt de vordering.
  25. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes november 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier, De voorzitter, Dieter Decock Geert Van Haegendoren XII-6001-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.