← België

Arrest 197651 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.651 Rolnummer: A. 193181/X-14254 Zaak: Arrest 197651 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-13 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.651 van 6 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 197.651 van 6 november 2009 in de zaak A. 193.181/X-14.

  1. In zake:
  2. Paul WOUTERS
  3. Christiane WEYENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Dehaese kantoor houdend te 3500 HASSELT Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  4. Hilde GIOS
  5. de b.v.b.a. GVB en C/ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 3000 LEUVEN Diestsevest 113 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  6. De vordering, ingesteld op 29 juni 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 24 april 2009 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van de beroepen van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lummen en van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tegen het besluit van 20 november 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het beroep van Hilde GIOS tegen het besluit van 2 september 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lummen tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het slopen, regulariseren en verbouwen van X-14.254-1/12 pluimveestallen naar vleesvarkensstal en tot lokalen voor plattelandsklassen en paardenboxen, op percelen gelegen aan de Bosheidestraat 47 te Lummen, kadastraal bekend sectie A, nrs. 1111/b, 1111/c, 1113/l en 1113/v, voorwaardelijk wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober
  8. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Sylvia Sroka, die loco advocaat Lieve Dehaese verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Soubron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Tussenkomst
  10. Met een op 17 juli 2009 ter post aangetekend verstuurd verzoekschrift vragen Hilde GIOS en de b.v.b.a. GVB en C/ om in het geding te mogen tussenkomen. De tweede verzoekende partij tot tussenkomst zegt eigenaar en exploitant te zijn van de stallen waarop de connexe milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft. Zij stoelt haar belang bij de tussenkomst in voorliggende X-14.254-2/12 procedure op de decretale koppelingsregeling tussen de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning (artikel 5 van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 128 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening). 3.
  11. De stedenbouwkundige vergunningsaanvraag werd enkel ingediend door Hilde GIOS, eerste verzoekster in tussenkomst, optredend in eigen naam en niet in haar hoedanigheid van zaakvoerster van de b.v.b.a. GVB en C/. De bestreden stedenbouwkundige vergunning werd enkel aan haar verleend. Het in het verzoekschrift tot tussenkomst aangehaalde wederzijdse koppelingsmechanisme tussen de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning verleent aan de tweede tussenkomende partij niet de vereiste hoedanigheid om tussen te komen in voorliggend geding dat een stedenbouwkundige vergunning tot voorwerp heeft en als dusdanig strikt te onderscheiden is van de afzonderlijke procedures die gevoerd worden in het kader van de milieuvergunningsaanvraag. De b.v.b.a. GVB en C/ beschikt derhalve niet over de vereiste hoedanigheid om in voorliggend geding tussen te komen. Het verzoek tot tussenkomst is enkel ontvankelijk in hoofde van de eerste tussenkomende partij. IV. Feiten 4.
  12. Op 17 maart 2008 dient Hilde GIOS bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lummen een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor “sloopwerken, regularisatie en verbouwen van pluimveestallen naar vleesvarkensstal en tot lokalen voor plattelandsklassen en paardenboxen”, op percelen gelegen aan de Bosheidestraat 47 te Lummen, kadastraal bekend sectie A, nrs. 1111/b, 1111/c, 1113/l en 1113/v . Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, zijn de betrokken percelen gelegen in agrarisch gebied. 4.
  13. Op 13 mei 2008 brengt het college van burgemeester en schepenen een ongunstig pre-advies uit over de aanvraag. X-14.254-3/12 Op 25 augustus 2008 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit over de aanvraag. 4.
  14. Bij besluit van 2 september 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lummen de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. 4.
  15. Bij besluit van 20 november 2008 willigt de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep van Hilde GIOS tegen voormelde weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen in, en verleent de gevraagde stedenbouwkundige vergunning onder de voorwaarde dat “in verband met de brandweerstand, brandveiligheid en evacuatievoorzieningen van de constructie het advies van de brandweer strikt wordt gevolgd”. 4.
  16. Op 19 december 2008 stelt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar beroep in tegen voormelde beslissing van de deputatie bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening. Op 23 december 2008 stelt ook het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lummen beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening. 4.
  17. Bij het thans bestreden besluit van 24 april 2009 verwerpt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening de ingestelde beroepen. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat op het terrein een kippenkwekerij was gevestigd, in een reeks achter elkaar opgetrokken, grotendeels vergunde constructies; dat de huidige aanvraag erop gericht is, volgens de letteraanduidingen van het inplantingsplan : A: de achterste kippenstal (91 op 16 meter groot) te veranderen naar een vleesvarkensstal B: de bestaande pluimveestal (60 op 14 meter groot) te verbouwen voor de stalling van kleinvee en paarden C: bij stal A een nieuwe ronde mestopslag te bouwen, met een doormeter van 15,29 meter bij een bovengrondse hoogte van 3,50 meter; D: de voorste bestaande pluimveestal, 43 meter breed en 12 m diep, grotendeels te slopen met behoud van een klein deel als garage, en er een nieuw afdak van 12 bij 12 meter op te richten; E: het bestaande eierlokaal (12 op 20 meter groot) en een pluimveestal van 60 meter breedte en 13 meter diepte om te bouwen tot jeugdverblijfcentrum; dat daarnaast de middelste pluimveestal (60 op 14,66 meter groot) behouden wordt als berging, en dat ook een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie is gepland; X-14.254-4/12 Overwegende dat de plaats, waar dus vijf grote pluimveestallen én een bedrijfswoning staan, gelegen is in het agrarisch gebied van het gewestplan Hasselt-Genk; dat overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, zulk gebied bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en de para-agrarische bedrijven; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts mogen worden opgericht op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstand van 300 m en 100 m echter niet geldt in geval van de uitbreiding van bestaande bedrijven; Overwegende dat de bestaande toestand momenteel dus een voormalig kippenbedrijf omvat; dat alle eerdere bouwvergunningen zijn afgeleverd binnen de conformiteit met het gewestplan, en dat deze vergunningen volgens plan zijn gerealiseerd, behalve bij de achterste stal die 11 meter in de lengte groter is gebouwd dan vergund; dat de stopzetting van het pluimveebedrijf evenwel niet maakt dat de gebouwen hun vergund, planologisch conform statuut zouden verliezen; dat het blijft gaan om een zone-eigen hoofdzakelijk vergund bedrijf voor intensieve veeteelt, ook al staat het enige tijd leeg; dat dus de afstandregel van vermeld artikel 11 niet aan de orde is; Overwegende dat het wijzigen van een kippenbedrijf naar een varkensbedrijf eveneens binnen dezelfde planologische verenigbaarheid valt, waar het blijft gaan om een werkelijke agrarische bedrijvigheid; dat uit ruimtelijk vergunningsoogpunt huidige aanvraag; geen nieuw bedrijf betreft; dat in dezelfde zin artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering dd 14 april 2000 houdende bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, ‘landbouw in de ruime zin’ als één enkele ‘hoofdfunctie’ aanduidt; dat enkel vergunningsplicht ontstaat als men van bijvoorbeeld de hoofdfunctie ‘landbouw in de ruime zin’ naar een andere hoofdfunctie zoals ‘industrie en ambacht’ zou gaan, maar dat een verandering van kippen- naar varkenskweek er geen vergunningsplichtige functiewijziging vormt; Overwegende dat wat de bestemming als varkensbedrijf betreft er geen planologische bezwaren rijzen; dat inzake uitvoering de nieuw geplande mestopslag helemaal achteraan de vestiging komt, en dus een minimale impact heeft op het uitzicht vanaf de voorliggende weg en vanaf het woonuitbreidingsgebied; Overwegende dat de stal voor paarden en kleinvee, alsmede de berging, ondergeschikt deel uitmaken van de ter plekke te vestigen nieuwe bedrijvigheid en zonder meer vallen binnen het begrip ‘landbouw in de ruime zin’ van vermeld artikel 11; dat verder het jeugdverblijf, in de vroegere voorste stal, door twee andere grote constructies (de gevraagde paarden- en kleinveestal en de berging) is gescheiden van de achterste vleesvarkensstal; dat tot geschiktmaking van betrokken stal de ruimte wordt opgedeeld in sanitair en slaapzalen (een vijftigtal bedden), dat de bestaande wanden worden bekleed met gevelpanelen en dat de dakconstructie wordt hernieuwd; dat verder een sectionale poort wordt dichtgemetseld en een dubbele draaideur geplaatst: dat er dus geen zware structurele ingrepen aan de orde zijn; Overwegende dat de hier gevraagde plattelandsklassen, verder omvattende twee klassen en een polyvalente zaal, zich ruimtelijk volledig integreren binnen het bestaand erf; dat zulke verblijfsgelegenheid is vermeld in artikel 11 als planologisch conform; dat soortgelijke toeristisch-educatieve nevenuitbating X-14.254-5/12 reeds bij andere bedrijven actief is, zoals onder meer het Hof ter Meulen in De Haan, het Kimpenhof te Opglabbeek en de Ruischaard te Alveringem; Overwegende dat het samengevat gaat om de volwaardige voortzetting van een als intensief vergunde agrarische activiteit, waarbij buiten de nieuwe mestopslag achteraan er geen gebouwenuitbreiding is; dat de ruimtelijke weerslag van de nieuwe gevraagde bedrijvigheid bezwaarlijk groter kan aangenomen worden dan deze van het oorspronkelijk vergunde kippenbedrijf dat vijf volwaardige grote stallen omvatte; Overwegende dat het agentschap Duurzame Landbouwontwikkeling Limburg op 3 april 2008 ongunstig adviseerde, om reden dat 0,7 hectare te weinig grond omvat voor de varkenshouderij, en omdat buitenstaanders uit hygiënisch oogpunt niet gewenst op dergelijke productiezetel; dat de aanvrager hiertegen stelt dat er wel degelijk een totale oppervlakte is van 2,5 hectare en dat verblijfsgelegenheid expliciet bij volwaardige bedrijven wordt toegelaten in de planologische voorschriften; Overwegende dat bij het openbaar onderzoek drie individuele en een gemeenschappelijk bezwaar zijn ingediend, die gaan over de hinder die een varkensstal en plattelandsklassen meebrengen, over de geurhinder van de mestopslag, over de afstandregel tot het woongebied, over verontreiniging van water en bodem, verkeersoverlast, en overschrijding van de ruimtelijke draagkracht van de plaats; Overwegende dat inzake de bezwaren van ruimtelijke draagkracht wordt verwezen naar de bovenvermelde argumentatie van het besluit van heden; dat de bij de bezwaren gestelde milieuhinder is beslecht in de milieuvergunning bij ministerieel besluit van 23 februari 2009 gegeven, om redenen uitvoerig in betreffende beslissing vermeld; dat hier werd geconcludeerd dat de hinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; Overwegende dat overeenkomstig artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid - Belgisch Staatsblad 14 november 2003 - het ontwerp onderworpen dient te worden aan de watertoets; dat het voorliggende project, de afbraak van de voorste stal mee in rekening nemend geen uitbreidende oppervlakte omvat en niet ligt in een recent overstroomd gebied of een overstromingsgebied, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat er geen bijkomend effect voor de plaatselijke waterhuishouding ontstaat; Overwegende dat om deze redenen de beslissing van de deputatie kan bevestigd worden; dat het beroep van de gemeente en van de gsa niet dient bijgetreden”. 4.
  18. Bij besluit van 23 februari 2009 verleent de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur de voor de exploitatie van de inrichting vereiste milieuvergunning. De verzoekende partijen hebben deze vergunning eveneens aangevochten met een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (zaak A. 192.348/VII-37.354). Deze zaak is thans nog hangende. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5.
  19. De tussenkomende partij werpt op dat de vordering niet ontvankelijk is. X-14.254-6/12 5.
  20. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou zich slechts zouden opdringen indien de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. VI. Onderzoek van de vordering 6.
  21. Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 6.
  22. In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteen als volgt: “
  23. Verzoekers zijn woonachtig in de St. Rochusstraat, 9 te 3560 Lummen, alwaar tweede verzoekster haar praktijk als zelfstandige kinesist gevestigd heeft. Hun woning is gelegen in het gehucht Genenbos, gelegen in het woongebied onmiddellijk ten oosten van de litigieuze inrichting in de Bosheidheidstraat,
  24. Teneinde de precieze feitelijke positionering van de woning van verzoekers in kaart te brengen, hebben verzoekers het gespecialiseerd studiebureau Maya opdracht gegeven een omgevingsverslag op te stellen. Dit verslag wordt gevoegd als stuk 5 bij het verzoekschrift. Uit dit verslag blijkt dat de afstand tussen de inrichting en de woning van verzoekers ca. 383m bedraagt; de afstand van de mestopslag achteraan de inrichting tot aan de woning van verzoekers bedraagt ca. 475m. De afstand van de inrichting tot aan de grens van het woongebied waarin het gehucht Genenbos gelegen is bedraagt ca. 90m, de afstand van de mestopslag achteraan de inrichting tot aan dit woongebied bedraagt ca. 151m.
  25. Wat betreft de te verwachten hinderaspecten zullen verzoekers ingevolge de uitvoering van het bestreden besluit in cumulo met de reeds verleende milieuvergunning een manifest moeilijk te herstellen en ernstig nadeel ondergaan. De hinderaspecten van beide besluiten moeten evident gekoppeld in aanmerking genomen worden bij de beoordeling van het nadeel, vermits de uitvoerbaarheid van beide vergunningen ook juridisch aan elkaar gekoppeld is middels art. 5 Milieuvergunningsdecreet. Een schorsingsarrest heeft conform deze bepaling immers de niet-uitvoerbaarheid van de beide vergunningen tot gevolg. Verzoekers zullen ingevolge het bestreden besluit manifeste geurhinder, visuele hinder en verkeershinder moeten ondergaan.
  26. Gelet op de nabije locatie van de nieuwe inrichting nabij de leefomgeving van verzoekers, zullen zij ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit enorme geurhinder van de voorgenomen exploitatie ondergaan. Het is immers een algemeen gekend feit dat de stallen van een varkensvetmesterij geurhinder veroorzaken. X-14.254-7/12 Dit is onmiskenbaar het geval wanneer het om in totaal 1.560 varkens gaat en een te bouwen betonnen mestsilo van 15,29 m doormeter en 6 m hoog, waarvan 2,5 m onder het maaiveld, met een inhoud van 1114m³. Te dezen situeert het woongebied waarin verzoekers woonachtig zijn zich onmiddellijk ten oosten van de inrichting in kwestie. Uit de studie van Mava blijkt onmiskenbaar dat verzoekers, niet alleen in hun woning, ook in hun tuin en in hun onmiddellijke leefomgeving rondom hun woning (lokale winkels, lokale kerk, aangrenzende straten) enorme geurhinder zullen ondervinden. Het verslag bevestigt immers: ‘Op jaarbasis waait de wind voor 14% van de tijd uit het ongunstige N-W kwadrant. Bijkomend staat er 20.5% van de tijd een variabele wind en is er 5% windluwte. Hieruit kan geconcludeerd worden dat op jaarbasis voor 39.5% van de tijd een situatie ontstaat waarbij geur en stof afkomstig van de nieuwe varkenskwekerij zich richting de onderzochte eigendommen verplaatst. Nog belangrijker dan de gegevens op jaarbasis, zijn de gegevens tijdens de zomermaanden. Tijdens deze periode is het niet alleen warmer en droger wat tot een verhoging van de geuremissies en stofproductie leidt, het goede weer tijdens deze maanden zorgt er tevens voor dat er veel vaker in tuinen en op terrassen vertoefd wordt. Tijdens de maanden juni - juli - augustus - september werden volgende gegevens gemeten: (...) Uit deze gegevens blijkt dat tijdens de buitenmaanden voor 47.1% van de tijd een situatie ontstaat waarbij geur en stof afkomstig van de nieuwe varkenskwekerij zich richting de eigendommen verplaatst.’
  27. Benevens de te verwachten geurhinder, dient opgemerkt dat verzoekers woonachtig zijn langsheen de St. Rochusstraat, alwaar een belangrijk deel van het verkeer van en naar de inrichting zal plaatsgrijpen. Uit het omgevingsverslag van het bureau Mava (...) blijkt immers dat van de verschillende ontsluitingsmogelijkheden richting de autosnelweg het precies de tracés doorheen de Bosheidestraat in oostelijke richting zijn die de gemakkelijkste doorgang bieden. Het studiebureau onderzoekt drie tracés (A - B - C - D), en komt tot de conclusie dat de tracés C en D het minst belemmerd worden door allerlei obstructies. Volgens het verslag van Mava is bovendien het tracé D, dat verder loopt doorheen de St. Rochusstraat, waar verzoekers woonachtig zijn, het meest evidente tracé, daar het na de woonwijk Genenbos onmiddellijk aansluiting biedt op voldoende brede en goed uitgeruste wegen. Verwacht mag dan ook worden dat de vrachtwagens (transport van varkens) en de autobussen (transport van scholieren), die gekenmerkt worden door een beperkte wendbaarheid, massaal gebruik zullen maken van de St. Rochusstraat, waar de woning van verzoekers gelegen is. Derhalve zullen verzoekers des te meer overlast moeten ondergaan ingevolge het af- en aanrijden van vrachtwagens en bussen voor hun woning.
  28. Ten slotte zullen verzoekers ook een aantasting van het landbouwgebied in de omgeving van hun woonplaats moeten ondergaan door de verdere uitbreiding van de stallen van het bedrijf, inz. doordat een enorme nieuwe mestsilo zou worden opgericht.
  29. Gelet op de bijzonder nabije ligging van de woning van verzoekers ten aanzien van de met het bestreden besluit vergunde inrichting, kan in redelijkheid niet betwist worden dat voormelde hinderaspecten verbonden aan de exploitatie van de hinderlijke inrichting in hoofde van verzoekers een zwaarwichtig nadeel uitmaakt. De woning van verzoekers is immers gelegen in een woonzone, die beschermd wordt door de afstandregels van het Inrichtingsbesluit, die de X-14.254-8/12 waarborg bieden dat een nieuw te vestigen bedrijf voor intensieve, industriële veeteelt, dat niet gebonden is aan de grond, op minstens 300 m van deze zone verwijderd moet blijven. Die afstand moet volgens de voormelde omzendbrief immers gemeten worden ‘vanaf het geplande bedrijfsgebouw tot de grens van het woongebied of woonuitbreidingsgebied zoals ingetekend op het ontwerp-gewestplan of gewestplan’ Hoger is precies gebleken dat de litigieuze exploitatie aan die afstand niet voldoet, vermits de afstand van de stal en mestsilo tot aan de woonzone slechts een luttele 151 m bedraagt - cf. de metingen van Mava, stuk
  30. M.a.w. verzoekers hebben volgens de wettelijke regels recht op die bescherming, wat er op neerkomt dat de voorgenomen exploitatie er gewoon niet kan komen. Hun nadeel moet dan ook vergeleken worden met de toestand waarin geen enkele geurhinder van die aard wordt aangevoerd. Er zijn overigens in de verre omgeving nergens inrichtingen die enige geur verspreiden. Een poging tot geruststellende taal als dat de ammoniakemissiearme uitvoeringswijze van de stal een invloed zou kunnen hebben op de geurhinder volstaat niet, nu de aanduiding van enig ‘gunstig’ effect van die methode op de geur in de bijlage bij het betrokken Ministerieel Besluit, niet betekent dat er helemaal geen geur meer wordt verspreid. Integendeel. Zo staat in de omzendbrief van 22 september 2003 met betrekking tot de toepassing van de herziening van Vlarem I en II inzake de wijziging van de afstandsregels voor varkens- en pluimveehouderijen en van de reglementering voor mestbewerking te lezen: ‘Emissiearme stalsystemen hebben gemiddeld gezien ook een positief effect op het reduceren van de geuremissie. Hierbij dient wel in het achterhoofd gehouden te worden, dat net zoals voor een traditionele stal trouwens, veel afhangt van het management door de exploitant. Dus hoewel emissiearme stallen een positief effect kunnen hebben op het verminderen van geuremissies, dient in geurkwetsbare zones nog de nodige aandacht besteed te worden aan de geurproblematiek.’ Overigens, Uw Raad erkent dat zelfs indien aan de afstandsregels voldaan wordt, dan nog dit geen recht verleent op het verkrijgen van een vergunning, maar dat deze dan nog kan geweigerd worden wegens geurhinder. Voor het overige moet de kandidaat exploitant zich nog bewijzen op het terrein, vermits dit zijn eerste exploitatie zou worden. Daar zijn geen garanties voor. In dat licht is het vermeldenswaard dat hoewel in de bestreden beslissing op p. 19 verwezen wordt naar te nemen ‘schikkingen (...) om contacten met derden te voorkomen (stallen zijn ontoegankelijk voor onbevoegden)’ teneinde besmettelijke ziekten te voorkomen, de exploitant op p. 8 toch verklaart dat ‘het de bedoeling is om de intensieve veehouderij te koppelen aan de plattelandsklassen (de kinderen van vandaag te laten kennismaken met de landbouwactiviteiten)’, hetgeen niet minder is dan de eigen aankondiging dat men de raadgevingen toch niet zal volgen. Men kan zich dan ook ernstig afvragen hoe het dan met de rest zit. Ook de toename in zwaar verkeer in de onmiddellijke woonomgeving van verzoekers vormt, gezien de specifieke situatie van de woning van verzoekers, een zwaarwichtig nadeel. Verzoekers zijn tot op heden woonachtig in een rustige, mooie omgeving, vlak naast het agrarisch gebied, waar voor het overige geen hinderlijke inrichtingen gevestigd zijn. Een toevloed aan vrachtwagens en schoolbussen behoort alleszins niet tot de normale nadelen die in een dergelijke omgeving te verwachten zijn. X-14.254-9/12
  31. Deze gezamenlijk hinderaspecten zullen op onaanvaardbare wijze het rustig woongenot van verzoekers aantasten en maken derhalve een ernstig nadeel uit, hetwelk bovendien een onherstelbaar karakter heeft. Het is immers een vaste rechtspraak van Uw Raad dat het voor een omwonende zeer moeilijk tot quasi-onmogelijk is om na een vernietigingsarrest effectief de afbraak te bekomen (...).
  32. Verzoekers tonen derhalve voldoende aan een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel te zullen lijden in de zin van de Gecoördineerde Wetten. Het bestreden besluit dient in afwachting van de vernietiging dan ook te worden geschorst in zijn tenuitvoerlegging”. 6.3.
  33. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat het enig verzoekschrift dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich in hun uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 6.3.
  34. In de mate dat de verzoekende partijen vrezen voor “enorme geurhinder”, dient vooreerst te worden vastgesteld dat dit nadeel niet rechtstreeks voortvloeit uit de met de voorliggende vordering bestreden stedenbouwkundige vergunning, doch uit de voor de betrokken inrichting verleende milieuvergunning. De omstandigheid dat het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning tot gevolg heeft dat de milieuvergunning uitvoerbaar wordt, brengt niet mee dat de aan de exploitatie verbonden nadelen tevens rechtstreeks voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning. Uit de gegevens van de zaak blijkt overigens dat de verzoekende partijen tegen de overeenstemmende X-14.254-10/12 milieuvergunning eveneens een vordering tot schorsing ingesteld. Aangezien de beweerde geurhinder in de voorliggende vordering niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, bestaat er ook geen noodzaak om de beweerde ernst van die hinder te onderzoeken rekening houdend met de afstand tot de inrichting en de geuremissie-eigenschappen van de betrokken varkensstal. Wat betreft de verkeersoverlast in de St. Rochusstraat waar de verzoekende partijen wonen, bevat het verzoekschrift geen concrete gegevens betreffende de ernst van het beweerde nadeel. In het verzoekschrift tot tussenkomst wordt hieromtrent gesteld dat het aantal transporten per week beperkt is tot twee vrachtwagens en twee autobussen. Dit wordt door de verzoekende partijen niet betwist. Dergelijk geringe toename van de verkeersintensiteit kan bezwaarlijk als ernstig worden aangemerkt. Ten slotte dient wat betreft het aspect “aantasting van het landbouwgebied” te worden dat vastgesteld dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning niet strekt tot de oprichting van een volledig nieuwe bedrijfsinfrastructuur, maar tot de omvorming van een voormalig pluimveebedrijf, bestaande uit meerdere stallen, naar een varkenshouderij met verblijfsgelegenheid voor plattelandsklassen. De in de bewoordingen van de verzoekende partijen “enorme nieuwe mestsilo”, die ter uitbreiding van de reeds bestaande constructies zou worden opgericht, blijkt volgens de vergunde plannen een betonnen constructie te zijn met een diameter van 15m 29 en een hoogte van 6m waarvan zich 2m 50 onder het maaiveld bevindt. Uit het door de verzoekende partijen neergelegde “Omgevingsverslag. Varkenskwekerij GVB en C/ bvba” blijkt dat de bewuste mestopslagplaats, zoals overigens ook de andere constructies die deel uitmaken van de inrichting, gelegen zijn op circa 475m van de woonplaats van de verzoekende partijen. Zij beweren ook niet enig zicht te hebben op de vergunde constructies. De verzoekende partijen maken dan ook niet aannemelijk dat de oprichting van deze constructies hen een ernstig nadeel kan berokkenen. 6.3.
  35. Er dient te worden vastgesteld dat de uiteenzetting van de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er is derhalve niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden op de X-14.254-11/12 schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  36. Het verzoek van Hilde GIOS tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Het verzoek van de b.v.b.a. GVB en C/ in het administratief kort geding wordt afgewezen.
  37. De Raad van State verwerpt de vordering.
  38. De b.v.b.a. GVB en C/ wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens. Johan Bovin. X-14.254-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.651 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.220.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.