← België

Arrest 197659 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.659 Rolnummer: A. 171378/IX-5288 Zaak: Arrest 197659 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 09/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:48 Fiche Arrest nr 197.659 van 9 november 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 197.659 van 9 november 2009 in de zaak A. 171.378/IX-5288 In zake : Betty JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Brabanter kantoor houdend te Asse Stationsstraat 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : De POST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Lombaert kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 24 maart 2006, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissingen van de afdeling Human Resources & Organisation van De Post, meegedeeld bij schrijven van 25 januari 2006, waarbij Betty JANSSENS niet geslaagd wordt verklaard voor de schriftelijke proeven voor de functies kantoorhou- der Retail-rang 24, agentschapshouder Retail-rang 24 en hoofdkantoorhouder Retail- rang
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. IX-5288-1/11 De verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 oktober
  4. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexandra Mondet, die loco advocaat Jan De Brabanter verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat Bruno Lombaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoekster is eerstaanwezend postontvanger bij De Post. In het kader van het project Refocus neemt zij deel aan de selectieproeven voor drie betrekkingen: - functie 9 - kantoorhouder Retail-rang 24 - functie 10 - agentschapshouder Retail-rang 24 - functie 15 - hoofdkantoorhouder Retail-rang
  7. Deze selectie bestaat uit een schriftelijke en een mondelinge proef. De schriftelijke proef bestaat voor de functies waarvoor de verzoekster deelneemt uit een persoonlijkheidsvragenlijst, een redeneertest en een in-basketoefening (managementsimulatie). Voor iedere functie werd een competentieprofiel opgesteld. Per competentie wordt een score bepaald op een schaal van 1 tot 9 die een standaardscore is in vergelijking met een specifieke referentiegroep. Per functie en per graad is voor iedere competentie bepaald wat de minimumscore is die moet worden behaald; tevens werd een minimum vooropgesteld voor de gemiddelde score IX-5288-2/11 van de verschillende competenties. Dit alles werd vooraf aan de kandidaten meegedeeld. 3.
  8. Met brieven van 19 januari 2006 zendt de afdeling Human Resources & Organisation van De Post (hierna: de afdeling HR&O) aan de verzoekster de resultaten toe die zij op de schriftelijke proeven voor de drie functies heeft behaald. Volgens die resultaten is zij voor de drie proeven geslaagd. 3.
  9. Met brieven van 25 januari 2006 zendt de afdeling HR&O nieuwe resultaten toe aan de verzoekster voor de drie schriftelijke proeven. Nu blijkt dat zij voor geen van de drie geslaagd is. Dit zijn de bestreden beslissingen. 3.
  10. Volgens de verwerende partij heeft de verzoekster nadien, op 31 januari en op 21 februari 2006, over deze vergissing in de mededeling van de resultaten een onderhoud gehad met een vertegenwoordiger van de afdeling HR&O. Tijdens deze gesprekken kreeg de verzoekster een uitgebreide presentatie in verband met de competentiemeting en scoring en een uitleg omtrent de wijze waarop de fouten zijn gebeurd. Er werden haar ook de gecorrigeerde resultaatsbrieven overhandigd en het certificaat van De Witte & Morel, die de proeven afnam, waarin wordt bevestigd dat de nieuwe resultaten de correcte resultaten zijn. Tevens werd haar een brief overhandigd waarin haar formeel wordt uitgelegd dat zij verkeerdelijk een mailing had ontvangen waarin ze geslaagd werd verklaard. Deze brief, daterend van februari 2006, met als bijlage de drie rechtzettingen, luidt als volgt: “Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat er een fout geslopen is in de mailing m.b.t. de resultaten van de schriftelijke proef. Via deze mailing, die op 19 januari ll. verstuurd werd, bent u verkeerdelijk in kennis gesteld van een positief resultaat behaald op de drie functies waarvoor u solliciteerde. Na het versturen van de brieven hebben wij voor bepaalde kandidaten vastgesteld dat er een verkeerde normgroep gebruikt werd voor de functie van hoofdkantoorhouder en dat er zich een technische fout heeft voorgedaan in het linken van de bestanden. De scores die u werden meegedeeld zijn niet de correcte resultaten en wij zien ons bijgevolg verplicht deze recht te zetten. De werkelijk door u behaalde scores voldoen jammer genoeg niet aan de vereiste slaagdrempels en werden u vandaag mondeling toegelicht. In bijlage stuur ik u een rechtzetting van uw resultaatsbrieven. Gelieve derhalve onze zending van 19 januari 2006 als nietig te beschouwen. IX-5288-3/11 Met mijn oprechte verontschuldigingen voor deze materiële vergissing”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4.
  11. In een eerste middel voert de verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen. Zij betoogt dat in de bestreden beslissingen noch de juridische noch de feitelijke overwegingen zijn opgenomen die aan die beslissingen ten grondslag liggen: er wordt enkel gesteld dat zij niet geslaagd is en een andere score wordt vermeld dan die in de brieven van 19 januari 2006, terwijl niet wordt meegedeeld waarom de scores verschillend zijn. De resultaten in de bestreden beslissingen worden volgens haar niet in verband gebracht met de concrete gegevens van het dossier, zodat ze niet meer zijn dan loutere stijlclausules die haar niet toelaten te onderzoeken om welke concrete redenen zij als niet geslaagd wordt beschouwd. 4.
  12. De verwerende partij antwoordt dat in beginsel de examencijfers als motivering volstaan omdat zij de verantwoording van de gemaakte beoordeling in zich houden. Zij stelt dat in de bestreden beslissingen de correcte standaardscores, de gemiddelde score en de vereiste gemiddelde score om te slagen werden meegedeeld, dat de gemiddelde score gemakkelijk kan worden nagerekend en dat de vergelijking tussen de gemiddelde score en het vereiste gemiddelde om te slagen, toelaat te begrijpen waarom de verzoekster niet geslaagd was. De verwerende partij houdt verder voor dat de verzoekster voorbijgaat aan de inhoud van de begeleidende brief waarvan de rechtzettingen de bijlagen vormden en waarin wordt uitgelegd wat de reden van de rechtzetting was. Voorts wijst de verwerende partij op de uitleg die de verzoekster kreeg tijdens twee persoonlijke gesprekken waarbij haar aan de hand van een IX-5288-4/11 duidelijke powerpoint-presentatie werd uitgelegd wat er was misgelopen. Bovendien heeft de verzoekster volgens de verwerende partij nooit om bijkomende uitleg gevraagd en nooit aangegeven de resultaten van de proeven te betwisten, zodat zij zelf tekort komt aan haar verplichting om het middel voldoende te onderbouwen. De verwerende partij benadrukt dat de formele motiveringsplicht slechts een substantiële vormvereiste is, zodat de miskenning ervan slechts de nietigheid meebrengt indien de belangen van de verzoekster er door zijn geschon- den. Gelet op de uitleg in de begeleidende brief en gelet op de twee persoonlijke gesprekken, kan de verzoekster volgens de verwerende partij geen belangenschade hebben geleden. 4.
  13. De verzoekster repliceert dat de mededeling van de nieuwe cijfers niet meer kan volstaan als motivering, wanneer men de oorspronkelijke cijfers wijzigt zonder aan te duiden waarom een vergissing werd begaan. Zij is van mening dat noch de begeleidende brief van februari 2006 noch de toelichting in de persoonlijke gesprekken van 31 januari en 21 februari 2006 volstaat als motivering, nu deze dateren van na de bestreden beslissingen en bijgevolg niet in aanmerking komen als motivering ervan. Zij stelt dat haar belangen wel degelijk zijn geschonden, omdat zij op grond van een niet gemotiveerde mededeling vernam dat zij niet geslaagd was en dus niet kon deelnemen aan het tweede deel van de selectieproeven. Beoordeling 4.4.
  14. De verzoekster roept de schending in van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De artikelen 2 en 3 van die wet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. IX-5288-5/11 De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissingen zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werden genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissingen is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissingen met een annulatieberoep te bestrijden. 4.4.
  15. De verzoekster is niet geslaagd voor de schriftelijke proeven voor de functie kantoorhouder Retail-rang 24 en de functie agentschapshouder Retail- rang 24, omdat zij voor beide functies 2,64/9 behaald heeft voor de competentie Motiveren, 3,45/9 voor de competentie Integreren en 4,21/9 als gemiddelde voor het geheel. Evenmin is zij geslaagd voor de schriftelijke proef voor de functie hoofdkantoorhouder Retail-rang 25, omdat zij 3,73/9 behaald heeft voor de competentie Beïnvloeden. Dit alles is haar ook ter kennis gebracht met de brieven van 25 januari
  16. In casu blijkt uit de “Toelichting van de selectieprocedure in het kader van Refocus - fase 2” dat die proeven tot doel hadden het redeneerver- mogen, de persoonlijkheid en de managementsvaardigheden van de kandidaten te onderzoeken door middel van meerkeuzevragen, waarbij de toekenning van de score verloopt volgens verschillende scoringsmodellen op grond van de competenties verbonden aan de te begeven functies. Evenwel beschikte de verwerende partij bij de beoordeling van de antwoorden van de kandidaten en de toekenning van de scores over geen enkele appreciatiebevoegdheid. Dit gebeurde volledig computergestuurd, hetgeen de verzoekster reeds was meegedeeld met voormelde toelichting. Aldus is het testresultaat van de kandidaten volledig bepaald door de inhoud van een testpro- gramma. De antwoorden van de verschillende kandidaten zijn door dit computerpro- gramma op objectieve wijze gespiegeld aan de optimale antwoorden en modellen en dito verwerkt. De resultaten zijn door het programma vergeleken met die van de “referentiegroep”, wat via een verdeelsleutel geleid heeft tot de quotering. In een dergelijk geval kan de bekomen score op zich de examenuitslag deugdelijk onderbouwen en volstaat dit om te voldoen aan de formele verplichtingen volgend uit de wet van 29 juli
  17. IX-5288-6/11 4.4.
  18. Te dezen diende echter ook te worden verduidelijkt waarom de oorspronkelijke gunstige scores van de verzoekster, meegedeeld met de brieven van 19 januari 2006, gewijzigd werden door de scores vermeld in de brieven van 25 januari
  19. Hoewel de betrokkene in beginsel in de beslissingen zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werden genomen, moeten die beslissingen evenwel niet wegens schending van de formele motiveringsplicht worden nietigverklaard, wanneer de betrokkene op een andere wijze, voorafgaand aan het indienen van zijn verzoekschrift, kennis heeft gekregen van die motieven, zodat zijn belangen niet geschaad zijn door het niet vermelden van die motieven in de beslissingen zelf. De verwerende partij houdt voor dat de verzoekster op 31 januari 2006 een persoonlijk onderhoud had met een vertegenwoordiger van de afdeling HR&O, waarbij haar uitgelegd werd dat er een fout werd begaan bij het toekennen van de initiële scores. Ook op 21 februari 2006 zou de verzoekster een persoonlijk gesprek hebben gehad met een vertegenwoordiger van de afdeling HR&O, waarbij middels een duidelijke powerpoint-presentatie uitgelegd werd hoe die fouten tot stand waren gekomen. Diezelfde dag zou de verzoekster voorts een begeleidende brief zijn overhandigd, waarin wordt verduidelijkt dat voor de functie van hoofdkantoorhouder een verkeerde normgroep werd gebruikt en dat zich een technische fout had voorgedaan in het linken van de bestanden. Dit alles wordt door de verzoekster niet betwist. Aldus is de verzoekster, voorafgaand aan het indienen van haar verzoekschrift, in kennis gesteld van de motieven waarom de scores vermeld in de brieven van 19 januari 2006 werden gewijzigd door deze vermeld in de brieven van 26 januari
  20. 4.4.
  21. Het middel is niet gegrond. IX-5288-7/11 B. Tweede middel Standpunt van de partijen 5.
  22. In een tweede middel voert de verzoekster aan dat de beslissing willekeurig werd genomen en de zorgvuldigheids- en redelijkheidsplicht schendt, doordat zij op geen enkele wijze kon nagaan of werd uitgenodigd om na te gaan om welke reden de standaardscores, weerhouden bij de beslissing van 19 januari 2006, werden gewijzigd bij de beslissingen van 25 januari
  23. 5.
  24. De verwerende partij antwoordt dat het middel onontvankelijk is omdat het onduidelijk is en te summier. Het bevat volgens haar geen juridische overweging maar bestaat slechts uit een niet gemotiveerde stellingname. In ondergeschikte orde stelt zij, voor zover het middel kan worden begrepen, dat het uitgaat van een foutieve voorstelling van de feiten. Met name werd zowel in een persoonlijk gesprek op 31 januari 2006 als tijdens een presentatie op 21 februari 2006 uiteengezet wat er fout was gelopen en waarom de verwerende partij zich verplicht zag om de eerder meegedeelde resultaten recht te zetten. Dat werd volgens haar ook in de brief van februari 2006 uitgelegd. Zij ziet dan ook niet in op welke manier de beslissingen willekeurig zouden zijn. 5.
  25. De verzoekster repliceert dat de eenvoudige mededeling dat de cijfers werden gewijzigd ingevolge een rechtzetting, aantoont dat de beslissingen willekeurig werden genomen. Zij stelt dat de verwerende partij ten onrechte de brief van februari 2006 inroept, daar dit schrijven pas na de rechtzettingen werd verstuurd. Beoordeling Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij niet onzorgvuldig heeft gehandeld door begane wijzigingen recht te zetten. Zij legt uit hoe de vergissingen werden begaan en waarom ze werden begaan. In dit verband voert de verwerende partij terecht aan dat zowel tijdens het persoonlijk onderhoud van 31 januari 2006 met een vertegenwoordiger van de afdeling HR&O, als door de brief van februari 2006 aan de verzoekster werd uitgelegd dat de reden van de vergissing te vinden is in de wijziging van de IX-5288-8/11 resultaten door het gebruik van een verkeerde normgroep en in een technische fout die zich had voorgedaan in het linken van de bestanden. De verzoekster toont niet aan dat het rechtzetten van voornoemde vergissingen zou doen blijken van willekeur en de redelijkheidsplicht schendt. Het middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 6.
  26. In een derde middel voert de verzoekster de schending aan van de rechten van de verdediging. Zij betoogt dat zij niet werd uitgenodigd om de resultaten van haar selectieproeven te bespreken en zich te verdedigen nopens de meegedeelde wijzigingen van de standaardscores, noch om de visu te komen vaststellen in welke mate de scores die op 19 januari 2006 werden meegedeeld afwijken van deze die op 25 januari 2006 werden meegedeeld. 6.
  27. De verwerende partij antwoordt dat het middel onontvankelijk is omdat het onduidelijk is en te summier. Het bevat volgens haar geen juridische overweging maar bestaat slechts uit een loze bewering. In ondergeschikte orde betoogt zij, voor zover het middel kan worden begrepen, dat er geen algemeen rechtsbeginsel bestaat dat de rechten van verdediging waarborgt ten aanzien van examens of benoemingen. Bovendien meent zij dat de verzoekster bezwaarlijk kan beweren niet te zijn uitgenodigd om de resultaten van de selectieproeven te bespreken en dat de verzoekster wel degelijk de visu kon vaststellen in welke mate de correcte scores afweken van de eerder meegedeelde foutieve scores, gelet op het persoonlijk onderhoud van 31 januari 2006 en op de presentatie van 21 februari 2006, gewijd aan de bespreking van de gewijzigde resultaten. Voorts merkt de verwerende partij op dat de verzoekster nadien niet om een verder onderhoud of extra uitleg heeft verzocht. IX-5288-9/11 6.
  28. De verzoekster repliceert dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om de genomen beslissingen op zich te betwisten. Minstens diende de overheid volgens haar nieuwe selectieproeven te organiseren in plaats van eenvoudig mee te delen dat de cijfers van de selectieproeven foutief waren. Beoordeling 6.
  29. Het recht van verdediging is, behoudens andersluidend voor- schrift, alleen van toepassing in straf- en tuchtzaken. De hier bestreden beslissingen betreffen geen straf- of tuchtzaak en geen enkele reglementaire bepaling breidt het recht van verdediging uit tot beslissingen over de vaststelling van een examenuit- slag. Bovendien kon de verzoekster wel degelijk de visu vaststellen in welke mate de nieuwe scores afweken van de eerder meegedeelde foutieve scores. Het volstond daartoe om de brieven van 19 januari 2006 en die van 25 januari 2006 naast elkaar te leggen. Het middel kan niet worden aangenomen. BESLISSING
  30. De Raad van State verwerpt het beroep.
  31. De verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. IX-5288-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5288-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.659 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.