← België

Arrest 197667 - Bewakingsondernemingen - 09/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.667 Rolnummer: A. 193413/XII-5894 Zaak: Arrest 197667 - Bewakingsondernemingen - 09/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:49 Fiche Arrest nr 197.667 van 9 november 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 197.667 van 9 november 2009 in de zaak A. 193.413/XII-5894 In zake: Wim CLAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ludo Vermeulen en Geert Michiels kantoor houdend te Herselt Kerkstraat 65 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. De vorderingen, ingesteld op 16 juli 2009, strekken tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van : “het Besluit d.d. 19 mei 2009 van de Minister van Binnenlandse Zaken, meegedeeld aan verzoeker met aangetekende brief, waarbij werd beslist dat verzoeker niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de Wet 10 april 1990 op de private en bijzondere veiligheid (‘bewakingswet’ - B.S. 29 mei 1990) en waarbij beslist werd tot intrekking van de aan verzoeker toebehorende identificatiekaarten”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag over het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. XII-5894-1\15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
  3. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Attaché Björn Verschaeve die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 24 juli 2006 verkrijgt verzoeker een identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten bij de vergunde bewakingsonderneming bvba RAP Security. Op 14 januari 2008 worden de politiediensten belast met een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden betreffende verzoeker. In het verslag van 17 november 2008 over het betrokken veiligheidsonderzoek wordt melding gemaakt van volgende feiten die aanleiding gaven tot een vonnis van 19 februari 2008 van de correctionele rechtbank te Turnhout waarbij aan verzoeker de opschorting werd verleend “inzake ‘opzettelijke slagen en verwondingen met als gevolg ziekte of arbeidsongeschiktheid”: “Aan de inkom van een cyclocross-wedstrijd ontstond een conflict tussen veiligheidsagent Claes en iemand uit het technisch team van een deelnemer. De technicus beweerde dat hij niet diende te betalen en betrad het wedstrijdterrein zonder toegangsticket. Betrokkene werd vastgepakt door drie veiligheids- agenten die hem fysiek in bedwang hielden. Het slachtoffer werd door Claes geïmmobiliseerd in een houdgreep tegen de grond. Door de omstaanders werd een politiepatrouille ter hulp geroepen. De agenten konden Claes verplichten om het slachtoffer te lossen uit zijn greep. De politie stelde vast dat het slachtoffer bewusteloos was. Betrokkene werd afgevoerd met een ziekenwagen en diende drie dagen in het ziekenhuis te verblijven voor herstel (van ‘lichte’ verwondingen). Volgens diverse getuigen had Claes overdreven veel geweld gebruikt. Het slachtoffer gaf toe dat hij geweigerd had om te betalen. Hij zei dat de XII-5894-2\15 bodyguard hem onmiddellijk bij de keel had genomen. Hij beweerde dat hij geen adem meer had gekregen en dat hij iets had horen kraken in zijn nek. Vanaf dat moment kon hij zich niets meer herinneren. Volgens Claes had het slachtoffer hem eerst vastgenomen. Claes zegt dat hij zich enkel verdedigd heeft. Hij beweerde dat hij de man bij zijn nek genomen heeft om hem zo in bedwang te houden”. De commissie Onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden adviseert op 28 november 2008 dat verzoeker niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot intrekking van de identificatiekaart moet aangevat worden. Met een aangetekende brief van 22 december 2008 wordt aan verzoeker meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de in het verslag naar de veiligheidsvoorwaarden vermelde feiten overweegt zijn identificatiekaart in te trekken. Verzoeker dient een verweerschrift in met een brief van 17 februari 2009 en wordt op 31 maart 2009 door een ambtenaar van de algemene directie Veiligheid en Preventie gehoord. Met een aangetekende brief van 19 mei 2009 wordt aan verzoeker de thans bestreden beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken tot intrekking van zijn identificatiekaart ter kennis gebracht. In de beslissing wordt uit de feiten die tot het vonnis van 19 februari 2008 van de correctionele rechtbank te Turnhout hebben geleid, besloten tot een algemene ingesteldheid in hoofde van verzoeker die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de bewakingssector. Om deze reden wordt vastgesteld dat verzoeker niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
  6. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen en meer bepaald uit de schending van de motiveringsplicht zoals voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- XII-5894-3\15 handelingen, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en meer in het bijzonder uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht. In een eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing uitgaat van de veronderstelling dat hij zonder enige reden fysiek geweld heeft gebruikt. Een algemene verwijzing naar het gehele strafdossier, zonder verdere specificatie van eventuele relevante passages, kan evenwel niet gelden als motivering om aan te nemen dat zijn bewering dat hij zich zou hebben verdedigd tegen een aanval van het slachtoffer totaal ongeloofwaardig is. In een tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de veronderstelling dat hij zonder enige reden geweld heeft gebruikt, berust op een selectieve lezing van het dossier, waarbij vele elementen die in zijn voordeel spelen worden genegeerd. Uit het strafdossier blijkt immers dat het slachtoffer zowel verbaal als fysiek agressief was tegen de vrijwilligers die waren tewerkgesteld op de cyclocrosswedstrijd. In het bestreden besluit wordt zonder motivering aan deze elementen voorbijgegaan. Ook een verwijzing naar de inhoud van het correctioneel vonnis kan niet gelden als voldoende motivering aangezien de inhoud van dit vonnis niet automatisch gelijk is aan de inhoud van de criteria voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie. In een derde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de keuze voor de intrekking, zijnde de zwaarste sanctie, niet wordt gemotiveerd, noch waarom verzoeker niet in aanmerking komt voor de mildere sanctie van de inhouding van de identificatiekaart voor ten hoogste zes maanden. De overheid had een afweging moeten maken tussen de feiten en de zwaarte van de straf, omdat de straf in een redelijke verhouding tot de fout moet staan. In een vierde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat in het bestreden besluit vooral rekening wordt gehouden met de inhoud van het vonnis en met de feiten op zich, zonder deze te plaatsen in hun juiste context en zonder rekening te houden met hun eenmaligheid, hun ouderdom en de persoonlijkheid van verzoeker ten aanzien van de eisen van de openbare veiligheid. Door op bijna definitieve wijze de uitoefening van een beroep te verbieden waarvoor verzoeker de wettelijke opleiding heeft gevolgd en waarvoor hij de vereiste bekwaamheden heeft en door zich te steunen op een feit dat, op objectieve wijze bekeken en geplaatst in zijn context, relatief onschuldig, losstaand en oud is XII-5894-4\15 en dat dus niet doet blijken van een ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie, heeft de overheid artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid miskend. In een vijfde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing, door er van uit te gaan dat elk gebruik van geweld door een bewakingsagent een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaakt, het recht op wettige verdediging zoals vervat in de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek miskent. Beoordeling
  7. In het eerste onderdeel van het middel houdt verzoeker staande dat de verwerende partij zijn bewering als zou hij zich tegen een aanval van het slachtoffer hebben verdedigd niet met een algemene verwijzing naar het strafdossier als totaal ongeloofwaardig mocht verwerpen. De bestreden beslissing wijst het schriftelijk en mondeling verweer van verzoeker dat hij zich zou verdedigd hebben tegen een aanval van het slachtoffer als “totaal ongeloofwaardig” af op grond van de volgende overwegingen: “Dat dit blijkt uit het geheel der stukken en meer in concreet uit het proces- verbaal n/ TU.43.L1.002366/07, uit het navolgend proces-verbaal n/ 2662/07, en uit de bijgevoegde verhoren; Dat het vonnis dd. 19 februari 2008 eveneens stelt dat er van enige uitlokking geen sprake kan zijn; In het bijzonder stelt het vonnis hieromtrent: ‘Het gegeven dat Van Haesebroucke weigerde om een inkomticket te kopen rechtvaardigt geenszins de handelingswijze van beklaagde als security persoon. Het feit dat niet betaald werd behoefde geen reactie van fysiek geweld zoals het in casu is gebeurd. Er was geen gewettigde reden welke de handelswijze van beklaagde kan verantwoorden’”. Uit de bestreden beslissing blijkt derhalve dat de verwerende partij zich terzake niet beperkt heeft tot een algemene verwijzing naar het strafdossier, wel integendeel.
  8. In het tweede onderdeel van het middel betoogt verzoeker dat de stelling dat hij zonder enige reden geweld heeft gebruikt, berust op een selectieve lezing van het strafdossier en dat er onvoldoende beoordeeld werd of er sprake is van een ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie. XII-5894-5\15 In het vonnis van de correctionele rechtbank te Turnhout van 14 november 2008 werd met gezag van gewijsde vastgesteld dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen. In het vonnis wordt meer bepaald het volgende gesteld : “Inzonderheid blijkt uit de verklaring van de onafhankelijke getuige [...] dat het slachtoffer Van Haesebroucke in een wurggreep werd gehouden, en de politie bij hun aankomst opdracht gaven om het slachtoffer los te laten, waarna deze op de grond beweegloos bleef liggen en diende afgevoerd te worden met een ziekenwagen. Er kan geen sprake zijn van enige uitlokking. Het gegeven dat Van Haesebroucke weigerde een inkomticket te kopen rechtvaardigt geenszins de handelingswijze van de beklaagde als security persoon. Het feit dat niet betaald werd behoefde geen reactie van fysiek geweld zoals het in casu is gebeurd. Er was geen gewettigde reden welke de handelswijze van beklaagde kan verantwoorden. Het blijkt dus duidelijk dat op opzettelijke wijze een aantasting is geweest op de fysieke integriteit van de het slachtoffer en dit handelen een manifest wederrechtelijke impact heeft. De constitutieve elementen van het opzichtens beklaagde weerhouden misdrijf zijn afdoende bewezen en beklaagde is dan ook plichtig aan deze tenlastelegging”. Aan de verwerende partij kan niet verweten worden dat zij met deze feiten rekening heeft gehouden. Bovendien heeft de verwerende partij de feiten wel degelijk beoordeeld in het licht van de voor de bewakingsagenten geldende beroeps- deontologie en het gewenste profiel. Zij heeft er op gewezen “dat de uitoefening van bewakingsactiviteiten vereist dat men in conflictsituaties een evenwicht vindt tussen enerzijds een efficiënte controle en anderzijds het respect voor de fundamentele rechten van de mens” en benadrukt dat bewakingsactiviteiten met de nodige terughoudendheid en geweldloos moeten worden uitgeoefend. De bestreden beslissing stelt desbetreffend: “Gelet op het gegeven dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat een bewakingsagent een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot geweld of dwang. Een bewakingsagent dient de nodige terughoudendheid te vertonen en dient bijgevolg ten allen tijde een confrontatie te vermijden. Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de bewakingsagent zich moet onthouden van elk andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen; Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent XII-5894-6\15 afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld; Overwegende dat er met reden twijfel bestaat of een persoon die in het verleden zijn toevlucht nam tot geweld, meer bepaald slagen en verwondingen, en tot dwang, in concreto het in een wurggreep houden van het slachtoffer, nu over de vereiste ingesteldheid beschikt om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen, hetgeen inhoudt dat hij tijdens de uitoefening van de bewakingsactiviteiten, en specifiek tijdens de activiteit van persoonscontrole, de nodige zelfbeheersing aan de dag moet leggen; Overwegende dat het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen en het gebruiken van dwang een attitude veruitwendigt van een totaal ontbreken van enig respect ten aanzien van iemands fysieke en mentale integriteit. Dat iedereen recht heeft op een veilige omgeving, wat dan ook omschreven kan worden als één van de meest essentiële belangen van een gemeenschap. Dat dit toevlucht tot het gebruik van geweld en dwang een gebrek aan respect voor de grondrechten van Uw medeburgers tentoonstelt, en derhalve dan ook een tegenindicatie vormt van het gewenste profiel bij een bewakingsagent; Overwegende dat het hebben van een visie op het uitoefenen van bewakings- activiteiten, en in het bijzonder persoonscontrole, als zou het toegelaten zijn om agressieve personen in een wurggreep te houden, de afwezigheid veruitwendigt van de integriteit noodzakelijk aanwezig bij personen tewerkgesteld in de private bewakingssector. Immers, dat een bewakingsagent een conflict moet benaderen vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot geweld. Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de bewakingsagent zich moet onthouden van elk andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen. Ruziemakers via klemmen en immobilisatie vasthouden is voor een bewakingsagent onder geen beding een wettelijk toegelaten techniek. Dat het slachtoffer verbaal agressief was, kan dientengevolge geen verantwoording vormen tot het gebruik van dwang en geweld; Dat dit alles derhalve eveneens een tegenindicatie vormt van het gewenste profiel bij een bewakingsagent. Deze feiten maken derhalve een doorslaggevend element uit in het vormen van een oordeel met betrekking tot de ingesteldheid van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen”. De bewering als zou de bestreden beslissing berusten op een selectieve lezing van het strafdossier en geen beoordeling inhouden van de vraag of er sprake is van een ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie is bijgevolg niet gegrond.
  9. Wat het derde onderdeel betreft, is het onjuist dat verwerende partij haar keuze voor de zwaarste straf van de intrekking, in plaats van voor de lichtere sanctie van de inhouding van de identificatiekaart voor ten hoogste zes maanden, niet gemotiveerd heeft. Integendeel wordt in de bestreden beslissing overwogen: “Overwegende dat ik van mening ben dat de bovenvermelde feiten te zwaarwichtig zijn om, zoals omschreven in artikel 17, lid 1, 2/ van de wet van 10 april 1990, louter over te gaan tot het inhouden van de aan U toebehorende XII-5894-7\15 identificatiekaarten voor een termijn van ten hoogste zes maanden. Deze feiten zijn voldoende zwaarwichtig om de aan U toebehorende identificatiekaarten in te trekken”. Niet ten onrechte worden de feiten als zwaarwichtig omschreven: er was geen sprake van uitlokking; verzoeker hield het slachtoffer in een houdgreep tegen de grond; hij loste zijn greep op het slachtoffer pas toen hij daartoe door de politie verplicht werd; het slachtoffer was bewusteloos, werd naar het ziekenhuis gevoerd en diende er drie dagen te verblijven voor herstel. In de concrete omstandigheden van de zaak wordt niet bijgevallen dat verwerende partij de (redelijkheids)grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan door verzoeker om reden van de zwaarwichtigheid van de feiten definitief zijn identificatiekaart te ontnemen.
  10. In het vierde onderdeel van het middel stelt verzoeker dat geen rekening werd gehouden met de juiste context van de feiten, hun eenmaligheid, hun ouderdom en zijn persoonlijkheid ten aanzien van de eisen van de openbare veiligheid. Met de “juiste context van de feiten” bedoelt verzoeker allicht dat het slachtoffer verbaal agressief was en het wedstrijdterrein betrad zonder toegangsticket. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt evenwel dat de verwerende partij dat gegeven niet heeft genegeerd. De bestreden beslissing wijst er evenwel op dat een bewakingsagent tijdens de uitoefening van zijn bewakingsactiviteiten de nodige zelfbeheersing aan de dag moet leggen, en dat de omstandigheid dat het slachtoffer verbaal agressief was geen verantwoording kan vormen voor het gebruik van dwang en geweld. Zoals bij de bespreking van het derde onderdeel van het middel is gezien, heeft de verwerende partij, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, de feiten van opzettelijke slagen en verwondingen als zwaarwichtig kunnen kwalificeren. Dat verzoeker die feiten desondanks als “relatief onschuldig” minimaliseert, onderstreept dat hij, spijts de opleiding en de bekwaam- heden waarop hij zich beroept, onvoldoende inzicht heeft in de wijze waarop een bewakingsagent zijn functie dient uit te oefenen. Volgens verzoeker zou de verwerende partij geen rekening hebben gehouden met “de persoonlijkheid van verzoeker ten aanzien van de vereisten van XII-5894-8\15 de openbare veiligheid”. Verzoeker negeert aldus de motivering van het bestreden besluit waaruit blijkt dat de verwerende partij geoordeeld heeft dat de feiten “een doorslaggevend element uitmaken in het vormen van een oordeel met betrekking tot de ingesteldheid van een persoon die een gereglementeerd en delicaat beroep wenst uit te oefenen”. Meer bepaald werd geoordeeld “dat het hebben van een visie op het uitoefenen van bewakingsactiviteiten, en in het bijzonder persoonscontrole, als zou het toegelaten zijn om agressieve personen in een wurggreep te houden, de afwezigheid veruitwendigt van de integriteit noodzakelijk aanwezig bij personen tewerkgesteld in de private bewakingssector”. Wat tenslotte de bewering betreft als zou geen rekening zijn gehouden met de ouderdom van de feiten, wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld “dat de feiten van recente datum zijn”.
  11. In het vijfde onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing aan de bewakingsagenten het recht op wettige verdediging ontzegt. De door het onderdeel bekritiseerde overwegingen van de bestreden beslissing luiden: “Gelet op het gegeven dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat een bewakingsagent een conflict benadert vanuit een psychologische hoek eerder dan zijn toevlucht te nemen tot geweld of dwang. Een bewakingsagent dient de nodige terughoudendheid te vertonen en dient bijgevolg ten allen tijde een confrontatie te vermijden. Dat indien deze aanpak niet de verhoopte resultaten oplevert, de bewakingsagent zich moet onthouden van elk andere tussenkomst en de politiediensten onmiddellijk moet verwittigen; Gelet op de wil van de wetgever dat bewakingsactiviteiten geweldloos worden uitgeoefend, is het belangrijk na te gaan, voor elke bewakingsagent afzonderlijk, of hij in geval van conflict geneigd zal zijn terug te vallen op geweld”. Uit deze overwegingen blijkt niet dat een bewakingsagent zich niet op het recht op wettige verdediging als bedoeld in de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek zou kunnen beroepen. Dat recht doet evenwel geen afbreuk aan de vaststelling dat bewakingsagenten hun functie in principe zonder gebruik van geweld moeten uitoefenen. In de onderhavige zaak heeft de verwerende partij op basis van het vonnis van de correctionele rechtbank te Turnhout rechtmatig kunnen vaststellen dat geen wettige reden het gebruik van geweld door verzoeker kon verantwoorden. XII-5894-9\15
  12. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
  13. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat de feiten die ten grondslag liggen aan de bestreden beslissing dateren van 3 februari 2007, zijnde twee jaar en twee maanden voor de bestreden beslissing. Er zijn geen specifieke en concrete omstandigheden die deze laattijdigheid verantwoorden. De bestreden beslissing tot intrekking van de identificatiekaart van verzoeker werd derhalve niet binnen een redelijke termijn genomen. Er werd in dat opzicht niet zorgvuldig gehandeld. Beoordeling
  14. Overeenkomstig artikel 17 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid en het koninklijk besluit van 24 mei 1991 tot vaststelling van de regels aangaande de procedure tot schorsing of intrekking van de vergunningen of erkenningen, kan de minister van Binnenlandse Zaken de identificatiekaart van een bewakingsagent intrekken of voor een termijn van ten hoogste zes maanden inhouden, wanneer de betrokkene de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of niet meer aan de voorwaarden ervan voldoet. De wet en het koninklijk besluit bepalen niet binnen welke termijn die beslissing door de minister van Binnenlandse Zaken dient te worden genomen. Bijgevolg geldt het ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur dat de beslissing binnen een redelijke termijn moet worden genomen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid voor het bestuur om over alle feitelijke gegevens, inlichtingen en adviezen te beschikken die het mogelijk moeten maken om met kennis van zaken te beslissen. XII-5894-10\15 De feiten van opzettelijke slagen en verwondingen die tot de bestreden beslissing aanleiding gaven, vonden plaats op 3 februari
  15. Verzoeker werd voor die feiten strafrechtelijk vervolgd. Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Turnhout van 19 februari 2008 werd hem voor die feiten opschorting van straf verleend. Het verslag van het veiligheidsonderzoek werd opgesteld op 17 november
  16. De bestreden beslissing werd, na een tegensprekelijke administratieve procedure, genomen op 19 mei
  17. De feiten die verzoeker ten laste zijn gelegd, gaan niet zo ver in het verleden terug dat er redelijkerwijze geen rekening mee gehouden mocht worden. Bovendien blijkt niet dat de administratieve procedure onredelijk lang zou hebben aangesleept. Aan de verwerende partij is terzake geen onzorgvuldigheid te verwijten. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van verzoeker
  18. Een derde middel wordt afgeleid uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder de schending van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. In een eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat op basis van een onvolledige beoordeling van het dossier onmiddellijk de zwaarst mogelijke sanctie werd opgelegd, zijnde de intrekking van zijn identificatiekaart, daar waar de wet van 10 april 1990 ook voorziet in de tijdelijke inhouding van de identificatiekaart voor ten hoogste zes maanden. Volgens verzoeker moest rekening worden gehouden met de ernst van de feiten, de context van de feiten, de ouderdom van de feiten, de herhaling van de feiten en zijn persoonlijkheid ten aanzien van de vereisten van de openbare veiligheid. In het bestreden besluit werd enkel rekening gehouden met de vermeende ernst van de feiten waarbij de context, waaruit de relativiteit van de feiten blijkt, volledig werd genegeerd. In het besluit wordt verwezen naar het vonnis van de correctionele rechtbank, maar het uiteindelijk resultaat van het vonnis, zijnde de opschorting, wordt volledig genegeerd. Het was het slachtoffer dat aanleiding gaf tot het incident en duidelijk amok begon te maken XII-5894-11\15 door volledig ten onrechte gratis het terrein te betreden. De feiten die als slagen en verwondingen werden gekwalificeerd, waren niet meer dan het stevig in bedwang houden van het slachtoffer aangezien betrokkene zich zowel verbaal als fysiek agressief gedroeg tegenover de vrijwilligers op het terrein. Het gegeven dat aan verzoeker de gunstmaatregel van de opschorting is toegekend, werd al te gemakkelijk geminimaliseerd, terwijl die maatregel het rechtstreeks gevolg was van de context en de relativiteit van de feiten en de ingesteldheid van verzoeker. Dat het slachtoffer zich geen burgerlijke partij stelde en achteraf zijn excuses aanbood aan verzoeker, spreekt ook voor zich. Het gaat om geïsoleerde feiten. Verzoeker kwam nooit in aanraking met het gerecht of de politie. Een psycholoog achtte verzoeker na een aantal tests geschikt om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen. Uit de brevetten en attesten die hij heeft behaald blijkt dat hij beantwoordt aan het profiel van een bewakingsagent dat de wetgever voor ogen had. Dat zijn persoonlijkheid in relatie tot de vereisten van de openbare veiligheid als positief wordt geëvalueerd blijkt bovendien uit het maatschappelijk onderzoek dat werd bevolen door de correctionele rechtbank, maar in het bestreden besluit worden die elementen genegeerd. Dit maakt een onredelijkheid uit, temeer daar het recht op arbeid een grondwettelijk recht is dat slechts beperkt kan worden wanneer dat in het algemeen belang noodzakelijk is en mits het evenredigheidsbeginsel wordt nageleefd. In casu is er een duidelijke wanverhouding tussen de opgelegde maatregel en de ten laste gelegde feiten. In een tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat onmiddellijk de zwaarste sanctie, zijnde intrekking van de identificatiekaart, werd opgelegd, terwijl de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid tot inhouding van de identificatiekaart voor ten hoogste zes maanden. De keuze voor de zwaarste sanctie wordt op geen enkele manier verantwoord en evenmin wordt verantwoord waarom verzoeker niet in aanmerking kwam voor de mildere sanctie van de inhouding. Gezien de mogelijkheid van een minder zware sanctie is er duidelijk een wanverhouding tussen de opgelegde maatregel en de ten laste gelegde feiten. Beoordeling
  19. In zoverre verzoeker in het middel aanvoert dat zonder een volledige beoordeling van het dossier en zonder verantwoording onmiddellijk de zwaarste sanctie is opgelegd, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel, meer bepaald het derde en vierde onderdeel daarvan. Zoals aldaar is XII-5894-12\15 uiteengezet, heeft de verwerende partij de feiten niet onjuist beoordeeld door te oordelen dat deze te zwaarwichtig waren om enkel tot de tijdelijke inhouding van de identificatiekaart over te gaan. De verwerende partij heeft bijgevolg het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet geschonden door de identificatiekaart van verzoeker in te trekken. Het feit dat het recht op arbeid een grondwettelijk gewaarborgd recht uitmaakt, doet daaraan geen afbreuk. Noch het feit dat verzoeker luidens het in het vonnis van de correctionele rechtbank ter sprake gebracht maatschappelijk onderzoek “een persoon is met een sterk rechtvaardigheidsgevoel en veel belang aan beroepseer hecht en [...] ook een positieve en oprechte houding aanneemt, zowel ten aanzien van zijn algemene levenssituatie, als ten aanzien van de feiten”, noch de gunstige beoordeling die hij kreeg bij psychologische testen, moesten de verwerende partij ervan weerhouden om de identificatiekaart van verzoeker in te trekken. Die gunstige beoordelingen staan er niet aan in de weg dat verwerende partij de feiten van opzettelijke slagen en verwondingen waaraan verzoeker zich in de uitoefening van zijn functie schuldig maakte rechtmatig als zwaarwichtig kon beoordelen, en wel als zodanig zwaarwichtig dat ze vermogen de intrekking van zijn identificatiekaart te verantwoorden. Het derde middel is niet gegrond. D. Vierde middel Standpunt van verzoeker
  20. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van het beginsel non bis in idem. Hij stelt dat de feiten reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke procedure en niet in aanmerking mochten genomen worden om hem een tweede maal te sanctioneren. De beslissing waarbij zijn identificatiekaart wordt ingetrokken en hem verboden wordt zijn job verder uit te oefenen, is immers geen gewone maatregel van orde, maar een verkapte repressieve maatregel, die in strijd is met het beginsel non bis in idem. XII-5894-13\15 Beoordeling
  21. Overeenkomstig artikel 17, eerste lid, 2/, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid kan de minister van Binnenlandse Zaken de identificatiekaart van een bewakingsagent intrekken of voor een termijn van ten hoogste zes maanden inhouden wanneer die persoon de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of niet meer aan de voorwaarden ervan voldoet. Luidens artikel 6, eerste lid, 8/, van dezelfde wet mag een bewakingsagent geen feiten hebben gepleegd die, zelfs als ze niet het voorwerp zijn geweest van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene omdat ze een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel uitmaken. Uit die bepalingen blijkt de duidelijke bedoeling van de wetgever dat zowel feiten die niet, als feiten die wel het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke procedure, aanleiding kunnen geven tot de intrekking van de identificatiekaart. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat het door hem aangevoerde beginsel daartegen opweegt. Bovendien heeft het beginsel non bis in idem betrekking op sancties van dezelfde aard en belet het niet dat maatregelen of sancties van verschillende aard worden opgelegd voor dezelfde feiten. Het vierde middel is niet gegrond. V. Vijfde middel Standpunt van verzoeker
  22. In een vijfde middel wordt aangevoerd dat het bestreden besluit inbreuk maakt op het legaliteitsbeginsel, doordat er wordt van uitgegaan dat elk gebruik van geweld door een bewakingsagent een ernstige tekortkoming uitmaakt aan de beroepsdeontologie. Dergelijke stellingname druist in tegen het recht op wettige verdediging, zoals vervat in de artikelen 416 en 417 van het Strafwetboek. XII-5894-14\15 Beoordeling
  23. Het vijfde en laatste middel dient, om de redenen uiteengezet bij de bespreking van het vijfde onderdeel van het eerste middel, sub 9, te worden afgewezen. Het beroep tot nietigverklaring wordt bijgevolg verworpen, evenals de vordering tot schorsing die er het accessorium van is. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het beroep.
  25. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  26. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 november 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Johan Lust XII-5894-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.667 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.