id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.679 Rolnummer: A. 172933/-0 Zaak: Arrest 197679 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 09/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-23 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 03:49 Fiche Arrest nr 197.679 van 9 november 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.679 van 9 november 2009 in de zaak A. 172.933/IX-
- In zake : Olivier SCHILD, die woonplaats kiest bij advocaat L. DELEU, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Olivier SCHILD op 12 mei 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 maart 2006 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij wordt geoordeeld dat zijn totale invaliditeitsgraad onvoldoende is om de uitbetaling van een pensioen te verzekeren; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 4 juni 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 september 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter A. VANDENDRIESSCHE; IX-5311-1/8 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- De verzoeker, bekleed met de graad van korporaal, vraagt op 23 september 1993 een vergoedingspensioen aan voor “entorse à la cheville gauche, ainsi que douleurs au dos” ten gevolge van een arbeidsongeval op 8 september
- De Gerechtelijke-Geneeskundige Dienst (hierna: de GGD) raamt op 4 februari 1995 de invaliditeit op 15 procent aanrekenbaar. De commissie voor vergoedingspensioenen kent bij beslissing van 7 mei 1997 de verzoeker met ingang van 1 september 1993 een voorlopig pensioen toe, berekend op 15 procent invaliditeit. 1.
- In het kader van de procedure van de vijfjaarlijkse herziening wordt de invaliditeit door de GGD op 5 procent geraamd. Op 12 januari 1999 beslist de minister van Pensioenen dat de invaliditeit van de verzoeker niet langer het minimum van 10 procent bereikt dat door de wet vereist wordt om uitbetaling van een pensioen te rechtvaardigen. Op 25 januari 1999 tekent de verzoeker beroep aan tegen deze beslissing. De kamer van beroep van de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst (hierna: de GGDB) raamt op 18 november 1999 de invaliditeit op 5 procent. De commissie van beroep voor vergoedingspensioenen sluit zich op 23 oktober 2000 bij dit advies aan en bevestigt derhalve de ministeriële beslissing. IX-5311-2/8 1.
- Op 28 februari 2003 dient de verzoeker een aanvraag om herziening wegens verergering in. Hij maakt melding van een “bulging” van de discus C5-C
- De GGD oordeelt op 4 november 2003 dat er geen verergering is opgetreden. De minister volgt dit advies en verwerpt op 14 april 2004 de aanvraag tot herziening wegens verergering. Op 4 juni 2004 tekent de verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep aan. De GGDB raamt in haar protocol van 6 april 2005 de invaliditeit op 8 procent. Deze raming rust op de gerechtelijk geneeskundige bespreking, waar in verwezen wordt naar een bulging van discus C5-C6 maar zonder daarmee verder rekening te houden omdat het letsel zich pas tien jaar na het ongeval manifesteert. Op 14 maart 2006 neemt de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen de thans bestreden beslissing. Het beroep van de verzoeker wordt ontvankelijk en gegrond verklaard, maar er wordt vastgesteld dat de totale invaliditeitsgraad onvoldoende is om de uitbetaling van een pensioen te verzekeren (8%). Blijkens het bijzonder verslag sluit de commissie van beroep zich daarmee aan bij het advies van de GGDB. De gegrondheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert een tweede middel aan, afgeleid uit de schending van artikel 37, § 2, van de samengeordende wetten op de vergoedingspen- sioenen. Hij stelt dat als enige reden voor het niet in aanmerking nemen van de “bulging” van de discus C5-C6 verwezen wordt naar de termijn die is verstreken tussen het eigenlijk ongeluk uit 1993 en het ogenblik dat de aandoening zich gemanifesteerd heeft, terwijl nochtans artikel 37, § 2, van de wet uitdrukkelijk IX-5311-3/8 bepaalt dat een aanvraag tot herziening wegens verergering ingediend kan worden tot tien jaar na de eerste aanvraag.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker uitgaat van een verkeerde tekst van artikel 37 aangezien het artikel, zoals het te dezen toegepast moet worden, geen enkele termijn bevat waarbinnen de verergering moet worden aangevraagd. Voorts betoogt de verwerende partij dat de aanvraag overeenkom- stig artikel 37, § 1, in rechtstreeks verband dient te staan met de aanvaarde kwaal of het aanvaard letsel. De GGDB heeft geoordeeld dat er geen oorzakelijk verband aanwezig is tussen het discaal letsel en de aangenomen kwalen omdat het discaal letsel pas tien jaar na de feiten is opgetreden. Ze bevestigt hiermee het standpunt van de medische commissie in eerste aanleg. Volgens de verwerende partij betreft dit louter een medische interpretatie, welke niet aanvechtbaar is in een procedure voor de Raad van State.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat in artikel 37, § 1, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen uitdrukkelijk wordt bepaald dat te allen tijde een nieuw onderzoek aangevraagd kan worden. Nu de weigering om de aandoening in aanmerking te nemen uitsluitend gegrond is op het lange tijdsverloop tussen het ongeval en de aanvraag tot herziening, meent de verzoeker dat de bestreden beslissing aan dit artikel afbreuk doet.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de commissie van beroep nooit de bedoeling heeft gehad een termijn voor het indienen van een verergeringsprocedure te bepalen en zodoende een voorwaarde aan artikel 37 toe te voegen. Zij interpreteerde de bewuste zin uit het verslag van de GGDB enkel in die zin dat de GGDB de aangevoerde discus-bulging verwierp als zijnde een gevolg van het ongeval omdat een dergelijk symptoom zich normaliter binnen een veel kortere tijdspanne dient te manifesteren. Voorts verwijst de verwerende partij naar een neurologisch onderzoek, dat integraal deel uitmaakt van het verslag van de GGDB, waarin een specialist vaststelt dat verzoekers pijn verergerde na werken aan zijn huis. De verwerende partij stelt dat de commissie van beroep uit deze vaststelling, samen met de conclusie van de GGDB dat een discus-bulging vroeger dan na tien jaar zou IX-5311-4/8 moeten zijn opgetreden, mocht besluiten dat de discus-bulging niet het gevolg is van het dienstfeit. Bespreking
- In zijn verzoekschrift baseert de verzoeker zich op artikel 37 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 juli
- Toen diende de aanvraag om herziening wegens verergering in bepaalde gevallen te gebeuren “binnen een termijn van tien jaar, te rekenen van de datum waarop [de] eerste aanvraag om pensioen ingediend werd”. Door de wet van 7 juli 1964 werd deze beperking in de tijd afgeschaft. Sindsdien is de aanvraag om herziening niet meer onderworpen aan een termijn. Verzoeker kan zich beroepen op het voordeel dat deze nieuwe regel hem verschaft. De omstandigheid dat de verzoeker een achterhaalde wettekst inroept brengt dan ook niet mee dat het middel juridische grondslag zou missen.
- Artikel 37 van de samengeordende wetten op de vergoedingspen- sioenen luidt thans als volgt: “§
- Eenieder voor wie door de bevoegde commissies is bevonden, dat zijn lichamelijke schade onder toepassing van deze wet valt, kan of hij al dan niet een pensioen heeft bekomen, te allen tijde, een nieuw onderzoek van zijn geval aanvragen, hetzij om reden van de normale verergering van zijn verminking, impotentie of ziekte, hetzij wegens verwikkelingen die in rechtstreeks verband staan met deze vermink- ing, impotentie of ziekte. §
- De aanvrager wordt onderzocht met het oog op de verminkingen, impotenties of ziekten die hij in zijn herzieningsaanvraag doet gelden. Een nieuwe totale invaliditeitsgraad wordt overeenkomstig artikel 9 vastgesteld. De nieuwe graad geeft aanleiding tot het betalen van een pensioen indien hij minstens 10 pct. komt te bereiken. [...].”
- De commissie van beroep sluit zich in de bestreden beslissing aan bij het protocol van de GGDB van 6 april
- Hierin wordt in verband met de ingeroepen bulging van de discus C5-C6 het volgende gesteld: “Une résonnance magnétique nucléaire de la colonne cervicale a été réalisée et met en évidence un bulging du disque C5-C6 sans autre anomalie. IX-5311-5/8 Cependant, il n’y a pas lieu de tenir compte de cet élément vu le long délai d’apparition par rapport à l’accident survenu en 1993 (10 ans).” Aldus blijkt dat enerzijds het bestaan van een bulging van de discus C5-C6 erkend wordt, maar deze verwikkeling wordt niet in aanmerking genomen om de enkele reden dat ze zich pas tien jaar na het ongeval van 1993 gemanifesteerd heeft.
- De commissie van beroep, beschikkend in herziening wegens verergering, heeft tot taak uitspraak te doen over de eventuele verergering van de tijdens de voorgaande instanties vastgestelde kwalen. Het was de taak van de commissie van beroep na te gaan of de aangevoerde bulging van de discus C5-C6 in rechtstreeks verband stond met de eerder aanvaarde aandoeningen. Bij de beoordeling van dit verband kon de tijd verlopen sinds het ongeval ongetwijfeld een zekere rol spelen. De commissie kon zich evenwel niet uitsluitend op dit tijdsverloop beroepen om ieder causaal verband te ontkennen. Verwikkelingen manifesteren zich immers dikwijls slechts na verloop van enige tijd. Het is mogelijk dat een ziekte of aandoening slechts heel langzaam aan het licht komt of evolueert zonder zichtbaar letsel. De wetgever heeft dergelijke verwikkelingen niet willen uitsluiten. Geen enkele wetsbepaling schrijft voor dat een kwaal, om in aanmerking te kunnen worden genomen, zich binnen een bepaalde tijdspanne moet manifesteren. Integendeel: er is geen termijn bepaald waarbinnen de aanvraag om herziening wegens verergering moet worden ingediend en in artikel 37, § 1, van de samengeordende wetten wordt zelfs uitdrukkelijk gesteld dat men “te allen tijde een nieuw onderzoek van zijn geval (kan) aanvragen”, hetgeen onder meer impliceert dat verwikkelingen die zich pas lange tijd na het ongeval manifesteren ook in aanmerking kunnen komen.
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij laat gelden, gaat het hier niet om een kritiek op een louter medische interpretatie, welke betwisting buiten de bevoegdheid van de Raad van State zou vallen, doch wel om de wettigheid van het motief waarmee een ingeroepen verwikkeling wordt verworpen.
- Door de nieuw aangevoerde aandoening te verwerpen op de enkele grond dat een veel te lange tijd verstreken is tussen het zich manifesteren van IX-5311-6/8 deze aandoening en het ongeval voegt de commissie van beroep een voorwaarde toe aan de wet en wordt artikel 37, §§ l en 2, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen verkeerd toegepast. De bijkomende verantwoording die de verwerende partij in haar laatste memorie naar voren schuift kan, in rechte, de bestreden beslissing niet rechtsgeldig onderbouwen. Het tweede middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 14 maart 2006 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij wordt geoordeeld dat de totale invaliditeitsgraad van Olivier SCHILD onvoldoende is om de uitbetaling van een pensioen te verzekeren. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van bovenvermelde commissie worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde commissie van beroep voor vergoedingspensioenen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5311-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 9 november 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5311-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.679 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.