← België

Arrest 197697 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.697 Rolnummer: A. 148749/X-11806 Zaak: Arrest 197697 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:49 Fiche Arrest nr 197.697 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.697 van 12 november 2009 in de zaak A. 148.749/X-11.806. In zake : Philippe VANDE CASTEELE, wonende te 2900 SCHOTEN, Klamperdreef 7 tegen : de gemeente SCHOTEN, die woonplaats kiest bij advocaat M. BALLON, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 39. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe VANDE CASTEELE op 12 maart 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “- weigering om de stedenbouwkundige vergunning dd. 17 november 1999 (ref. 1999/171, Klamperdreef 9, 2900 Schoten) in te trekken - de stedenbouwkundige vergunning dd. 17 november 1999 (ref. 1999/171, Klamperdreef 9, 2900 Schoten) en de bevestigende beslissingen dd. 13 januari 2004 en 24 februari 2004”; Gelet op het arrest nr. 133.744 van 9 juli 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 11 augustus 2004 ingediend door Philippe VANDE CASTEELE; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 15 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-11.806-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. AUDOORE, die loco advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.1. Anticiperend op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid, betoogt de verzoeker in zijn verzoekschrift dat “formele beslissingen een impliciete beslissing kunnen inhouden” en dat een “impliciete beslissing, waarvan het bestaan kan afgeleid worden uit een expliciete beslissing en die ervan onderscheiden is, (...) aanvechtbaar (is)”. Met betrekking tot de “weigering tot intrekken van de 4de vergunning dd. 17 november 1999” brengt de verzoeker allerhande “feitelijke gegevens” aan, die moeten “bewijzen dat de Gemeente, al dan niet aangepord door de hogere overheid (AROHM-Brussel en Antwerpen) en door verzoeker, een onderzoek heeft gevoerd naar verzoekers vraag, inclusief naar dé elementen die de intrekking (van

  1. de)4de vergunning kunnen gronden” en dat de gemeente “(o)p 13 januari en 24 februari 2004 (...) op deze aanvraag met nieuwe kennis van zaken niet in(ging)”. Subsidiair voert de verzoeker “juridische elementen” aan waaruit moet worden besloten dat er “de iure een plicht tot onderzoek van verzoekers aanvraag tot intrekking van de 4de vergunning van 17 november 1999 (bestaat)” en dat “(d)e openbare orde (...) i.c. zelfs tot een ambtshalve onderzoek (dwong)”. X-11.806-2/7 Uit het bovenstaande dient volgens de verzoeker te worden besloten dat de Raad “bevoegd (
  2. is)tot vernietigen van de weigering van intrekking van de 4de vergunning (17.11.1999), in welke versie ook (‘gehandhaafd’, ‘gewijzigd’ of ‘vervalst’)”. Voorts stelt de verzoeker met betrekking tot de “4de vergunning dd. 17 november 1999 (...) (en
  3. de)bevestiging ervan na nieuw onderzoek” nog dat “de annulatie van de bevestigingsakte (...) ook de annulatie van de bevestigde akte met zich (meebrengt)”. Bovendien gebiedt, nog volgens de verzoeker, “de rechtszekerheid (...) de vernietiging van de verschillende versies van de 4de vergunning dd. 17 november 1999”. “(D)e laatste voorvallen” bevestigen volgens de verzoeker “(d)at er verschillende versies zijn”. 1.2. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. Met betrekking tot “(d)e weigering om de stedenbouwkundige vergunning dd. 17 november 1999 in te trekken”, stelt de verwerende partij dat de “verzoeker in gebreke blijft een dergelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten voor te leggen of aan te duiden”. Met betrekking tot “(d)e stedenbouwkundige vergunning dd. 17 november 1999” doet de verwerende partij gelden dat “(h)et verzoek tot schorsing dd. 12 maart 2004, en dus per definitie het beroep tot nietigverklaring, (...) manifest buiten termijn (werd) ingesteld”. In verband met “(d)e eerste (bestreden) beslissing van 13 januari, dossier 2002/183” stelt de verwerende partij dat “(o)p 13 februari (...) de gemachtigde ambtenaar over(ging) tot schorsing van deze beslissing” zodat het beroep “wat deze beslissing betreft, zonder voorwerp (is)”. Tot slot stelt de verwerende partij dat ook de bestreden beslissing van 24 februari 2004 “zonder voorwerp” is, vermits deze stedenbouwkundige vergunning “(b)ij besluit van 27 april 2004 (...) door de gemeente Schoten (werd) ingetrokken”. 1.3. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “Verzoeker verwijst naar het onderzoek van de ontvankelijkheid in het verzoekschrift: een keurige vergelijking tussen de vergunningen 1999/171 en 2003/116, evenals de regularisatie-2002/183, leidde tot het besluit dat de X-11.806-3/7 vergunning 1999/171 bevestigd werd na nieuw onderzoek. De Gemeente ontkracht dit niet. De omstandigheid dat de opeenvolgende regularisatievergunningen 2002/183 geschorst en ingetrokken werden, wijzigt hier uiteraard niets aan”. 1.4. In zijn laatste memorie “bevestigt” de verzoeker “zijn analyse” van de ontvankelijkheid. De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie hetgeen zij heeft uiteengezet in haar memorie van antwoord. 1.5. In zoverre het beroep is gericht tegen de weigering om de stedenbouwkundige vergunning van 17 november 1999 in te trekken, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker in gebreke blijft een dergelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten voor te leggen of aan te duiden. Uit de gegevens van de zaak, zoals door de verzoeker uiteengezet, blijkt dat de betrokken “weigering” het niet beantwoorden betreft door het college van burgemeester en schepenen van herhaalde vragen van de verzoeker tot intrekking van de voornoemde vergunning, verwoord in verschillende brieven evenals in het bezwaarschrift ingediend tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning die heeft geleid tot het in de huidige vordering eveneens bestreden besluit van het college van burgemeester en schepenen van 13 januari 2004. In tegenstelling tot hetgeen de verzoeker beweert, heeft het college het bezwaar beantwoord waar zij stelt: “Het centrale thema in het bezwaarschrift is de 4de vergunning d.d. 17/11/1999 welke door de gemeente Schoten niet werd ingetrokken. Deze vergunning valt niet binnen de beoordeling van het huidig openbaar onderzoek”. Derhalve dient te worden vastgesteld dat het college het bezwaar heeft beantwoord en dat de verzoeker dit antwoord niet betwist. Wat de overige door de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen gerichte vragen tot intrekking betreft, dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij er niet toe verplicht is in te gaan op de vraag van de verzoeker om de verleende vergunning in te trekken. Uit al het bovenstaande dient te worden afgeleid dat de vordering ten aanzien van de bestreden “weigering om de stedenbouwkundige vergunning dd. 17 november 1999 (ref. 1999/171, Klamperdreef 9, 2900 Schoten) in te trekken” niet ontvankelijk is. X-11.806-4/7 Ten aanzien van de bestreden “stedenbouwkundige vergunning dd. 17 november 1999 (ref. 1999/171, Klamperdreef 9, 2900 Schoten)” dient te worden vastgesteld dat het annulatieberoep manifest laattijdig is. Ten aanzien van deze bestreden beslissing is de vordering bijgevolg eveneens onontvankelijk. Betreffende de met de stedenbouwkundige vergunning van 17 november 1999 samenhangende “bevestigende beslissingen” van 13 januari 2004 (dossier 2002/183) en 24 februari 2004 dient te worden vastgesteld dat bij het eerste besluit van 13 januari 2004 het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten aan Ricardo HEERE de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend: “tot de regularisatie van - plaatsen van draadafsluiting - inbuizing in plaats van gracht - bouwen van 2 poortkolommen - aanleg oprit”. Bij besluit van 24 februari 2004 heeft hetzelfde college beslist de stedenbouwkundige vergunning van 13 januari 2004 te handhaven “voor het plaatsen van een draadafsluiting (...), het bouwen van 2 poortkolommen en de aanleg van een oprit” en “de vergunning (van regularisatie) van de ondergrondse rioleringsbuis van 65 meter in te trekken en hiervoor een weigering van stedenbouwkundige vergunning af te leveren”. Bij besluit van 27 april 2004 heeft hetzelfde college onder meer beslist het besluit van 24 februari 2004 “in te trekken en een weigeringsbesluit op te maken”. Dit besluit is niet aangevochten en is derhalve definitief geworden. Bijgevolg is de vordering wat de voornoemde besluiten van 13 januari 2004 en 24 februari 2004 betreft zonder voorwerp geworden en derhalve onontvankelijk. In zoverre het beroep, ten slotte, is gericht tegen het tweede besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten van 13 januari 2004 houdende de toekenning aan Ricardo HEERE van een stedenbouwkundige vergunning “tot het plaatsen van hek voor oprit (regularisatie)”, dient te worden vastgesteld dat, luidens het besluit van de Vlaamse regering van 1 september 2006 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, artikel 3, 9/ van dat besluit in volgende zin werd gewijzigd: “Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende werken, handelingen en wijzigingen, die uitgevoerd mogen worden voorzover ze niet strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke X-11.806-5/7 uitvoeringsplannen, bijzondere plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen, bouwvergunningen of stedenbouwkundige vergunningen, onverminderd de bepalingen van andere van toepassing zijnde regelgeving: (...) 9/ de plaatsing van de volgende afsluitingen: (...)
  4. d)poorten, geplaatst tussen twee kolommen met een maximale hoogte van 2,50 meter; (...)”. Hoewel hij in het auditoraatsverslag werd geconfronteerd met het standpunt dat de betrokken constructie niet langer vergunningsplichtig is, heeft de verzoeker in zijn laatste memorie geen argumenten geformuleerd waaruit het tegendeel zou kunnen blijken. Gelet op het voorgaande dient dan ook te worden besloten dat een eventuele vernietiging van het bestreden besluit de verzoeker niet langer enig voordeel vermag op te leveren en dat de verzoeker derhalve niet langer getuigt van het wettig vereiste actuele belang bij zijn beroep, in zoverre het is gericht tegen het voornoemd besluit van 13 januari 2004. Er dient derhalve te worden vastgesteld dat het beroep in zijn geheel onontvankelijk is. 1.6. De verwerende partij verzoekt om de toepassing van artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “waarbij verzoekende partij een geldboete zou worden opgelegd”, vermits er “argumenten (zijn) die volgens haar het bestaan van een kennelijk onrechtmatig beroep aanwezig achten”. Het komt in beginsel niet aan de partijen toe te vragen dat een dergelijke geldboete wordt opgelegd. Het verzoek tot toepassing van artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-11.806-6/7 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf november 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.806-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.697 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.133.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.