← België

Arrest 197699 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.699 Rolnummer: A. 173353/X-12846 Zaak: Arrest 197699 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-24 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:49 Fiche Arrest nr 197.699 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.699 van 12 november 2009 in de zaak A. 173.353/X-12.

  1. In zake : Paul SURMONT, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27 tegen :
  2. de gemeente JABBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat N. DE CLERCQ, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus 1,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat
  4. tussenkomende partij : Peter YSENBRANDT, die woonplaats kiest bij advocaat P. ROTSAERT, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Katteputstraat
  5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul SURMONT op 26 mei 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 maart 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke waarbij aan Peter YSENBRANDT en Danielle SLABBYNCK de stedenbouwkundige vergunning is verleend voor het bouwen van een woning met architectenpraktijk te Jabbeke, Kerkeweg 29, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nrs. 234/y2(deel), 235/c(deel) en 235/d(deel); Gelet op het arrest nr. 165.760 van 11 december 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-12.846-1/12 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 januari 2007 ingediend door Paul SURMONT; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 12 april 2007 ingediend door Peter YSENBRANDT; Gelet op de beschikking van 25 mei 2007 die de tussenkomst van Peter YSENBRANDT toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur W. DE COCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P.-J. STAELENS, die loco advocaat N. DE CLERCQ verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat P. ROTSAERT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-12.846-2/12 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De feiten 1.
  7. In 2003 gaan de consoorten Vanhove, Van Lerberghe en Slabbynck, naar aanleiding van een openbare verkoop, over tot de gezamenlijke aankoop van percelen grond, gelegen aan de Kerkeweg te Snellegem, een deelgemeente van Jabbeke. De voormelde gronden zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge- Oostkust voor een strook van ongeveer 50 meter gelegen in woongebied met landelijk karakter, en dieper in agrarisch gebied. Zij zijn niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
  8. Op 28 april 2004 richt notaris Lommee uit Zedelgem een aangetekend schrijven aan het gemeentebestuur van Jabbeke, waarin hij namens de deelgenoten de splitsing van de voormelde eigendom notificeert. Mevrouw Danielle Slabbynck, zijnde de echtgenote van de tussenkomende partij, krijgt daarbij de loten 5, 6, 7, 5/2 en 6/
  9. 1.
  10. Met een brief van 12 mei 2004 laat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke de notaris haar opmerkingen geworden. Gesteld wordt dat de splitsing geen afbreuk kan doen aan de verplichting om de percelen bouwrijp te maken via een verkavelingsaanvraag, dat de loten 5/2 en 6/2 geen bestemming als tuingrond kunnen krijgen, gelet op hun ligging in het agrarisch gebied, en dat de voetweg nr. 7 die over het terrein loopt niet afgesloten kan worden. De notariële splitsingsakte wordt verleden op 11 april
  11. 1.
  12. Op 10 november 2005 dienen de tussenkomende partij en zijn echtgenote bij het gemeentebestuur van Jabbeke een stedenbouwkundige aanvraag in om op de eigendom, voorwerp van de voormelde splitsingsakte, en kadastraal bekend sectie B, nrs. 234/y2(deel), 235/c(deel) en 235/d(deel), een woning met architectenpraktijk op te richten. X-12.846-3/12 1.
  13. De afdeling Land West-Vlaanderen van de Vlaamse Gemeenschap deelt op 19 december 2005 mee geen bezwaren te hebben tegen de plannen, en akkoord te gaan met de invulling van het in het agrarisch gebied gesitueerde achterste gedeelte van het perceel als boomgaard (notelaars) en schapenweide. 1.
  14. Tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag worden bezwaren ingediend door drie particulieren, door het Vlaams Belang Jabbeke en door de verzoeker. Deze laatste laat daarbij gelden dat het ontwerp geen afbreuk kan doen aan een conventionele erfdienstbaarheid van uitweg die op de percelen rust ten voordele van de achtergelegen gronden, dat er geen verkavelingsvergunning met voorschriften bestaat, en dat de kerkewegel terug in ere dient hersteld te worden. 1.
  15. Op 18 januari 2006 verstrekt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke een voorwaardelijk gunstig preadvies aan de gemachtigde ambtenaar, met een gemotiveerde verwerping, behalve wat de buurtweg betreft, van de ingediende bezwaarschriften. 1.
  16. De gemachtigde ambtenaar verleent op 16 februari 2006 een gunstig advies over de aanvraag, en sluit zich aan bij de afwijzing van de bezwaren door het college. 1.
  17. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke verleent op 13 maart 2006 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning en neemt daarin de voorwaarden op die reeds waren opgenomen in haar eerdere preadvies en in het advies van de gemachtigde ambtenaar. Dit is het bestreden besluit, waarvan de verzoeker door de gemeente Jabbeke bij aangetekend schrijven van 24 maart 2006 op de hoogte wordt gesteld. 1.
  18. Op 18 mei 2006 dient de verzoeker bij de Raad van State een verzoekschrift in tot nietigverklaring en tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij wege van uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit (zaak G/A 173.126/X-12.832). Bij ’s Raads arrest nr. 159.073 van 22 mei 2006 wordt de laatst vermelde vordering verworpen. Bij arrest nr. 164.915 van 17 november 2006 wordt de afstand van het geding in de annulatieprocedure vastgesteld. X-12.846-4/12 1.
  19. Met betrekking tot de onder randnummer 1.6 vermelde conventionele erfdienstbaarheid van uitweg, overweegt de vrederechter van het tweede kanton te Brugge in een vonnis van 30 juni 2008 dat op 10 maart 2008 tussen alle eigenaars van zowel de heersende als de lijdende erven een overeenkomst werd gesloten waarbij een nieuw tracé voor de erfdienstbaarheid werd overeengekomen.
  20. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
  21. De excepties van onontvankelijkheid wegens gemis aan belang - standpunt van de partijen 2.1.
  22. In zijn verzoekschrift stelt de verzoeker dat “(u)it het voorgaande blijkt dat verzoeker het vereiste wettelijk belang bezit om de vordering in te stellen”. Onder “het voorgaande” worden de volgende “feiten en voorgaanden” bedoeld : “
  23. Zoals blijkt uit de stukken van de verzoekende partij en van het administratief dossier, maakt het bouwperceel deel uit van het lot 1 uit een openbare verkoop, gehouden door het ambt van de notarissen Van Hoestenberghe en Dewagtere van Jabbeke op een voor verzoeker niet precies bekende datum. Er zouden drie kandidaat-kopers tegen mekaar hebben opgeboden. Ze zouden het uiteindelijk op een akkoordje hebben gegooid. Ze hebben toen alle drie tesamen het geheel aangekocht. Uit de latere gebeurtenissen zou blijken dat dit gezamenlijk bod is gedaan met de bedoeling het gekochte lot, vermeerderd met omgevingsgrond, in drie bouwkavels op te splitsen. Het lot 2, een stuk weiland, werd exclusief aangekocht door Van Lerberghe-Delarue, reeds eigenaars van de daaraan palende weide.
  24. Zoals blijkt uit het plan, geregistreerd op 26 december 2003 (...), was voormeld lot 1 een driehoekig perceel. Het had een oppervlakte van 2 095 m² en bestond uit een huis met tuin. De constellatie van het perceel liet niet toe het op te splitsen in drie bouwrijpe percelen. De medekopers Van Lerberghe-Delarue waren bereid om een deel van gezegd lot 2 en een deel van het perceel 235c, palend zuidwaarts aan het lot 2 van voormelde openbare verkoop, mede in de ganse ‘opsplitsingsoperatie’ te betrekken, dewelke moest toelaten drie bouwrijpe loten tot stand te brengen (...). Verzoeker heeft alsnog geen kennis van die zgn. splitsingsakte van 11 april 2005, verleden door het ambt van notaris Lommee, maar in het bestreden besluit staat te lezen dat er ‘een verwisseling en ruiling is gebeurd tussen de diverse eigendommen’.
  25. De woning kwam terecht in de middenste kavel (bij Vanhove Kris en Crevits Els), die inmiddels die woning reeds hebben gesloopt.
  26. Op de percelen 235d (deel uitmakend van de openbare verkoop van notaris Van Hoestenberghe, en aangekocht door Van Lerberghe-Delarue) en 235c (reeds eerder eigendom van Van Lerberghe-Delarue), rust sedert jaar en dag een conventionele X-12.846-5/12 erfdienstbaarheid ten voordele van de ongeveer 200 meter verder gelegen percelen landbouwland, sectie B, nr. 245t en 245w (± 8 200 m²) en het bosperceel nr. 245v (12 808 m²), destijds toebehorend aan de onverdeeldheid Saelens, tot de aankoop waarvan verzoeker reeds twee jaar in bespreking was toen architect Ysenbrandt zijn stedenbouwkundige vergunningsaanvraag indiende. Er waren immers 26 erfgenamen die allemaal hun akkoord moesten geven.
  27. Om echter van gezegd lot 1 drie bouwrijpe loten te kunnen maken, moesten, zoals reeds gezegd, delen van de percelen 235d en 235c, exclusief eigendom van Van Lerberghe-Delarue, waarop de doorgang zich bevindt, mede betrokken worden in de ruimere ruil- en splitsingsoperatie. De kavellanten konden de uitweg niet eerbiedigen en hem tegelijkertijd overbouwen, wat uitlegt waarom zij onder mekaar een nieuwe alternatieve uitweg hebben voorzien, op het plan gehecht aan de splitsingsakte van notaris Lommee in gele fluo aangeduid als de zone A-B-C-D-E-F-G, waarvan dat plan zegt: ‘is belast met een erfdienstbaarheid van doorgang ten Z-W van lot 1 en 2’. De bestaande uitweg werd derhalve eenzijdig ‘verlegd’ en zulks zonder de instemming van de

(26)eigenaars van het heersend erf. 6. Toen bekend gemaakt werd dat architect Ysenbrandt een stedenbouwkundige vergunning aanvroeg voor de bouw van een woning met architectenpraktijk op een perceel dat inmiddels een diepte van 60 meter had gekregen en dat het gebouw zou worden ingeplant op de bestaande drie meter brede uitweg, is door de familie Saelens, alsmede door verzoeker, bezwaar ingediend. 7. Het CBS heeft in zitting van 18 januari 2006 alle bezwaren verworpen, behoudens dit m.b.t. de buurtweg, dat hier niet relevant is. 8. Op 16 februari 2006 heeft de stedenbouwkundige ambtenaar zich bij die appreciatie aangesloten en gunstig advies verleend. 9. Bij onderhandse akte van 24 februari 2006 heeft verzoeker, samen met zijn echtgenote Daenekindt Caroline, voormelde percelen bos- en akkerland verworven. Eerstdaags wordt de notariële akte verleden. 10. In zitting van 13 maart 2006 heeft het CBS de vergunning verleend, zij het onder bepaalde voorwaarden. 11. Aan verzoeker is daarvan kennis gegeven met een schrijven vanwege de gemeente Jabbeke, ter post afgestempeld op 24 maart 2006. Het heeft verzoeker dus ten vroegste de maandag daarop, zijnde 27 maart 2006, kunnen bereiken. 12. Op 18 mei 2006 heeft verzoeker aan Uw Raad een verzoekschrift overgemaakt om de schorsing te bekomen van dit besluit bij uiterste dringendheid. 13. Het arrest nr. 159.073 van 22 mei 2006 heeft dit verzoek afgewezen omdat verzoeker geen precieze afzonderlijke uiteenzetting had gegeven van de feiten die het uiterst dringend karakter van de vordering rechtvaardigden. 14. Met een aangetekend schrijven van 24 mei 2006 heeft verzoeker medegedeeld afstand te doen van de annulatieprocedure, gekend onder G/A 173.126 /X-12.832 (...). Aansluitend stelt de verzoeker nog wat volgt : “Uw Raad is ook bevoegd om van de vordering kennis te nemen. De vordering strekt tot schorsing, resp. annulatie, van de aan Ysenbrandt Peter verleende stedenbouwkundige vergunning, waarvan verzoeker beoogt dat X-12.846-6/12 ze ui(
  1. t)het rechtsverkeer verdwijnt omdat ze hem benadeelt. Enkel Uw Raad is daartoe bevoegd. Verzoeker kan dit doel niet bereiken door zich tot de rechtbanken van de rechterlijke orde te wenden. Dat de vernietiging voor gevolg zal hebben dat verzoeker een bestaande privaatrechtelijke servitude opnieuw ongehinderd zal kunnen uitoefenen, houdt niet in dat het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van zijn vordering niet het beroep tot nietigverklaring van de vergunning van 13 maart 2006 zou zijn; ‘dat de omstandigheid dat de nietigverklaring van de bestreden akte een weerslag kan hebben op het subjectief recht van verweerster op behoud van de haar sedert 1 september 1987 betaalde wachtgelden geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Raad van State’ (...). 2.1.2. De eerste verwerende partij voert in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang aan : “II.1 Verzoekende partij stelt dat er sinds jaar en dag op de percelen 235d en 235c een conventionele erfdienstbaarheid zou bestaan ten voordele van de percelen 245t, 245w en 245v. Verwerende partij kan maar veronderstellen dat verzoekende partij in deze erfdienstbaarheid zijn belang ziet bij het instellen van huidige vordering aangezien in het verzoekschrift geen andere uiteenzetting wordt gegeven van een mogelijk ander belang. Verzoekende partij blijkt ook niet een aanpalende eigenaar te zijn van de percelen die de bestreden vergunning tot voorwerp hebben, noch blijkt enig ander belang te bestaan. Het enige belang dat verwerende partij derhalve uit het verzoekschrift kan puren is een belang als mogelijke begunstigde van een erfdienstbaarheid. Ter zake worden echter geen stukken voorgelegd. Er wordt dus hoegenaamd geen bewijs voorgelegd van het bestaan van een erfdienstbaarheid. Is er sprake van een erfdienstbaarheid of eerder van een persoonlijk recht in hoofde van de vorige eigenaar? Er wordt evenmin een bewijs voorgelegd van de omvang van het beweerde recht. Er wordt evenmin een bewijs voorgelegd van een erfdienstbaarheid die aan derden zou tegenstelbaar zijn door het naleven van het voorschrift van artikel 1 van de Hypotheekwet. Verwerende partij kan derhalve enkel vaststellen dat het belang niet wordt aangetoond in het verzoekschrift tot nietigverklaring en dat het verwerende partij dan ook onmogelijk is om ter zake een mogelijk verweer te voeren dan vast te stellen dat het belang niet is aangetoond. II.2 Verwerende partij dient eveneens op te merken dat het al dan niet bestaan van een erfdienstbaarheid niet steeds evident is en voor de burgerlijke rechtbanken vaak het voorwerp uitmaakt van een ernstig debat. Bij een betwisting omtrent een erfdienstbaarheid dient uitgemaakt te worden of deze bestaat, welke omvang ze heeft, of ze niet is teloorgegaan, ... . Deze beoordeling is een bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken. De Raad van State is ter zake niet bevoegd. Uit het feit dat verzoekende partij zich enkel kan beroepen op mogelijke burgerlijke betwisting om haar belang aan te tonen en uit het feit dat het beoordelen van deze betwisting behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken, blijkt reeds dat verzoekende partij zich gewend heeft tot het verkeerde rechtscollege. Verwerende partij zal hierna tevens aantonen dat het werkelijk voorwerp van de vordering een burgerlijke betwisting is. Dit X-12.846-7/12 blijkt overigens eveneens uit de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen nadeel. Verzoekende partij komt hier verder op terug. II.3 Uit de notariële akte blijkt dat de bestaande erfdienstbaarheid naar de percelen 245v, 245t en 245w wordt gerespecteerd. Er wordt immers vermeld dat de zone AB-C-D-E-F-G belast is met een erfdienstbaarheid van doorgang naar de percelen ten Z-W van lot 1 & 2. Verwerende partij ziet dus niet in wat het belang zou kunnen zijn van verzoekende partij”. 2.1.3. De tweede verwerende partij voert in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang aan : “1. Verzoekende partij put haar belang bij huidig annulatieberoep van een stedenbouwkundige vergunning voor een gezinswoning met architectenpraktijk uit de vaststelling dat zij bij onderhandse akte van 16 februari 2006 enkele percelen bos- en akkerland zou hebben gekocht in de omgeving van het perceel waarop de bestreden vergunning betrekking heeft. Zij lijkt haar belang evenwel niet te steunen op de oprichting van het bestreden bouwwerk op zich, doch op het feit dat een bestaande conventionele erfdienstbaarheid van doorgang naar de door haar aangekochte percelen bos- en akkerland, die eertijds deels over het bouwperceel zou hebben gelopen en ondertussen middels een notariële splitsingsnotificatie werd verlegd over een andere perceel dat aan het bouwperceel grenst, niet langer zou kunnen worden gebruikt zoals vroeger. 2. Vooraleer over de grond van de zaak te oordelen, dient Uw Raad na te gaan in hoeverre het belang van verzoekende partij bij de vernietiging van de bestreden vergunning niet is te herleiden tot de bescherming van een burgerlijk recht, hetzij een conventionele erfdienstbaarheid van doorgang, middels het adiëren van Uw Raad, die uiteraard niet is bevoegd om na te gaan of de bestreden stedenbouwkundige vergunning al dan niet afbreuk doet aan de subjectieve rechten van verzoekende partij. Indien zou blijken dat de enige beweegreden van verzoekende partij is gelegen in het vrijwaren van haar burgerlijke rechten inzake de erfdienstbaarheid van doorgang, die heden nog steeds wordt gewaarborgd doch over een ander erf, dan is Uw Raad niet bevoegd, te meer een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit niets zou veranderen aan de principiële beslissing in de notariële splitsingsnotificatie om het bouwperceel niet langer te belasten met enige erfdienstbaarheid. Het beroep tot nietigverklaring is dienvolgens onontvankelijk”. 2.1.4. In haar memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker op deze excepties als volgt : “1. Eerste verwerende partij beweert dat verzoekende partij geen belang zou hebben bij de vordering tot annulatie. De eerste verwerende partij is meer in het bijzonder de mening toegedaan dat het enige belang dat verzoekende partij bij haar vordering zou hebben het X-12.846-8/12 belang is als begunstigde van een erfdienstbaarheid, hetgeen niet zou bewezen zijn. 2. Eerste verwerende partij heeft het om verschillende redenen verkeerd voor. 2.1. Vooreerst is er de vaste rechtspraak van Uw Raad naar luid waarvan elkeen die eigenaar is van een pand of perceel dat paalt aan of gelegen is naast of in de nabijheid van het perceel waarvoor een bouwvergunning werd gegeven, doet blijken van het wettelijk vereiste belang. Verzoekende partij is eigenaar van de percelen landbouwland, sectie B, nr. 245 t en 245w en een bosperceel nr. 245 v. Deze percelen zijn gelegen in de onmiddellijke omgeving van het kwestieuze bouwwerk. Bovendien is verzoekende partij ook nog eigenaar van de percelen é h en b. Verzoekende partij wordt dan ook, volgens de vaste rechtspraak van Uw Raad, als het ware vermoed belang te hebben zodat de exceptie van de eerste verwerende partij niet ernstig is. 2.2. Bovendien wenst verzoekende partij ook haar stuk 9 in de debatten te brengen. Het betreft een tussenvonnis van de Vrederechter over het tweede kanton te Brugge. De Vrederechter overwoog als volgt: ‘Er moet vastgesteld worden dat verweerder gebouwd heeft op het tracé van de erfdienstbaarheid zonder dat een vergunning gevraagd werd, en zonder dat een ernstig nieuw tracé aangeboden werd. Hij past hier duidelijk een ‘politiek van voldongen feiten toe’. Hij dient te beseffen dat de Rechtbank hieraan haar medewerking niet kan verlenen. Als hij van de eigenaars van de lijdende erven niet kan bekomen dat ze een tracé voorstellen dat voldoet aan de wet, heeft hij er alle belang bij geen bijkomende kosten te doen op de werf.’ De Vrederechter heeft dus voor recht geoordeeld en vastgesteld dat er een (conventionele) erfdienstbaarheid op de lijdende erven, ten voordele van de heersende erven in eigendom van verzoekende partij, bestaat. In het aangehaalde vonnis stelt de Vrederechter bovendien dat de tussenkomende partij niet zomaar, zonder verzoekende partij daarin te kennen, een erfdienstbaarheid kan verleggen. Het mag dan ook duidelijk blijken dat verzoekende partij zeker belang heeft bij een verzoek tot vernietiging van een bouwwerk dat opgetrokken wordt op het tracé van een conventionele erfdienstbaarheid”. 2.1.5. De verzoeker laat in zijn laatste memorie met betrekking tot zijn belang nog het volgende gelden : “(...) Verzoekende partij is eigenaar van percelen gelegen in de onmiddellijk omgeving van het kwestieuze bouwwerk, dit zowel wat betreft haar private woning als wat betreft de weilanden en het perceel bosgronden ten voordele van dewelke de erfdienstbaarheid werd uitgeoefend. Verzoekende partij is eigenaar van de percelen landbouwland, sectie B, nr. 245 t en 245w en een bosperceel nr. 245 v. Verzoekende partij is tevens eigenaar van de percelen é h en b. Al deze percelen liggen in de onmiddellijke omgeving van het perceel waarvoor de thans bestreden vergunning werd verleend. Het is, zoals reeds gesteld in de memorie van wederantwoord, vaste rechtspraak van uw Raad dat, elkeen die eigenaar is van een pand of een perceel dat paalt aan of gelegen is naast of in de nabijheid van het perceel waarvoor een bouwvergunning werd gegeven, alleen daardoor reeds doet blijken van het wettelijk vereiste belang. Dat verzoeker bovendien ook verwees naar een meer X-12.846-9/12 specifiek belang, met name dat de geplande werken het hem onmogelijk zouden maken om gebruik te maken van een bestaande uitweg, doet daaraan geen afbreuk. Het feit dat dit specifiek belang niet langer zou bestaan heeft bijgevolg evenmin tot gevolg dat verzoeker geen enkel actueel belang meer zou hebben bij de voorliggende procedure. Zijn algemeen belang is immers onverkort blijven bestaan. Verzoekende partij doet bijgevolg wel degelijk nog steeds blijken van het vereiste wettelijk belang bij zijn annulatieberoep. Dat zijn belang verder gaat dan het specifieke belang waar hij eveneens gewag van heeft gemaakt in zijn inleidend verzoekschrift, blijkt overigens duidelijk uit de door hem geformuleerde middelen. Deze hebben immers betrekking op de vergunning als zodanig en niet op de belemmeringen die de vergunning tot gevolg heeft voor het gebruik van de conventionele uitweg die op het litigieuze perceel bestond. Het kan dan ook niet ernstig worden betwist dat het verzoeker reeds van bij de aanvang van de procedure om méér was te doen dan enkel om het veilig stellen van zijn uitweg over het litigieuze perceel, maar dat hij ook optrad in zijn hoedanigheid van omwonende, en als benadeelde omwonende de vergunning als zodanig vernietigd wenst te zien en wenste te bekomen dat de vergunde werken op het litigieuze perceel in het geheel niet zouden kunnen worden uitgevoerd omdat ze in strijd zijn met heel wat reglementaire bepalingen. Verzoeker kan nog aanvaarden dat zou worden aangenomen dat zijn belang verminderd is ingevolge de overeenkomst omtrent het tracé van de uitweg, maar daarmee is zijn belang dus niet volledig verdwenen. Enkel is het accent iets meer verschoven op het belang dat hij als zodanig heeft als omwonende. Nergens wordt gesteld dat het belang van een verzoeker gedurende de hele procedure identiek moet blijven. Uw Raad stelt in zijn vaste rechtspraak enkel dat het belang actueel moet zijn, wat betekent dat de verzoeker moet getuigen van een belang, zowel bij het instellen van de procedure, als gedurende het hele verloop van de procedure, inclusief bij het einde ervan. De vordering is ontvankelijk zolang de verzoeker nog een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, wettig en actueel belang vertoont, ook al verschuift dat belang ingevolge omstandigheden die zich voordoen in de loop van het geding. Uw Raad stelde ter zake in het verleden reeds het volgende: ‘Het feit dat dit een ander soort belang is dan het initiële belang, maakt het beroep niet onontvankelijk. De gecoördineerde wetten op de Raad van State vereisen immers niet dat het belang in hoofde van de verzoekende partij gedurende het hele verloop van het geding steeds op dezelfde manier wordt gestaafd. Een verzoeker kan in de loop van het geding dan ook anders gaan oordelen over de inhoud van zijn belang.’ Als het feit dat het belang bij het einde van de procedure een ander soort belang is dan het belang bij de aanvang van de procedure al niet weg neemt dat de verzoeker nog steeds getuigt van het vereiste belang, dan geldt dit a fortiori ingeval, zoals ten deze, het belang op het einde van de procedure geen ander belang is dan in het begin, maar beperkt blijft tot een onderdeel van het belang waarover verzoeker ook reeds bij de aanvang van de procedure beschikte. Uit dit alles blijkt dat de conclusie van de adjunct-auditeur niet opgaat en dat verzoeker wel degelijk nog steeds beschikt over het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van de litigieuze stedenbouwkundige vergunning”. X-12.846-10/12 2.2. Beoordeling 2.2.1. De verzoeker verwijst in de uiteenzetting in zijn verzoekschrift over de “feiten en voorafgaanden”, waarnaar hij ter verantwoording van zijn belang uitdrukkelijk verwijst, specifiek naar de verdwijning van de conventionele erfdienstbaarheid van doorgang. 2.2.2. Op 30 juni 2008 wordt door de vrederechter van het tweede kanton te Brugge een vonnis gewezen waarin wordt vastgesteld dat op 10 maart 2008 tussen alle eigenaars van zowel de heersende als van de lijdende erven, waaronder de verzoeker, een nieuw tracé voor de erfdienstbaarheid van doorgang werd overeengekomen. In deze overeenkomst, die door notaris Lommee bij notariële akte werd verleden, wordt onder meer het volgende geakteerd: “Teneinde voor de toekomst een duidelijke toestand te creëren en elke verdere discussie te vermijden, zijn alle verschijners, eigenaars van de lijdende en eigenaars van de heersende erven inzake, thans overeengekomen de bestaande erfdienstbaarheid (lastens het erf van mevrouw Danielle Slabbynck) te verleggen, overeenkomstig het artikel 701 van het Burgerlijk Wetboek”. 2.2.3. Uit het voormelde blijkt dat bij vonnis van de burgerlijke rechter is gewezen dat de verzoeker met de eigenaars van de lijdende erven een “verlegging” van de erfdienstbaarheid is overeengekomen. In die omstandigheden is het door de verzoeker initieel ingeroepen, specifieke belang, gesteund op de verdwijning van de erfdienstbaarheid van doorgang, niet langer actueel. Het betoog in de laatste memorie van de verzoeker dat de voormelde overeenkomst hem zou zijn “opgedrongen”, omdat de verharde strook op het nieuwe tracé reeds was aangebracht, vermag aan het voorgaande geen afbreuk te doen. Om dezelfde reden kan de vraag in de laatste memorie van de verzoeker, om de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen, niet worden ingewilligd. 2.2.4. In zijn memorie van wederantwoord zoekt de verzoeker ook een belang in zijn hoedanigheid van eigenaar van percelen in de onmiddellijke omgeving van het kwestieuze bouwperceel, hetgeen echter, in opzicht van ontvankelijkheid, niet kan. Immers, wanneer een verzoeker in zijn verzoekschrift een welbepaald belang laat gelden, trekt hij grenzen aan het gerechtelijk debat, met name ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep en van de annulatiemiddelen en ten aanzien van het recht van verdediging van de verwerende X-12.846-11/12 partij. Wanneer de verzoeker in de verdere loop van de procedure zich op een ander dan het door hem initieel bepleite belang beroept, lokt hij dus, zonder dat een rechtsregel van openbaar belang zulks verantwoordt, een nieuw gerechtelijk debat uit . De excepties zijn gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf november 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.846-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.699 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.