id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.706 Rolnummer: A. 181480/X-13201 Zaak: Arrest 197706 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:49 Fiche Arrest nr 197.706 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.706 van 12 november 2009 in de zaak A. 181.480/X-13.201. In zake : de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ, gevestigd te 9700 OUDENAARDE, Kattestraat 23 tegen : 1. de stad GERAARDSBERGEN, die woonplaats kiest bij advocaat E. GAREZ, kantoor houdende te 9500 GERAARDSBERGEN, Onkerzelestraat 261, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. tussenkomende partij: de n.v. WESTCO, gevestigd te 1050 BRUSSEL, Provooststraat 85. verzoekende partijen tot tussenkomst: 1. Marc VAN DE VIJVER, 2. Martine VAN DE VIJVER, die woonplaats kiezen bij advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ op 5 maart 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 november 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen waarbij aan de erfgenamen VAN DE VIJVER de vergunning wordt verleend voor het verkavelen van een aantal percelen gelegen te Geraardsbergen, Onkerzelestraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 16/p, 16/r en 16/s; X-13.201-1/22 Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst, op 22 juni 2007, respectievelijk 29 juni 2007 ingediend door Marc en Martine VAN DE VIJVER, respectievelijk de n.v. WESTCO; Gelet op de beschikking van 3 augustus 2007 die de tussenkomst van Marc en Martine VAN DE VIJVER en de n.v. WESTCO toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE SMET, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat W. BAERT, die loco advocaat E. GAREZ verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat E. DE VYLDER, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de tot tussenkomst verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-13.201-2/22 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging 1.1. Met een verzoekschrift van 22 juni 2007 vragen Marc VAN DE VIJVER en Martine VAN DE VIJVER om in het geding te mogen tussenkomen. In hun verzoekschrift tot tussenkomst stellen zij dat ze de percelen die het voorwerp uitmaken van de kwestieuze verkavelingsvergunning op 23 maart 2007 weliswaar aan de tussenkomende partij hebben verkocht, maar dat zij niettemin de begunstigde van de vergunning blijven en dat zij bijgevolg een belang hebben bij het verwerpen van het verzoek tot nietigverklaring. 1.2. In de notariële akte die werd verleden naar aanleiding van de verkoop aan de tussenkomende partij staat uitdrukkelijk vermeld: “De verkoper verklaart bij deze akte voormelde verkavelingvergunning over te dragen aan de koper, die aanvaardt. De koper verklaart, zowel voor zichzelf als voor zijn rechthebbenden, de verkavelingvergunning over te nemen met inbegrip van de kosten voor de nutsvoorzieningen, die hieraan zouden verbonden zijn. De overdracht zal door de koper aan het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente waar het goed is gelegen, worden betekend. De koper zal hierbij vragen de verkopers/verkavelaars décharge te verlenen betreffende de uitvoering van de voorwaarden en lasten van de vergunning, en zal desgevallend hiertoe zelf de nodige waarborgen stellen”. Uit de duidelijke bewoordingen van de notariële akte blijkt dat Marc VAN DE VIJVER en Martine VAN DE VIJVER niet meer beschikken over het rechtens vereiste belang om in het geding tussen te komen. Bijgevolg is het verzoek tot tussenkomst in hoofde van Marc VAN DE VIJVER en Martine VAN DE VIJVER onontvankelijk. 2. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1. Zowel de tweede verwerende partij als de tussenkomende partij werpen ten aanzien van de verzoekende partij een exceptie van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van het rechtens vereiste belang bij de vordering. Zij menen dat niet voldaan is aan de vereisten voor een v.z.w. om in rechte op te treden voor de Raad van State vermits de doelstellingen van de verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid zijn dat er geen band van evenredigheid bestaat tussen het actieterrein van de verzoekende partij enerzijds, en de draagwijdte van de bestreden X-13.201-3/22 beslissing, die geen verdere gevolgen heeft voor de onmiddellijke omgeving, anderzijds. 2.2.1. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij de vordering als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging 1. De statuten van de vereniging werden op 8 november 2005 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (...). Milieufront Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 onder de naam Stichting Omer Wattez (BS 3/12/1981). De Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van 2 mei 2002 (BS 11/12/ 2002) maakte een gebruik van het woord Stichting niet meer mogelijk aangezien een Stichting een andere finaliteit heeft. Al 26 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral om de kwantiteit en kwaliteit van de natuur en het landschap op peil te houden binnen haar werkgebied, voor haar 750-tal leden. Dit collectief van mensen kan allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van geluidshinder, op het vlak van overstromingsproblematiek of schade aan natuurwaarden, actief te zijn. 2. In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Geraardsbergen, waar de betwiste vergunning betrekking op heeft. De beschrijving en omschrijving van de streek van de Vlaamse Ardennen vat aan in 1908 bij de boeken van Omer Wattez: o.m. ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel III. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ en ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel II. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ Later volgen nog tal van wetenschappelijke publicaties over deze streek in het vakgebied van de Geografie. De recentste publicatie die ons bekend is luidt: ‘Dr. Vanmaercke-Gottigny M-C, 2005. Levend Landschap in de Vlaamse Ardennen. Oudenaarde.’ 3. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; X-13.201-4/22 - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. § 3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door : - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van X-13.201-5/22 voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik gebruik te bede, bruikleen, bezit...).’ 4. Milieufront Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk, individualiseerbaar belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een collectief belang van al haar leden tezamen dat zij zich tot maatschappelijk doel heeft gesteld. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. Dit collectief van leden sloot zich aan bij de vereniging omdat ze - in eenvoudige bewoordingen uitgedrukt - het behoud van de esthetische (landschappelijke) waarden en de biologische waarden van het Vlaamse Ardennenlandschap met haar akoestische kwaliteiten belangrijk vinden. Het herstel van vernietigde en het behoud van de bestaande biologische waarden in dit landschap en van ruimte voor water is eveneens een gedeeld belang van de leden in hun streven naar een leefbare woonomgeving waarbij zo weinig mogelijk mensen te kampen hebben met wateroverlast. Het zijn deze belangen die met voorliggend verzoekschrift verdedigd worden. Een natuurlijke persoon kan geen of slechts een gering belang inroepen voor de achteruitgang van de som van deze waarden (i.c. landschappelijke en biologische waarden en waarden van het watersysteem) in het Vlaamse Ardennenlandschap. Een groep mensen heeft zich daarom verenigd om deze waarden die zij appreciëren en die typisch zijn voor wat zij toeschrijven aan de regio de ‘Vlaamse Ardennen’ zoals beschreven door Omer Wattez te verdedigen. Het collectief van mensen beleeft en geniet met volle teugen van de Vlaamse Ardennen in al zijn facetten en ze observeren er de natuur. De betwiste verkavelingsvergunning zal een achteruitgang in de belevingswaarde van het landschap, van de biologische waarde van de Steenborrebeekvallei en een verlies aan overstromingsruimte impliceren. Al deze waarden kunnen niet toegeëigend worden aan een individu. Ze kunnen evenmin beschouwd worden als collectief bezit van de leden van onze vereniging. Maar opkomen voor het belang van deze waarden in de Vlaamse Ardennen is een zeer specifieke eigenschap van het collectief van al haar leden. 5. Dat een milieuvergunning in rechte kan optreden tegen het Vlaams Gewest voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van uw Raad. (...) X-13.201-6/22 De hier betwiste verkavelingvergunning is o.i. niet verenigbaar met de ligging in overstromingsgebied en op biologisch waardevolle grond. 7. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van natuurlijke overstromingsgebieden en biologisch waardevolle grond kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en tot een ernstige aantasting van het Vlaamse Ardennenlandschap leiden. Het is niet louter één enkele vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van effecten die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Telkens opnieuw wordt met dergelijke vergunningen, door het niet toepassen van die bepalingen uit de vigerende wetgeving die in het belang staan van verzoekende partij, een stuk authentiek Vlaamse Ardennenlandschap aangetast. De decreetgever beseft ook meer en meer het belang van de samenhang van de elementen. Bvb. in artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid staat in het 2e lid: ‘Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt (..)’; in artikel 36ter §3 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu staat ‘Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken (..)’; in art. 2 van het besluit van 20 juli 2006 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, staat ‘Op de overheid die beslist over een vergunning, een plan of een programma die afzonderlijk of in combinatie met een of meer bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s een mogelijk schadelijk effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater veroorzaken, rusten overeenkomstig artikel 8, § 1, tweede lid van het decreet de volgende verplichtingen: 1/ ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of gelast aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van de vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect op de kwantitatieve toestand van het grondwater te voorkomen; 2/ als dat niet mogelijk is, oordeelt zij of de vergunningsplichtige activiteit of het plan of programma noodzakelijk is om dwingende redenen van groot maatschappelijk belang;’. De combinatie van vele kleine schadelijke effecten veroorzaakt een groot schadelijk effect. Natuurgebieden kan je niet als afzonderlijke strak begrensde gebieden aanschouwen; organismen zijn gedoemd om uit te sterven indien ze geïsoleerd zitten in een soort van ‘eilanden’. Je kan niet blijven stukjes ‘afknabbelen’ van de natuurgebieden tot je op den duur een geïsoleerde box overhoudt. Net zo is ieder stukje ruimte in natuurlijke overstromingsgebieden van essentieel belang om zoveel mogelijk mensen te sparen van wateroverlast. Als je verkaveling na verkaveling, ophoging na ophoging, bebouwing na bebouwing toestaat in overstromingsgebieden zal de volgende generatie met een immens wateroverlastprobleem zitten. Als je keer op keer biologische waardevolle grond laat bebouwen zonder enige volwaardige compensatie wordt de achteruitgang van de biodiversiteit in de hand gewerkt. 8. Milieufront Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. X-13.201-7/22 De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat er op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een driemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). Het organiseren van tal van natuur- en milieu-educatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde,.. Het organiseren van tal van persacties (...). Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals MOW-Leievallei, MOW-Maarkedal, MOW-Oudenaarde, MOW-Zingem, MOW-Ronse en MOW- Geraardsbergen. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkgebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 8. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de vallei van de Steenborrebeek die in de Dender uitmondt gelegen is en waarin ook de grond gelegen is waar de betwiste verkavelingvergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkaveling- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebieden. In bijlage 7 voegt verzoekende partij 15 bezwaarschriften toe van de laatste vier jaar, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’
- s)specifiek binnen dat deel van haar werkgebied die uitgaan van haar doel om de overstromingsgebieden, biologisch waardevolle gebieden en stiltebehoevende gebieden te beschermen en om de correcte toepassing van de bepalingen van het natuurdecreet, het decreet integraal waterbeleid, het milieuvergunningdecreet, de ruimtelijke ordeningswetgeving te vragen. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift uit (...) maar voert ze ook af en toe acties en schrijft ook geregeld persberichten (...) om haar doelstellingen duidelijk te maken. Verder heeft verzoekende partijen diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken: ondermeer X-13.201-8/22 151.701/X-11.884 inzake het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan dat ondermeer ontwikkelingsperspectieven voorziet voor de uitbreiding van een (verblijfs)recreatiegebied in de Dendervallei te Geraardsbergen (Onkerzele) en voor de uitbreiding van een recreatiegebied in een Europese Speciale Beschermingszone meer bepaald in het Kluisbos te Kluisbergen; 154.668/X-12.014 inzake de bouwvergunning voor de ontbossing en de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 156-333/VII-32.911 inzake de milieuvergunning voor de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; 157.407/X-12.124 inzake een verkavelingsvergunning in de Molenbeekvallei te Geraardsbergen (Goeferdinge); 159.404/X-12.183 en 164.155/X-12.405 inzake plannen voor dwarsdijken in de Dendervallei (Overboelare) waardoor veel overstromingsruimte verloren zou gaan; 158.749/X-12.167 en 158.750/X-12.168 inzake de aanleg van twee dijken in de Dendervallei te Geraardsbergen (Zandbergen) waarbij verzoekende partij ondermeer op basis van het motief dat zonder enige compensatie overstromingsruimte en natuur verloren gaat, besloten heeft tot het instellen van een annulatieverzoek; 170.191/X-12.707 inzake het ophogen van een landschappelijk waardevolle weide in Grimminge (Geraardsbergen) in de vallei van een zijbeek van de Steenborrebeek; 169.939/X-12.686 inzake een verkaveling in de Gaverstraat (Geraardsbergen) in de vallei van de Dender; 176.994/X-13.026 inzake het bouwen van vakantiewoningen in het provinciaal domein ‘De Gavers’ in Geraardsbergen in de vallei van de Dender. Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid en van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Het aanvechten van tal van vergunningen in alle valleigebieden overstijgt het lokale belang maar is in overeenstemming met het regionale belang dat de vereniging nastreeft. 9. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aårhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag: ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, X-13.201-9/22 wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 10. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen.(..)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die
- a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
- b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. (..)’. In de aanhef van de richtlijn staat ‘Milieuschade omvat ook schade veroorzaakt door in de lucht aanwezige elementen voorzover zij schade veroorzaken aan water, bodem, of beschermde soorten of natuurlijke habitats.’. Door het verlenen van de litigieuze verkavelingsvergunning wordt eveneens milieuschade veroorzaakt, meer bepaald omdat er schade is aan het watersysteem en aan natuurlijke habitats. Om al bovengenoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze milieuvergunning, samengevat een feit is”. X-13.201-10/22 2.2.2. In haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog volgende wezenlijke argumenten toe: “(...) Met de hier betwiste verkavelingsvergunning staat onbetwistbaar vast dat er een onmiddellijk rechtstreeks kwantitatief verlies is aan natuurwaarden, nl. de gronden waarop de verkavelingsvergunning betrekking hebben die zullen degraderen van biologisch waardevol naar biologisch minder waardevol. Er is ook een direct kwantitatief verlies aan overstromingsruimte, nl. de verharde op te hogen zones waarop de huizen zullen gebouwd worden. Dit betekent dat het water dat op deze opgehoogde gronden niet meer zal kunnen staan in de toekomst toch een weg zal zoeken (het water moet ergens staan) en de overstromingsdruk op de andere gebieden (en dus ook op huizen [ook huizen die vroeger nooit wateroverlast hadden] in de nabijheid van valleien, hetgeen dus m.a.w. een aantasting van het leefmilieu van die mensen zal betekenen) zal toenemen. De stelling van de tweede verwerende partij dat de gevolgen beperkt blijven tot de te verkavelen grond klopt dus geenszins. (...) Gelet op het feit dat uit de recentste modellen van het Koninklijk Meteorologisch Instituut naar voren komt dat de intensiteit van de regenbuien de laatste jaren gestegen is, en verwacht wordt dat dit in de komende jaren nog zal toenemen en dat derhalve ook overstromingen in intensiteit en duur zullen toenemen in ons land, blijkt dat de verwerende partijen allerminst het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel in acht hebben genomen, zeker door het systematisch niet toepassen door beide verwerende partijen van de rechtsnormen die de bescherming van de overstromingsgebieden en de biologisch waardevolle gronden voor ogen hebben. Verzoekende partij maakt hiermee duidelijk dat ze de rechtmatigheid van tal van besluiten aanvecht die een verlies van overstromingsruimte impliceren door het verkeerd of het niet toepassen van de zgn. watertoets en dat al die verliezen tezamen het lokale belang overstijgen en een groot verlies aan overstromingsruimte kunnen betekenen in heel het werkgebied van verzoekende partij. We dringen daarom aan bij Uw Raad om de hierboven genoemde verzoekschriften en de zaken opgesomd in het verzoekschrift tezamen te bekijken bij het beoordelen van het belang van verzoekende partij. Verzoekende partij benadrukt dat ze een belang verdedigt dat het lokale overstijgt en dat even algemeen is als de draagwijdte van haar doelstelling binnen een duidelijk afgelijnd regionaal werkgebied. Samenvattend getuigt verzoekende partij dus van het vereiste persoonlijke belang en de hoedanigheid om de annulatie te vorderen van de verkavelingsvergunning”. 2.2.3. Ten slotte stelt de verzoekende partij in haar laatste memorie: “I. Betreffende de ontvankelijkheid van het annulatieberoep I.1 Betreffende de Europese richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. (...) In artikel 12, lid 1, van de richtlijn wordt duidelijk gesteld dat alle milieubeschermende niet-gouvernementele organisaties onverkort belang hebben ingeval er zich milieuschade voordoet en artikel 13 bepaalt dat deze belanghebbenden toegang hebben tot een procedure waarbij o.m. besluiten X-13.201-11/22 kunnen getoetst worden aan procedurele en materieelrechterlijke voorschriften. De milieuschade in voorliggende zaak blijkt duidelijk uit de uiteenzetting in de middelen en hetgeen we daaromtrent verduidelijken in voorliggende laatste memorie. De vraag stelt zich of belang en hoedanigheid twee aparte elementen betreffen en of er dus kan gesteld worden dat ondanks verzoekster volgens deze richtlijn als belanghebbende wordt beschouwd er alsnog dient nagegaan te worden of verzoekster aan de hoedanigheidsvereiste voldoet. LUST concludeert hierover : ‘(..) Daarmee is nog maar eens aangetoond dat de begrippen ‘hoedanigheid’ en ‘belang’ zeer dicht bij elkaar aanleunen en het niet steeds mogelijk is om beide uit elkaar te halen.(..)’ Over de hoedanigheid of de procesbevoegdheid schrijft DE TAEYE volgende : ‘Onder de hoedanigheid of procesbevoegdheid wordt verstaan: het vermogen om een geschil bij de rechter aan te brengen met het verzoek er uitspraak over te doen. De hoedanigheidsvereiste moet volgens de Raad van State worden gezien als een algemeen beginsel van procesrecht dat niet expliciet als een ontvankelijkheidsvereiste in de wet moet worden opgenomen.’ Uw Raad sprak zich verder nog als volgt uit over de hoedanigheidsvereiste: ‘ (..) dat het een algemene vereiste is eigen aan elke jurisdictionele procedure dat de verzoekende partij de hoedanigheid of kwaliteit heeft, met andere woorden in de toestand verkeert of de eigenschap bezit om de vordering in te stellen; dat die vereiste geldt buiten elke wettekst om; (..) Nu bepaalt artikel 13, lid 2 van de richtlijn ‘Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet’ Uit hogerstaande citaten lezen we dat de hoedanigheidsvereiste geen wettelijke bepaling is noch een bij wet opgenomen beginsel, terwijl de richtlijn enkel wettelijke bepalingen accepteert om de toegang tot administratieve beroepsprocedures al dan niet aan beperkingen te onderwerpen. We besluiten dat uw Raad t.a.v. verzoekende partij, een regionale milieuvereniging, niet gemachtigd is om eisen te stellen wat betreft de hoedanigheid en haar als een belanghebbende partij zonder meer dient te aanvaarden en haar verzoekschrift als ontvankelijk dient te bestempelen. In subsidiaire orde bespreken we alsnog andere elementen die aan bod komen in het auditoraatsverslag. I.2 Betreffende het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 (...) Artikel 2 van hoger genoemd decreet bepaalt dat het verdrag en zijn bijlagen volkomen gevolg zullen hebben, voor het Vlaamse Gewest. We wijzen met nadruk op artikel 9.2 van het verdrag waarin duidelijk gestipuleerd staat ‘Elke Partij waarborgt, (..) dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben (..) toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, (..) Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. (..)’ Kortom het verdrag bepaalt dat organisaties zoals verzoekster toegang horen te krijgen om de rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, dus ook zoals in voorliggende zaak. We betwisten dat de bepaling ‘..binnen het kader van de nationale wetgeving..’ dermate kan geïnterpreteerd worden dat er nog andere eisen -zoals de hoedanigheidsvereiste - kunnen opgelegd worden t.a.v. de ngo’s. X-13.201-12/22 Daarenboven is de hoedanigheidsvereiste niet in onze nationale wetten ingeschreven. Indien uw Raad aanhoudt dat verzoekster geen belanghebbende is, vormt dit o.i. enerzijds een miskenning van hoger geciteerde duidelijke bepalingen van het verdrag en anderzijds zou dit impliceren dat die specifieke verdragsbepalingen weinig betekenis hebben en uw Raad oordeelt dat de rechtspraak gehandhaafd kan blijven, terwijl het net een expliciete doelstelling van het verdrag was om milieuverenigingen als partijen te beschouwen die voldoende belang hebben zoals in de aanhef van het verdrag aangegeven wordt. Bij het onontvankelijk verklaren van verzoekende partij komen we in een soort van vicieuze cirkelredenering terecht. In de aanhef van het verdrag staat: ‘(..) Bevestigend de noodzaak de toestand van het milieu te beschermen, in stand te houden en te verbeteren en een duurzame en milieuhygiënisch verantwoorde ontwikkeling te waarborgen, Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf, Tevens erkennend dat een ieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties, Overwegend dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen, (..) Erkennend dat transparantie in alle geledingen van de overheid gewenst is, en wetgevende lichamen uitnodigend de beginselen van dit Verdrag in hun handelingen ten uitvoer te brengen, (..) Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu, (..) Het belang erkennend van geheel in besluitvorming van de overheid geïntegreerde milieuoverwegingen en derhalve van de noodzaak voor bestuursorganen te beschikken over nauwkeurige, uitvoerige en actuele milieu-informatie, (..) Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast, (..)’ Het doel van het verdrag luidt (artikel 1): ‘Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke Partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.’ Kortom het was de bedoeling om met dit verdrag 1) te voorzien in een extra of (beter) gegarandeerde milieubescherming. Het milieu bestaat uit diverse compartimenten zoals de fauna, flora, mens, het landschap met diens natuurlijke elementen en fenomenen (zoals overstromingen). Toegepast op voorliggende zaak impliceert dit dat biologisch waardevolle zones een betere bescherming behoren te genieten alsook de bedreigde biodiversiteit en de natuurlijke overstromingsgebieden. Het verdrag van Aårhus wil ondermeer een betere milieubescherming garanderen en betere X-13.201-13/22 integratie van die milieubescherming (en dus ook de landschapsbescherming en de natuurbescherming) in de besluitvorming. 2) een verbeterde toegang te verlenen aan o.a. milieuorganisaties in de besluitvorming en de diverse rechtsorganen. Het vroegere kader en rechtspraak kunnen niet zomaar als kader dienen voor voorliggende zaak. Het verdrag wil een verbeterde toegang verzekeren. Als alles bij het oude blijft zou dit verdrag geen enkele meerwaarde betekenen terwijl dit niet de bedoeling was. Er dient ook op gewezen worden dat in 1998 het natuurdecreet en in 2003 (naast het verdrag van Aårhus ook in 2003) het DIWB van kracht geworden is, hetgeen het belang van verzoekende partij vergroot. Een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State betreffende (h)et belang waarvan milieuverenigingen moeten doen blijken is in de rechtsleer op felle kritiek onthaald wat betreft de verenigbaarheid met artikel 9.2 van het Verdrag. CH. LARSSEN schrijft ‘De draconische voorwaarden waaraan de Raad van State (h)et belang van de verenigingen voor milieubescherming onderwerpt, waarborgen hun geen ‘ruime toegang tot de rechter’ en nemen a fortiori evenmin het vermoeden van belang in acht van de NGO’s die zich inzetten voor milieubescherming en die krachtens artikel 2, §5, aan de eisen van nationaal recht voldoen’. En verder: ‘Om zich naar het Verdrag van Aårhus te schikken, zal de Raad van State zijn rechtspraak betreffende (h)et belang om in rechte te treden inzake milieuaangelegenheden absoluut ‘naar boven toe’ moeten herzien, zowel voor de individuen als voor de verenigingen voor milieubescherming’. Maar niet alleen de doctrine heeft zo zijn bedenkingen bij een te restrictieve rechtspraak van de Raad van State. Het Comité voor toezicht op de naleving van de bepalingen van het Verdrag kwam in een aanbeveling van 28 juli 2006 (ECE/MP.PP/C.1/2006/4/Add.2) na een uitvoerig en genuanceerd onderzoek tot de conclusie dat de rechtspraak van de Raad van State inzake de toegang van milieuverenigingen tot de rechter in bepaalde gevallen onverenigbaar is met artikel 9 van het Verdrag. (...) Het is duidelijk dat in het licht van het hogergenoemde decreet niet kan aanvaard worden dat milieuverenigingen zeer moeilijk toegang hebben tot de Raad van State. Men zou er kunnen inkomen dat het belang van de vereniging verschillend moet zijn van de individuele belangen van haar leden, en evenzeer kan men aannemen dat verenigingen niet moeten opkomen voor het algemeen belang in de brede betekenis van het woord, want dat zou neerkomen op een actio popularis, maar de rechtspraak mag deze beide uitersten niet zo breed gaan interpreteren dat het vinden van een weg ertussen in de praktijk een onmogelijke opgave wordt. Maar desalniettemin is er geen enkele wetgevende bepaling die voorgaande vereist en kunnen geen andere beginselen ingeroepen worden om toch nog andere en bijkomende eisen te stellen ten aanzien van verzoekster. In casu komt verzoekster op voor de bescherming van welbepaalde waarden die zich situeren op het vlak van het landschap van de karakteristieke bronbeekvallei van de Dender, alwaar biologische waarden van zeldzame historisch permanente soortenrijke graslanden dreigen verloren te gaan door de verkaveling en op vlak van de hydrologie van (...) deze bronbeekvallei. Het beroep is o.i. derhalve ontvankelijk in het licht van het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aårhus op 25 juni 1998. I.3 Betreffende het geografisch werkingsgebied van de betrokken vereniging. (...) X-13.201-14/22 We betwisten dat het geografische werkingsgebied van Milieufront Omer Wattez onbeperkt zou zijn. De werking situeert zich in de 21 gemeenten die deel uitmaken van de Vlaamse Ardennen zoals ca. 100 jaar geleden voor het eerst omschreven door Omer Wattez. Alle verzoekschriften voor uw Raad hebben zich tot op heden louter en alleen tot die 21 gemeenten gericht. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat verzoekster overal activiteiten ontplooit. Dat er ook daarbuiten activiteiten kunnen ontplooid worden, werd in de statuten ingeschreven omdat het mogelijk is dat er bvb. grensoverschrijdende milieu- en natuureducatieve activiteiten opgezet worden in samenwerking met andere aangrenzende verenigingen of besturen of dat er kan opgetreden worden tegen externe bedreigingen voor de natuur, het milieu en het landschap van de Vlaamse Ardennen. Dit gebeurde bvb. toen verzoekster optrad tegen het stort in het d’Hoppebos te Flobecq (Vloesberg) (net over de (taal)grens van het werkgebied van verzoekende partij) omdat dit bos één gebied vormt met het Brakelbos en de milieuhygiënische kwaliteit in het Brakelbos te lijden heeft van uitspoelingen uit dit stort en dus ook de fauna en flora daaronder te lijden kan hebben. Samengevat concentreert de werking van verzoekende partij zich tot de 21 gemeenten opgesomd in haar statuten en is diens werking niet onbeperkt. I.4 Betreffende de ruimtelijke context en de reikwijdte van de effecten van het bestreden besluit (...) 0) Het bestreden besluit impliceert meer dan een opdeling van een perceel. De decreetgever heeft dit type besluit net als bouwvergunningen ondergebracht in het vergunningenstelsel. Aan dergelijke vergunningen hangen diverse verplichtingen vast, zoals ondermeer de zogenaamde natuurtoets, in het watertoetsbesluit alwaar expliciete verplichtingen opgelegd worden ten aanzien van verkavelingvergunningen om te vermijden dat er overstromingsruimte of elementen van het watersysteem verloren gaat en in de watertoets. Mocht het dus enkel en alleen gaan om een perceelsopdeling dan zou de toepassing van de watertoetsregeling in dat besluit op verkavelingvergunningen geen betekenis hebben. In de paragrafen 1 en 2 van artikel 101 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening die betrekking hebben op het instrument verkavelingsvergunning lezen we duidelijk wat de bedoeling is verkavelen, met name: ‘§1 Niemand mag zonder voorafgaande verkavelingsvergunning een stuk grond verkavelen. Onder verkavelen wordt verstaan een grond vrijwillig verdelen in twee of meer kavels om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor meer dan negen jaar, een erfpacht of een opstalrecht te vestigen of één van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, voor woningbouw of voor het opstellen van vaste of verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt. § 2. Een verkavelingsvergunning kan eveneens worden aangevraagd en verleend voor het verdelen van een stuk grond in twee of meer kavels om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor meer dan negen jaar, een erfpacht of een opstalrecht te vestigen of een van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, voor de bouw of aanleg van industriële, ambachtelijke of commerciële gebouwen, constructies of terreinen.’ (...). 1) Met de verkavelingsvergunning wordt groen licht gegeven om een prachtig stuk bronbeekvallei op te hogen, te bebouwen en er een woonfunctie aan te geven. Het is niet omdat deze bronbeekvallei kleiner is dan pakweg een Dendervallei da(
- t)deze minder belangrijk zou. De bronbeken vormen samen met de rivier waar ze in uitmonden een uniek vertakt netwerk. Zonder bronbeken is er immers geen Dendervallei. X-13.201-15/22 2) Het reëel verlies aan biologische waarden kwam aan bod in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. Op bijgevoegde foto’s (...) ziet u het soortenrijke grasland met diverse bloeiende planten. Op dit graslanden treffen we speciale planten als kruipende boterbloem, biezeknoppen, lidrus, watermunt, pinksterbloem, ruw beemdgras en nabij de beek ook reuzenpaardestaart een typische soort voor kwelgronden. Dit graslandtype (hp*) wordt in het overzicht van de zeldzaamheid van de verschillende biotopen in Vlaanderen gerangschikt als ‘zeldzaam’. Op dit perceel leeft ook de alpenwatersalamander en bruine kikker. In het bijzonder komen hier diverse kleine zoogdieren voor zoals de bosspitsmuis, de huisspitsmuis, de ondergrondse woelmuis, de rosse woelmuis, de dwergmuis en de bruine rat. Deze vormen allemaal het voedsel van de roofvogels die in het nabijgelegen Raspaillebos en Geitebos broeden: de Buizerd, de Wespendief, de Havik en de Torenvalk. Dit en hetgeen in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord aan bod kwam onderstreept het belang van de locatie waar de vergunning betrekking op heeft, zeker in het licht van de doelstellingen van verzoekende partij. Het is niet zomaar een vergunning op één welbepaalde locatie met beperkt effect, maar een vergunning die impact heeft op een prachtige bronbeekvallei. I.5 Het belang conform de Belgische Grondwet Enkele grondwetsartikelen zijn bepalend voor het belang waarnaar verzoekende partij handelt in het bijzonder bij het aanvechten van voorliggende verkavelingsvergunning. I.5.1 Artikel 7bis van de Belgische grondwet luidt ‘Bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden streven de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten de doelstellingen na van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties.’ Het kan o.i. niet dat de Vlaamse Overheid bij het uitvaardigen van een verkavelingsvergunning geen rekening houdt met dit streven naar duurzame ontwikkeling, m.a.w. er zorg voor draagt dat de unieke Steenborrebeekvallei niet nog verder achteruit gaat zowel op biologisch en landschappelijk vlak alsook in het belang ervan als natuurlijke overstromingsgebied. De zorg voor natuurwaarden is ondermeer geregeld via het stand-still principe (artikel 8 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 21 oktober 1997 [verder het natuurdecreet]) en deze zorg wordt met de voeten getreden doordat rechtstreeks ca. 36a floristisch hoogstaande grond waar ook amfibieën, zoogdieren en roofvogels hun gading vinden biologisch gezien gedegradeerd wordt. Het verlies van een authentieke bronbeek is in strijd met de duurzame ontwikkeling van de valleigebieden zoals die is ingeschreven in een van de doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003 [verder DIWB] o.m. in artikel 5, 4/ van het DIWB dat luidt: ‘het voorkomen van de verdere achteruitgang (..) van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door
- a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
- b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen; (..)’. Deze grondwetsbepaling is eveneens een specifieke doelstelling van verzoekster zoals omschreven in art. 2 §1 van de statuten van verzoekster: ‘De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen’. In art. 2 §2 van de statuten specificeert veel concreter in welke domeinen verzoekende (partij) precies actief is. In het kader van de doelstelling X-13.201-16/22 van de nagestreefde duurzame ontwikkeling zoals neergeschreven in de grondwet diende verzoekende partij het verzoekschrift in bij uw Raad en heeft zij aldus de vereiste hoedanigheid en belang. I.5.2 Artikel 23 van de grondwet bepaalt : ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid : (..) 4/ het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; (..).’ Een precieze definitie van een gezond leefmilieu ontbreekt in de Grondwet. In het decreet houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995 vinden we volgende definitie van milieu: ‘Art. 1.1.2. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder: 1/ milieu: de atmosfeer, de bodem, het water, de flora, de fauna en overige organismen andere dan de mens, de eco-systemen, de landschappen en het klimaat;’. Betreffende de draagwijdte en drempelwaarde van wat als gezond beschouwd wordt, leren we uit de parlementaire voorbereiding bij deze bepaling dat minstens een stand-still nagestreefd wordt. In het unieke overstromingsgebied van de Steenborrebeek gaan biologische waarden verloren bij uitvoering van de verkavelingsvergunning. M.a.w. er wordt geen stand-still nagestreefd met deze verkavelingvergunning (wat wel gekund had door een compensatie in natura). En verzoekster heeft derhalve het recht om het leefmilieu hier te beschermen en de wettigheid van de tenuitvoerlegging van de verkavelingvergunning bij uw Raad aan te vechten. Deze duidelijke grondwetsbepaling om de stand-still van het eco-systeem met zijn fauna en flora en de unieke landschapswaarde te verdedigen voor uw Raad is conform de doelstellingen van verzoekster”. 2.3.1. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. X-13.201-17/22 2.3.2. Met betrekking tot het werkingsgebied van de verzoekende partij stelt artikel 1, §4 van de statuten, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van de vordering, het volgende: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; -een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; -het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; -het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; -het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; -het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; -het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals X-13.201-18/22 staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz.”. 2.3.3. Terzake is de bestreden beslissing een stedenbouwkundige vergunning voor het verkavelen van drie percelen met het oog op woningbouw. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat “er een onmiddellijk rechtstreeks kwantitatief verlies is aan natuurwaarden” en dat “er (...) ook een direct kwantitatief verlies (
- is)aan overstromingsruimte”. Met betrekking tot de overstromingsproblematiek wordt in het advies van de gemachtigde ambtenaar en in het bestreden besluit, dat zich bij dit advies aansluit, overwogen dat “(d)e bezwaren nopens de mogelijke wateroverlast moeten gerelativeerd worden; volgens de kaarten opgemaakt door de (vroegere) afdeling Water bevinden de gronden zich niet binnen een ROG; tevens geeft de beheerder van de waterloop (dienst Waterlopen van de Provincie Oost-Vlaanderen) een gunstig advies”. De verzoekende partij toont aldus niet aan dat er een voldoende band bestaat tussen de bestreden beslissing en haar maatschappelijk doel. 2.3.4. De verzoekende partij beroept zich verder op het verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst zij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 2.5 van het verdrag luidt als volgt: “Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het verdrag bepaalt: “Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. Artikel 9.2 van het verdrag bepaalt: “Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek X-13.201-19/22 a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a). Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b). De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van dit verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat dergelijke organisatie niet meer dient te voldoen aan de hierboven gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van het verdrag. 2.3.5 Ten slotte beroept de verzoekende partij zich op de richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
- a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
- b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
- c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. X-13.201-20/22 De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedures 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. De hoger bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid strijden niet met de bepalingen van de genoemde richtlijn. 2.3.6. De verzoekende partij doet niet blijken van de vereiste hoedanigheid bij de ingestelde vordering. De verwijzingen in de laatste memorie naar de artikelen 7bis en 23 van de Grondwet en het stand-still-principe doen aan deze conclusie geen afbreuk en houden eerder verband met de grond van de zaak. De exceptie van de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij is gegrond. Het beroep is om deze redenen niet ontvankelijk. X-13.201-21/22 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Marc en Martine VAN DE VIJVER wordt afgewezen. Artikel 2. Het beroep wordt verworpen. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij en van de verzoekende partijen tot tussenkomst, ieder voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf november 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.201-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.706 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div