id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.709 Rolnummer: A. 192479/VII-37366 Zaak: Arrest 197709 - Milieuvergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.709 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 197.709 van 12 november 2009 in de zaak A. 192.479/VII-37.366 In zake: 1. Paul GELADÉ 2. Rachel THIRY 3. Lutgarde VAN CAPPELLEN 4. Thomas DEMUYSER 5. de BVBA MAVERICK INNOVATIVE COMMUNICATION SOLUTIONS 6. Reimond RAEYMAEKERS 7. Beatrice CLOSSET 8. Hans TOLLET 9. Patricia JOACHUM 8. en 9. in hun hoedanigheid van ouder, vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon Sam TOLLET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kris Wauters en Koen Geelen kantoor houdend te Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA VOLLON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te Turnhout de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 4 mei 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2009, waarbij het beroep VII-37.366-1/18 van de BVBA Vollon ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 10 juli 2008, houdende weigering van de milieuver- gunning voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor grond- en afbraakwer- ken, gelegen aan de Kraanbeekstraat te Landen, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de BVBA Vollon de gevraagde vergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2009. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kris Wauters, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 29 januari 2008 dient de BVBA Vollon bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het exploiteren van een inrichting voor grond- en afbraakwerken, gelegen aan de Kraanbeekstraat te Landen. VII-37.366-2/18 De betrokken site is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Tienen-Landen gelegen in industriegebied. De aanvraag strekt tot de herlocalisatie van een gelijkaardige inrichting die de BVBA Vollon exploiteert te Willebringen. 3.2. Bij besluit van 10 juli 2008 weigert de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning. De deputatie is van oordeel dat de geplande exploitatie milieutechnisch niet aanvaard kan worden wegens de ligging ervan in een overwegend open landbouwgebied en wegens de intensiteit van de breekactiviteiten. 3.3. Tegen dit besluit stelt de BVBA Vollon beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. 3.4. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht :
- a)in een advies van 7 november 2008 stelt de Openbare Vlaamse Afvalstoffen- maatschappij voor om de vergunning te verlenen voor een "proeftermijn" van vijf jaar en op voorwaarde dat tijdens de eerste breeksessie geluidsmetingen uitgevoerd worden;
- b)de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert op 7 november 2008 gunstig voor het lozen van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater;
- c)door de afdeling Toezicht Volksgezondheid wordt op 17 november 2008 gunstig advies uitgebracht mits de vergunning afhankelijk wordt gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden;
- d)het advies van 24 november 2008 van de afdeling Milieuvergunningen is ongunstig over de aanvraag;
- e)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid verleent op 28 november 2008 ongunstig advies over de vergunningsaanvraag "gezien het ontbreken van een voldoende brede groenbuffer ten opzichte van het omliggende open gebied en de aanwezige landelijke woonkern";
- f)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 2 december 2008 voorgesteld om het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar. Aan de vergunning zou evenwel een aantal bijzondere voorwaarden verbonden moeten worden. De BVBA Vollon werd op haar verzoek gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommis- sie. Tijdens de hoorzitting heeft zij een nota neergelegd waarin een aantal VII-37.366-3/18 bijkomende maatregelen wordt voorgesteld om het geluidsdrukniveau in de omgeving te milderen;
- g)op 11 december 2008 verleent de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid in extremis een "aangepast" advies. Haar vroeger ongunstig advies van 28 november 2008 wordt omgebogen in een gunstig advies. 3.5. Met een besluit van 23 februari 2009 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur wordt het beroep van de BVBA Vollon gegrond verklaard, wordt de beroepen beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant opgeheven en wordt aan de BVBA Vollon de gevraagde milieuvergunning verleend met oplegging van een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden. Dit is het bestreden besluit. Het luidt als volgt : "Gelet op het feit dat voormelde beroepindiener de volgende aanspraken en bezwaren doet gelden : - de weigering van de deputatie is voornamelijk gebaseerd op het feit dat de gevraagde breekinstallatie ruimtelijk / stedenbouwkundig en milieutechnisch niet verenigbaar wordt geacht met de omgeving; - geen motivatie van de weigering van de gevraagde afvalrecyclage-activiteiten; - het geplande bedrijf is gesitueerd in industriegebied volgens het gewestplan; er wordt tevens een gunstig advies gegeven door het Agentschap R-O Vlaanderen; - ARO, VMM, OVAM en TOVO hebben een gunstig advies uitgebracht; - een eerste geluidssimulatie - gebaseerd op theoretische gegevens - had enkel de bedoeling om na te gaan of de opmaak van een uitgebreide geluidssimula- tiestudie aangewezen was; - de uitgebreide geluidssimulatiestudie van Acoustical Engineering brengt wel alle elementen in rekening om een correcte inschatting van het te verwachten geluidseffect van de exploitatie in kaart te brengen; zo wordt er rekening gehouden met een gerichte opstelling van de breker, het geluidsafschermend effect van de betonnen keerwand en de loodsen, het geluidseffect van de zeef, bulldozer en kraan en met een gelijktijdige werking van de hakselaar voor groen- en houtafval; er is dus uitgegaan van een worst case scenario; bovendien werden niet alleen literatuurgegevens gebruikt, maar effectieve geluidsmetingen van identieke toestellen en machines in werking; uit de studie kan geconcludeerd worden dat in alle vereiste meetpunten de geldende geluidsnormen zullen worden gerespecteerd; - in meetpunt 1 van het akoestisch omgevingsonderzoek van de stad Landen wordt de geluidsnorm van 45 dB(A) gerespecteerd; meetpunt 2 is geen meetpunt zoals bedoeld in Vlarem voor het meten van het geluidseffect van een exploitatie; de opmeting van het geluidsdrukniveau gebeurde bij het omgevingsonderzoek niet per octaafbanden, zodat het onmogelijk is om stoorgeluiden, eigen aan de omgeving aan te duiden; er werd ook geen rekening gehouden met het feit dat het uitgestrekt agrarisch gebied tijdens VII-37.366-4/18 de drukke oogstperiode gekenmerkt wordt door zeer veel transporten en werkende oogstmachines die ook een belangrijke bijdrage leveren aan het omgevingsgeluid; - geluid van aan- en afvoer werd niet specifiek bepaald, maar dit betreft fluctuerend geluid dat niet continu geproduceerd wordt; - het betreft geen permanente breekwerf; in eerste instantie zal er maximaal een 6-tal keren per jaar gebroken worden; dit zou door groei van de activiteiten in de toekomst kunnen uitbreiden naar maximaal 1 breeksessie per maand; - de stad Landen heeft een ongunstig advies gegeven voor de locatie; in het verleden werden nochtans reeds meerdere malen vergunningen afgeleverd, onder meer door de stad Landen zelf, voor de exploitatie van een breekwerf op dezelfde site aan de Kraanbeekstraat in Ezemaal; er werd over deze exploitaties ook geen enkele klacht over hinder ingediend door de omwonen- den; - de PMVC heeft een gunstig advies gegeven met voor de breekinstallatie een proefvergunning van 2 jaar met een beperking van het aantal breeksessies tot maximaal 6 per jaar waarbij elke sessie maximaal 5 dagen mag bedragen; een vergunningstermijn van 2 jaar is niet realistisch; er wordt dan ook voorgesteld om de vergunningstermijn niet te beperken, maar een bijzondere voorwaarde aan de vergunning te koppelen, waarin gesteld wordt dat er tijdens de eerstvolgende breeksessie geluidsmetingen dienen te gebeuren die de conformiteit met de geluidsnormen kunnen bevestigen; Gelet op het horen op 2 december 2008 door de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie van de exploitant, die inzonderheid een toelichting geeft en de volgende punten aanhaalt: - Vollon is een kleinschalig bedrijf voor grond- en afbraakwerken; de exploitant heeft problemen gehad bij de zoektocht naar een geschikt terrein; de reden hiervoor is dat voor de aanvaarding op bepaalde industrieterreinen de werkgelegenheidsgraad van belang is; voor Vollon is deze laag aangezien het een arbeidsextensieve activiteit betreft die bovendien een grote oppervlakte nodig heeft; - geluidshinder is de voornaamste reden van de weigering door de deputatie; in de simulatie van Acoustical Engineering wordt ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning de norm van 45 dB(A) gehaald; de simulatie gaat uit van een worst case scenario waarbij alle geluidsproducerende toestellen tegelijkertijd op vollast draaien; in realiteit kan dit niet, aangezien er naast de zaakvoerder slechts 2 werknemers zijn en deze onmogelijk 6 toestellen tegelijkertijd kunnen bedienen; - het breken betreft geen permanente activiteit; er vinden per jaar maximaal 6 sessies plaats van maximaal 5 dagen; - er wordt verwezen naar het advies van de afdeling Milieuvergunningen, waarin is opgenomen dat de normen slechts nipt gehaald worden voor de dichtstbijzijnde woning en geen extra geluidsmilderende maatregelen zijn voorgesteld ten opzichte van eerste aanleg; de simulatie werd uitgevoerd door een erkend deskundige; dit betekent een bedreiging voor de fundamen- ten van de milieuwetgeving omdat de erkend deskundige en de waarde van Vlarem II in vraag worden gesteld; - er werd een aanvullende simulatie uitgevoerd door Acoustical Engineering met bijkomende maatregelen, waarbij het geluid ter hoogte van de dichtstbij- zijnde woning met 3 dB(A) wordt teruggedrongen; het bijhorende verslag wordt overhandigd; - het akoestisch onderzoek in opdracht van de stad Landen, waarbij een omgevingsgeluid van 37 dB(A) werd bekomen, is uitgevoerd buiten de oogstperiode; er werd geen rekening gehouden met het normale verkeer in VII-37.366-5/18 agrarisch gebied; het breken is slechts een periodieke activiteit en zal het omgevingsgeluid niet overheersen; - milieukwaliteitsnormen voor agrarisch gebied worden gehaald; - opslag, sorteren en mechanische behandeling van bouw- en sloopafval in de loods staat los van de geluidsproducerende activiteiten buiten; deze activiteiten kunnen dus apart vergund worden los van de breekactiviteiten; - de weigering in het besluit van de deputatie is beperkt gemotiveerd, waarbij een veralgemening gebeurt van de breekactiviteiten naar de andere activiteiten; gelijkaardige activiteiten zijn in het verleden wel vergund op exact dezelfde locatie zonder hinderbeperkende maatregelen; dit is een aanval op het gelijkheidsbeginsel en de rechtszekerheid; - in antwoord op de vraag van de adviesverlener van de afdeling Stedenbouw- kundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid of het groenscherm kan worden verbreed, geeft de exploitant aan dat het terrein maar 40 meter breed is en daarom ook een afwijking op het groenscherm aan de perceelsgrens met Voeders Huon werd aangevraagd; - de wind komt voornamelijk uit zuidwestelijke richting en er is geen woonzone die hier rechtstreeks hinder van ondervindt; - het dichtstbijzijnde huis is gelegen naast de spoorlijn Brussel-Luik; voor personen- en goederenvervoer samen komen ongeveer 50 treinen per dag voorbij; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 7 november 2008 van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij; Gelet op het advies van 7 november 2008 van de Vlaamse Milieumaatschappij; Gelet op het voorwaardelijk gunstige advies van 17 november 2008 van de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin; Gelet op het ongunstige advies van 24 november 2008 van de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; Gelet op het ongunstige advies van 28 november 2008 en het bijkomende gunstige verslag van 11 december 2008 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; Gelet op het gunstige advies van 2 december 2008 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; Gelet op de ligging van de inrichting in een industriegebied volgens het gewestplan Tienen-Landen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 maart 1978; Overwegende dat in het bijkomende verslag van 11 december 2008 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid een gunstige beoordeling wordt uitgebracht betreffende de geplande inrichting; Overwegende dat de industriële gebieden een bufferzone omvatten die moet worden aangebracht op het industriegebied zelf; dat de breedte en de aanleg van de bufferzone afhankelijk is van de oppervlakte en de vorm van het industriege- bied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden; dat rondom de feitelijke industriezones op de aldus aangeduide zone, een bufferstrook moet aangelegd worden met een vooropgestelde richtinggevende breedte van 25 m; Overwegende dat in het kader van de hoorzitting door de aanvrager werd aangegeven dat er geen mogelijkheid bestaat om het geplande groenscherm te verbreden; dat het in casu een vrij kleinschalig industriegebied betreft dat omringd wordt door agrarisch gebied en paalt aan twee straten en de spoorlijn Brussel-Luik; dat in die omstandigheden een geringere bufferbreedte dan gebruikelijk aanvaardbaar is; dat gezien de aanwezigheid van een veevoederbe- drijf en de specifieke configuratie van het industriegebied zelf het niet haalbaar VII-37.366-6/18 is om een breder groenscherm te realiseren; dat de specifieke opbouw van de buffer (groen + schermen) voldoende is gezien de plaatsgesteldheid en het ontbreken van hindergevoelige zones in de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten bijgevolg gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het beroep ingediend door de exploitant betrekking heeft op het weigeren van de vergunning voor het exploiteren van een inrichting voor grond- en afbraakwerken; dat de beoogde vergunning meer bepaald betrekking heeft op de volgende activiteiten: - opslag en mechanisch behandelen van beton- en mengpuin; - opslag, sorteren en mechanisch behandelen van bouw- en sloopafval; - opslag, sorteren en hakselen van groenhoutafval; - opslag van niet verontreinigde uitgegraven bodem, gezeefde grond, zand en teelaarde; Overwegende dat de aanvraag een herlocalisatie betreft van het bedrijf, dat omwille van de uitbreiding van de oorspronkelijke activiteiten planologisch onverenigbaar is geworden met het agrarische gebied, waarin de huidige site te Willebringen gesitueerd is; Overwegende dat de geplande inrichting gelegen is in industriegebied; dat het bedrijf aan één zijde grenst aan het veevoederbedrijf Voeders Huon NV en verder omgeven is door agrarisch gebied; dat in een straal van 100 meter rondom de perceelsgrenzen geen woningen gelegen zijn; dat de dichtstbijzijnde woning gelegen is langs de spoorlijn in de Kraanbeekstraat op circa 150 meter van de grens van het industriegebied en op een afstand van ongeveer 360 meter van de inplanting van de breekinstallatie; dat deze woning zich ten zuidoosten van de inrichting bevindt; dat de woonkern Ezemaal op circa 450 meter ten noordoosten gelegen is; Overwegende dat het een nieuwe inrichting betreft; dat er alleen activiteiten zullen plaatsvinden tijdens de daguren; dat het omgevingsgeluid voor de dagperiode lager is dan de richtwaarde; dat bijgevolg overeenkomstig artikel 4.5.3.1, §3 van titel II van het VLAREM het specifiek geluid kleiner dan of gelijk aan de richtwaarde verminderd met 5 dB(A) moet zijn; dat dit voor een gebied gelegen op minder dan 500 m van een industriegebied overeenkomt met 45 dB(A) overdag; Overwegende dat door de gemeentelijke toezichthoudend ambtenaar van de stad Landen een oriënterend akoestisch onderzoek omgevingsgeluid werd uitgevoerd; dat hieruit blijkt dat het oorspronkelijke omgevingsgeluid voor de dagperiode in de Kraanbeekstraat op circa 150 m van het industrieterrein ongeveer 37 dB(A) bedraagt; dat deze waarde werd berekend uit een dertigtal LA95,lh waarden die werden opgemeten in de achtertuin van de woning Kraanbeekstraat nummer 82; dat de resultaten uit dit oriënterend akoestisch onderzoek aantonen dat het oorspronkelijke omgevingsgeluid in de Kraanbeek- straat en de omgeving van het industrieterrein aanzienlijk lager ligt dan de voorgeschreven milieukwaliteitsnorm voor de dagperiode; Overwegende dat een aantal geluidsproducerende activiteiten worden ondergebracht in een loods; dat meer bepaald het sorteren van bouw- en sloopafval, het verkleinen van het metaal met de ijzerzaag en het shredderen van hout en plastiek binnen in het bedrijfsgebouw zal gebeuren; Overwegende dat er een geluidssimulatiestudie werd uitgevoerd door Acoustical Engineering op 14 april 2008; dat de studie uitgaat van een worst case scenario, waarbij alle geluidsproducerende machines, die in open lucht staan opgesteld, tegelijkertijd in werking zijn; dat de voor de simulatie gebruikte geluidsvermogenniveaus van de betrokken machines gebaseerd zijn VII-37.366-7/18 op effectieve geluidsmetingen, literatuurgegevens en leveranciersgegevens; dat de mobiele breekinstallatie met bijhorende zeefinstallatie en de houthakselaar de belangrijkste geluidsbronnen zijn; dat er gerekend werd met meewindcondi- ties; dat in de studie rekening gehouden wordt met de gerichte opstelling van de breker en het geluidsafschermend effect van de betonnen keerwand en de loodsen; dat er vier evaluatiepunten werden beschouwd; dat in de studie geconcludeerd wordt dat, mits het parallel plaatsen van de breker aan de Hooibout en een optimaal gebruik van de aanwezigheid van de betonnen keerwand en de stockberg, het specifieke geluid veroorzaakt door de nieuwe inrichting steeds conform de milieukwaliteitsdoelstellingen en de gestelde grenswaarde zal zijn in alle door titel II van het VLAREM vereiste evaluatie- punten; Overwegende dat uit voormelde studie van Acoustical Engineering blijkt dat de geluidsnormen kunnen gehaald worden, mits de aangegeven milderende maatregelen getroffen worden; dat de studie is uitgegaan van een gelijktijdige aanwezigheid van zes verschillende geluidsbronnen namelijk een breker, een zeefinstallatie, een houthakselaar, een bulldozer en 2 kranen; dat dit onwaar- schijnlijk is aangezien naast de exploitant maar 2 andere werknemers zullen tewerkgesteld worden op de site; dat het hakselen van groenhoutafval, het zeven en het breken van puin discontinue activiteiten zijn; dat omwille van het kleinschalige karakter van het bedrijf er geen nood is aan een permanente breekinstallatie en dat een maximum van 6 breeksessies per jaar moet volstaan voor de huidige activiteiten; dat uit de aanvraag blijkt dat een breeksessie ongeveer 5 dagen in beslag neemt; dat het opportuun is om deze beperking van het aantal en de duur van de breeksessies als bijzondere voorwaarde op te nemen in de vergunning; Overwegende dat door Acoustical Engineering een aanvullende geluidsprog- nose werd opgesteld op 28 november 2008, waarin nog enkele bijkomende saneringsmaatregelen worden voorgesteld om het geluid veroorzaakt door de inrichting ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning nog verder terug te dringen; dat het volgende voorstel werd uitgewerkt : - een scherm met een lengte van 12 meter en een hoogte van 5 meter moet parallel aan de Kraanbeekstraat voor de breker en zeef geplaatst worden; de afstand van de breker en zeef tot het scherm mag maximaal het dubbele van de hoogte van het scherm bedragen; - een tweede scherm met een lengte van 7 meter en een hoogte van 4 meter moet parallel aan de spoorweg en haaks op de keerwand ter hoogte van de houthakselaar geplaatst worden; - het scherm kan opgetrokken worden in betonblokken of het kan een stockberg zijn; het belangrijkste gegeven is dat de afstanden en de hoogtes gerespecteerd worden; Overwegende dat door voormeld voorstel het specifieke geluid veroorzaakt door de nieuwe inrichting ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning bijkomend zal afnemen van 45 dB(A) naar 42 dB(A); dat dit overeenkomt met het wegnemen van een geluidsbron van 42 dB(A) en dus kan beschouwd worden als een duidelijke reductie van het geluid; dat met het opleggen van de voorgestelde saneringsmaatregelen het geluid tot een aanvaardbaar niveau voor de omgeving kan worden teruggebracht; Overwegende dat de geluidsprognose van Acoustical Engineering een simulatie betreft; dat de conformiteit met de geluidsnormen moet gecontroleerd worden met effectieve geluidsmetingen ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen; dat het daarom aan te bevelen is om na ingebruikname van de inrichting geluidsmetingen te laten uitvoeren door een erkend deskundige; VII-37.366-8/18 Overwegende dat de geplande recyclageactiviteiten zowel diffuse stofemis- sies (vervoer, op- en overslag) als stofemissies via puntbronnen (breker) kunnen veroorzaken; dat de geplande breek- en zeefactiviteiten buiten zullen plaatsvin- den; dat het vervoer en de voorziene opslag van niet-verontreinigde uitgegraven bodem, gezeefde grond, zand en teelaarde eveneens aanleiding kunnen geven tot stofhinder; Overwegende dat het bedrijf de volgende preventieve maatregelen voorziet om deze hinder te beperken: - alle oppervlakken die bereden worden, zijn verhard; - om stofverspreiding tegen te gaan wordt er een talud met een groenscherm voorzien voor de afscherming van de ruilverkavelingsweg en het achterlig- gende landbouwgebied; - de sortering en opslag van de verschillende fracties van het bouw- en sloopafval zal binnen gebeuren; de aangevoerde containers met bouw- en sloopafval zijn steeds afgedekt indien ze verstuivende stoffen bevatten; - er wordt een vernevelingsinstallatie voorzien om stofverspreiding tegen te gaan tijdens het breken; Overwegende dat enkel grond die voldoet aan bijlage V van VLAREBO mag aanvaard worden; dat de exploitant dit aan de hand van een technisch verslag of door analyses door een door de OVAM erkend laboratorium moet aantonen; Overwegende dat de voorziene breekinstallatie (Rubble Master RM8O) uitgerust is met een stofsuppressiesysteem dat via waterverneveling in de breker en aan de puinuitvoer de stofhinder bij het breken tegengaat; dat in de aanvraag ook een sprinklersysteem voorzien wordt van het type 'Mist-Air'; dat hierbij een kunstmatige mist gecreëerd wordt van bijzonder fijne waterdruppels die het stof absorberen en neerslaan; dat deze volgens de exploitant zal aangewend worden om ook stofverspreiding tengevolge van andere activiteiten tegen te gaan en de opslag te bevochtigen indien nodig; Overwegende dat conform het uitvoeringsplan een nieuwe verharde weg zal aangelegd worden op een gedeelte van het terrein; dat uit navraag bij Sylvio Giovannelli van DLV blijkt dat dit een betonverharding betreft en de rest van de verhardingen van de bereden oppervlakken zullen bestaan uit steenslag; dat in de aanvraag ook een wasstraat is opgenomen; dat deze in eerste instantie bedoeld is voor het regelmatig onderhoud van de voertuigen uit het eigen machinepark; dat de wasstraat op het voorste gedeelte van het terrein gelegen is, waar de betonverharding voorzien is; dat om vervuiling van de openbare weg door voertuigen tegen te gaan, de wielen kunnen gereinigd worden in de wasstraat als alternatief voor een wielwasinstallatie vooraleer ze het bedrijfster- rein verlaten; Overwegende dat in de milieuvergunningsaanvraag afwijking gevraagd wordt van het in artikel 5.2.1.5, §5 van titel II van het VLAREM voorziene groenscherm van 5 meter breed; dat meer bepaald aan de grens met het bedrijf Voeders Huon NV geen groenscherm zal voorzien worden en dit omwille van de beperkte breedte van het perceel; dat de zaakvoerder van Voeders Huon NV zich akkoord heeft verklaard met het weglaten van het groenscherm ter hoogte van zijn bedrijf; dat de gehandtekende goedkeuring is toegevoegd aan het dossier; dat langs de andere zijden wel een groenscherm wordt voorzien, behalve ter hoogte van de loods; dat omwille van de beperkte afmetingen van het terrein op deze plaats een aantal voorzieningen zijn gepland zoals een infiltratiebekken; dat het bijgevolg technisch onmogelijk is om ter hoogte van de loods een volwaardig groenscherm aan te leggen; dat bijgevolg het inrichtingsplan hier alleen lage beplanting voorziet; dat op hetzelfde plan ook alleen lage begroeiing is aangegeven ter hoogte van de opslag van groenhoutaf- val; dat uit navraag bij de exploitant blijkt dat dit een vergissing is op het plan en er op deze locatie wel degelijk een volwaardig groenscherm zal aangeplant VII-37.366-9/18 worden; dat uit voorgaande overwegingen kan geconcludeerd worden dat de gevraagde afwijking kan worden toegestaan met uitzondering van de op het inrichtingsplan verkeerdelijk aangeduide zone met lage begroeiing; Overwegende dat er ook groenhoutafval zal worden aangevoerd en verhakseld op de inrichting; dat het groenhoutafval buiten wordt opgeslagen en een potentiële bron van geurhinder kan vormen; dat voor het groenhoutafval de krachtlijnen van de omzendbrief van 26 mei 2004 betreffende de kwaliteit van houtsnippers voor gebruik van mulchmateriaal zullen worden nagestreefd; dat dit onder andere inhoudt dat alleen gezond en zuiver snoeihout in aanmerking zal komen en er geen productie van mulchmateriaal uit afvalhout is toegestaan; dat bovendien in de omzendbrief is opgenomen dat de opslag van het verhakselde snoeihout beperkt is tot maximum 2 maanden en het teveel moet afgevoerd worden naar een vergunde composteringsinstallatie; dat de overige grondstoffen en afvalstoffen die buiten worden opgeslagen inert en geurloos zijn; dat rekening houdend met de voormelde overwegingen en de afstand tot de bewoning geen geurhinder te verwachten valt; Overwegende dat de lozing van 0,1 m³/u - 0,2 m³/d - 30 m³/j huishoudelijk afvalwater en 0,2 m³/u - 1,8 m³/d - 450 m³/j bedrijfsafvalwater in oppervlakte- water wordt aangevraagd; dat het huishoudelijk afvalwater afkomstig is van het sanitair van de werkplaats en het kantoor en via een individuele behandeling voor afvalwater zal geloosd worden op het oppervlaktewater; dat het bedrijfsaf- valwater afkomstig is van de wasplaats voor voertuigen en machines en via een KWS-scheider met coalescentiefilter zal worden geloosd op het oppervlaktewa- ter; dat het regenwater zal worden opgevangen in twee citernes van 20 m³ en hergebruikt in het sprinklersysteem en voor het wassen van voertuigen en machines; dat het overtollige regenwater zal afgeleid worden naar een infiltratievoorziening; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5, 1/ van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid tegen uiterlijk 22 december 2015 een goede toestand van de watersystemen moet worden bereikt; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, de inrichting is gelegen in het Demerbekken en afstroomt naar de Crambeek; dat de inrichting niet gelegen is in overstromingsgevoelig gebied; Overwegende dat het bedrijfsterrein gelegen is in een gebied dat matig gevoelig is voor grondwaterstroming (type 2); dat er geen ondergrondse constructies worden aangevraagd; dat er bijgevolg geen schadelijk effect verwacht wordt op de grondwaterstroming; Overwegende dat er nieuwe gebouwen en verharde oppervlakken gepland zijn; dat de totale oppervlakte hiervan minder is dan 1 ha; dat 2 citernes voor de opvang van hemelwater voorzien zijn van elk 20 m³; dat bijkomend een infiltratiebekken is voorzien op het inplantingsplan; dat dit bekken zo zal gedimensioneerd worden dat aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzie- ningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater wordt voldaan; Overwegende dat uit bovenvermelde overwegingen blijkt dat de vergun- ningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits strikte naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt; VII-37.366-10/18 Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beslissing op te heffen en de gevraagde vergunning te verlenen". IV. Tussenkomst 4. Met een op 26 mei 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de BVBA Vollon om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. V. Ontvankelijkheid Standpunt van de tussenkomende partij 5. De tussenkomende partij betoogt dat de verzoekende partijen geen nadeel kunnen lijden uit de bestreden beslissing nu geen van hen in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting woont; de verzoekende partijen zouden aldus hun belang niet aantonen. Beoordeling 6. Daar, zoals hierna zal blijken, niet voldaan is aan de grondvoor- waarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, is er in de huidige stand van het geding geen aanleiding om de exceptie van gebrek aan belang te beoordelen. VI. Grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing 7. Op grond van artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerleg- ging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-37.366-11/18 Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft Standpunt van de partijen 8. De verzoekende partijen omschrijven hun moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt : "Het nadeel voor de verzoekende partijen volgt uit de ligging van de respectieve woningen van de verzoekende partijen t.o.v. het perceel waar de vergunde exploitatie ligt. De verzoekende partijen leggen foto's neer van het industrieterrein en de woningen van verzoekende partijen (...). De verzoekende partijen leggen tevens foto's neer van de omgeving van het industrieterrein (om duidelijk te makèn dat zij in een zeer landelijke en rustige omgeving wonen) en foto's van de wegen waarover het transport naar en van de vergunde inrichting moet gebeuren (om aan te tonen dat deze volkomen ongeschikt zijn voor dergelijk transport) (...). De verzoekende partijen zullen eerst de hinderlijke aspecten van de vergunde inrichting toelichten, waarna zij deze hinderlijke aspecten zullen betrekken op de situatie van elk van de verzoekende partijen. A. De hinderlijke aspecten van de inrichting De hinderlijke aspecten van de inrichting zijn reeds sterk aan bod gekomen bij de ontwikkeling van de middelen. Samengevat zullen deze de volgende zijn: - De geluidshinder In de aanvraag zelf is er heel veel aandacht gegaan naar het geluid dat deze onderneming meebrengt. Bij het ontwikkelen van het tweede middel hebben de verzoekende partijen er al op gewezen dat daarbij niet met alle geluidsbronnen rekening werd gehouden, dat er niet steeds van de correcte geluidsnormen werd uitgegaan en dat de inschatting gebeurde op een theoretisch model waarvan te weinig marge voor de realiteit werd gehouden. Er gaat derhalve een ernstige geluidshinder gepaard met de inrichting; daarnaast is er nog de geluidshinder van het zware transport naar- en van de inrichting. Deze geluidshinder moet voor de verzoekende partijen benaderd worden vanuit hun huidige situatie : zij wonen thans in een geluidsarm gebied. De geluidsmeting van de gemeentelijke ambtenaar toont aan dat het omgevingsge- luid van dit gebied zelfs in woongebied absoluut laag is - De verkeershinder Bij het ontwikkelen van het eerste onderdeel van het derde middel hebben de verzoekende partijen reeds aangegeven dat de inrichting noodzakelijkerwijze zal leiden tot een grote stroom van zwaar transport waarop het lokale wegennet absoluut niet berekend is. Dit zal leiden tot een onaanvaardbare verkeershinder met vele onveilige situaties. Deze verkeershinder moet voor de verzoekende partijen benaderd worden vanuit hun huidige situatie : zij wonen thans in een verkeersarm gebied. Door het geringe aantal inwoners en de ontbrekende industrie, is er in het gebied van de verzoekende partijen absoluut geen verkeer. - Visuele en ruimtelijke hinder Bij het ontwikkelen van het eerste onderdeel van het derde middel hebben de verzoekende partijen reeds duidelijk gemaakt dat de opslag van het afval van dergelijke omvang zal zijn dat dit zal leiden tot een imposante en hoge terreinbezetting. Gelet op het feit dat de verzoekende partijen wonen in een zeer landelijk en natuurlijk gebied met bijzonder weinig bebouwing, zal dit het esthetisch, visueel - ruimtelijk karakter van het gebied sterk aantasten. VII-37.366-12/18 - Stofhinder Dat de vergunde inrichting stofhinder zal meebrengen is evident. De uitdrukkelijke bedoeling van de inrichting is o.m. om bouwpuin op te slaan, dit te breken en te zeven zodat er gerecycleerde bouwstoffen ontstaan. Zowel het breek- zeefproces als de opslag en het transport van de gebroken/gezeefde materialen zal leiden tot een aanzienlijke verhoging van de stofconcentratie in de lokale atmosfeer. De milderende maatregelen die voorzien zijn, zullen deze verhoging nooit kunnen wegnemen. Deze hinder moet voor de verzoekende partijen benaderd worden vanuit hun huidige situatie: zij wonen in een quasi stofvrije omgeving. B. De situatie van de verzoekende partijen a. Paul Roger Geladé en Rachel Marie Thiry, met woonplaats te 3300 Tienen, Ezemaalstraat 58 Dhr. en Mevr. Geladé - Thiry wonen reeds meer dan 20 jaar te 3300 Tienen, Ezemaalstraat nr. 58. Zij zijn de dichtstbijzijnde buren van het industrieterrein en wonen er op circa 120 m van. Als dichtste buren zullen zij de hierboven geschetste hinder het hevigst ondergaan. Gelet op de hinder en gelet op de leeftijd van de partijen is er voor hen een ernstig gezondheidsrisico aan de vergunde activiteiten verbonden. De verzoekende partijen wijzen er op dat hun driegevelwoning een open zijde heeft in de richting van de inrichting. Tussen de inrichting en de woning is er een open vlakte (...). Er is geen natuurlijke buffer zodat het stof, het geluid en de geur van de inrichting hun woning zeer gemakkelijk kan bereiken, zeker wanneer er NO-winden zijn. Visueel is er een enorme hinder aangezien de inrichting pal voor de open zijde van de woning zal komen te staan. De aan- en afvoerende vrachtwagens en de machines zullen evenzeer storende elementen zijn. Recent hebben de verzoekende partijen een ventilatiesysteem aangekocht met de bedoeling zuivere buitenlucht in de woning te brengen. Deze investering zal verloren zijn wanneer de inrichting er komt, gelet op verhoogde aanwezig- heid van fijne stofdeeltjes en de afvalgeur in de lucht. De gezondheidsrisico’s zullen bovendien toenemen. De verzoekende partijen moeten nu reeds met anti-allergische medicijnen behandeld worden. En tenslotte zal de leefbaarheid van hun straat ernstig aangetast worden : de Ezemaalstraat is een zeer smalle weg die niet toegankelijk is voor 2 wagens op hetzelfde moment (...). Opdat 2 wagens kunnen passeren moet nu reeds één van de wagens over de stoeprand of het grasveld rijden. Geen enkele verzoekende partij is in de mogelijk(heid) om zijn wagen met een gerust hart te parkeren op de straat of aan de straatzijde. Dat dit alles de leefbaarheid in het gedrang brengt staat vast. b. Lutgarde Maria Van Cappellen Mevr. Van Cappellen woont aan de Ezemaalstraat nr. 44. Zij is sinds 1991 nachtverpleegster in het Heilig Hart Ziekenhuis te Tienen (...). Dit betekent dat zij overdag moet slapen om 's nachts haar taak te vervullen. Daartoe is zij in een rustige omgeving gaan wonen. De komst van een afvalrecyclagebedrijf/ breekwerf dat overdag actief is en waarvoor er continu zwaar beladen vrachtwagens langs de woning af- en aanrijden, zal deze noodzakelijke nachtrust onmogelijk maken. Ook voor haar geldt -gelet op de ligging van haar woonst- dat zij de ernstige geluids- stof- verkeers- en visuele hinder van het bedrijf zal ondergaan. c. Thomas Demuyser Thomas Demuyser is de meerderjarige zoon van Mevr. Van Cappellen en woont evenzeer Ezemaalstraat nr. 44. Hij is sinds zijn kinderjaren astmapatiënt en derhalve bijzonder gevoelig aan stofrijke situaties (...). De eerste maatregel die astmapatiënten moeten nemen om hun ziektesymptomen te milderen is het wegnemen van alle mogelijke irritatiebronnen. Het huis wordt dan ook zo goed VII-37.366-13/18 mogelijk en nauwgezet afgeschermd van huisstof en alle aanverwanten. Hiervoor worden mede op uitdrukkelijk verzoek van de behandelende geneesheer de kamer stofvrij gehouden en neemt hij verschillende inhalatieme- dicatie in (...). De komst van een breekwerf en afvalrecyclagebedrijf zal hoe dan ook leiden tot een hogere concentratie van kleine stofdeeltjes in de lucht. Het nadeel is dan ook vaststaand. Thomas Demuyser zal te maken hebben met een verzwakking van zijn respiratoir systeem. Hij zal zwaardere inspanningen moeten leveren om een normaal leven te kunnen lijden. Een andere hinder die de heer Demuyser zal ondervinden is de verkeers- en geluidshinder van de voorbijrijdende vrachtwagens. Voor een universiteitsstu- dent is een lawaaierige omgeving niet aangewezen om te studeren. Tot op heden was er in dit rustig landelijk gebied geen lawaaihinder. De komst van het bedrijf verhoogt de geluidshinder en de activiteiten en het bedrijfsverkeer zullen nagenoeg de rustige omgeving domineren. d. BVBA Maverick Innovative Communication Solutions met maatschappelijke zetel te 3300 Tienen. Ezemaalstraat 45 B.V.B.A. Maverick Innovative heeft haar maatschappelijke -en exploitatiezetel te Tienen, Ezemaalstraat 45. De verzoekende partij is actief in de productie van audiovisuele werken in het domein van de cultuur en de geneeskunde, het design van musea en culturele installaties zoals bezoekerscentra of wereldexpo- paviljoenen en live video's voor medische congressen (...). Daartoe heeft de B.V.B.A. Maverick diverse studio's in de Ezemaalstraat : een klankopnamestudio, een videostudio broadcast standaard definitie, een videostudio broadcast hoge definitie, een opnamestudio 'sound stage' voor interviews of kleine sets. Foto's van de studio's worden bijgevoegd (...). Deze studio's zijn extreem gevoelig voor trillingen. De studio werd in 2005 op deze plaats opgetrokken met de bijzondere bedoeling in een rustige omgeving te kunnen werken. De verzoekende partij vreest dat de aanwezigheid van de B.V.B.A. Vollon 2 soorten trillingen zal meebrengen nl. geluidstrillingen afkomstig van de werking van het vergunde bedrijf en van het transport en de trillingen via de bodem veroorzaakt door de zware transporten. Deze trillingen zullen ontstaan op de meeste uiteenlopende en meest onvoorspelbare momenten, zodat ze meestal midden in een opname zullen vallen. Daarmee wordt de activiteit van de verzoekende partij ter plaatse onmogelijk. e. Reimond Gislenus Raeymaekers Dhr. Raeymaekers, woont te 3400 Landen, Kraanbeekstraat 112. Naast de hinder die elke omwonende zal ondervinden van de vergunde inrichting (en zoals hierboven reeds geschetst) vreest dhr. Raeymaekers vooral voor onherstelbare schade aan zijn woning. De woning van Dhr. Raeymaekers vertoont op diverse plaatsen barsten (...), doch dit heeft tot nog toe geen impact gehad op de stevigheid van de woning. Het vele en zware transport dat met de vergunde inrichting zal gepaard gaan, zal allicht leiden tot onherstelbare schade aan zijn woning. f. Beatrice Closset Mevr. Closset woont Hakendoverstraat 5/A te Landen. Zij heeft een levensbedreigende ziekte en ondergaat daarvoor een langdurige behandeling. Tijdens deze behandeling zal haar immuniteitssysteem volledig worden aangetast. Zij moet in deze behandeling elke bijkomende belasting vermijden. Een hogere belasting van haar respiratoir stelsel met fijn stof zal haar gezondheidstoestand en haar weerstand duidelijk negatief beïnvloeden. Bovendien zal de geluidsoverlast haar rust verstoren en de reconvalescentie negatief beïnvloeden. Er worden 2 medische attesten toegevoegd die de ernst van haar situatie benadrukken (...). VII-37.366-14/18 g. Sam Tollet (minderjarige) vertegenwoordigd door zijn ouders Hans Tollet en Patricia Joachum Sam Tollet woont Grote Steenweg 44 te Landen. Hij lijdt aan een ernstige vorm van allergische astma die gepaard gaat met eczeem en verzwaard wordt door de gevoeligheid aan luchtverontreiniging. Het medisch attest van de behandelende geneesheer verduidelijkt de ernst van zijn gezondheidssituatie (...). De familie Tollet woonde vroeger te Boutersem langs een Steenweg met veel verkeer en stof. Omwille van de gezondheidstoestand van hun zoon Sam verhuisde de familie Tollet naar Ezemaal. Sinds hun verhuis stelt het kind het beter, terwijl hij blijvend medisch gevolgd wordt en dagelijks medicatie inneemt. De familie Tollet dreigt door de komst van een breekwerf en afvalrecyclagebedrijf in de onmiddellijke nabijheid van hun woonst opnieuw terecht te komen in leefomstandigheden die ongunstig zijn voor hun zoon. Het staat buiten kijf dat dit een ondraaglijke situatie zal zijn voor de hele familie en voor de zieke Sam in het bijzonder. Elk van de geschetste nadelen is voldoende ernstig om als een moeilijk te herstellen nadeel te gelden. De Raad heeft in het verleden reeds aanvaard dat wanneer voldoende is aangetoond dat het woonklimaat dreigt verstoord te worden door geur- of geluidshinder tengevolge van een exploitatie, dat dit een nadeel is dat wanneer het eens is ondergaan, het niet meer op adequate wijze ongedaan kan worden gemaakt. Tegelijkertijd aanvaardde de Raad dat indien de hinderbeperkende maatregelen onvoldoende lijken, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangetoond is". 9. De verwerende partij voert in essentie aan dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aanvaardbaar is om reden dat de bestreden beslissing een uitgebreid aantal preventieve maatregelen en bijzondere vergunningsvoorwaar- den bevat waardoor geluidshinder en stofhinder tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. Voorts betoogt zij dat uit de geluidsstudie van de NV Acoustical Engineering blijkt dat de hinder door geluidstrillingen geen te weerhouden criterium is; wat de verkeershinder betreft merkt de verwerende partij op dat er slechts twee werknemers in het bedrijf werkzaam zijn, dat het kwestieus terrein gelegen is in industriegebied en dat het dus vanzelfsprekend is dat er vrachtwagens op en af rijden; wat visuele en ruimtelijke hinder betreft wijst de verwerende partij er op dat deze hinder beoordeeld moet worden bij de beoordeling van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning en dat er in de bestreden beslissing wel degelijk een stedenbouwkundige toetsing heeft plaatsgevonden. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat er geen geurhinder aangetoond wordt. VII-37.366-15/18 10. De tussenkomende partij merkt, wat de aangevoerde geluidshinder betreft, in essentie op dat de verzoekende partijen op minstens 442 meter van de inrichting wonen of hun exploitatiezetel hebben en door deze afstand alleszins geen ernstige hinder kunnen ondervinden, wat ook kan worden afgeleid uit de geluids- studie van de NV Acoustical Engineering; de bewering van de verzoekende partijen dat ze in een geluidsarm gebied wonen, dient ernstig gerelativeerd te worden daar er op het industrieterrein een veevoederfabriek bedrijvig is en er een drukke spoorlijn loopt; er werden in de milieuvergunning ook diverse bijzondere voorwaarden opgenomen. Voorts weerlegt de tussenkomende partij de beweerde verkeers- hinder; wat de visuele hinder betreft merkt zij op dat de inrichting aan het zicht onttrokken zal worden; wat de stofhinder betreft verwijst de tussenkomende partij naar de preventieve maatregelen en de bijzondere voorwaarden in de milieuvergun- ning opgenomen. Ten slotte merkt de tussenkomende partij op dat de verzoekende partijen niet aantonen waarom de zogenaamde hinder een moeilijk te herstellen karakter zou hebben. Beoordeling 11. In de huidige stand van het geding dient te worden aangenomen dat de verzoekende partijen hun woning of exploitatiezetel op ruime afstand van de inplantingsplaats van de inrichting lijken te hebben; uit de door de tussenkomende partij bijgebrachte stukken lijkt immers te moeten worden afgeleid dat de dichtst bij de inrichting wonende verzoekende partij, en dit is de zevende verzoekster, op ongeveer 450 meter van de inrichting woont; de andere verzoekende partijen lijken hun woning of exploitatiezetel op verdere afstand te hebben. Ter terechtzitting zijn de verzoekende partijen er niet in geslaagd deze feitelijke vaststelling te ontkrachten. Voorts dient er te worden beklemtoond dat de inrichting zich volgens de voorschriften van het gewestplan Tienen-Landen situeert in industriege- bied en dat de inrichting in de bestreden beslissing niet ten onrechte lijkt te worden VII-37.366-16/18 bestempeld als kleinschalig, onder andere gelet op de vergunde hoeveelheid te verwerken afvalstoffen. 12. Te dezen vindt een belangrijk gedeelte van de vergunde activiteiten plaats in een nieuw op te richten loods; dit geldt met name voor het sorteren van het bouw- en sloopafval, het verkleinen van het metaalafval en het versnipperen van het hout- en plastiekafval. De vergunde activiteiten die in de buitenlucht plaatsvinden, zijn de opslag van diverse verwerkte en niet-verwerkte stoffen, het hakselen van houtafval en het breken en zeven van bouwpuin door middel van een mobiele breker met bijhorende zeefinstallatie. In de bestreden milieuvergunning, met name in artikel 6, 2/, wordt een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden opgenomen waarvan de exploitatie afhankelijk is gesteld met het oog op het tot een aanvaardbaar niveau beperken van voornamelijk de stof- en geluidshinder. Rekening houdend met de naleving van die voorwaarden en de voornoemde afstand, slagen de verzoekende partijen er niet in concreet aan te tonen dat de hinder dermate ernstig is, dat die hun woon- en leefklimaat grondig zal verstoren. 13. Wat de aangevoerde verkeershinder betreft dient er te worden gewezen op het feit dat in de onmiddellijke omgeving van de verzoekende partijen zich de drukke spoorlijn Brussel-Luik bevindt alsook op kwestieus industrieterrein een veevoederbedrijf, zodat hun opmerking nopens een rustige landelijke omgeving, dient te worden genuanceerd. Voorts lijkt een toename van het verkeer naar het industriegebied niet dergelijke proporties aan te nemen dat de huidige situatie van de verzoekende partijen ernstig wordt verzwaard. In die zin lijkt ook de aangevoerde trillingshinder niet ernstig; de Ezemaalstraat is geen verkeersvrije straat en wordt thans reeds als toegangsweg naar het industriegebied gebruikt. VII-37.366-17/18 14. Ten slotte, wat de aangevoerde visuele hinder betreft, dient ook deze te worden genuanceerd; de nieuwe inrichting sluit aan bij een, op hetzelfde industriegebied gevestigd, veevoederbedrijf; voorts voorzien de bijzondere ver- gunningsvoorwaarden in milderende maatregelen. 15. Het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel is niet aanvaardbaar. 16. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING 1. Het verzoek van de BVBA Vollon tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Barra VII-37.366-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.709 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.217.089 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.223.045 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div