← België

Arrest 197712 - Milieuvergunningen - 12/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.712 Rolnummer: A. 183597/VII-36993 Zaak: Arrest 197712 - Milieuvergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.712 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 197.712 van 12 november 2009 in de zaak A. 183.597/VII-36.993. In zake: Willy MERTENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten August Meeusen en Pierre Bogaerts kantoor houdend te Antwerpen Stoopstraat 1, bus 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincie Antwerpen Tussenkomende partij: Jozef VAN GASTEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te Leuven Diestsevest 113 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 mei 2007, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 8 maart 2007 waarbij het beroep van de verzoeker tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel van 4 september 2006, houdende het verlenen aan Jozef Van Gastel van de milieuvergunning voor het exploiteren van een tuinbouwbedrijf, gelegen te Wuustwezel, Berkendreef, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 175.110 van 27 september 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-36.993-1/33 De verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 januari 2008. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Robby Ricour, die loco advocaten August Meeusen en Pierre Bogaerts verschijnt voor de verzoeker, bestuurssecretaris Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 7 juni 2006 dient Jozef Van Gastel, de tussenkomende partij, bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuwe inrichting, met name een tuinbouwbedrijf gespecialiseerd in het telen van tomaten. Het gaat om een nieuwe serre die volledig autonoom zal worden uitgebaat. Uit de aanvraag blijkt dat er gemiddeld twintig werknemers zullen worden tewerkgesteld. VII-36.993-2/33 3.2. De verzoeker is omwonende van de inrichting. 3.3. Op 7 augustus 2006 verkrijgt de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van bijgebouwen, het uitbreiden van bestaande serres en het bouwen van een tuinbouwloods. Het betreft de bouwvergun- ning die nodig is voor het realiseren van het tuinbouwbedrijf waarvoor de in dezen aangevochten milieuvergunning wordt verleend. Het blijkt niet dat die bouwvergunning is aangevochten. 3.4. In het kader van het openbaar onderzoek dat voorafgegaan is aan het verlenen van de thans bestreden milieuvergunning worden geen bezwaren of opmerkingen ingediend. 3.5. Op 4 september 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor de exploitatie van een tuinbouwbedrijf. 3.6. Op 11 oktober 2006 dient de verzoeker een administratief beroep in tegen die milieuvergunning. 3.7. In het kader van die beroepsprocedure worden de vereiste adviezen uitgebracht. Ze zijn allemaal gunstig. De wezenlijke inhoud van deze adviezen is terug te vinden in de aanhef van het bestreden besluit. De verzoeker heeft in die procedure een nota ingediend. 3.8. Op 8 maart 2007 wordt het thans bestreden besluit genomen door de deputatie van de provincie Antwerpen : "Gelet op het feit dat de milieuvergunningsaanvraag bij het schepencollege werd ingediend op 7 juni 2006; Gelet op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Wuustwezel van 4 september 2006, waarbij aan de heer Van Gastel Jos de vergunning werd verleend om een inrichting gelegen te 2990 Wuustwezel, Berkendreef z/n, kadastergegevens (afdeling-sectie-perceelnummer) 01-C- 220b, 01-C-220c, 01-C-221a, 01-C-247n, te exploiteren, met als voorwerp : - een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater (afkomstig van sanitair en keuken) (3.6.1) - het lozen van bedrijfsafvalwater (potentieel verontreinigd hemelwater afkomstig van de laadkade) in een gracht via een KWS-afscheider met een lozingsdebiet van max. 0,5 m³/uur, 1 m³/dag en 30 m³/jaar (3.1.1) - elektriciteitsproductie d.m.v. een stroomgenerator van 100 kW (12.1.1) - opslag van 10.000 liter CO2 in een bovengrondse houder (16.8.2) - opslag van 3.000 liter salpeterzuur in bulk (17.3.3.2) VII-36.993-3/33 - opslag van 15.000 liter licht stookolie in een bovengrondse houder en opslag van 2.500 liter mazout in een bovengrondse houder (17.3.6.1.

  1. b)- 1 verdeelslang aangesloten op de mazouttank van 2.500 liter (17.3.9.1) - een stroomgenerator van 100 kW (31.1.1) - een stookinstallatie op aardgas met een warmtevermogen van 5.000 kW (43.1.2) - een grondwaterwinning met een opgepompt debiet van max. 20.000 m³/jaar (53.8.2) Vlaremrubricering: 3.6.1 - 3.6.2.1 - 16.8.2 - 17.3.3.2 - 17.3.6.1.b - 17.3.9.1 - 31.1.1 - 43.1.2 - 53.8.2 Gelet op het beroepschrift bij aangetekend schrijven dd. 11 oktober 2006 ingediend door de heer Mertens Willy; Overwegende dat het beroep werd ingediend door een omwonende zodat de beroeper de door artikel 49 van titel I van het Vlarem vereiste hoedanigheid heeft om beroep aan te tekenen; Gelet op het feit dat op datum van 12 oktober 2006 het beroepschrift door het provinciebestuur werd ontvangen zodat de beroepsprocedure op die datum werd gestart; Gelet op het feit dat op datum van 23 oktober 2006 het beroepschrift ontvankelijk en volledig werd verklaard; Gelet op de stukken, waarbij wordt geattesteerd dat het bestreden besluit de vereiste publiciteit verkreeg, conform artikel 31 van het Vlarem; Overwegende dat uit het attest van bekendmaking blijkt dat het beroepschrift tijdig werd ingediend; Overwegende dat het beroepschrift betrekking heeft op volgende elementen: - De percelen waarvoor de aanvraag voor de milieuvergunning is ingediend zijn niet dezelfde als deze van de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning; - Er is sprake van horizonvervuiling en bijhorend geluidshinder; - Er is sprake van grote verkeersoverlast; - Dit is geen familiaal landbouwbedrijf meer, maar eerder een industriële onderneming; - Er is geen sprake van een uitbreiding; het is de bedoeling een volledig nieuw bedrijf op te richten; - Het bedrijf ligt in het vogelrichtlijngebied van Wuustwezel; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen (AMV) van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE); op het gunstig advies dd. 13 december 2006 van de AMV (kenmerk AMV/A/06/2188); op volgende elementen uit dit advies: 1. Bij besluit dd. 04.09.06 werd vergunning verleend aan Van Gastel Jos voor de exploitatie van een serrecomplex te Wuustwezel, Berkendreef z/n. 2. Tegen deze beslissing werd beroep ingediend door de heer Mertens Willy, Berkendreef 33. Tijdens het openbaar onderzoek werden nochtans geen bezwaren ingediend. 3. De beroepsargumenten zijn als volgt samen te vatten:
  2. a)perceel 221 a komt niet voor in de bouwvergunning;
  3. b)horizonvervuiling en zichtbeperking;
  4. c)dagelijks 2 bijkomende vrachtbewegingen en verkeerstoename door 20 werknemers in de serre;
  5. d)activiteit heeft industrieel karakter;
  6. e)in de milieuvergunning is een perceel opgenomen dat niet in de bouwvergunning staat;
  7. f)bedrijf is gesitueerd in Vogelrichtlijngebied terwijl het RSPA andere locaties voorziet. De beroepsargumenten zijn dus gericht tegen de inplanting van het geheel en niet tegen een specifieke activiteit. VII-36.993-4/33 4. Het Vlarem voorziet geen verbod- of afstandsregels voor genoemde activiteiten, die alle hoogstens tot de tweede klasse behoren. De activiteit vindt bovendien plaats in landbouwgebied, zodat er geen sprake is van zonevreemdheid. 5. Het vervoer van de tomaten blijft beperkt tot 2 vrachtwagenbewegingen per dag. Dit zal niet tot onoverkomelijke verkeerstoename zorgen, idem dito met het transport van de werknemers. Dit overstijgt de verkeersbewe- gingen van een groot landbouwbedrijf niet fundamenteel. 6. Grote serres horen nog steeds thuis in landbouwgebied, ook al hebben ze een industrieel karakter. 7. De overige argumenten zijn allemaal van stedenbouwkundige aard en dienen in het advies van AROHM bekeken, zoals horizonvervuiling, zichtbeperking en de ligging in Vogelrichtlijngebied. 8. Zuiver milieutechnisch kan de hinder van de inrichting tot een aanvaard- baar niveau worden beperkt, indien aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan. De opslag van gevaarlijke stoffen vindt plaats in dubbelwandige tanks of binnen een vloeistofdichte inkuiping. De stookinstallaties werken op aardgas, zodat aan de emissievoorwaarden kan worden voldaan. Het noodstroomaggregaat is binnen opgesteld en omkast, zodat aan de geluidsvoorwaarden kan worden voldaan. 9. De grondwaterwinning kan eveneens gunstig worden beoordeeld: de toepassing is hoogwaardig (voeding), het water mag niet te veel ijzerhou- dend zijn, dus is een winning, behoudens andersluidend advies van Afdeling Water van de VMM, op een diepte van 145 m gerechtvaardigd. Ook het debiet kan aanvaard worden. 10. Over de opportuniteit van het serrecomplex op deze locatie kan AMV zich, zoals reeds gesteld, niet uitspreken. 11. Het beroep is, zuiver milieutechnisch althans, ongegrond. De bestreden beslissing kan worden bevestigd, mits naleving van de opgelegde voorwaarden; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van het Agentschap RO-Vlaanderen (ARO); op het laattijdig gunstig advies dd. 8 januari 2007 van het ARO (kenmerk N/110.909); op volgende elementen uit dit advies : 1. De aanvraag betreft milieuvergunning voor de exploitatie van een tuinbouw- bedrijf (tomatenteelt). 2. Het goed ligt in het gewestplan Turnhout (Koninklijk besluit van 30 september 1977). Het goed ligt, volgens dit van kracht zijnde gewestplan, in agrarisch gebied. 3. Het goed is niet-gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet-vervallen verkaveling. 4. De aanvraag is principieel in overeenstemming met het geldende plan zoals hoger omschreven. 5. De aanvraag is gesitueerd in een vogelrichtlijngebied 'De Maatjes, Wuus- twezelheide en Groot Schietveld'. 6. D.d. 07/08/2006 werd door het College van Burgemeester en Schepen een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor het slopen van bijgebouw, het uitbreiden van de bestaande serres en het bouwen van een tuinbouw- loods. Binnen deze procedure heeft de afdeling Natuur van AMINAL, op 05.01.2006 een gunstig advies geformuleerd. Voorwaarde aan deze vergunning is het voorzien van een groenscherm (breedte 2
  8. m)rondom het bedrijf. De beoordeling inpasbaarheid van de serre en de loods en de ruimtelijke afweging gebeurde eveneens binnen de procedure tot aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning, zowel door het College van Burgemeester en Schepenen als door het Agentschap R-O Vlaanderen. VII-36.993-5/33 De exploitatie wordt voorzien in de op 07/08/2006 stedenbouwkundig vergunde bedrijfsgebouwen. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening en is stedenbouwkundig aanvaardbaar; Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van de afdeling Water van de Vlaamse Milieumaatschappij (AW); Gelet op het horen van de heer W. Mertens, beroepsindiener, door de Provinciale Milieuvergunningscommissie dd. 9 januari 2007; Gelet op het horen van mevr. Liesbet Pieters, milieuadviseur, en de heer en mevr. Van Gastel, exploitant, door de Provinciale Milieuvergunningscommissie dd. 9 januari 2007; Gelet op het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) dd. 9 januari 2007 waarbij de PMVC voorstelt om de termijn te verlengen met één maand; op volgende elementen uit dit advies : 1. Horen van de partijen a. De heer W. Mertens, beroepsindiener, wordt gehoord. - De heer Mertens verklaart dat hij een aantal bezwaren heeft tegen de inplanting van het nieuwe bedrijf. - De heer Mertens stelt dat de percelen die werden opgegeven in de milieuvergunningsaanvraag verschillen van deze opgegeven in de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning. Meer bepaald is er een perceel niet mee opgenomen in de stedenbouwkundige vergunning. Dit komt volgens de heer Mertens neer op een 2 ha verschil. - Desgevraagd antwoordt de heer Mertens dat er niets op betrokken perceel staat, dat het gewoon landbouwgrond betreft en dat er 2 serres in de nabije omgeving staan (één van de heer Van Gastel en één van een andere uitbater) op ongeveer 500m van elkaar. - De ARO bevestigt dat er in de stedenbouwkundige vergunning inderdaad een perceel is vergeten. - De AMV stelt dat deze administratieve vergissing evenwel niet in het kader van de milieuvergunning dient/kan (
  9. te)worden rechtgezet. - Vervolgens haalt de heer Mertens aan dat er maar 1 weg is en daarlangs alle transport verloopt, wat voor verkeersoverlast zorgt. - De heer Mertens toont ter zitting een foto van de plaats waar de serre zal komen, m.n. 180m langs de baan en ongeveer 150m diep, en stelt dat hij vanuit zijn woning als het ware tegen een glazen muur zal komen te kijken. - Desgevraagd antwoordt de heer Mertens dat hij geen bezwaar heeft aangetekend tegen de stedenbouwkundige vergunning, omdat hij ervan uitging dat men deze nooit zou toestaan gezien de ongeschonden open ruimte. - De heer Mertens stelt dat de exploitant de uitbreiding vraagt van een bestaand bedrijf, terwijl hij volgens de heer Mertens niet echt de intentie heeft om zelf te exploiteren, maar om de inrichting te verkopen. Dus, zou het volgens de heer Mertens om een nieuw bedrijf gaan. In 2002 zou de exploitant reeds een stedenbouwkundig attest hebben aan- gevraagd voor een bijkomende serre aan de overkant van de weg. Deze werd toen echter geweigerd gezien men dit zag als een 2de bedrijfsin- planting en niet als een uitbreiding, wat niet kon. Nu werd een stedenbouwkundige aanvraag ingediend voor een uitbreiding aan dezelfde kant van de weg waar het bestaande bedrijf is gelegen. Volgens de heer Mertens werd stedenbouw hierbij om de tuin geleid omdat het niet echt een uitbreiding betreft, gezien het gevraagde niet echt aansluit bij het bestaand bedrijf ook al is het aan dezelfde kant van de straat gelegen. VII-36.993-6/33 - De heer Mertens merkt tenslotte op dat hij zich vragen stelt bij de opvang van het spuiwater. Hij vreest dat er heel wat van het spuiwater in de beek terechtkomt. Volgens de heer Mertens is uit Nederlands onderzoek gebleken dat een aanzienlijk percentage van het spuiwater in de tuinbouw (dat resten van de vloeibare voedingstoffen bevat) in het oppervlaktewater terechtkomt. - De VMM bevestigt dit. b. Mevr. Liesbet Pieters, milieuadviseur, en de heer en mevr. Van Gastel, exploitant, worden gehoord. - Mevr. Pieters overloopt de elementen aangehaald in het beroepschrift en stelt hieromtrent meer bepaald het volgende: • Beroepsindiener haalt aan dat een kadastraal perceel dat in de milieuvergunning is vermeld, niet in de bouwvergunning zou vermeld zijn. In de ingediende milieuvergunningsaanvraag zijn de juiste kadastrale nummers vermeld. Feit dat in de bouwvergunning een perceel minder vermeld is, doet hier niet terzake. Dit gaat hier trouwens louter om een administratieve vergissing in de bouwvergunning, die zeker niet mag leiden tot weigering van de milieuvergunning. De oppervlakte van de serre is immers zowel in de bouw- als in de milieuvergunning even groot aangevraagd en heeft betrekking op perceelnrs 247n, 220b, 220c en 221a. In de bouwvergunning is blijkbaar per vergetel- heid 221a niet opgenomen, maar uit vergelijking van het inplanting- plan met het kadastraal plan volgt wel duidelijk dat ook perceel 221a mee dient vergund te worden. • Volgens de beroepsindiener leidt de grootte van complex tot horizonvervuiling en wordt hij ontnomen van vrij zicht gelet op de glazen wand van 184 meter. Feit is dat er nu reeds een serre aanwezig is aangrenzend aan de nieuwe serre. Het is dus niet zo dat hij nu vrij zicht heeft, en dat dit totaal ontnomen wordt, zoals de beroeper stelt. Bovendien woont de beroeper zelf in landbouwzone, zit hij hier zelf dan eigenlijk niet zonevreemd? Dit terwijl deze serre wel zone-eigen is, dus in overeenstemming met het geldende gewestplan. Bovendien staat de woning van de beroeper met de zijgevel (wat een garage
  10. is)tegen de Berkendreef en is deze volledig ingesloten door struiken, bomen,... waarmee ik wil zeggen dat hij nu ook al geen vrij zicht heeft. Uiteraard wordt bovendien ook de serre ingesloten door een groen- scherm. • Beroepsindiener klaagt dat iedere weekdag een 20-tonner langs de smalle Berkendreef zal moeten passeren, wat voor verkeersoverlast zou zorgen. In de bouwvergunning is reeds gesteld dat de Berkendreef voldoende uitgerust is gelet op de plaatselijke toestand. Wat de 'uitzonderlijke verkeersdrukte door het passeren van 20 werknemers iedere dag' betreft, kan gesteld worden dat 20 werkne- mers in overeenstemming is met dergelijke serre. Ieder andere serre van gelijkaardige oppervlakte heeft ook deze werknemers. Dit is zeker geen overdreven aantal, en zorgt dus ook zeker niet voor uitzonderlijke verkeersdrukte zoals aanklager stelt. • Beroepsindiener beweert dat het geplande complex een industriële onderneming is. Ook dit werd reeds beoordeeld in de bouwvergun- ning, dat dit wel degelijk past in landbouwzone. • Verder stelt beroeper dat er van een uitbreiding geen sprake is, het de bedoeling is een volledig nieuw bedrijf op te richten. VII-36.993-7/33 Hierop wil ik verwijzen naar de definitie van een milieutechnische eenheid: 'Verschillende ingedeelde inrichtingen, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee zij verbonden zijn, die als een geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokke- nen aan mens of milieu. Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen ten opzichte van andere inrichtingen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen'. Onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang: Er is geen samenhang tussen beide bedrijven, ze hebben elk aparte toegangswegen, aparte nutsvoorzieningen, aparte stookinstallaties en andere voorzieningen, zodat deze serre volledig autonoom kan uitgebaat worden apart van de reeds bestaande serre. Uit dit alles kan gesteld worden dat we hier niet spreken over een milieutechnische eenheid. Zelf al zou u oordelen dat het toch over een milieutechnische eenheid zou gaan, dan wil dit nog niet automatisch zeggen dat wij deze serre moeten aanvragen als een uitbreiding op de bestaande serre, en dus als een klasse 1 aanvraag. Dit wordt duidelijk gesteld in een arrest van de Raad van State 124.344 dd. 12/12/2003. Hier wordt immers gesteld over de definitie van milieutechnische eenheid: '....dat die bepaling geen regels formuleert en niets bepaalt over het globaliseren van vergunningsaanvragen met betrekking tot de samenstellende delen van de inrichting(en); dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord ter ondersteuning van haar standpunt vruchteloos verwijst naar artikel 9§4 van milieuvergun- ningendecreet en art 6 §3 van Vlarem I, dat die bepalingen stellen dat wanneer een inrichting onder de toepassing valt van verschil- lende indelingsrubrieken behorende tot verschillende klassen, voor deze inrichting de procedure van de hoogste klasse geldt; dat daaruit evenwel niét kan afgeleid worden dat indien wordt vastgesteld dat het voorwerp van de ingediende vergunningsaan- vraag deel uitmaakt van een milieutechnische eenheid waartoe inrichtingen van een hogere klasse behoren, het bestuur dat bevoegd is voor de hoogste klasse kennis dient te nemen van de aanvraag en dat de vergunningsaanvraag moet worden gekwalifi- ceerd als een uitbreiding van de vergunde entiteit ...'. • Beroepsindiener haalt ook aan dat aanvrager reeds vroeger een ongunstig advies heeft gekregen. In dit advies komt echter duidelijk naar voren dat dit slechts ongunstig is omwille van het creëren van een tweede bedrijfsinplanting voor één en dezelfde bedrijfsleider, niet louter om het feit dat er een serre zou gebouwd worden. In dit advies wordt zelfs gesteld dat indien er een tweede bedrijfsleider zou zijn, dat de bouwaanvraag dan wel gunstig zou geadviseerd worden. De bewering van de beroepsindiener dat de vergunning enkel dient om via verkoop met de vergunning een meerwaarde te creëren, heeft VII-36.993-8/33 milieutechnisch totaal geen relevantie en is bovendien het volste recht van de exploitant. • Tenslotte stelt beroeper dat volgens het RSPA dat in een concentra- tiegebied voor glastuinbouw zou voorzien in de omgeving van Hoogstraten en Ranst. Het RSPA is nog maar een ontwerp en nog niet van toepassing, en mag dus nog geen grond worden om deze vergunningsaanvraag te weigeren. Bovendien werd reeds in de bouwvergunning aangehaald dat de bouw en inplanting van de serre in overeenstemming is met het geldende plan. Grote serres horen nog steeds thuis in landbouwzone, ook al hebben ze een industrieel karakter. - Tot slot stelt mevr. Pieters dat duidelijk is dat de meeste argumenten die de klager aanhaalt, betrekking hebben op het bouwtechnisch aspect, en niets te maken hebben met deze milieuvergunning. Volgens haar is het beroep dan ook zuiver milieutechnisch bekeken, ongegrond. Mevr. Pieters wijst er nog eens op dat in de loop van de bouwvergun- ningsaanvraag alle adviezen gunstig waren en dat ook geen énkel bezwaarschrift werd ingediend, ook niet door de klager. - Desgevraagd antwoordt de heer Van Gastel dat het dossier gestart is met de bedoeling alles te bevoorraden via de oude serre naar de nieuwe. Uiteindelijk is gebleken dat deze werkwijze niet efficiënt is en het beter zou zijn beide serres als aparte bedrijven uit te baten. - Hierop antwoorden de VMM en deskundige Joosten dat men het dossier niet zomaar gaandeweg kan/mag wijzigen. - De ARO stelt hierop dat de ruimtelijke beoordeling die plaatsvond i.k.v. de stedenbouwkundige vergunning wel anders zou geweest zijn had men dat geweten. - Mevr. Pieters verwijst opnieuw naar de eerdere stedenbouwkundige beslissing waarbij de aanvraag werd geweigerd en stelt dat toen werd geweigerd gelet op het feit dat de aanvraag een 2de bedrijfsinplanting betrof en dat volgens het advies toen een nieuw bedrijf met andere exploitant wel had gekund. - Mevr. Pieters verklaart dat een bijkomende reden om de serre apart aan te vragen was dat op die manier de kinderen er zouden kunnen bijkomen om het later op te volgen. - De voorzitter benadrukt nog eens dat het knelpunt in dit dossier het feit is dat het stedenbouwkundig werd aangevraagd als een uitbreiding, terwijl het nu een nieuwe bedrijfsinplanting blijkt te zijn. De ARO was gunstig voor een uitbreiding en niet voor een nieuw bedrijf. - De exploitant stelt dat volgens de heer Marc Andries van land voorlig- gend dossier wel kon en zelfs 2 huizen zouden kunnen worden bijgezet. Hij benadrukt nog eens dat het een idee om niet langer een uitbreiding te vragen, maar een nieuw bedrijf, stilaan is gegroeid. - De VMM vraagt wat er gebeurt met het surplus aan spuiwater. - De exploitant antwoordt dat het wordt ontsmet en zoveel mogelijk hergebruikt. De rest wordt over het land uitgereden. - De VMM stelt dat dit niet mag en voor het lozen van spuiwater een vergunning dient te worden aangevraagd. 2. Evaluatie voorwerp besluit - De omschrijving en rubrieken zoals vermeld in het collegebesluit kunnen worden overgenomen 3. Stedenbouwkundige verenigbaarheid - De ARO heeft in eerst instantie gunstig advies uitgebracht. VII-36.993-9/33 - Uit de verklaringen ter zitting van zowel de beroepsindiener als de exploitant is echter gebleken dat het voorwerp van voorliggend dossier stedenbouwkundig werd aangevraagd als een uitbreiding, terwijl het nu i.k.v. de milieuvergunning een nieuwe bedrijfsinplanting blijkt te zijn. M.a.w. is er juridisch gezien als het ware sprake van dwaling. De PMVC stelt dan ook termijnverlenging voor, teneinde de ARO om bijkomend advies te vragen rekening houdend met dit nieuwe gegeven. 4. Openbaar onderzoek - bezwaren - Er werden geen bezwaren en / of opmerkingen ingediend. 5. Milieutechnische evaluatie - Nog te bespreken in termijnverlenging: de opmerkingen ter zitting vanwege de beroepsindiener betreffende het spuiwater; - Voor het overige volgt de PMVC wat louter het milieutechnisch aspect van de aanvraag betreft het gunstig advies van de AMV; De PMVC stelt evenwel termijnverlenging voor omwille van de onduide- lijkheid naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de aanvraag toe (zie hoger puntje 3). 6. Evaluatie beroep - Nog te bespreken n.a.v. de gegevens in termijnverlenging. 7. Evaluatie van het schepencollegebesluit - Nog te bespreken n.a.v. de gegevens in termijnverlenging; Gelet op de beslissing dd. 25 januari 2007 van de deputatie van de provincieraad om de behandelingstermijn van het beroep te verlengen met 1 maand overeenkomstig artikel 23bis van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985; Gelet op het gunstig advies dd. 26 februari 2007 van het ARO (kenmerk N/110.909); op volgende elementen uit dit advies: 1. D.d. 08/01/2007 werd reeds een gunstig advies gegeven t.a.v. voormelde aanvraag gegeven. Naar aanleiding van de elementen, die door de beroeper ter zitting d.d. 09/01/2007 van de PMVC naar voren werden gebracht, werd door deze commissie bijkomend advies gevraagd, rekening houdend met de nieuwe gegevens. 2. Mijn gunstig standpunt van 08/01/2007 t.a.v. deze aanvraag blijft behouden. 3. In aanvulling op dit advies zou ik het volgende willen opmerken: Zowel het volume van de geplande serre als de bijhorende infrastructuur zoals loods, spaarbekken en verharding werden door het College van Burgemeester en Schepenen van Wuustwezel d.d. 07/08/2006 stedenbouwkundig vergund na een voorwaardelijk gunstig advies van mijn dienst. Na onderzoek blijkt dat er ruimtelijk geen significant verschil bestaat of het hier nu gaat om een uitbreiding, dan wel een nieuwe inrichting. Het volume en de impact van het gebouw blijven in beide gevallen nagenoeg dezelfde. Het splitsen van een glastuinbouwbedrijf is bovendien stedenbouwkundig gezien niet vergun- ningsplichtig. De betrokken adviezen van de afdeling Land binnen de procedure van de stedenbouwkundige vergunning was gunstig. 4. Gelet op de ligging van het goed in een Vogelrichtlijngebied (speciale beschermingszone) dient rekening gehouden te worden met art. 6 van de Europese habitatrichtlijn, die ook van toepassing is op Vogelrichtlijngebie- den. Dit artikel legt op dat ieder project binnen een speciale beschermings- zone of in de nabijheid ervan nagegaan moet worden wat de impact is op de soorten en habitats waarvoor het gebied is aangewezen. Deze verplichting is bovendien vertaald in art. 36ter, §3 tot §6 van het decreet Natuurbehoud. Artikel 16 van het decreet betreffende het Natuurbehoud en het Natuurlijk Milieu van 21 oktober 1997, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2002, bepaalt dat elke overheid die vergunningen of toestemmingen verleent erover waakt dat er geen vermijdbare schade aan de natuur wordt berokkend. Bij de beoordeling van aanvragen zal de vergunningverlenende overheid VII-36.993-10/33 hiermee rekening moeten houden en eventueel voorwaarden bij de vergunning opleggen of de vergunning weigeren. Om deze redenen werd het advies van de Afdeling Natuur ingewonnen. Uit dit advies d.d. 05/01/2007 blijkt dat er geen significante negatieve impact is en bijgevolg geen bezwaar bestond om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Het feit dat het hier om een uitbreiding, dan wel een nieuwe inrichting gaat, verandert weinig aan de impact van het volume op de omgeving. 5. De aanvraag situeert zich daarenboven in een actief uitgebate landbouwzone waar nog glastuinbouwbedrijven voorkomen en sluit hierbij aan. Er is bijgevolg geen sprake van een onaanvaardbare aantasting van een open landbouwgebied met een bijzondere landschappelijke waarde. 6. Het in te planten bedrijf wordt ontsloten via een voldoende uitgeruste weg. Te oordelen aan de hand van de beschikbare gegevens worden geen mobiliteitsproblemen verwacht naar aanleiding van de uitbouw van dit bedrijf. De beoogde bedrijvigheid wordt stedenbouwkundig aanvaardbaar geacht op deze locatie. De ontworpen constructies vormen een fysisch geïntegreerd geheel. Er wordt voldoende afstand ten opzichte van de perceelsgrenzen gerespecteerd. 7. Om deze redenen blijft mijn gunstig advies d.d. 08/01/2007 ter zake behouden, mits aan de opgelegde voorwaarden in de stedenbouwkundige vergunning wordt voldaan. Gelet op het horen van de heer W. Mertens, beroepsindiener, door de Provinciale Milieuvergunningscommissie dd. 27 februari 2007; Gelet op het horen van de heer en mevr. Van Gastel, exploitanten, door de Provinciale Milieuvergunningscommissie dd. 27 februari 2007; Gelet op het gunstig advies dd. 27 februari 2007 van de PMVC; op volgende elementen uit dit advies: 1. Horen van de partijen a. De heer W. Mertens, beroepsindiener, wordt gehoord. - De voorzitter licht voor de beroepsindiener het aanvullend gunstig advies van het ARO toe. - De heer W. Mertens overhandigt ter zitting aan de leden van de commissie een uitgebreide nota met opmerkingen en bijkomende informatie, die hij ter zitting overloopt: 'Nog enkele opmerkingen & aanvullingen bij het verslag van de PMVC van 9 januari jl. (...) Op blz. 12, Onder punt 5.b.1.a. 6de streepje (i.e. 'Vervolgens haalt de heer Mertens aan dat er maar 1 weg is en daarlangs alle transport verloopt, wat voor verkeersoverlast zorgt'.) willen wij bijkomend vermelden dat het transport niet enkel het vervoer van de tomaten naar de veiling betreft, maar ook: - de leveringen van CO2 voor de bovengrondse houder van 10.000 liter - de leveringen van HNO3 voor de opslag van bulk van 3.000 liter - de leveringen van lichte stookolie voor de bovengrondse houder van 15.000 liter - de leveringen van lichte mazout voor de bovengrondse houder van 2.500 liter - de leveringen van jonge plantjes - de leveringen van voedingsmiddelen, gewasbestrijdingsmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen - de leveringen van verpakkingsmaterialen - de leveringen van de bodems waarin de tomatenplanten groeien Onder punt 5.b.1.a. 7de streepje (i.e. 'De heer Mertens toont ter zitting een foto van de plaats waar de serre zal komen, m.n. 180 m langs de baan en VII-36.993-11/33 ongeveer 150 m diep, en stelt dat hij vanuit zijn woning als het ware tegen een glazen muur zal komen te kijken'.) dient te staan: De heer Mertens toont ter zitting een foto van de plaats waar de serre zal komen, m.n. 180 m langs de baan en ongeveer 250 m diep, en stelt dat hij vanuit zijn woning en tuin als het ware tegen een glazen muur zal komen te kijken. Op blz. 13, onder punt 5.b.1.a. 10de streepje (i.e. 'De heer Mertens merkt tenslotte op dat hij zich vragen stelt bij de opvang van het spuiwater. Hij vreest dat er heel wat van het spuiwater in de beek terechtkomt. Volgens de heer Mertens is uit Nederlands onderzoek gebleken dat een aanzienlijk percentage van het spuiwater in de tuinbouw (dat resten van de vloeibare voedingstoffen bevat) in het oppervlaktewater terechtkomt'.) dient te staan: (dat resten van vloeibare voedingsstoffen, vloeibare bestrijdingsmiddelen en vloeibare gewasbeschermingsmiddelen bevat). Onder punt 5.b.1.b.1ste streepje 1ste bolletje (ie. 'Beroepsindiener haalt aan dat een kadastraal perceel dat in de milieuvergunning is vermeld, niet in de bouwvergunning zou vermeld zijn. In de ingediende milieuvergun- ningsaanvraag zijn de juiste kadastrale nummers vermeld. Feit dat in de bouwvergunning een perceel minder vermeld is, doet hier niet terzake. Dit gaat hier trouwens louter om een administratieve vergissing in de bouwvergunning, die zeker niet mag leiden tot weigering van de milieuvergunning. De oppervlakte van de serre is immers zowel in de bouw- als in de milieuvergunning even groot aangevraagd en heeft betrekking op perceelnrs 247n, 220b, 220c en 221a. In de bouwvergun- ning is blijkbaar per vergetelheid 221a niet opgenomen, maar uit vergelijking van het inplantingplan met het kadastraal plan volgt wel duidelijk dat ook perceel 221a mee dient vergund te worden'.) dient nog opgemerkt te worden dat op het aanplakbiljet dat het openbaar onderzoek aankondigde enkel de perceelsnrs. 247n, 220b, en 220c vermeld staan zodat de 'lezer'-'passant' niet correct geïnformeerd werd aangaande de bouwpercelen. Tevens vermeldt: - het advies van Aro van 28 07 06 enkel kadastergegevens afd. A 1 sectie C - 220b en 247n - het advies van afdeling land van 10 01 06 enkel kadastergegevens afd. 1 sie C nrs. 220b en 220c - het advies van de Watering van 16 01 06 enkel kadastergegevens afd. 1 sectie C nr. 220b, sectie C nr. 220c - het advies van de brandweer van 10 04 06 enkel kadastergegevens afd. 1 sectie C nr 220 B en C - het advies van de afdeling Natuur van 05 01 06 enkel kadastergegevens sectie C 220B en C. Als de ambtenaren dit nog niet eens merken - hoe kan 'Jan met de Pet' het dan weten? Onder punt 5.b.1.b.lste streepje 2 de bolletje (i.e. 'Volgens de beroepsindie- ner leidt de grootte van complex tot horizonvervuiling en wordt hij ontnomen van vrij zicht gelet op de glazen wand van 184 meter. Feit is dat er nu reeds een serre aanwezig is aangrenzend aan de nieuwe serre. Het is dus niet zo dat hij nu vrij zicht heeft, en dat dit totaal ontnomen wordt, zoals de beroeper stelt. Bovendien woont de beroeper zelf in landbouw- zone, zit hij hier zelf dan eigenlijk niet zonevreemd? Dit terwijl deze serre wel zone-eigen is, dus in overeenstemming met het geldende gewestplan. Bovendien staat de woning van de beroeper met de zijgevel (wat een garage
  11. is)tegen de Berkendreef en is deze volledig ingesloten door struiken, bomen,... waarmee ik wil zeggen dat hij nu ook al geen vrij zicht VII-36.993-12/33 heeft. Uiteraard wordt bovendien ook de serre ingesloten door een groenscherm'.) - willen wij verduidelijken dat inderdaad in de verte de bestaande serre van Van Gastel staat en deze neemt nu 'slechts' 16/ van ons vrij zicht in. - willen wij aanvullen dat de vraag of wijzelf niet zonevreemd zijn hier niet ter zake doet ! Toch willen wij graag volgende gegevens meedelen van het door BLIK gecertificeerd biologisch landbouwbedrijf uitgebaat door Jut en Aer vzw, Berkendreef 33 te 2990 Wuustwezel waarvan ikzelf (Willy Mertens) de voorzitter en afgevaardigd bestuurder ben die de dagelijkse leiding op zich neemt. (...) - willen wij vermelden dat er inderdaad in onze tuin bomen en struiken staan, maar dat deze geenszins het vrij zicht belemmeren. Integendeel zij verbinden het perceelsrandenbeheer van onze weilanden zodat deze beschermingsstroken waarin de natuur zich herstelt en bevordert aaneensluiten. - Bovendien kunnen planten en dieren zich langs deze wegen verplaatsen. - willen wij vermelden dat de milieuadviseur aanhaalt dat de serre ingesloten wordt door een groenscherm ! Graag hadden wij bij deze bewering de hoogte van dit groenscherm vermeld gezien want als je van scherm spreekt wil je iets afschermen, in dit geval de visuele vervuiling door deze serre tegenover derden. Onder punt 5.b.1.b.lste streepje 3de bolletje ('Beroepsindiener klaagt dat iedere weekdag een 20-tonner langs de smalle Berkendreef zal moeten passeren, wat voor verkeersoverlast zou zorgen. In de bouwvergunning is reeds gesteld dat de Berkendreef voldoende uitgerust is gelet op de plaatselijke toestand. Wat de 'uitzonderlijke verkeersdrukte door het passeren van 20 werknemers iedere dag' betreft, kan gesteld worden dat 20 werknemers in overeenstemming is met dergelijke serre. Ieder andere serre van gelijkaardige oppervlakte heeft ook deze werknemers. Dit is zeker geen overdreven aantal, en zorgt dus ook zeker niet voor uitzonderlijke verkeers- drukte zoals aanklager stelt'.) - willen wij vermelden dat in de bouwvergunning inderdaad vermeld staat dat voorliggende weg voldoende uitgerust is gelet op de plaatselijke toestand. Dit wil volgens de gemeentelijke ambtenaar, hoofd van de dienst vergunningen enkel en alleen zeggen dat er een verharde weg aanwezig is en een openbaar elektriciteitsnet! Niet meer of niet minder! Voldoende uitgerust betekent dus niet wat de milieuadviseur hier suggereert! (in de nota is een foto ter illustratie opgenomen) - willen wij vermelden dat wij zelf aangehaald hebben dat zo'n serre minstens 20 werknemers nodig heeft! Uit het nodig zijn van zo'n aantal werknemers voor zo'n complex kan men niet besluiten dat het dus ook zeker niet voor uitzonderlijke verkeersdrukte zorgt zoals de milieuadvi- seur wil laten blijken. Onder punt 5.b.1.b.1ste streepje 5de bolletje (i.e. '(...) Er is geen samenhang tussen beide bedrijven, ze hebben elk aparte toegangswegen, aparte nutsvoorzieningen, aparte stookinstallaties en andere voorzieningen, zodat deze serre volledig autonoom kan uitgebaat worden apart van de reeds bestaande serre. Uit dit alles kan gesteld worden dat we hier niet spreken over een milieutechnische eenheid. Zelf al zou u oordelen dat het toch over een milieutechnische eenheid zou gaan, dan wil dit nog niet automatisch zeggen dat wij deze serre moeten aanvragen als een uitbreiding op de bestaande serre, en dus als een klasse 1 aanvraag. Dit wordt duidelijk gesteld in een arrest van de Raad van State 124.344 dd. 12/12/2003. (...)') - willen wij vermelden dat de milieuadviseur in haar definitie van milieu- technische eenheid (die zij letterlijk overneemt uit het arrest van de RVS VII-36.993-13/33 nr. 126.344 i.p.v 124.344 van 12 december 2003 in de zaak A. 70.913/VII-14.637) wil aantonen dat het in dit geval niet over een milieutechnische eenheid gaat terwijl in de afgeleverde bouwvergunning letterlijk staat: Na de uitbreiding zal dus duidelijk 1 fysisch aaneengeslo- ten bedrijf aanwezig zijn. In bewuste zaak Vermeiren bij de RVS zijn er twee exploitanten voor 2 bedrijven. Omdat de bedrijven te verstrengeld zijn met elkaar, beschouwt de VLM de 2 bedrijven als één geheel. De RVS stelt dat het over 2 inrichtingen gaat waarvoor door 2 verschillende exploitanten een vergunningsaanvraag werd ingediend. In de zaak Van gastel is duidelijk sprake van 1 exploitant. Trouwens de bouwaanvraag is gesteld als zijnde een uitbreiding van het bestaande bedrijf. Het gaat over hetzelfde bedrijf met dezelfde exploitant. Dus de redenering van het arrest van de RVS in bovenvermelde zaak volgend - gaat het hier over één milieutechnische eenheid. Het gaat over één bedrijf en één exploitant!! Gevolg: Van Gastel dient een milieuvergunning aan te vragen voor het gehele bedrijf en niet enkel voor de uitbreiding... Op blz. 14 Onder punt 5.b.1.b. 1ste streepje 6de bolletje (i.e 'Beroepsindiener haalt ook aan dat aanvrager reeds vroeger een ongunstig advies heeft gekregen. In dit advies komt echter duidelijk naar voren dat dit slechts ongunstig is omwille van het creëren van een tweede bedrijfsinplanting voor één en dezelfde bedrijfsleider, niet louter om het feit dat er een serre zou gebouwd worden. In dit advies wordt zelfs gesteld dat indien er een tweede bedrijfsleider zou zijn, dat de bouwaanvraag dan wel gunstig zou geadviseerd worden. De bewering van de beroepsindiener dat de vergunning enkel dient om via verkoop met de vergunning een meerwaarde te creëren, heeft milieutech- nisch totaal geen relevantie en is bovendien het volste recht van de exploitant'.) - willen wij vermelden dat het reeds vroeger

(2001)verkregen ongunstig advies naar aanleiding van een vraag tot stedenbouwkundig attest nr. 2 uit (tweemaal want de gemeente vroeg telkens een herziening van het advies) twee ongunstige adviezen bestond. (...) - willen wij vermelden dat: Dezelfde middag dat uw aangetekend schrijven (van 23 oktober 2006) ontvingen dat ons beroep ontvankelijk en volledig was kregen wij een telefoontje van onze buurman Jozef Aertsen - vanop zijn vakantieadres op de Canarische Eilanden - die meldde zojuist een telefoontje gekregen te hebben van zijn broer - landbouwmakelaar Frans Aertsen - uit Loenhout met de vraag of hij ook iets tegen de milieuver- gunning van Van Gastel had, want Mertens had 'stokken in de wielen gestoken'. Onze buurman, Jozef, heeft geantwoord dat hij dit nu wel had nu hij wist dat het enkel om een vergunning gaat met de bedoeling te verkopen en NIET om een uitbreiding! We kunnen in deze met stellige zekerheid zeggen dat Van Gastel reeds met het makelaarskantoor afspraken gemaakt had om onmiddellijk tot verkoop over te kunnen gaan als de vergunningen 'binnen' waren. Hoe kan men anders verklaren dat makelaar Aertsen, op dezelfde moment als wij uw aangetekend schrijven ontvangen hebben, reeds weet had en meldde aan zijn broer (buur van betreffende percelen) dat de verkoop niet kon doorgaan wegens ons ingediend beroep. Onder punt 5.b.1.b. 1ste streepje 7de bolletje (...) Op blz. 15 (...) BIJKOMENDE INFORMATIE De heer W. Mertens overloopt kort de daarin aangehaalde punten. • Waterge(ver)bruik volgens aanvraag en gegevens plan VII-36.993-14/33 (...) Wat met de voedingsstoffen, bestrijdingsmiddelen en gewasbeschermings- middelen in dit water dat gebruikt wordt voor tomaten op watercultuur? (...) De heer W. Mertens licht toe dat hij in de nota in dit verband verwijst naar informatie die op een Nederlandse website is te vinden inzake glastuin- bouw. Het webadres en gegevens van een contactpersoon zijn eveneens opgenomen in de nota. • CO2-uitstoot door de stookinstallatie Informatie die we kregen van het innovatiesteunpunt land- en tuinbouw leert ons dat men voor de productie van 1 kilogram tomaten in de glastuinbouw 1 m³ aardgas nodig heeft!!!!!! Fenomenale energieverspil- ling???? Exploitant geeft aan jaarlijks 2 200 ton tomaten te gaan kweken, dit is 2 200 000 kg. Als je dan bekijkt hoeveel aardgas er gebruikt gaat worden krijg je de gigantische hoeveelheid van 2 200 000 m³ aardgas wat evenveel is als 2 200 000 liter aardgas. Als je weet dat je door het verbranden van 520 m³ aardgas 1 ton CO2 de lucht instuurt kan je nogmaals gaan tellen: 2 200 000 m³ aardgas: 520 (m³ voor 1 ton CO2 ) = 4 230,7 ton CO2 per jaar wat evenveel is als 11,59 ton CO2 per DAG! (...) • Provinciaal milieubeleidsplan 2003 - 2007 (...) • Heb je dit gelezen? (...) • Schepencollege onwetend over de milieuvergunningsaanvraag voor een nieuw bedrijf? (...) • Schade door eventuele komst van serrecomplex (...) De heer W. Mertens overloopt verder nog de bijgevoegde definitieve analyseresultaten voor de meting van het water in de Steertheuvelse loop, met bijhorende grafieken en tabel, waaruit een overschrijding van de nitraatconcentratie blijkt'. Tenslotte bevat de nota ook nog een luchtfoto die volgende zaken illustreren en verduidelijken : - de oppervlakte van het biologisch landbouwbedrijf van de heer W. Mertens - de oppervlakte van de huidige serre van de heer J. Van Gastel - de oppervlakte van het nieuwe serrebedrijf van de heer J. Van gastel - de oppervlakte waarvan sprake in het stedenbouwkundig attest nr. 2 anno
  1. - De heer W. Mertens toont ter zitting nog een panoramische foto die de omgeving laat zien waar de serre zal komen, gezien vanuit het standpunt van zijn huis. Hij wil tenslotte nog opmerken dat volgens hem de oude en de nieuwe stookinstallaties in één geheel moeten worden aangevraagd aangezien het hier in feite een uitbreiding betreft. De exploitant had dan ook een klasse 1-vergunning moeten aanvragen. In de bouwvergunning wordt trouwens gesproken van één fysisch aaneengesloten bedrijf. b. De heer en mevr. Van Gastel, exploitanten, worden gehoord. - De voorzitter licht voor de exploitanten het aanvullend gunstig advies van het ARO toe en merkt op dat de beroepsindiener er op heeft gewezen dat volgens hem het open zicht op de omgeving vanuit zijn woning zal verdwijnen.
  2. Evaluatie voorwerp besluit. - Zie advies van de PMVC dd. 9 januari
  3. Stedenbouwkundige verenigbaarheid. VII-36.993-15/33 - Het ARO licht ter zitting haar aanvullend advies dd. 26 februari 2007 toe. Zowel het volume van de geplande serre, als de bijhorende infrastructuur, zoals loods, spaarbekken en verharding, werden reeds stedenbouwkundig vergund door het schepencollege op 7 augustus 2006, na een voorwaardelijk gunstig advies van het ARO. Ruimtelijke bestaat er geen significant verschil tussen het feit of het nu gaat om een uitbreiding, dan wel een nieuwe inrichting. Het volume en de impact van het gebouw blijven in beide gevallen nagenoeg dezelfde. Het splitsen van een glastuinbouwbedrijf is bovendien stedenbouwkundig gezien niet vergunningsplichtig. Het advies van de Afdeling Land binnen de bouwvergunningsprocedure was gunstig, net zoals dat van de Afdeling Natuur. Volgens het advies van de Afdeling Natuur dd. 5 januari 2006 is er geen significatieve negatieve impact op het Vogelrichtlijngebied en bestond er bijgevolg geen bezwaar om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Het feit dat het hier om een uitbreiding, dan wel een nieuwe inrichting gaat, verandert weinig aan de impact van het volume op de omgeving. De aanvraag is bovendien gelegen in een actief uitgebate landbouwzone waar nog glastuinbouwbedrijven voorkomen en sluit hier bij aan. Het ARO meent dat er dan ook geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van een open landbouwgebied met een bijzondere landschappelijke waarde. Het in te planten bedrijf wordt daarbij ontsloten via een voldoende uitgeruste weg. Het ARO verwacht o.b.v. de beschikbare gegevens in het dossier geen mobiliteitsproblemen n.a.v. de uitbouw van dit bedrijf. Het ARO concludeert dat de beoogde bedrijvigheid stedenbouwkundig aanvaardbaar kan worden geacht op deze locatie. De constructies vormen een fysisch geïntegreerd geheel en er wordt voldoende afstand t.o.v. de perceelsgrenzen gerespecteerd. Het ARO handhaaft dan ook haar eerdere gunstige advies dd. 8 januari 2007, mits aan de opgelegde voorwaarden in de stedenbouwkundige vergunning wordt voldaan. - De PMVC volgt de argumentatie van het gunstige aanvullende advies van het ARO.
  4. Openbaar Onderzoek - Bezwaren. - Zie advies van de PMVC dd. 9 januari
  5. Milieutechnische evaluatie. - Wat louter het milieutechnisch aspect van de aanvraag betreft, stelt zich geen probleem. De PMVC volgt in dit verband de argumentatie in het gunstige advies van de AMV dd. 13 december
  6. - Tijdens de vorige zitting dd. 9 januari 2006 stelde de beroepsindiener zich vragen bij de opvang van het spuiwater en gaf mee te vrezen dat heel wat van het spuiwater in de beek zou terechtkomen. Dit aspect komt ook aan bod aan de in de zitting overhandigde nota. De PMVC merkt in dit verband op dat de lozing van het spuiwater niet werd aangevraagd en bijgevolg ook niet mag geloosd worden. De handhaving daarvan komt toe aan de bevoegde toezichthoudende overheden.
  7. Evaluatie beroep. - Het beroep is ongegrond, zoals geargumenteerd in de adviezen van de AMV en het ARO.
  8. Evaluatie van het schepencollegebesluit. - Het schepencollegebesluit kan worden bevestigd. Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: agrarisch gebied; Gelet op het feit dat de aanvraag is gesitueerd in een vogelrichtlijngebied 'De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld'; VII-36.993-16/33 Overwegende dat het advies van de Afdeling Land binnen de bouwvergunningsprocedure evenwel gunstig was, net zoals dat van de Afdeling Natuur; dat volgens het advies van de Afdeling Natuur dd. 5 januari 2006 er geen significante negatieve impact is op het Vogelrichtlijngebied en er bijgevolg geen bezwaar bestond om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, zoals aangegeven door de ARO in haar gunstige adviezen dd. 8 januari 2007 en 26 februari 2007 en ter zitting van de PMVC dd. 27 februari 2007; Overwegende dat in navolging van de gunstige adviezen van de AMV en de PMVC kan gesteld worden dat ook wat louter het milieutechnisch aspect van de aanvraag betreft, er zich geen probleem stelt: - Het Vlarem voorziet geen verbod- of afstandsregels voor de gevraagde activiteiten, die alle hoogstens tot de tweede klasse behoren. De activiteit vindt bovendien plaats in landbouwgebied, zodat er geen sprake is van zonevreemdheid. Grote serres horen nog steeds thuis in landbouwgebied, ook al hebben ze een industrieel karakter. - Het vervoer van de tomaten blijft beperkt tot 2 vrachtwagenbewegingen per dag. Dit zal niet tot onoverkomelijke verkeerstoename zorgen, idem dito met het transport van de werknemers. Dit overstijgt de verkeersbewegingen van een groot landbouwbedrijf niet fundamenteel. Het bedrijf wordt ontsloten via een voldoende uitgeruste weg en o.b.v. de beschikbare gegevens in het dossier worden geen mobiliteitsproblemen verwacht naar aanleiding van de uitbouw van dit bedrijf. - De opslag van gevaarlijke stoffen vindt plaats in dubbelwandige tanks of binnen een vloeistofdichte inkuiping. - De stookinstallaties werken op aardgas, zodat aan de emissievoorwaarden kan worden voldaan. - Het noodstroomaggregaat is binnen opgesteld en omkast, zodat aan de geluidsvoorwaarden kan worden voldaan. - De grondwaterwinning kan eveneens gunstig worden beoordeeld: de toepassing is hoogwaardig (voeding), het water mag niet te veel ijzerhoudend zijn, dus is een winning op een diepte van 145 m gerechtvaardigd. Ook het debiet kan aanvaard worden; Overwegende dat voor de evaluatie van de elementen aangebracht door de aanvrager en de beroeper, beiden gehoord door de PMVC, verder kan verwezen worden naar de adviezen van de PMVC hierboven weergegeven; Overwegende dat wat de elementen aangehaald door de beroepsindiener in zijn aanvullende nota overhandigd ter zitting van de PMVC dd. 27 februari 2007 betreft, kan gesteld worden dat zij voor zover zij relevant zijn voor onderhavige beslissing (m.n.: verkeersoverlast veroorzaakt door bijkomend transport, visuele hinder en horizonvervuiling, opvang spuiwater, samenhang tussen beide bedrijven, opmerkingen m.b.t. de stookinstallatie) voldoende worden weerlegd in de uitgebrachte adviezen; dat de overige elementen niet van die aard zijn dat zij tot een andersluidende beslissing zouden kunnen leiden; dat tenslotte uit de gegevens van het dossier blijkt dat de inrichting kan voldoen aan de van toepassing zijnde Vlarem-voorwaarden en dit ook nog eens wordt bevestigd in het gunstig advies van de AMV; Overwegende dat er tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaren en opmerkingen werden uitgebracht; Overwegende dat de beoordelingsschema's i.h.k.v. de watertoets m.b.t. de grondwaterwinning verwijzen naar de Vlarem-wetgeving, zodat geen bijkomend wateradvies dient gevraagd; dat mits naleving van de toepasselijke VII-36.993-17/33 Vlarem-voorwaarden de aanvraag voldoet aan de in artikel 5 opgesomde doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoor- waarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en het besluit van het schepencollege te bevestigen; BESLUIT: ENIG ARTIKEL Het beroep, ingediend door de heer Mertens Willy (omwonende) tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Wuustwezel van 4 september 2006 waarbij aan de heer Van Gastel Jos de vergunning werd verleend tot het exploiteren te 2990 Wuustwezel, Berkendreef z/n van een tuinbouwbedrijf, is ongegrond. Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Wuustwezel van 4 september 2006 wordt bevestigd. (...)". IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  9. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoeker vooral kritiek uit op de inhoud van de stedenbouwkundige vergunning voor de serre, uitgereikt op 7 augustus 2006, die evenwel niet met een annulatieberoep werd bestreden; alle argumenten die de verzoeker thans aanvoert tegen de stedenbouwkundige vergunning zouden laattijdig en dus onontvankelijk zijn. Beoordeling
  10. De exceptie dient beoordeeld te worden bij de bespreking van de middelen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  11. De verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 19, laatste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), van de algemene VII-36.993-18/33 beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en het "patere legem quem ipse fecisti"-beginsel en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; tevens voert de verzoeker de ontstentenis aan van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. De verzoeker ontwikkelt zijn middel als volgt : "DOORDAT de motivering van de bestreden beslissing louter beperkt is tot de voorliggende adviezen, onder meer van het ARO die verwerende partij zich eigen maakt. EN DOORDAT de bestreden beslissingen zonder enige dienstige motivering door een loutere stijlformule poneert dat de aanvraag geen significante negatieve impact heeft op de omgeving. EN DOORDAT de bestreden beslissing niet afdoende, minstens tegenstrijdig de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving motiveert. TERWIJL artikel 19, laatste lid, van het besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat de vergunning evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven wordt zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. EN TERWIJL de in de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 vervatte verplichting tot uitdrukkelijke motivering inhoudt dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen dient te vermelden waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; EN TERWIJL artikel 4 van het voornoemde Decreet van 18 mei 1999 bepaalt dat de ruimtelijke ordening gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden, dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen en er rekening wordt gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen opdat op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit. ZODAT de bestreden beslissingen de in het middel aangehaalde bepalingen schenden. Toelichting bij het eerste middel: 1.- Artikel 19, laatste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bepaalt dat de vergunning, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerpgewestplan, slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; Bij het beoordelen van de plaatselijke ordening moet de overheid allereerst rekening houden met de ordening in de onmiddellijke omgeving, naargelang de aard en de omvang van de aanvraag kan zij ook rekening houden met de ordening in ruimere omgeving. Deze mag echter nooit doorslaggevend zijn. Daarbij dient de huidige en toekomstige plaatselijke ordening veiliggesteld. VII-36.993-19/33 Het Arbitragehof stelt daarbij dat de aanvraag in het licht van de algemene doelstellingen van artikel 4 van het Decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening beoordeeld moeten worden (Arbitrage- hof, nr 57/2003, 14 mei 2003). Artikel 4 van het Decreet van 18 mei 1999 bepaalt dat: 'De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikke- ling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschil- lende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit'. Bij ontstentenis van gedetailleerde stedenbouwkundige voorschriften is een beoordeling van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening nodig op basis van stedenbouwkundige principes die ook in de ruimtelijke ordeningsplannen terug te vinden zijn. De overheid moet op eigen gezag uitmaken of een ontwerp past in het kader van de bestemming van het gebied zoals zij die ziet op grond van de feitelijke toestand en de toekomstige ordening (VEKEMAN, R., Planologie, verordeningen en vergunningen, Kluwer, Mechelen 2004, 466). De overheid dient tevens na te gaan in hoeverre het ontwerp concreet in de bestaande of ontworpen omgeving kan worden geïntegreerd. De in de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 vervatte verplichting tot uitdrukkelijke motivering behelst dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen dient te vermelden waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Uit voormelde bepalingen volgt dat enkel met de in de bestreden beslissing vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. Niettegenstaande Uw Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid is hij wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 2.- De overwegingen van de bestreden beslissingen beperken zich, wat de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening betreft, tot loutere stijlformules dat de aanvraag niet in strijd is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving: '
  12. Stedenbouwkundige verenigbaarheid. De ARO heeft in eerst instantie gunstig advies uitgebracht. Uit de verklaringen ter zitting van zowel de beroepsindiener als de exploitant is echter gebleken dat het voorwerp van voorliggend dossier stedenbouwkundig werd aangevraagd als een uitbreiding, terwijl het nu i.k.v. de milieuvergunning een nieuwe bedrijfsinplanting blijkt te zijn. M.a.w. is er juridisch gezien als het ware sprake van dwaling. De PMVC stelt dan ook termijnverlenging voor, teneinde de ARO om bijkomend advies te vragen rekening houdend met dit nieuwe gegeven (...) Gelet op de ligging van het goed in een Vogelrichtlijngebied (speciale beschermingszone) dient rekening gehouden te worden met art. 6 van de VII-36.993-20/33 Europese habitatrichtlijn, die ook van toepassing is op Vogelrichtlijngebieden. Dit artikel legt op dat ieder project binnen een speciale beschermingszone of in de nabijheid ervan nagegaan moet worden wat de impact is op de soorten en habitats waarvoor het gebied is aangewezen. Deze verplichting is bovendien vertaald in art. 36ter, §3 tot §6 van het decreet Natuurbehoud. Artikel 16 van het decreet betreffende het Natuurbehoud en het Natuurlijk Milieu van 21 oktober 1997, gewijzigd bij het decreet van 19 juli 2002, bepaalt dat elke overheid die vergunningen of toestemmingen verleent erover waakt dat er geen vermijdbare schade aan de natuur wordt berokkend. Bij de beoordeling van aanvragen zal de vergunningverlenende overheid hiermee rekening moeten houden en eventueel voorwaarden bij de vergunning opleggen of de vergunning weigeren. Om deze redenen werd het advies van de Afdeling Natuur ingewonnen. Uit dit advies d.d. 05/01/2007 blijkt dat er geen significante negatieve impact is en bijgevolg geen bezwaar bestond om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Het feit dat het hier om een uitbreiding, dan wel een nieuwe inrichting gaat, verandert weinig aan de impact van het volume op de omgeving.
  13. De aanvraag situeert zich daarenboven in een actief uitgebate landbouwzone waar nog glastuinbouwbedrijven voorkomen en sluit hierbij aan. Er is bijgevolg geen sprake van een onaanvaardbare aantasting van een open landbouwgebied met een bijzondere landschappelijke waarde'. Nergens blijkt dat een afweging werd gemaakt van de impact van een bijkomend glastuinbouwbedrijf op het bestaande draagvlak van de omgeving noch van de kenmerken van de bestaande bebouwing. De ordening van het gebied wordt niet getoetst. Uit de in de bestreden beslissing uitermate summiere en oppervlakkige aangehaalde gegevens en uit de voornoemde 'beoordeling' kan evenwel niet worden besloten waarom de exploitatie naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. Uit de algemene vaststellingen dat er 'nog glastuinbouwbedrijven voorkomen', kan niet zonder meer worden besloten dat de concrete aanvraag de goede plaatselijke ordening niet in het gedrang brengt. De formeel uitgedrukte motieven van de bestreden beslissing laten dan ook niet toe te besluiten dat de vergunningverlenende overheid de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening naar behoren heeft verantwoord zoals vereist krachtens voornoemd artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december
  14. De verwerende partij acht het niet noodzakelijk de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen te toetsen van de aanvraag zoals voorgeschreven door artikel 4 DORO, hetgeen bovendien niet anders dan als uiterst onzorgvuldig kan bestempeld worden. Vooral het gebrek aan enige toetsing van het leefmilieu springt, gezien het bombastisch geheel met groot verlies aan licht en zicht (cfr. de argumentatie bij het MTHEN), in het oog. Het is verzoekende partij dan ook een raadsel hoe de toekomstige bebouwing van de exploitatie geen significante negatieve impact heeft op de omgeving. Welke grens vertegenwoordigt 'significant' ? De vraag is hoe verwerende partij deze grens heeft bepaald en hoe zonder meer wordt besloten dat er 'geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van een open landbouwgebied', zoals de bestreden beslissing poneert. Terzake wordt namelijk geen enkele verduidelijking verstrekt. De voorziene serrecomplex is grootschalig en strekt zich uit over een glazen wand van 7 meter hoog op 184 meter breed. VII-36.993-21/33 Het complex zal zich situeren op 180m langs de weg met een diepte van ongeveer 250m. (foto). Dergelijk gigantische afmetingen zijn ruimtelijk niet verenigbaar met de omgeving. En grondige afweging van de schadelijke effecten is hoegenaamd niet gebeurd. Er werd zelfs geen onderzoek gevoerd naar de juistheid van de feitelijke gegevens. Zo vermelde de heer Van Gastel in zijn aanvraag dat langs de weg riolering en aardgas aanwezig is. Welnu, dit is geenszins het geval. Riolering en aardgasleiding dient alsnog bij de weg te worden aangelegd. Verwerende partij heeft deze essentiële gegevens niet geverifiëerd. Bovendien, had de afgeleverde vergunning op twee wegen moeten worden kenbaar gemaakt via aanplakking. Een en ander gebeurde slechts op één weg Middels de gegeven motivering kon de verwerende partij dan ook nooit in redelijkheid tot de bestreden beslissing komen. Het eerste middel is gegrond". In zijn toelichtende memorie voegt de verzoeker hieraan toe dat het op zich weinig geloofwaardig is dat een inrichting met een oppervlakte van zowat 7 ha glas geen significante impact zou hebben op de omgeving, en met name op de door de erkenning als vogelrichtlijngebied beoogde bescherming voor de vogels, waaronder wulp, grutto, kievit en andere. Deze vogels zullen in en rond de serres niet kunnen foerageren.
  15. De tussenkomende partij betoogt in essentie dat het annulatieberoep betrekking heeft op de milieuvergunning, niet op de stedenbouwkundige vergunning waartegen geen annulatieberoep werd ingesteld. Artikel 19, derde lid, van het inrichtingsbesluit stelt dat een stedenbouwkundige vergunning slechts wordt afgegeven als de handelingen en werken verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening; uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de vergunningverlenende overheid op dit punt over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt die door de Raad slechts marginaal kan worden getoetst. De thans bestreden beslissing, aldus de tussenkomende partij, omvat een duidelijk oordeel omtrent de verenigbaarheid van de aanvraag met de onmiddellijke omgeving; in de bestreden beslissing verwijst de verwerende partij naar de adviezen van het Agentschap Ruimtelijke Ordening Antwerpen, waarbij zij zich aansloot; de bestreden beslissing overweegt ook dat het aangevraagde verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving; het aangevraagde is gelegen in een actief uitgebate landbouwzone waar nog andere glastuinbouwbedrijven voorkomen; de aanvraag sluit aan bij een van die bestaande glastuinbouwbedrijven. Daarom, VII-36.993-22/33 aldus de tussenkomende partij, is er geen onaanvaardbare aantasting van een open landbouwgebied; de bestaande serre van de exploitant en de nieuw op te richten serre vormen een fysisch geïntegreerd geheel. De tussenkomende partij citeert vervolgens passages uit de motivering van de bestreden beslissing en uit de motivering van de stedenbouwkundige vergunning; uit de motivering van de bestreden beslissing zou blijken dat de stelling als zou deze beslissing geen afdoende beoordeling bevatten van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, feitelijke grondslag mist; de bestreden beslissing treedt de gunstige adviezen van voormeld Agentschap uitdrukkelijk bij. Voorts toont de verzoeker, aldus de tussenkomende partij, niet aan dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn; artikel 4 van het D.R.O. bevat slechts algemene beleids- doelstellingen die maar geschonden kunnen zijn door een beslissing die kennelijk indruist tegen de algemene beleidsdoelstellingen, wat te dezen niet het geval is. Inzake de milieutechnische aspecten van de aanvraag werden deze, zo vervolgt de tussenkomende partij, allemaal onderzocht in het advies van de afdeling Milieuvergunningen Antwerpen, en de verwerende partij sloot zich daarbij aan. Ten slotte merkt de tussenkomende partij op dat vanuit het oogpunt van de formele motiveringsplicht een verwijzing naar adviezen aanvaardbaar is zo de bestuurde kennis heeft van de inhoud ervan; in casu kan bezwaarlijk staande worden gehouden dat de motivering van de bestreden beslissing slechts stijlformules zou bevatten; ook zou het zogenaamde beginsel "patere legem" slechts een rechtsspreuk en geen algemeen rechtsbeginsel zijn.
  16. In een laatste memorie beklemtoont de verzoeker dat in het gunstig advies van de afdeling Natuur opmerkingen worden gemaakt over het feit dat de oppervlakte van de serre een aantasting vormt van het open karakter van het vogelrichtlijngebied, en dat dit voor de verwerende partij aanleiding had moeten zijn tot het opleggen van een aantal "milieuverhinderende" maatregelen. Beoordeling VII-36.993-23/33 9.
  17. Het middel is slechts ontvankelijk in de mate het wettigheids- kritiek levert op de milieuvergunning voor het tuinbouwbedrijf, dit is het voorwerp van het beroep. Zoals het middel geconcipieerd is in het inleidend verzoekschrift betoogt de verzoeker dat de milieuvergunning niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening. Met de milieuvergunning werd het volgende vergund : - een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie voor het behandelen van huishoudelijk afvalwater; - het lozen van bedrijfsafvalwater in een gracht via een KWS-afscheider met een lozingsdebiet van max. 0,5 m³ per uur, 1 m³ per dag en 30 m³ per jaar; - elektriciteitsproductie d.m.v. een stroomgenerator van 100 kW; - opslag van 10.000 liter CO2 in een bovengrondse houder; - opslag van 3.000 liter salpeterzuur in bulk; - opslag van 15.000 liter lichte stookolie in een bovengrondse houder en opslag van 2.500 liter mazout in een bovengrondse houder; - 1 verdeelslang aangesloten op de mazouttank van 2.500 liter; - een stroomgenerator van 100 kW; - een stookinstallatie op aardgas met een warmtevermogen van 5.000 kW; - een grondwaterwinning met een opgepompt debiet van max. 20.000 m³ per jaar. De verzoeker laat na één van deze elementen te betrekken in zijn kritiek. 9.
  18. Aangenomen dat de constructie van de serre bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag betrokken werd, gelden volgende overwegingen. Artikel 4 van het D.R.O. bepaalt wat volgt : "De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit". VII-36.993-24/33 De vergunningverlenende overheid beschikt hier over een ruime discretionaire bevoegdheid; de Raad van State beschikt slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid zodat enkel wanneer de vergunning kennelijk in strijd met de doelstellingen van dit artikel 4 verleend wordt, de Raad van State deze kan vernietigen. Artikel 19, derde lid, van het inrichtingsbesluit bepaalt wat volgt : "De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening". Ook dit artikel laat aan de vergunningverlenende overheid een discretionaire bevoegdheid waarbij de Raad van State slechts over een marginale toetsing beschikt. De voorgeschreven toetsing aan de goede plaatselijke ordening dient wel uit de bestreden beslissing te blijken. Uit de aanhef van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij zich uitdrukkelijk aangesloten heeft bij de gunstige adviezen van het Agentschap Ruimtelijke Ordening en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie die in extenso opgenomen werden in de aanhef van de bestreden beslissing. Uit de elementen waarop beide adviezen zijn gebouwd blijkt dat de verwerende partij wel degelijk de verenigbaarheid van de inrichting met de goede plaatselijke ordening heeft nagegaan en aanvaardbaar geacht. De verzoeker toont niet aan dat deze beoordeling feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk was. De bestreden beslissing is op dit punt afdoende formeel en materieel gemotiveerd. 9.
  19. In zijn toelichtende memorie en zijn laatste memorie voegt de verzoeker een element toe aan zijn kritiek. Hij stelt dat in de bestreden beslissing onvoldoende rekening werd gehouden met de impact van de inrichting op het vogelrichtlijngebied "De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld". Deze kritiek geeft een fundamenteel andere wending aan het middel zoals aangevoerd in het inleidend verzoekschrift waar de nadruk werd gelegd VII-36.993-25/33 op het stedenbouwkundig aspect. In die zin is deze kritiek die voor het eerst werd aangevoerd in de toelichtende memorie, laattijdig. De verzoeker beroept zich hier trouwens op een advies van de afdeling Natuur van 5 januari 2006 dat uitgebracht werd in het kader van de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning van de serre; vastgesteld dient te worden dat dit advies concludeert dat er geen significante negatieve impact van de serre is op voormeld vogelrichtlijngebied. De bestreden beslissing gaat niet in tegen dit advies. 9.
  20. Het eerste middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  21. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van de materiële motiveringswet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken. De verzoeker ontwikkelt zijn middel als volgt : "DOORDAT, de bestreden beslissing stelt dat het feit dat in de bouwvergunning een perceel minder vermeld is, niets terzake doet en het louter om een administratieve vergissing in de bouwvergunning gaat. TERWIJL, de materiële motiveringsplicht van het vergunningverlenende bestuur vereist dat de door haar genomen beslissing op deugdelijke maatregelen steunt. EN TERWIJL de regels van het openbaar onderzoek substantieel na te leven regels zijn op straffe van nietigheid van het openbaar onderzoek. EN TERWIJL, het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de overheid die over de beoordelingsbevoegdheid beschikt om een besluit te nemen er in de eerste plaats voor moet zorgen dat haar alle mogelijke nuttige gegevens worden bezorgd opdat zij zou geïnformeerd zijn. Dat de zorgvuldigheid bij de feitenvinding derhalve essentieel is (LAMBRECHTS W., 'Het zorgvuldigheidsbeginsel' in OPDEBEEK, I., Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, KLUWER, Antwerpen, 1993, p. 34 e.v.). ZODAT, de bestreden beslissing de bepalingen en beginselen van dit middel heeft geschonden". VII-36.993-26/33 In de toelichting bij het middel betoogt de verzoeker in essentie dat de bestreden beslissing niet gaat over dezelfde percelen als deze van de stedenbouwkundige vergunning. Het geheel, zijnde beide vergunningen, dat dienstig is voor de constructie van de serre en de exploitatie ervan is dan ook gestoeld op in feite onjuiste en bovendien niet draagkrachtige motieven. De buur van het perceel nr. 221a werd niet uitgenodigd tot het indienen van bezwaar. Een en ander leidt tot de schending van de regels van het openbaar onderzoek, wat op zich de manifeste schending van de bouwvergunning met zich meebrengt. Een nietige bouwvergunning tast de exploitatiemogelijkheden aan van de aanvrager. De aanvraag van de exploitatievergunning had dan ook niet in overweging genomen mogen worden. Gelet op het vastgestelde verschil in kadastrale gegevens kon de verwerende partij geen milieuvergunning afleveren. In de toelichtende memorie benadrukt de verzoeker het substantieel karakter van de regels van het openbaar onderzoek.
  22. De tussenkomende partij betoogt dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel; hij is immers geen eigenaar van het perceel nr. 221a, en hij is ook geen aanpalende eigenaar van het perceel nr. 220c; de beweerde, maar niet bewezen, vormgebreken in verband met de wettigheid van de stedenbouwkundige vergunning tasten de wettigheid van de thans bestreden beslissing niet aan; de kritiek van de verzoeker op de stedenbouwkundige vergunning, die door hem niet werd aangevochten, is thans onontvankelijk. De tussenkomende partij stelt ook dat het middel ongegrond is; het aanvraagdossier wat betreft de milieuvergunning was volledig; in de milieuver- gunningsaanvraag was het perceel nr. 221a opgenomen; in het kader van de milieuvergunningsaanvraag werden de regels betreffende het openbaar onderzoek nageleefd; het besluit van 5 mei 2000 naar hetwelk de verzoeker refereert is niet van toepassing op milieuvergunningsaanvragen; uit artikel 5 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) vloeit niet voort dat de vermeende onwettigheid van de bouwvergunning leidt tot de onwettigheid van de milieuvergunning; de stedenbouwkundige vergunning is overigens niet nietig en vermits zij niet is aangevochten, is zij definitief. Beoordeling VII-36.993-27/33 12.
  23. De verzoeker geeft wettigheidskritiek op de afhandeling van de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag. Daar de stedenbouwkundige vergunning niet het voorwerp van voorliggend beroep uitmaakt, en bij gebreke aan beroep definitief is, is het middel onontvankelijk. 12.
  24. Uit geen enkele rechtsregel of rechtsbeginsel kan worden afgeleid dat een onwettige stedenbouwkundige vergunning die definitief is, leidt tot de onwettigheid van de milieuvergunning. 12.
  25. Het tweede middel is onontvankelijk. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  26. De verzoeker roept in een derde middel de schending in van artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), van de stedenbouwkundige vergunning van 7 augustus 2006 van het college van burge- meester en schepenen van de gemeente Wuustwezel, van het zorgvuldigheidsbegin- sel, van de artikelen 2 en 4 van het milieuvergunningsdecreet, van het legaliteitsbe- ginsel, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukke- lijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht; voorts voert hij bevoegdheidsoverschrijding aan. De verzoeker ontwikkelt zijn middel als volgt : "DOORDAT de bestreden beslissing de vergunningsaanvraag afzonderlijk beoordeelt en geen beoordeling maakt van het geheel van de constructie waarvan de aanvraag slechts een uitbreiding inhoudt. TERWIJL, de uitbreiding met de reeds bestaande serre, één geheel uitmaakt, namelijk één milieutechnische eenheid. ZODAT, de aanvraag van de uitbreiding van het complex vanuit milieutech- nisch oogpunt dan ook niet afzonderlijk kon beoordeeld worden. Toelichting bij het middel. De aangevraagde inrichting dient beschouwd te worden als een milieutechni- sche eenheid. Volgens artikel 1.1.2 Vlarem II wordt het begrip 'milieutechnische eenheid' onder meer een gedefinieerd als volgt: 'verschillende ingedeelde inrichtingen, met inbegrip van hun exploitatie- terrein en de overige onroerende goederen waarmee zij verbonden zijn, die als een geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens en milieu. VII-36.993-28/33 Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een mi- lieu-technische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen ten opzichte van andere inrichtingen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieu- technische eenheid kunnen vormen'; Dat het complex een milieutechnische eenheid is blijkt onder meer zeer duidelijk uit de stedenbouwkundige vergunning van 7 augustus 2006 van de gemeente Wuustwezel
(20050311)zoals ze werd afgeleverd aan de heer Van Gastel en welke niet afzonderlijk kan bestaan van de milieuvergunning. Hierin wordt uitdrukkelijk bepaald dat de constructie in kwestie na uitbreiding, één fysisch geheel is: 'De aanvraag betreft het slopen van bijgebouwen, het uitbreiden van bestaande serres en het bouwen van een tuinbouwloods en waterbassin. De aanvraag betreft een aanpalend perceel aan een bestaand landbouwbe- drijf. Na uitbreiding zal dus duidelijk 1 fysisch aaneengesloten bedrijf aanwezig zijn'. Krachtens de artikelen 2 en 4 van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 volgt dat de milieuvergunningsaanvraag voor een inrichting afzonderlijk moet worden beoordeeld naargelang van de exploitant-aanvrager van de vergunning. In casu, diende één en dezelfde exploitant (dhr. Van Gastel) twee vergun- ningsaanvragen in. Eén voor het inmiddels bestaande complex, gevolgd door een andere aanvraag voor de uitbreiding van het complex. Op die wijze is kunnen voorkomen dat het serrecomplex in zijn totaliteit zou worden beoordeeld, hetgeen, gelet op bovenstaande bepalingen de regel is. De exploitant heeft dan ook ten onrechte de huidige vergunningsaanvraag ingediend als zijnde een uitbreiding van de exploitatie daar waar het in feite om één geheel gaat, immers zo blijkt uit de stedenbouwkundige vergunning. Vermelde bepalingen werden dan ook omzeild door de vergunningsaanvra- ger en tevens geschonden door verwerende partij welke op grond van het administratief dossier en de voorliggende stedenbouwkundige vergunning tot de juiste vaststelling had kunnen komen dat de heer Van Gastel, door de afzonderlijke vergunning voor uitbreiding aan te vragen, in feite een vergun- ning trachtte te bekomen voor de exploitatie van het geheel van het bedrijf. Iedere milieuvergunningsaanvraag moet worden getoetst aan de milieuhin- derreglementering èn aan de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. Het begrip 'milieutechnische eenheid' uit Vlarem II heeft betrekking op de milieuhinder. In casu, heeft verwerende partij op milieuhygiënisch vlak de aanvraag enkel beoordeeld voor de uitbreiding en niet voor het gehele bedrijf wat verwerende partij had moeten doen. Zowel de aspecten van geur, geluid, verkeer enz. Dienden te worden onderzocht voor de globale exploitatie en dit zelfs onafhankelijk van de stedenbouwkundige ligging. Inzake milieuhinder is aldus geen globale beoordeling van de milieutechni- sche eenheid t.a.v. het leefmilieu en van de onmiddellijke omgeving gebeurd in de mate dat alle hinderaspecten (geluid, geur, verkeer...) werden afgewogen tegen de integrale exploitatie. De aanvraag diende dan ook te worden geweigerd wegens onvolledigheid van de aanvraag; Dat verwerende partij door de vergunningsaanvraag afzonderlijk te beoordelen, bovenvermelde bepalingen geschonden heeft. Het derde middel is gegrond". VII-36.993-29/33
  1. De tussenkomende partij betoogt in essentie dat het bestaande bedrijf reeds geruime tijd ter plaatse aanwezig is; later wenste zij ingevolge bedrijfseconomische en familiale ontwikkelingen een nieuw en groter bedrijf te exploiteren; van enige vooringenomenheid of bedrieglijk handelen van de exploitant is geen sprake. De beide inrichtingen betreffen, aldus de tussenkomende partij, twee serres klasse 2; het gaat duidelijk om twee aparte inrichtingen, met twee aparte toegangen en twee aparte stookinstallaties en zelfs twee verschillende types stookinstallaties; van een milieutechnische eenheid is geen sprake. Zelfs, zo vervolgt de tussenkomende partij, al beschouwt men de bestaande en de nieuwe serres als een milieutechnische eenheid, dan nog moet men vaststellen dat er in casu een globale afweging van de hinder werd gemaakt; wat betreft de visuele hinder stelt het Agentschap Ruimtelijke Ordening dat er geen significant verschil bestaat als de beide serres apart dan wel samen worden beoordeeld; ook wat betreft het transport en de emissies is een afweging van de hinder van beide bedrijven in aanmerking genomen; er valt in redelijkheid niet in te zien welke geurhinder een serre die verwarmd wordt met gas zou veroorzaken; van geluidshinder is evenmin sprake.
  2. In zijn laatste memorie beklemtoont de verzoeker dat de beide serres geografisch een eenheid vormen en dus beschouwd dienen te worden als een milieutechnische eenheid. Beoordeling 16.
  3. De verzoeker betoogt dat de thans vergunde inrichting een milieutechnische eenheid zou uitmaken met het reeds bestaande glastuinbouwbedrijf van de tussenkomende partij en daarom ook als zodanig beoordeeld had moeten worden. Dat zou een miskenning inhouden van artikel 1.1.2 van Vlarem II, meer bepaald van de definitie van een "milieu-technische eenheid". 16.
  4. Uit de milieuvergunningsaanvraag die aanleiding gaf tot de thans bestreden beslissing blijkt dat een vergunning werd aangevraagd voor een nieuwe inrichting. De aanvraag heeft betrekking op andere kadastrale percelen dan deze van de eerdere milieuvergunning uitgereikt door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wuustwezel op 12 juli
  5. Gelet op de datum van die VII-36.993-30/33 laatste vergunning kan moeilijk staande gehouden worden dat de tussenkomende partij moedwillig verschillende milieuvergunningsaanvragen heeft ingediend om te vermijden dat de overheid tot een globale beoordeling van het bedrijf zou overgaan. VII-36.993-31/33 In bijlage 2 van de aanvraag (aard en technische kenmerken van de exploitatie) die leidde tot de milieuvergunning die thans aangevochten wordt, wordt voorts vermeld : "Het bedrijf beschikt momenteel nog niet over een milieuvergunning (nieuwe inplanting). Het gaat over een nieuwe serre (nieuw bedrijf) dat volledig autonoom zal uitgebaat worden". De tussenkomende partij zet in haar verzoekschrift tot tussen- komst omstandig uiteen dat er geen geografische of operationele samenhang is tussen de beide inrichtingen wijl de verzoeker geen concrete gegevens aanvoert waaruit moet blijken dat die samenhang er wel zou zijn. Het citaat uit de steden- bouwkundige vergunning waarin te lezen staat dat het bedrijf na uitbreiding technisch een geheel zal zijn, overtuigt niet, omdat in casu niet de stedenbouwkundi- ge eenheid, maar wel de milieutechnische eenheid aan de orde is. 16.
  6. Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het beroep.
  8. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-36.993-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-36.993-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.712 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.