id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.715 Rolnummer: A. 180915/VII-36904 Zaak: Arrest 197715 - Milieuvergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-19 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.715 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 197.715 van 12 november 2009 in de zaak A. 180.915/VII-36.904. In zake : de VZW MILIEUWERKGROEP "ONS STREVEN" gevestigd te Tielrode Burgemeester A. Heymanstraat 92 tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Stefan ENGELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 9 februari 2007, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 11 december 2006 waarbij de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 1 juni 2006, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan Stefan Engels om een nieuw tankstation te exploiteren, gelegen aan de Burgemeester Achiel Heymanstraat 101 te Tielrode, ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-36.904-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 172.856 van 28 juni 2007 werden de verzoekschriften tot tussenkomst van Stefan Engels ingewilligd, is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen, is het annulatieberoep niet kennelijk gegrond bevonden, zijn de debatten heropend en werd het beroep desgevallend volgens de gewone procedure voortgezet. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst werd reeds ingewilligd bij arrest nr. 172.856 van 28 juni 2007. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomen- de partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Gert Hooftman en Herman De Cock, respectievelijk voorzitter en secretaris, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Hendrik Schoukens, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-36.904-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 24 november 2005 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een tankstation aan de Burgemeester Achiel Heymanstraat te Tielrode. 3.2. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas is de inrichting deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels gelegen in agrarisch gebied. Er geldt tevens een verkavelingsvergunning van 9 januari 1973 die, na een wijziging op 6 juni 1990, de oprichting van een tankstation toelaat. 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek worden vijftig bezwaarschriften ingediend. 3.4. Op 2 mei 2006 wordt de verkavelingsvergunning opnieuw gewijzigd om aanhorigheden bij het eerder toegelaten tankstation mogelijk te maken. Dezelfde dag wordt een stedenbouwkundige vergunning verleend voor een tankstation en een woning. 3.5. Op 1 juni 2006 verleent de bestendige deputatie van de provincie- raad van Oost-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning. 3.6. Hiertegen wordt door de verzoekende partij en een derde op 18 juli 2006 beroep aangetekend bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. 3.7. Volgende adviezen worden verleend : (
- a)de Vlaamse Milieumaatschappij meent, gelet op de argumenten van het beroep, geen advies te moeten verlenen; (
- b)het departement Ruimtelijke Ordening adviseert gunstig; (
- c)de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
- d)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ten slotte adviseert gunstig. VII-36.904-3/15 3.8. Op 11 december 2006 wordt het thans bestreden besluit genomen waarbij de beroepen worden verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd. De motivering ervan luidt als volgt : "Overwegende dat op 6 juni 1990 de verkaveling werd gewijzigd in functie van het bouwen van een benzinestation; dat de hierop volgende bouwvergun- ning dd. 23 oktober 1990 nooit werd uitgevoerd; dat de verkaveling nogmaals werd gewijzigd op 2 mei 2006, ditmaal voor de uitbreiding van een aantal aanhorigheden bij een benzinestation, zoals onder meer de verharding; Overwegende dat op 2 mei 2006 het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend tot het oprichten van een woning met bijhorend servicestation; Overwegende dat de exploitatie van een benzinestation bestaanbaar is met de bestemming voorzien in de verkavelingsvergunning en verenigbaar is met de goede aanleg van de plaats; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, bestaanbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften en, zoals mede blijkt uit de volgende overwegingen, verenigbaar met de onmiddel- lijke omgeving; Overwegende dat maximum 0,07 m3/uur, 1,65 m3/dag en 600 m3/jaar bedrijfsafvalwater geloosd wordt via een koolwaterstofafscheider met een ingebouwde slibvanger in de openbare riolering; dat het vervuilde water en slib afkomstig van de koolwaterstofafscheider door een erkende ophaler zal gerecycleerd worden; dat maximum 0,022 m3/uur, 0,55 m3/dag en 200 m3/jaar huishoudelijk afvalwater geloosd wordt in de openbare riolering; Overwegende dat het station zal uitgerust worden met damprecuperatie fase 1 en 2 zodat eventuele emissies tot een aanvaardbaar minimum zullen herleid worden; Overwegende dat de opslag van benzine en diesel zal gebeuren in nieuwe ondergrondse opslagtanks, die dubbelwandig zullen zijn, en voorzien van een overvulbeveiliging; dat ook aan alle afstandsregels van titel II van het VLAREM wordt voldaan; Overwegende dat buiten het spitsuur tijdens het plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op 7 september 2006 gedurende een periode van tien minuten, 48 voertuigen en 1 moto voorbij kwamen aan de geplande locatie van het benzinestation; dat lijkt te kunnen aangenomen worden dat de Burg. A. Heymansstraat, zijnde de verbindingsweg Temse-Tielrode-Elversele, een redelijk verkeersdrukke straat is; Overwegende dat de dichtstbijgelegen woning de woning van de exploitant is; dat links van het voorgestelde benzinestation de dichtstbijgelegen woning slechts op circa 85 meter afstand gelegen is; dat rechts van het benzinestation de dichtstbijgelegen vreemde woning op circa 27 meter gelegen is; dat gezien het vrij drukke verkeer op de rijweg de plaatsing van een nieuw benzinestation geen noemenswaardige impact zal hebben op het geluidsniveau; Overwegende dat er van een exclusief residentiële bewoning eigenlijk geen sprake is aangezien er aan de overkant van de straat achtertuintjes met kleine gebouwen liggen; dat dit de achterkant van de woningen van de Antwerpse Steenweg betreft; Overwegende dat het verkeer van en naar het benzinestation bij de vastgestelde verkeersdrukte zal kunnen verlopen zonder gevaar voor de andere weggebruikers inclusief de zwakke weggebruikers; dat er tijd genoeg zal zijn voor het verkeer van en naar het benzinestation om veilig in te voegen bij het VII-36.904-4/15 autoverkeer op straat; dat om dezelfde redenen het verkeer van de bussen van de Lijn voldoende veilig kan verlopen; Overwegende dat het landschap, waarover de beroepsindieners het hebben, grotendeels door een verhoogde berm met bomen wordt onttrokken aan het zicht vanop de Burg. A. Heymanstraat; Overwegende dat het overstromingsgevaar op de voorgestelde locatie tot een aanvaardbaar risico beperkt blijft aangezien het benzinestation op een hoger gelegen gedeelte is gelegen en het voorliggende project een beperkte opper- vlakte heeft; dat ook in de stedenbouwkundige vergunning wordt gesteld dat het voorliggende project een eerder beperkte oppervlakte heeft (...), zodat in alle redelijkheid geoordeeld wordt dat het schadelijk effect beperkt is tot de veiligheid van het vergunde project zelf (...) en dat de veiligheid van de aangevraagde constructies niet onmiddellijk in het gedrang is (...); Overwegende dat er inderdaad een poel is op de linkerzijde van het perceel tegen de straatzijde; dat de poel gelegen is in een woongebied met landelijk karakter en niet in een natuurgebied; dat in de stedenbouwkundige vergunning als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de natuurlijke poel als natuurlijk relict moet worden gevrijwaard; dat de strook van het woongebied met landelijk karakter ongeveer 45 meter diep is; dat de groene berm eveneens in woong- ebied met landelijk karakter gelegen is; Overwegende dat de milieuvergunningsaanvraag alleen maar een hinderlijke inrichting betreft en geen private woning; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. Alle door de verwerende en de tussenkomende partij opgeworpen excepties werden in het arrest van de Raad van State nr. 172.856 van 28 juni 2007 verworpen. Er is bijgevolg geen reden meer om die excepties opnieuw te onderzoe- ken. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 5. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van het materiële motiveringsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het koninklijk besluit van VII-36.904-5/15 22 september 1980 houdende maatregelen, van toepassing in het Vlaamse Gewest, ter bescherming van bepaalde in het wild levende inheemse diersoorten, die niet onder de toepassing vallen van de wetten en besluiten op de jacht, de riviervisserij en de vogelbescherming, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet), van het verdrag van 19 september 1979 inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa en van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. De verzoekende partij zet omtrent de aangevoerde schendingen in haar verzoekschrift het volgende uiteen : "(...) het besluit van de Minister stelt dat er inderdaad een poel is op de linkerzijde van het perceel tegen de straatzijde; dat de poel gelegen is in een woongebied met landelijk karakter en niet in een natuurgebied; dat in de stedenbouwkundige vergunning als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de natuurlijke poel als natuurlijk relict moet worden gevrijwaard. terwijl het besluit van de Minister, geen melding maakt van de aanwezigheid van een populatie kamsalamanders, terwijl dit wel vermeld is in het besluit van de Bestendige Deputatie. (...)". 6. De verwerende partij antwoordt onder meer : "Met de verwijzing, door de Minister, naar het feit dat in de stedenbouwkun- dige vergunning werd voorzien in een voorwaarde tot vrijwaring van de natuurlijke poel als natuurlijk relict, werd volledig tegemoet gekomen aan de beroepsbezwaren terzake. De vergunningsvoorwaarde ingeschreven in de stedenbouwkundige vergunning luidt als volgt: 'de natuurlijk poel en waterloop nr. 6 dienen te worden gevrijwaard als natuurlijk relict. Tot op 2 m uit de oevers van de poel en de waterloop mogen geen activiteiten of wijzigingen van het microreliëf worden uitgevoerd'. De opname in de stedenbouwkundige vergunning van de voorwaarde heeft immers eenzelfde geldingskracht als de opname van deze voorwaarde in de milieuvergunning: beiden zijn afdwingbaar. (...)". 7. De tussenkomende partij stelt het volgende in haar verzoekschrift tot tussenkomst : "1. In een eerste deel van het eerste middel stelt verzoekende partij ten onrechte dat de Minister geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van de kamsalamander en daardoor de (formele) motiveringsplicht heeft geschonden. Het is evenwel niet omdat de kamsalamander niet met naam wordt genoemd, dat hiermee geen rekening zou zijn gehouden. Zoals verzoekende partij ongetwijfeld weet, zijn verschillende maatregelen nodig om een zeldzame diersoort te beschermen : enerzijds de bescherming van de soort zelf via onttrekkings- en verstoringsverboden en bezits- en handelsver- boden, en anderzijds de bescherming van de habitat van de soort. De problema- VII-36.904-6/15 tiek van de bescherming van de soort (het bejagen, vangen, in gevangenschap houden, vervoeren en verhandelen van de salamander) is hier niet aan de orde. Wel komt het probleem van de bescherming van de habitat naar boven : de leefplaats van de salamander mag niet aangetast worden. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de bescherming van de habitat van de salamander in overweging wordt genomen, veeleer dan de salamander zelf. Wanneer de Minister dus oordeelt dat er inderdaad een poel is op de linkerzijde van het perceel, die niet gelegen is in een natuurgebied en die volgens de stedenbouwkundige vergunning behouden moet blijven, houdt hij wel degelijk rekening met de bewuste kamsalamander en het behoud hiervan. Alle partijen zijn het er immers over eens dat, indien de kamsalamander voorkomt in het gebied, de poel in kwestie in ieder geval essentieel is. (...) Een ontleding van artikel 16 leert dat de vergunningverlenende overheid in eerste instantie moet nagaan of er, indien zij de vergunning verleent, vermijdba- re schade aan de natuur kan ontstaan. Meent zij dat dit het geval is, dan moet zij maatregelen nemen door ofwel de vergunning te weigeren, ofwel bijkomen- de voorwaarden op te leggen. (...) De Minister moet dan ook rekening houden met het feit dat voor de gevraagde exploitatie een definitieve stedenbouwkundige vergunning voorhanden is, die als bijzondere afdwingbare voorwaarde oplegt: 'de natuurlijke poel en waterloop nr. 6 dienen te worden gevrijwaard als natuurlijk relict. Tot op 2 m uit de oevers van de poel en de waterloop mogen geen activiteiten of wijzigingen van het microreliëf worden uitgevoerd'. Ten tweede moet de Minister ook rekening houden met de gegevens uit het aanvraagdossier. De plannen duiden de natuurlijke poel ruim aan, en vermelden daarbij 'natuurlijke poel te vrijwaren'. Wanneer de Minister de aanvraag inwilligt en de milieuvergunning verleent, betekent dit dat de aanvraag ook moet uitgevoerd worden. Door in de aanvraag te vermelden dat de natuurlijke poel gevrijwaard zal blijven, wordt aan tussenkomende partij bij het goedkeu- ren van deze aanvraag ook effectief de verplichting opgelegd om dit te doen. Zoniet komt zij haar vergunning niet na. Met andere woorden : de Minister kon terecht oordelen dat door de concrete aanvraag tot exploiteren van een benzinestation geen vermijdbare schade aan de natuur zou ontstaan, juist omdat: - in de stedenbouwkundige vergunning opgelegd wordt om niet alleen de natuurlijke poel te vrijwaren, maar ook om tot 2 m afstand van de poel en de waterloop geen activiteiten of wijzigingen aan het microreliëf uit te voeren. - in de aanvraag zelf wordt voorzien om de natuurlijke poel te vrijwaren. (...)". 8. In haar memorie spreekt de tussenkomende partij een aantal beweringen tegen die de verzoekende partij in haar verzoek tot voortzetting heeft gedaan. 9. De verzoekende partij repliceert dat in de praktijk is gebleken dat de verwijzing naar de bewuste voorwaarde van de stedenbouwkundige vergunning niet volstond. VII-36.904-7/15 10. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de poel ten gevolge van de bouw en de exploitatie van de installaties verdwenen is, dat nadien de tussenkomende partij grondwerken heeft uitgevoerd op de plaats van de poel en dat de verwerende partij de zorgplicht heeft geschonden door geen rekening te houden met de redelijke vrees van de verzoekende partij. Beoordeling 11. In het administratief beroepschrift van de verzoekende partij - dat aanleiding gaf tot het nemen van het bestreden besluit - wordt geargumenteerd dat "omwille van de natuurwaarden, inzonderheid het voorkomen van de wettelijk beschermde kamsalamander, het verplicht is om deze poel als natuurlijk relict te bewaren en te vrijwaren van aantasting" en dat "deze wettelijke verplichting (...) echter niet (wordt) herhaald in de vergunningsvoorwaarden". In het bestreden besluit wordt hieromtrent gesteld dat er inderdaad een poel is op de linkerzijde van het perceel tegen de straatzijde; dat de poel gelegen is in een woongebied met landelijk karakter en niet in een natuurge- bied; dat in de stedenbouwkundige vergunning als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de natuurlijke poel als natuurlijk relict moet worden gevrijwaard. 12. Artikel 14 van het natuurbehouddecreet luidde : "Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddel- lijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of te herstellen" en artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet : "In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwij- ze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen". 13. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan ze werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele VII-36.904-8/15 redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de argumenten van de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen. In het bestreden besluit wordt verwezen naar de stedenbouwkun- dige vergunning die de vrijwaring van de natuurlijke poel als "natuurlijk relict" oplegt. Zoals de tussenkomende partij terecht stelt, is het niet omdat de kamsalaman- der niet expliciet wordt vermeld in het bestreden besluit, dat de formele motiverings- plicht is geschonden. Door het beschermen van de poel wordt ook de habitat van het dier beschermd. 14. De verzoekende partij brengt in haar laatste memorie het fotografisch bewijs aan dat de poel verdwenen is. Die vaststelling is evenwel niet het gevolg van een gebrekkige voorziening met betrekking tot vermijdbare schade. Dit is wel het gevolg van het niet-naleven van een nochtans duidelijke vergunningsvoor- waarde en van een schrijnend gebrek aan toezicht over de naleving ervan door de bevoegde overheid. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 15. De verzoekende partij roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het materiële motiveringsbe- ginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de artikelen 5, 6 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit). Zij stelt dat het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en het bestreden besluit de bestaande omgeving op eenzijdige en vertekende wijze beschrijven waardoor geen duidelijk beeld van de verenigbaarheid met de omgeving mogelijk was. Het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en het bestreden besluit bevatten onderling tegenstrijdigheden en voorts bevatten het milieuvergunningsaanvraagformulier, het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en het bestreden besluit verkeerde informatie. VII-36.904-9/15 De verzoekende partij verwijst uitvoerig naar haar administratief beroep waarin zij heeft aangevoerd dat de exploitatie strijdig zou zijn met de bestemming woongebied met landelijk karakter doordat het geen landbouwbedrijf, noch een woning betreft die zich integreert in het louter residentieel karakter. Het bestreden besluit weerlegt de aangehaalde residentiële functie en onverenigbaarheid niet. De verzoekende partij heeft ook aangevoerd dat de eerder toegestane wijzigingen aan de verkavelingsvergunning onwettig waren. Hier werd niet op geantwoord. De verzoekende partij heeft voorts geargumenteerd dat het betrokken perceel zich bevindt in landschappelijk zeer waardevol gebied waardoor een absoluut verbod op aantasting van de vallei te verantwoorden is. De motivering van het bestreden besluit is op dit punt volgens haar feitelijk onjuist. De verzoekende partij haalt aan dat de motivering van het bestreden besluit tegenstrijdig is met betrekking tot de hinder. Voorts blijft haar bezwaar dat een tankstation met veertien brandstofslangen en bijhorende shop niet enkel gericht is op het invullen van een plaatselijke behoefte en de ruimtelijke draagkracht van de onmiddellijke omgeving overschrijdt, onbeantwoord. 16. De verwerende partij antwoordt dat vastgesteld werd dat er geen exclusief residentiële bewoning is en dat het bestreden besluit rekening houdt met de volledige omgeving, rondom de betreffende site. Voorts komt het de verwerende partij niet toe de wettigheid van de wijziging van de verkavelingsvoorschriften te toetsen. De argumentatie van het bestreden besluit volstaat in het kader van de motiveringsplicht aangezien voldoende bleek op welke afdoende motieven het bestreden besluit genomen werd. De motiveringsplicht houdt niet in dat op elk detail van beroepsbezwaar moet worden ingegaan. Foto's tonen aan dat de motivering van het bestreden besluit correct is en de verwijzing naar de verkavelingsvergunning toont aan dat bebouwing van het betroffen perceel reeds lang vaststond. Zij antwoordt verder dat er geen tegenstrijdigheid is in de motivering van het bestreden besluit. Het bestreden besluit motiveert afdoende waarom geoordeeld wordt dat de exploitatie verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. Dit oordeel behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij als vergunningverlenende overheid. Er wordt niet aangetoond dat de beslissing kennelijk onredelijk is. Eventuele feitelijke misvattingen in de beroepen beslissing doen niet ter zake, enkel de motivering van het bestreden besluit is relevant. VII-36.904-10/15 17. De tussenkomende partij stelt dat op het perceel een definitieve verkavelingsvergunning van toepassing is die op 6 juni 1990 en 2 mei 2006 werd gewijzigd en die expliciet in de oprichting van een tankstation voorziet. Zij merkt op dat artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet) niet van toepassing is omdat er te dezen geen afwijking van de verkavelingsvoorschriften is gebeurd, maar wel een wijziging van de verkavelingsvergunning zoals geregeld in artikel 132 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.). Bij het beoordelen van de verenigbaarheid van de milieuvergun- ningsaanvraag met de bestemmingsvoorschriften moet dan ook geen rekening worden gehouden met het gewestplan maar wel met de verkavelingsvergunning. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de aanvraag in strijd zou zijn met de voorschriften van voornoemde verkavelingsvergunning. Aangezien een verkavelingsvergunning bestaat waarin uitdrukkelijk in de mogelijkheid wordt voorzien een vrijstaande woning met benzinestation en bijhorende verhardingen te bouwen, is ook de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg gebeurd en kan de verwerende partij zich beperken tot een verwijzing naar die verkavelingsvergunning. Voorts licht de tussenkomende partij toe dat de exploitatie enkel een pompeiland met twee pompen omvat met aan elke pomp zes verdeelslangen, terwijl veel tankstations minstens vier pompen hebben met elk zes verdeelslangen. De verkeerde gegevens hebben, ten slotte, geen verschil uitgemaakt in de beoordeling van de aanvraag. 18. De verzoekende partij repliceert dat de verwijzing naar de bijgebouwen aan de overkant van de straat om aan te tonen dat in de woonzone met landelijk karakter geen exclusief residentiële functie aanwezig is, onjuist is. Zij stelt dat aangezien zij in haar beroepschrift de verkavelingswijzigingen in vraag stelde en de minister verantwoordelijk is voor de naleving van alle wetten, de wettigheid van de verkavelingswijziging moest worden onderzocht en eventueel ook worden weerlegd. Zij expliciteert dat de tegenstrijdigheid in de motivering erin bestaat dat inzake goede planologische inplanting het bestreden besluit stelt dat de omgeving druk bebouwd is en dat er in de onmiddellijke omgeving een veertigtal woningen voorkomen terwijl inzake hinder gesteld wordt dat er in de omgeving weinig woningen zijn. Ten slotte herhaalt de verzoekende partij dat haar bezwaar dat de exploitatie niet enkel gericht is op het invullen van een plaatselijke behoefte en de ruimtelijke draagkracht van de onmiddellijke omgeving overschrijdt, onbeantwoord blijft. VII-36.904-11/15 Beoordeling 19. De verkavelingsvergunning is gewijzigd overeenkomstig artikel 132 van het D.R.O.. De bestemmingsvoorschriften waaraan de milieuvergunnings- aanvraag moest worden getoetst waren bijgevolg die van de verkavelingsvergunning en niet die van het gewestplan. Het bestreden besluit stelt overigens uitdrukkelijk : "Overwegende dat de exploitatie van een benzinestation bestaanbaar is met de bestemming voorzien in de verkavelingsvergunning en verenigbaar is met de goede aanleg van de plaats". De verzoekende partij argumenteert niet dat de verleende vergunning strijdig zou zijn met de verkavelingsvergunning. 20. De verwerende partij was, als orgaan van actief bestuur, niet bevoegd om de wettigheid van de wijzigingen van de verkavelingsvergunning te onderzoeken, om deze desgevallend buiten toepassing te laten. Het kan haar dan ook niet worden verweten niet te hebben geantwoord op de opmerkingen terzake in het administratief beroep. In voorliggend annulatieberoep wordt geen onwettigheidsex- ceptie aangevoerd tegen de gewijzigde verkavelingsvergunning. De in het administratief beroep aangevoerde schending van artikel 49 van het coördinatiede- creet is niet relevant aangezien dat artikel handelt over afwijkingen van verkave- lingsvergunningen, niet over wijzigingen ervan. 21. De verzoekende partij zet niet uiteen hoe de onvolkomenheden in de feitelijke beschrijving van de omgeving van aard zouden zijn de wezenlijke motivering van het bestreden besluit onderuit te halen. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 22. De verzoekende partij roept in een derde middel de schending in van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van het gelijkheidsbeginsel doordat onvoldoen- de aandacht werd besteed aan het overwegen van de hinderlijke effecten van de oprichting en exploitatie van het benzinestation en bijhorende shop, terwijl de indieners van de bezwaren en van de beroepschriften deze aspecten duidelijk VII-36.904-12/15 vermeld hadden en doordat men enkel rekening heeft gehouden met de mogelijke hinder voor de buren links en rechts van de instelling, terwijl de hinder voor de overburen niet in overweging wordt genomen. De verzoekende partij stelt dat het bestreden besluit niet afdoende antwoordt op haar administratief beroep. De steekproef uitgevoerd door een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen is niet representatief omdat er geen fietsers, voetgangers, noch bussen geteld werden en omdat niet vermeld is of er voertuigen op de parkeerstrook stonden. De motivering van het bestreden besluit inzake geluidshinder en verkeersdrukte is onhoudbaar omdat de ambtenaar blijkbaar het meest optimale moment voor de tussenkomende partij uitgekozen heeft. Het bestreden besluit houdt geen rekening met de bezwaren van de verzoekende partij en houdt evenmin rekening met de hinder voor de overburen. Door enkel rekening te houden met de zijburen en niet met de overburen, is het gelijkheidsbe- ginsel geschonden. 23. De verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit voldoende en afdoende gemotiveerd is met betrekking tot geluidshinder door het feit dat er weinig bewoning in de onmiddellijke omgeving is en dat de baan op zich reeds een redelijke verkeersdrukte kent waardoor de geluidshinder geacht kan worden binnen aanvaardbare perken te zullen blijven. Hiervoor werd een telling van het doorgaand verkeer uitgevoerd. De verzoekende partij toont niet aan dat de beslissing op onjuiste gegevens zou zijn gebaseerd. Er wordt in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd omtrent de bestaanbaarheid van de inrichting met de omgeving, ook met betrekking tot de voldoende veilige wijze van het op- en afrijden van de bezoekers van het tankstation, zonder daarbij het doorgaand verkeer, zoals fietsers, voetgangers en automobilisten, te hinderen. In het bestreden besluit wordt gesteld dat er zich aan de overzijde van de relatief drukke verkeersweg achtertuintjes met gebouwen bevinden. Alle buren werden, in het kader van het nagaan van de situatie van de onmiddellijke omgeving en van de impact van de geplande activiteit op deze omgeving, op dezelfde manier "behandeld". 24. De tussenkomende partij stelt dat het derde middel elke feitelijke grondslag mist. De verzoekende partij bewijst niet dat verkeers- of geluidshinder te verwachten is die boven het aanvaardbare komt en die aanleiding had moeten geven tot een weigering van de milieuvergunning. Het benzinestation is niet zo grootscha- lig als de verzoekende partij laat uitschijnen en zal worden uitgerust volgens de VII-36.904-13/15 beste beschikbare technieken om alle risico's op hinder te beperken. Bijkomende maatregelen zijn eveneens voorzien om hinder te vermijden. Tijdens een onderzoek ter plaatse werd vastgesteld dat de Burgemeester Achiel Heymanstraat een drukke baan is. De verzoekende partij erkent dat het tankstation aan een drukke baan komt te liggen. De verwerende partij heeft voldoende rekening gehouden met de mogelijke hinder die de exploitatie zou kunnen veroorzaken en geoordeeld dat deze hinder binnen de normen van het aanvaardbare kan blijven. 25. De verzoekende partij repliceert dat door de effectieve exploitatie van het tankstation blijkt dat haar voorbehoud nog onderschat was omdat het cliënteel van het tankstation op de fietspaden wildparkeert. Voorts repliceert zij dat de achtertuintjes aan de overzijde van de weg zeer klein zijn en de woningen zich op korte afstand van het tankstation bevinden. Het feit dat men enige mogelijke hinder ten opzichte van de overburen niet heeft overwogen, wijst opnieuw op de onzorgvuldigheid waarmee de verwerende partij dit dossier behandeld heeft. Beoordeling 26. De bewering van de verzoekende partij dat de vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen bewust op een voor de tussenkomende partij meest gunstig moment een plaatsbezoek zou hebben uitgevoerd, blijft een loutere bewering. De verzoekende partij licht overigens niet toe hoe een correct plaatsbe- zoek dan wel had moeten worden georganiseerd en brengt ook geen eigen concrete gegevens aan. 27. De opmerkingen die de verzoekende partij met betrekking tot het plaatsbezoek maakt, zijn ook niet consistent. Enerzijds suggereert zij dat het gekozen moment drukker was dan normaal waardoor de geluidsimpact van het benzinestation werd onderschat en anderzijds suggereert zij dat het gekozen moment minder druk was dan normaal waardoor de verkeersonveiligheid werd onderschat. 28. Er is een vrij nauwe samenhang tussen enerzijds de verkeersinten- siteit op een bepaald moment op een bepaalde weg en anderzijds het aantal bezoeken aan een langs die weg gelegen tankstation. De exploitatie van een tankstation zorgt blijkbaar niet voor geluidshinder die deze veroorzaakt door het gewone verkeer betekenisvol te boven gaat. VII-36.904-14/15 29. De verzoekende partij geeft geen concrete voorbeelden van woningen aan de overkant van de straat, die door hun ligging meer hinder zouden ondervinden dan de woning die op 27 meter afstand aan dezelfde kant van de straat als de inrichting staat. Het derde middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-36.904-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.715 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.856 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div