← België

Arrest 197718 - Milieuvergunningen - 12/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.718 Rolnummer: A. 185707/VII-37085 Zaak: Arrest 197718 - Milieuvergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-19 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.718 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 197.718 van 12 november 2009 in de zaak A. 185.707/VII-37.085 In zake:

  1. Philippe de HALLEUX
  2. Laurence de CROMBRUGGHE de PICQUENDAELE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort kantoor houdend te Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te Tervuren Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 31 oktober 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 30 augustus 2007 waarbij het beroep van de verzoekende partijen, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg van 15 maart 2007 houdende het verlenen aan Jan Butaye van de milieuvergunning voor de opslag en de verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval voor de verwarming van tunnelserres, gelegen aan de Veeweidestraat 50 te Huldenberg, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd en aangevuld met een bijzondere voorwaarde waarbij het verbranden van houtafval afkomstig van afvalverwerking of van bouw- en sloopactiviteiten wordt verboden. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 179.634 van 14 februari 2008 zijn de debatten heropend en is de zaak verwezen naar de gewone rechtspleging. VII-37.085-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 oktober
  5. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Op 14 december 2006 dient Jan Butaye bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een vergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een inrichting voor de opslag en verbranding van biomassa-afval (rubriek 2.3.4.1.a).2/.1) van de indelingslijst). Het voorwerp van de aanvraag heeft in concreto betrekking op een verbrandingsinstallatie voor niet verontreinigd behandeld houtafval die zal dienen voor de verwarming van tunnelserres voor de teelt van kleinhoutig fruit, gelegen aan de Veeweidestraat 50 te Huldenberg. VII-37.085-2/15 3.
  8. Met een beslissing van 15 maart 2007 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg de gevraagde vergunning. De vergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van een drietal bijzondere voorwaarden. 3.
  9. Tegen voornoemde beslissing stellen de verzoekende partijen op 19 april 2007 beroep in bij de verwerende partij. In het beroepschrift wordt onder meer gewezen op de "manifeste" strijdigheid van de inrichting met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.
  10. Met een besluit van de verwerende partij van 30 augustus 2007 wordt het administratief beroep van de verzoekende partijen tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg van 15 maart 2007 niet ingewilligd. De in eerste aanleg verleende vergunning wordt bevestigd mits aanvulling van de opgelegde bijzondere voorwaarden met een bijkomende voorwaarde waarbij het verbranden van houtafval afkomstig van afvalverwerking of van bouw- en sloopactiviteiten wordt verboden. Het bestreden besluit luidt als volgt : "I. Betreft Beroep ingediend door Philippe de Halleux en Laurence de Crombrugghe de Picquendaele (omwonenden) tegen de vergunning voor de opslag en verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval voor verwarming van tunnelserres. Aanspraken van het beroepschrift (samengevat)
  11. Zowel het ketelhuis en houtsnipperopslag als de plastiektunnels die verwarmd zullen worden door de verbrandingsinstallatie zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De plastiektunnels en de verbrandingsinstallatie brengen de schoonheidswaarde van het landschap in gedrang en zijn in strijd met de gewestplanbestemming.
  12. De vergunningsaanvraag bevat onvoldoende technische informatie over de verbrandingsinstallatie (procédé, ontstane afvalstoffen) en geen omschrijving van de preventieve maatregelen die zullen worden genomen om hinder te beperken.
  13. De afvalverbrandingsinstallatie brengt rook-, geur-, en lawaaihinder met zich mee, de aanvoer en afvoer van het houtafval en de verbrandingsassen zorgen voor bijkomende hinder (door vrachtwagenverkeer), de exploitant beweert dat de verbrandingsassen zullen worden opgehaald door Indaver.
  14. Er is geen duidelijkheid over de vergunningsstatus van het eerder bouwvallig gebouw waar de houtsnippers worden opgeslagen en de verbrandingsinstallatie werd gebouwd. De beroepindiener stelt voor om de vergunning te weigeren aangezien het aannemelijk is dat de hinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. VII-37.085-3/15 II. Toepasselijke regelgeving Het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd. Het besluit van 06 februari 1991 van de Vlaamse Executieve houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, zoals gewijzigd. Het besluit d.d.1 juni 1995 van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, zoals gewijzigd. III. Feitelijke gegevens Op 20.04.2007 werd door Flamey advocaten, Jan Van Rijswijcklaan 16 te 2018 Antwerpen namens Philippe de Halleux en Laurence de Crombrugghe de Picquendaele beroep aangetekend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg d.d. 15.03.2007 houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Jan Butaye, Veeweidestraat 50 te 3040 Huldenberg voor het uitbaten van een inrichting voor opslag en verbranding van biomassa gelegen op bovenvermeld adres, afdeling 4, sectie C, nr. 302s met als voorwerp: - opslag en verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval in 2 stookinstallaties met een nominaal technisch vermogen van elk 100 kW (rubriek 2.3.4.1.a.
  15. 1). De vergunning werd verleend voor een termijn van 20 jaar. Het beroepschrift werd ontvangen op 23.04.
  16. IV. Ontvankelijkheid Op 27.04.2007 werd het beroepschrift ontvankelijk verklaard. Op 28.06.2007 werd de behandelingstermijn met 1 maand verlengd. V. Adviezen, Onderzoek en Motivering Op 18.06.2007 bracht het Agentschap R-O Vlaanderen (ASV) gunstig advies uit. Op 25.05.2007 bracht de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) gunstig advies uit. Op 26.06.2007 bracht Toezicht Volksgezondheid (ToVo) gunstig advies uit mits voldaan wordt aan volgende bijzondere voorwaarde: - De houtverbrandingsinstallatie mag enkel gebruikt worden in periodes waarbij de vrijkomende energie nuttig wordt aangewend voor de verwarming van de tunnelserres. Op 23.05.2007 bracht Milieuvergunningen Dienst Vlaams-Brabant (AMV) volgend advies uit: beroep ongegrond, beslissing college bevestigen Op 1.06.2007 bracht de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) gunstig advies uit voor een proeftermijn van 2 jaar mits voldaan wordt aan volgende bijzondere voorwaarden: - De emissiegrenswaarden van artikel 5.2.
  17. bis 4.
  18. van Vlarem II en de bijhorende meetfrequenties zijn van toepassing op de emissies van de houtverbrandingsinstallatie; - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken; - Er moet op gelet worden dat het te verbranden houtafval voldoet aan de richtwaarden van artikel 5.2.3 bis 4.14 van Vlarem II; - Binnen de drie maanden na aanvang van de exploitatie moet de exploitant alle opgelegde analyses (concentraties van stofdeeltjes totaal, CO, NOx, HCL, dioxines en furanen) uitvoeren op de rookgassen om aan te tonen dat de verbrandingsinstallatie kan voldoen aan de emissiegrenswaarden voor de verbranding van niet-verontreinigd behandeld houtafval. Zonodig moet de installatie bijgesteld worden waarna nieuwe metingen moeten worden uitgevoerd; VII-37.085-4/15 - De houtverbrandingsinstallatie mag enkel gebruikt worden in periodes waarbij de vrijkomende energie nuttig wordt aangewend; - Enkel houtafval dat niet voor materiaalrecuperatie in aanmerking komt mag verbrand worden. Evaluatie: Het is niet aangewezen om voor deze nieuwe houtverbrandingsinstallatie een proefvergunning te verlenen. Een proefvergunning zou aangewezen zijn wanneer het zou gaan om een nieuwe technologie die haar deugdelijkheid nog moet bewijzen. De voorgestelde houtverbrandingsinstallatie is echter een gekende technologie. Er werd zelfs een BBT- studie over gemaakt. Het voorstel van de OVAM, overgenomen door de gemeente (zie verslag van het onderzoek), om binnen de 3 maanden na het opstarten, emissiemetingen te doen en de resultaten hiervan over te zenden aan de gemeente biedt voldoende garanties dat de emissies van de installatie goed zullen opgevolgd worden en dat desgewenst nog milderende maatregelen moeten getroffen worden. OVAM had trouwens in eerste aanleg ook een proefvergunning van 2 jaar voorgesteld maar de gemeente is hier niet op ingegaan. Zij heeft de vergunning verleend voor 20 jaar onder toepassing van strenge vergunningsvoorwaarden. Op 27.06.2007 bracht de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC) unaniem volgend advies uit: de beslissing van het CBS van 15.03.2007 wordt bevestigd en aangevuld met volgende bijzondere voorwaarde: - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken. De stemgerechtigde leden waren de voorzitter en de vertegenwoordigers van de afdelingen ASV, VMM, APSG, AMV, OVAM en 2 externe deskundigen. Evaluatie van het beroepschrift
  19. De stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit werd door de deputatie verleend op 25 oktober
  20. Deze plastiektunnels zijn niet Vlarem-plichtig. De planologische verenigbaarheid van de tunnelserres is niet(meer) aanvechtbaar in het kader van onderhavige milieuvergunningsaanvraag. De houtverbrandingsinrichting voor de verwarming van de teelttunnels is wel Vlarem-plichtig maar wordt ondergebracht in een bestaand gebouw dat overigens aansluit bij bestaande bebouwing ( oude hoeve). De houtverbrandingsinstallatie heeft geen planologisch wijzigende impact.
  21. de verbrandingsinstallatie wordt wel degelijk uitgebreid toegelicht in de aanvraag (bijlage 2).Er werden zelfs emissiemetingen (CO, stikstof, stof...) in opgenomen.
  22. Wanneer de ter zake geldende algemene en sectorale vergunningsvoorwaarden van Vlarem II en de door het college opgelegde bijzondere voorwaarden nageleefd worden, kan de uitbating geschieden zonder overmatige hinder voor de omgeving.
  23. In het dossier dat werd overgezonden door de gemeente zijn geen aanwijzingen dat het gebouw niet over een geldige bouwvergunning zou beschikken . Mogelijks gaat het om een gebouw dat gebouwd werd voor het in voege treden van de Stedenbouwwet in
  24. Eventuele verbouwings/herstelwerken aan dit gebouw vallen buiten het beoordelingskader van de milieuaanvraag. Verslag van het onderzoek De inrichting (plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit en een houtverbrandingsinstallatie) is volgens het gewestplan Leuven (KB 07/04/1977) VII-37.085-5/15 deels gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en deels in landelijk woongebied. De uitbating is verenigbaar met de bepalingen van art. 11 en 15 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. De Vlaremplichtige houtverbrandingsinstallatie heeft geen planologisch wijzigende impact. De inrichting waartegen beroep is ingediend betreft een installatie voor de opslag en het verbranden van biomassa voor de verwarming van 2 tunnelserres in een gesloten watercircuit doorheen de tunnels. Het opgewarmde water wordt naar de tunnels gevoerd. Het afgekoelde water wordt terug afgevoerd naar de verwarmingsinstallatie. De assen uit de verbrandingsinstallatie zullen opgehaald worden door Indaver om daar verwerkt te worden. De houtverbrandingsinstallatie staat opgesteld in een klein gebouw dat vroeger dienst deed als loods of stal en maakt onderdeel uit van de voormalige boerderij. Het terrein werd recent aangekocht door de huidige exploitant voor de teelt van kleinfruit (frambozen, braambessen, aalbessen). Om de teelt van kleinfruit in optimale omstandigheden te laten verlopen (spreiding van de oogst) werden over een oppervlakte van iets minder dan één ha open en gesloten plastiek tunnels aangelegd. De nieuwe houtverbrandingsinstallatie heeft eerder een beperkt vermogen (2 x 100 kW) terwijl het nominaal vermogen voor indeling in klasse 2 tot een bovendrempel van 5MW gaat. De installatie ligt tevens op ruime afstand van de omringende woningen (minimaal 100 m en op 200 m van de woning van beroeper). Bovendien gelden er strenge voorwaarden zowel voor het gebruik van de brandstof (niet verontreinigd behandeld houtafval; artikel 5.2.3bis.4.14 van Vlarem II) als voor de emissiegrenswaarden van de rookgassen (art. 5.2.3bis.4.15 van Vlarem II). Het college legde verder volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden op: - De houtverbrandingsinstallatie mag enkel gebruikt worden in periodes waarbij de vrijkomende energie nuttig wordt aangewend; - Enkel niet-verontreinigd houtafval dat niet voor materiaalrecuperatie in aanmerking komt mag verbrand worden. Het niet-verontreinigd houtafval voldoet minimaal aan de voorwaarden van artikel 5.2.3bis.4.14 van Vlarem II. De installatie voldoet aan emissiegrenswaarden zoals opgenomen in art. 5.2.3bis.4.15 van Vlarem II Binnen de 3 maanden na de aanvang van de exploitatie moet de exploitant alle opgelegde analyses ( concentraties stofdeeltjes totaal, CO,NOx, HCl, dioxines en furanen) uitvoeren op de rookgassen om aan te tonen dat de verbrandingsinstallatie kan voldoen aan de emissiegrenswaarden voor de verbranding van niet-verontreinigd behandeld houtafval. Zo nodig moet de installatie bijgesteld of uitgebreid worden met een rookgaszuivering ( cycloon, multicycloon= BBT) zodat aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan. Na deze aanpassingen worden nieuwe metingen gedaan. Alle meetresultaten dienaangaande worden overgezonden aan de milieudienst van de gemeente Huldenberg. Een vergelijking van deze door het college opgelegde voorwaarden en door de OVAM voorgestelde bijzondere vergunningsvoorwaarden leert dat enkel de voorwaarde over het exclusief gebruik van niet-verontreinigd behandeld houtafval niet door het college werd overgenomen. Om uitdrukkelijk enkel het gebruik van niet-verontreinigd behandeld houtafval te garanderen wordt deze bijzondere vergunningsvoorwaarde bijkomend opgelegd. Zodoende is in de hoogst mogelijke mate gegarandeerd dat de uitbating BBT -conform kan geschieden en zonder overmatige hinder voor de omgeving. VII-37.085-6/15 De inrichting is niet gelegen in overstromings(gevoelig)gebied. De aangevraagde inrichtingen hebben geen wijzigende impact op de waterhuishouding in de omgeving (watertoets). Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het beroep niet in te willigen en de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg te bevestigen en aan te vullen met volgende bijzondere voorwaarde: - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken. Na het verslag gehoord te hebben van Jean-Pol OLBRECHTS, als lid van de deputatie, BESLUIT: Artikel
  25. Het beroep ingediend door Flamey advocaten, Jan Van Rijswijcklaan 16 te 2018 Antwerpen namens Philippe de Halleux en Laurence de Crombrugghe de Picquendaele tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg d.d. 15.03.2007 houdende het verlenen van een milieuvergunning aan Jan Butaye, Veeweidestraat 50 te 3040 Huldenberg voor het uitbaten van een inrichting voor opslag en verbranding van biomassa gelegen op bovenvermeld adres wordt niet ingewilligd. Art.
  26. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Huldenberg van 15.03.2007 wordt bevestigd en aangevuld met volgende bijzondere voorwaarde: - Er mag in deze verbrandingsinstallatie enkel niet-verontreinigd behandeld houtafval afkomstig van de houtverwerkende industrie verbrand worden (EURAL-code 03 01 05). Het is verboden houtafval afkomstig van afvalverwerking of bouw- en sloopactiviteiten te verwerken". 3.
  27. Met betrekking tot dezelfde inrichting is een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het plaatsen van plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit te Sint-Agatha-Rode (Huldenberg), Veeweidestraat
  28. Tegen die vergunning hebben de verzoekende partijen ook een beroep tot nietigverklaring en tevens een vordering tot schorsing ingediend (zaak gekend onder A. 170.676/X-12.718). Bij arrest van de Raad van State nr. 159.245 van 29 mei 2006 is de vordering tot schorsing verworpen. Het annulatieberoep is thans nog hangende. VII-37.085-7/15 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
  29. In een enig middel roepen de verzoekende partijen de schending in van het gewestplan Leuven, van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet), van artikel 11.4.1 juncto artikel 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 50, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het fair play-beginsel; voorts voeren ze de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan. De verzoekende partijen ontwikkelen hun middel als volgt: "Doordat, het bestreden besluit de milieuvergunning verleend heeft voor een afvalverbrandingsinstallatie (biomassa) in landschappelijk waardevol agrarisch gebied die dienst moet doen voor de verwarming van een aantal serres (plastiektunnels) voor kleinhoutig fruit die kennelijk in strijd met voornoemde gewestplanbestemming werden opgericht; Dat het bezwaar van verzoekende partijen inzake de planologische onverenigbaarheid van de aanvraag als volgt wordt geëvalueerd en verworpen (...): 'De stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit werd door de deputatie verleend op 25 oktober
  30. Deze plastiektunnels zijn niet Vlarem-plichtig. De planologische verenigbaarheid van de tunnelserres is niet (meer) aanvechtbaar in het kader van onderhavige milieuvergunningsaanvraag. (...) De inrichting (plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit en een houtverbrandingsinstallatie) is volgens het gewestplan Leuven (KB 07/04/1977) deels gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en deels in landelijk woongebied. De uitbating is verenigbaar met de bepalingen van artikel 11 en 15 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. De Vlaremplichtige houtverbrandingsinstallatie heeft geen planologisch wijzigende impact'. VII-37.085-8/15 Dat verwerende partij er dus van uitgaat dat zij gelet op de afgifte van de bouwvergunning voor de plastiektunnels - waarvan de schorsing nota bene werd geadviseerd door het Auditoraat bij de Raad van State inzake G/A. 170.676/X-12.718) - bij het onderzoek van onderhavige milieuvergunningsaanvraag geen concreet onderzoek meer hoeft te doen naar de planologische verenigbaarheid van de inrichting; Dat verwerende partij meent dat zij zich kan beperken tot de loutere affirmatie dat de inrichting houtverbrandingsinstallatie incluis verenigbaar is met het gewestplanvoorschrift landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Terwijl, de verwerende partij als milieuvergunningverlenende overheid er eveneens toe gehouden is om te onderzoeken of de aanvraag verenigbaar is met de dwingende bestemmingsvoorschriften en dat zij in het besluit zelf concreet moet motiveren waarom zij van oordeel is dat de inrichting bestaanbaar is met het gewestplanvoorschrift in kwestie; Dat volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State de overheid die moet beschikken op een aanvraag tot milieuvergunning krachtens artikel 2 §1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw thans artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 er toe gehouden is om de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen, wat onder meer inhoudt dat zij de vergunning in beginsel dient te weigeren indien de inrichting niet past in de bindende voorzieningen van het plan (Zie bijvoorbeeld R.v.St, nr. 47050, 28 april 1994, KERRYN (schorsingsarrest); R.v.St, nr. 46.813, 31 maart 1994, N.V. EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER (schorsingsarrest); R.v.St, nr. 46.263, 24 februari 1994, DECLERCQ en DE PAEPE (schorsingsarrest); R.v.St, nr. 46.259, 24 februari 1994, N.V. FONCK-DEHENNIN (schorsingsarrest); R.v.St, nr. 45.979, 3 februari 1994, COUSSEMENT (schorsingsarrest); R.v.St, nr. 45.107, 2 december 1993, LATAIRE (schorsingsarrest); R.v.St, nr. 44.274, 30 september 1993, B.V.B.A.VAN HOORNWEDER MARCEL EN ZOON (schorsingsarrest); R.v.St, nr. 42.595, 16 april 1993 (schorsingsarrest), N.V. EXPORT- SLACHTHUIS G. DE COSTER, Arr. R.v.St., 1993, (losbl.); R.v.St, nr. 40.889, 29 oktober 1992, MOERMAN (schorsingsarrest), Arr. R.v.St., 1992, (losbl.)); Dat er niet kan beweerd worden dat de toetsing van de stedenbouwkundige voorschriften slechts aan de orde is bij het beoordelen van een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning (Zie b.v. R.v.St., 138.269, SCHETS, 9 december 2004); Dat een planologische toetsing aan de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied zich ook opdringt in het kader van de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag (Zie b.v. R.v.St., nr. 73.380, 30 april 1998, LALLEMANT en R.v.St., nr. 66.314, 20 mei 1997); Dat de vergunningverlenende overheid haar beslissing uitdrukkelijk dient te motiveren; dat deze formele motiveringsverplichting voortvloeit uit artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen evenals uit artikel 50, 3/, b) Vlarem I; Dat de vergunningverlenende overheid er toe gehouden is om concreet na te gaan of de exploitatie waarvoor vergunning wordt gevraagd verenigbaar is met de dwingende bestemmingsvoorschriften; dat zij ook in de beslissing zelf formeel dient te motiveren op grond van welke overwegingen zij tot haar conclusie ter zake komt en dat zij ook moet antwoorden op de bezwaren die naar voor werden gebracht; dat de loutere bewering dat 'de exploitatie verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften' niet volstaat als motivering (R.v.St., 139.234, RUYSSCHAERT, 13 januari 2005); VII-37.085-9/15 Dat in casu zowel het 'ketelhuis en houtsnipperopslag' als de plastiektunnels die verwarmd zullen worden door de verbrandingsinstallatie, volgens het gewestplan Leuven (K.B. 7 april 1977) gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Dat de aanduiding 'landschappelijk waardevol gebied' in overdruk inhoudt dat in principe dezelfde bestemmingen en handelingen toegelaten zijn als deze bepaald voor de grondkleur voor zover de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar wordt gebracht (artikel 15.4.6.
  31. van het 'Inrichtingsbesluit'); Dat het in casu gaat (...) om landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, hetgeen dus concreet betekent dat in deze gebieden alles toegelaten is wat in de agrarische gebieden normaal thuishoort - 'landbouw in de ruime zin' (artikel 11 van het Inrichtingsbesluit) - voor zover de schoonheidswaarde van het landschap niet wordt aangetast; Dat uit de samenlezing van artikel 11.4.1 en artikel 15.4.6.1 van het Inrichtingsbesluit wordt afgeleid dat in deze gebieden een dubbel criterium geldt: een planologisch criterium, hetgeen inhoudt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebieden, en een esthetisch criterium, hetgeen inhoudt dat overheid nagaat of de bedoelde werken in overeenstemming zijn met de eisen ter vrijwaring van het landschap (Zie o.a. R.v.St., 32.843, BVBA VAN DEN BOSCH, 27 juni 1989; R.v.St., 100.692, DE SUTTER, 8 november 2001; R.v.St., 108.522, VERVAECKE, 27 juni 2002; R.v.St., 120.686, DELMULLE, 18 juni 2003 en R.v.St., 121.144, VERLEE e.a., 1 juli 2003); Dat de plastiektunnels in kwestie het landschapsschoon aantasten en als dusdanig niet verenigbaar zijn met de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat om die reden het Schepencollege eerder bij besluit van 24 mei 2005 terecht de bouwvergunning heeft geweigerd; dat ook de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar in zijn ontwerpbesluit had voorgesteld om het beroep van de heer Butaye niet in te willigen en de bouwvergunning te weigeren wegens strijdigheid met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het andersluidende besluit van de Bestendige Deputatie dd. 25 oktober 2005 werd aangevochten voor de Raad van State met een verzoek tot schorsing en een annulatieberoep; dat het Auditoraat het eerste middel betreffende de planologische onverenigbaarheid ernstig heeft bevonden en de schorsing heeft geadviseerd; dat deze schorsing evenwel niet kon worden uitgesproken om reden dat de aanvrager iedereen voor voldongen feiten had gesteld door snel door te bouwen; dat desalniettemin naar alle waarschijnlijkheid de Raad van State binnen afzienbare tijd conform het Auditoraatsverslag de onwettige bouwvergunning voor de plastiektunnels zal vernietigen wegens kennelijke strijdigheid met de gewestplanbestemming; Dat de thans afgeleverde milieuvergunning voor de verbrandingsinstallatie er toe strekt om de plastiektunnels te verwarmen (zoals de aanvrager zelf stelt in zijn aanvraag) en daarenboven ingeplant wordt in hetzelfde landschappelijke waardevol agrarische gebied, zodat verwerende partij niet anders dan kon vaststellen dat de milieuvergunningsaanvraag strijdig is met de gewest- planbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat door desalniettemin de vergunning te verlenen, het bestreden besluit genomen werd met schending van het gewestplan Leuven, de artikelen 11 en 15 van het Inrichtingsbesluit en artikel 2 DROG; dat het bestreden besluit genomen werd met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag; Dat de bewering in het bestreden besluit dat de planologische verenigbaarheid niet meer moet onderzocht worden voor de milieuvergunningsaanvraag om reden dat de stedenbouwkundige vergunning werd verleend, kennelijk onjuist is; dat deze visie in strijd is met de VII-37.085-10/15 verordenende kracht van de voorschriften van het gewestplan dewelke zich ook aan de milieuvergunningverlenende overheid opdringt, zoals genoegzaam blijkt uit de vaststaande rechtspraak van Uw Raad; dat het bestreden besluit zodoende artikel 2 DROG heeft geschonden en genomen werd met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; dat deze overweging in rechte niet aanvaardbaar is en het bestreden besluit niet kan dragen; dat de materiële motiveringsplicht werd geschonden; Dat de bewering als zou een planologische beoordeling niet nodig zijn aangezien de bouwvergunning verleend werd voor de plastiektunnels daarenboven onjuist minstens misleidend is aangezien de bouwvergunning voor de plastiektunnels volgens het Auditoraat van de Raad van State onwettig is wegens planologische onverenigbaarheid en dus binnen afzienbare tijd vernietigd zal worden; dat het dan ook niet getuigt van zorgvuldig bestuur om andermaal een vergunning te verlenen die behept is met dezelfde onwettigheid; dat het kennelijk onredelijk is om de milieuvergunning af te leveren onder enkele verwijzing naar de bouwvergunning waarvan men weet dat deze precair is en zal vernietigd worden op principiële gronden (planologische onverenigbaarheid); dat in de plaats van de onwettige bouwvergunning in te trekken, hetgeen van een zorgvuldige overheid kan worden verwacht wanneer het duidelijk is dat de vergunning behept is met een kennelijke onwettigheid, verwerende partij volhardt in de boosheid en de corresponderende milieuvergunning verleent onder loutere verwijzing naar die (onwettige) bouwvergunning; dat deze handelswijze niet getuigt van 'fair play'; Dat verwerende partij zich beperkt tot het louter poneren dat 'de uitbating verenigbaar (is) met de bepalingen van artikel 11 en 15 van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen'; dat dit uiteraard niet volstaat als motivering inzake de planologische verenigbaarheid, niet in het minste omdat verzoekende partijen in hun bezwaarschrift concreet en omstandig hebben aangetoond dat de inrichting onverenigbaar is met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het Auditoraat bij de Raad van State inzake de bouwvergunning voor de plastiektunnels van dezelfde inrichting duidelijk heeft gesteld dat het landschapsschoon wordt aangetast en dat de inrichting onbestaanbaar is met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid waarom het bezwaar van verzoekende partijen verworpen werd en waarom verwerende partij van oordeel is dat de inrichting wel verenigbaar is met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch (het ondraagkrachtige motief dat er reeds een bouwvergunning werd verleend niet te na gesproken); dat het bestreden besluit kennelijk genomen werd met schending van de formele motiveringsplicht (artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en artikel 50, 3/, b) Vlarem I); Zodat, het bestreden besluit, door de milieuvergunning te verlenen voor een verbrandingsinstallatie gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied dewelke moet dienen voor de verwarming van serres (plastiektunnels) eveneens in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en kennelijk in strijd met deze bestemming (aantasting landschapsschoon zoals uitdrukkelijk geadviseerd door de Raad van State), onder loutere verwijzing naar de precaire bouwvergunning voor deze serres en zonder enige concrete beoordeling en motivering inzake de planologische verenigbaarheid, de in het middel opgesomde bepalingen en beginselen heeft geschonden". VII-37.085-11/15
  32. De verwerende partij repliceert in essentie dat het om een kleinschalig project gaat en dat zij de aanvraag heeft getoetst naar de bestaanbaarheid met het betrokken gebied en de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving; het tuinbouwbedrijf is zuiver agrarisch; de plaatsing van de plastiektunnels is vergund door een stedenbouwkundige vergunning, uitgereikt op 25 oktober 2005, waarbij een zeer uitvoerig onderzoek is gebeurd omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de planologische voorschriften en de goede ruimtelijke ordening; de "Vlaremplichtige houtverbrandingsinstallatie" heeft geen planologisch wijzigende impact nu ze ondergebracht is in een bestaande loods. Het bestreden besluit spoort volgens de verwerende partij met de uitgebrachte adviezen, zoals met dit uitgebracht door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar.
  33. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord onder meer dat het bestreden besluit op geen enkele plaats vermeldt waarom de aanvraag verenigbaar zou zijn met de planologische voorschriften van onder meer het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; nergens blijkt uit het bestreden besluit dat de verwerende partij een eigen onderzoek heeft gedaan naar de verenigbaarheid met de gewestplanvoorschriften. Beoordeling
  34. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende motieven in het bestreden besluit van belang : "Aanspraken van het beroepschrift (samengevat)
  35. Zowel het ketelhuis en houtsnipperopslag als de plastiektunnels die verwarmd zullen worden door de verbrandingsinstallatie zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De plastiektunnels en de verbrandingsinstallatie brengen de schoonheidswaarde van het landschap in gedrang en zijn in strijd met de gewestplanbestemming. (...)" en "Evaluatie van het beroepschrift
  36. De stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit werd door de deputatie verleend op 25 oktober
  37. Deze plastiektunnels zijn niet Vlarem-plichtig. De planologische verenig- baarheid van de tunnelserres is niet (meer) aanvechtbaar in het kader van onderhavige milieuvergunningsaanvraag. VII-37.085-12/15 De houtverbrandingsinrichting voor de verwarming van de teelttunnels is wel Vlarem-plichtig maar wordt ondergebracht in een bestaand gebouw dat overigens aansluit bij bestaande bebouwing (oude hoeve). De houtverbrandingsinstallatie heeft geen planologisch wijzigende impact. (...)" en "Verslag van het onderzoek De inrichting (plastiektunnels voor de teelt van kleinhoutig fruit en een houtverbrandingsinstallatie) is volgens het gewestplan Leuven (KB 07/04/1977) deels gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en deels in landelijk woongebied. De uitbating is verenigbaar met de bepalingen van art. 11 en 15 van het KB van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen. De Vlaremplichtige houtverbrandingsinstallatie heeft geen planologisch wijzigende impact. (...). De houtverbrandingsinstallatie staat opgesteld in een klein gebouw dat vroeger dienst deed als loods of stal en maakt onderdeel uit van de voormalige boerderij. (...)". Uit voornoemde motieven blijkt dat de verwerende partij van oordeel was dat de "niet Vlarem-plichtige" tunnelserres niet getoetst dienden te worden aan de bestemmingsvoorschriften van het toepasselijke gewestplan omdat voor de oprichting van die serres op 25 oktober 2005 een stedenbouwkundige vergunning is verleend, en dat de exploitatie van de houtverbrandingsinstallatie, die ondergebracht wordt in een bestaand gebouw, geen ruimtelijke impact heeft. In het bestreden besluit staan aldus twee motieven om niet te moeten overgaan tot een stedenbouwkundige toetsing van de betrokken milieuvergunningsaanvraag aan het landschappelijk waardevol karakter van het betrokken agrarisch gebied.
  38. De milieuvergunningsaanvraag heeft betrekking op de exploitatie van een nieuw serre- of tuinbouwbedrijf dat volgens het toepasselijke gewestplan in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen is. De beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag voor deze inrichting - de verbrandingsinstallatie onderstelt de tunnelserres en beide vormen samen één inrichting - dient gepaard te gaan met een stedenbouwkundige toetsing, waarbij bijzondere aandacht dient te worden besteed aan het landschappelijk waardevol karakter van het betrokken agrarisch gebied. Het gegeven dat voor de tunnelserres een stedenbouwkundige vergunning werd verleend, die trouwens aangevochten is, vormt geen deugdelijk motief om van de vereiste stedenbouwkundige toetsing af te zien. VII-37.085-13/15
  39. Het motief in het bestreden besluit waarbij gesteld wordt dat de houtverbrandingsinstallatie zelf geen "planologisch wijzigende impact" heeft omdat ze wordt ondergebracht in een bestaand gebouw, voldoet evenmin. Het feit dat de gevraagde exploitatie plaatsgrijpt binnen bestaande gebouwen houdt niet ipso facto in dat hetgeen aldaar vergund wordt, verenigbaar is met de bestemming van het betrokken gebied; in het raam van de toetsing van een milieuvergunning aan de gewestplanbestemming is niet het bouwwerk doorslaggevend, maar de bestemming ervan, met name de activiteiten die erin worden uitgeoefend.
  40. De verwijzing in het bestreden besluit naar het advies van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar van 18 juni 2007 is evenmin dienstig aangezien bedoeld advies zelf geen afdoende motieven bevat aangaande de verenigbaarheid van de inrichting met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het bestreden besluit hoe dan ook van de veronderstelling uitgaat dat dergelijk onderzoek niet moest plaatsvinden.
  41. Het besluit is dat de opgegeven motieven de verwerende partij er niet van konden ontslaan de milieuvergunningsaanvraag te toetsen aan de voorschriften van het gewestplan, zoals artikel 2 van het coördinatiedecreet, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, voorschreef.
  42. Het enig middel is gegrond. BESLISSING
  43. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 30 augustus 2007 waarbij het beroep van Philippe de Halleux en Laurence de Crombrugghe de Picquendaele, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg van 15 maart 2007 houdende het verlenen aan Jan Butaye van de milieuvergunning voor de opslag en de verbranding van niet verontreinigd behandeld houtafval voor de verwarming van tunnelserres, gelegen aan de Veeweidestraat 50 te Huldenberg, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd en aangevuld met een bijzondere voorwaarde waarbij het verbranden van houtafval afkomstig van afvalverwerking of van bouw- en sloopactiviteiten wordt verboden. VII-37.085-14/15
  44. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  45. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-37.085-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.718 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.634 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.