id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.720 Rolnummer: A. 181835/VII-36959 Zaak: Arrest 197720 - Milieuvergunningen - 12/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-19 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.720 van 12 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 197.720 van 12 november 2009 in de zaak A. 181.835/VII-36.959 In zake:
(2002)voor RWZI's de volgende basis-immissieconcentratieniveaus worden afgeleid (berekend op basis van snuffelmetingen) : - nuleffectniveau: 0,5 se/m³ als 98-percentiel; - hinderniveau: 1,5 se/m³ als 98-percentiel; - ernstig hinderniveau: 2 se/m³ als 98-percentiel; dat in het rapport staat vermeld dat het niet mogelijk is een eenduidige relatie te vinden tussen geur- en snuffeleenheden; dat de Nederlandse normen dus moeilijk kunnen vergeleken worden met de Vlaamse en dat bovendien blijkt dat de verhouding tussen geureenheden en snuffeleenheden niet eenduidig is; Overwegende dat gezien de reeds genomen maatregelen en het voldoen aan de Nederlandse Emissie Richtlijn voor nieuwe RWZI's, het niet nodig wordt geacht om de biofilter te voorzien van een schouw of ejectorinrichting of dat er een secundaire behandeling van de geurpieken na de biofilter moet voorzien worden; dat de contour deels afkomstig is van de biofilter en deels afkomstig is van de regenwaterbezinktank; dat er nogmaals op gewezen wordt dat deze regenwaterbezinktank enkel gevuld is als de influentdebieten zich boven de 3 DWA14 bevinden; Overwegende dat de NV Aquafin verduidelijkt dat de constructies met potentieel gevaar voor geurhinder overkapt zijn en de gevormde ruimtes gecontroleerd geventileerd worden (er wordt op 1 of meerdere plaatsen lucht afgezogen en diametraal tegenover dit afzuigpunt wordt een toevoerrooster voorzien om ter compensatie van de afgezogen lucht, lucht toe te laten in de overkapte constructie); dat de NV Aquafin aangeeft dat de restemissie (na de biofilter) maximaal 10% van de onbehandelde emissie bedraagt (wat zou worden vrijgesteld indien niet overkapt); dat de NV Aquafin aangeeft dat op basis van praktijkervaring kan gesteld worden dat geurhinder door niet-biologische emissies niet optreedt, en dat bijgevolg extra voorzieningen niet noodzakelijk zijn; Overwegende dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie geen afvalverwerkings- installatie is; dat volgens de definitie een afvalstof elke stof of elk voorwerp is voorkomend op de afvalstoffenlijst van het VLAREA (de omzetting van de Beschikking van de Commissie 2000/532/EG van 3 mei 2000) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens heeft zich te ontdoen of zich moet ontdoen; dat de Richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen duidelijk aangeeft dat onder andere afvalwater, met uitzondering van afvalstoffen in vloeibare toestand, buiten de werkingssfeer van deze richtlijn valt (zie ook artikel 4, 3/ van het afvalstoffendecreet); dat er op een RWZI wel afvalstoffen geproduceerd worden onder de vorm van slib, welke dan afgevoerd worden en niet ter plaatse verwerkt worden; dat enkel ter plaatse een eerste ontwatering plaatsvindt van het slib om de afvoer van het slib via vrachtwagens mogelijk te maken; dat dit integraal deel uitmaakt van de waterzuiveringsinstallatie, zoals ook vermeld in rubriek 3.6 van de indelingslijst van titel I van het Vlarem; dat er enkel sprake is van tijdelijke slibopslag, op de plaats van de productie, voorafgaand aan elke inzameling, in functie van een georganiseerde en regelmatige afvoer; dat er geen externe vloeibare afvalstoffen worden aangevoerd; dat stedelijk afvalwater geen industrieel afvalwater is; dat de additieven voor chemische defosfatatie niet verwerkt worden als afvalstof; Overwegende dat de Raad van State met het arrest nr. 157.252 op 31 maart 2006 de schorsing beveelt van het ministerieel besluit nr. AMV/000137474/1007 van 12 juni 2005 houdende oorspronkelijke uitspraak in beroep van huidige vergunningsaanvraag van de NV Aquafin voor de RWZI Tervuren; dat deze uitspraak stelt dat het middel ernstig is omdat de aanvraag VII-36.959-12/31 wel degelijk een afvalverwerkingsinstallatie is en niet getoetst is aan het bepaalde in artikel 5.2.1.1., §1 van titel II van het Vlarem en zodoende ook niet aan artikel 5.2.1.4., §1 van titel II van het Vlarem; dat het arrest stelt dat de bestreden beslissing ervan uitgaat dat de bedoelde inrichting geen afvalverwerking is, waar Vlarem een dubbele rubricering als hinderlijke inrichting volgens bijlage 1 van titel I van het Vlarem, niet uitsluit; Overwegende dat artikel 5.2.1.4., §1 van titel II van het Vlarem als volgt luidt: 'Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot : - woongebieden, recreatiegebieden, landbouwgebieden, parkgebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening; - de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening; - de ruimtelijk kwetsbare gebieden; - de perimeters van gebieden, afgebakend volgens of in uitvoering van internationale verdragen, overeenkomsten of richtlijnen; - waterrijke gebieden zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; - wegen en waterwegen; - het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen en beschermde archeologische goederen; - de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III voor grondwater, afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, en de sub-hydrografische bekkens van oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, afgebakend in toepassing van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging'; Overwegende dat overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 22 september 2006 (BS 20 november 2006) houdende wijziging van onder andere titel I van het Vlarem met betrekking tot afvalwaterzuiveringsinstallaties door in bijlage 1, de indelingslijst, volgende uitzondering toe te voegen in rubriek 2.2.5 en rubriek 2.3.2: 'Het afscheiden van vuil en van verontreinigde stoffen uit water, rioolwater en/of afvalwater door middel van vuilroosters, roostergoedpers, zandvangers, vetvangers, voorbezinktanks, beluchtingsbassins, nabezinktanks, voorindikkers, na-indikkers, centrifugeren en/of persen, en andere procesmatige onderdelen van afvalwaterzuiveringsinstallaties als bedoeld in rubriek 3.6 en van drinkwaterzuiveringsinstallaties, betreft geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en is dus niet ingedeeld onder onderhavige rubriek 2'; Overwegende dat dit de hogervermelde stelling staaft dat slib wel een afvalstof is, maar de beperkte ontwatering van het slib uitgevoerd door de NV Aquafin niet aanzien wordt als afvalverwerking; dat bijgevolg artikel 5.2.1.4 §1 van titel II van het Vlarem niet van toepassing is; dat desalniettemin alle mogelijke hinderaspecten en de afstand ten aanzien van het nabij gelegen woongebied, waterwingebied, e.a. geëvalueerd worden in hogervermelde overwegenden; VII-36.959-13/31 Overwegende dat sinds 1960 de riolering in de hele streek uitgevoerd is om te eindigen in Vossem in de Voervallei, zijnde deelgemeente van Tervuren; dat momenteel het afvalwater uit deze streek ongezuiverd geloosd wordt; dat het van zeer hoog ecologisch belang is dat er zo snel mogelijk in deze streek een RWZI gebouwd wordt; dat dit ook noodzakelijk en dringend is om te voldoen aan de Europese wetgeving; Overwegende dat gelet op enerzijds het arrest van de Raad van State, waardoor het ministerieel besluit nummer AMV/000137474/l007 van 12 juni 2005 wordt geschorst en anderzijds het ecologisch belang om zo spoedig mogelijk een RWZI te exploiteren, het noodzakelijk is voornoemd ministerieel besluit op te heffen en rekening houdende met de gewijzigde wetgeving een nieuw ministerieel besluit in de plaats te treffen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de tussenkomende partij 11. De tussenkomende partij voert in haar verzoekschrift tot tussenkomst aan dat het beroep laattijdig is ingesteld omdat het bestreden besluit op 16 januari 2007 aan de raadslieden van de verzoekende partijen is betekend en het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts op 21 maart 2007 zou zijn ingediend. Beoordeling 12. Uit de stukken blijkt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring op 19 maart 2007 aangetekend aan de Raad van State werd verstuurd. Het beroep is dienvolgens niet laattijdig en de exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Voorafgaande opmerking Te dezen wordt opgemerkt dat de tweede verzoeker geen inhoudelijke kritiek geeft op het tussenarrest nr. 175.369 van 4 oktober 2007 waarbij zijn identieke middelen in het schorsingsberoep niet ernstig bevonden werden. VII-36.959-14/31 VII-36.959-15/31 A. Eerste middel Standpunt van de partijen 13. De tweede verzoeker roept in een eerste middel de schending in van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, van artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het koninklijk besluit van 7 april 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Leuven, van de artikelen 11.4.1., 15.4.6.1., 17.6.2. en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van artikel 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tenslotte voert de tweede verzoeker het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag aan. Hij ontwikkelt zijn middel als volgt: "Doordat het bestreden besluit de milieuvergunning verleent voor het oprichten van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) op percelen die deels in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn gelegen, en deels in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Terwijl de Raad van State in haar arresten herhaaldelijk heeft gewezen op het feit dat bij het verlenen van een milieuvergunning de bindende en verorden(en)de kracht van de voorschriften van de plannen van aanleg moet worden geëerbiedigd. En terwijl de milieuwetgeving immers net omwille van deze bindende en verordenende kracht ondergeschikt is aan de wetgeving betreffende de stedenbouw en de ruimtelijke ordening (cf. o.a. R.v.St., bvba Aerts Brandstoffen, nr. 114.571 van 16 januari 2003; R.v.St., Mersmans, nr. 55.939 van 19 oktober 1995; R.v.St., Lallemand, nr. 73.380 van 30 april 1998). En terwijl hieruit volgt dat een milieuvergunning in principe moet geweigerd worden wanneer ze, zelfs gedeeltelijk, in strijd is met de plannen van aanleg. Hierbij beschikt de vergunningverlenende overheid geenszins over enige discretionaire bevoegdheid (cf. o.a. R.v.St., Sonck, nr. 60.147 van 13 juni 1996; R.v.St., NV Intyre, nr. 66.182 van 6 mei 1997). En terwijl in casu de bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied het gebruik van dit gebied beperkt tot de landbouw in de ruime zin en zodoende de exploitatie en oprichting van een RWZI in zulk gebied uitsluit. En terwijl het KB van 28 december 1972, alsook de Ministeriële Omzendbrief van 8 juli 1997, expliciet voorzien dat bij gebruik voor de landbouw in de ruime zin de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar mag worden gebracht, zodanig dat in deze gebieden het VII-36.959-16/31 landschapskarakter zoveel mogelijk moet bewaard worden en bijzondere aandacht moet worden besteed aan de esthetische aspecten van nieuwe inplantingen of verbouwingen. En terwijl in casu zodoende, naast het planologische criterium, m.n. de agrarische bestemming, ook het criterium van de landschappelijke en esthetische waarde niet veronachtzaamd mag worden door de besturen die kennis nemen van aanvragen die zich situeren in het gebied. En terwijl de vergunningverlenende overheid dan ook niet alleen moet onderzoeken of de aanvraag in overeenstemming is met de in de grondkleur aangegeven bestemming van het gebied, maar tevens moet onderzoeken of de beoogde handelingen en werken wel kunnen worden in overeenstemming gebracht met de eisen van vrijwaring van het landschap. En terwijl de Raad van State reeds meerdere malen de gelegenheid te baat heeft genomen om terzake duidelijk te stellen dat, ook indien het gebied reeds structureel aangetast zou zijn, de overheid ook dan steeds de plicht heeft om aan landschapsontwikkeling te doen (zie o.a. R.v.St. Van den Panhuyzen, nr. 26.400, 24 april 1986; R.v.St. Loontjens, nr. 57.037, 14 december 1995; R.v.St. Lallemant en Schamp, nr. 60.342, 20 juni 1996). En terwijl zo bv. werd geoordeeld dat in die gevallen een groenscherm niet van aard kan zijn om de planologisch-esthetische bezwaren te ondervangen, doch integendeel een indicatie vormt dat ook de overheid de constructie als hinderlijk en onesthetisch aanziet (zie o.a. R.v.St. Hellyn, nr. 65.802, 3 april 1997; R.v.St. Vandenhende, nr. 69.722, 21 november 1997 en nr. 70.184, 12 december 1997; R.v.St. Algoet, nr. 71.049, 23 januari 1998). En terwijl in casu moet worden vastgesteld dat de oprichting van een bufferzone voor een RWZI geenszins als 'gebruik voor de landbouw in de ruime zin' kan worden bestempeld. En terwijl dit alles des te meer klemt, nu in de bestreden vergunning lukraak wordt beweerd dat 'vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, hier verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften'. En terwijl voor het overige nergens met een woord wordt gerept over de bestaanbaarheid van deze bufferzone met de bestemming als agrarisch gebied, laat staan over de verenigbaarheid van de installatie met het landschappelijk waardevol karakter van dit agrarisch gebied. En terwijl het feit dat de werken in het agrarisch gebied zouden beperkt zijn tot de aanplanting van een bufferzone uiteraard niet automatisch met zich mee brengt dat deze werken verenigbaar zijn met de algemene bestemming als landschappelijk waardevol én agrarisch gebied. En terwijl daarnaast, zelfs indien de minister, zonder expliciet naar dit artikel te verwijzen, van oordeel zou zijn dat hij zich voor deze werken kan beroepen op artikel 20 van het KB van 28 december 1972, hij dan nog hierbij uit het oog verliest dat dit artikel slechts kan worden aangewend in zeer uitzonderlijke omstandigheden en uitgesloten is in het geval van tegenstrjdige functies. En terwijl zodoende moet worden vastgesteld dat de aanplanting van de bufferzone, onlosmakelijk verbonden met de oprichting van de RWZI, niet alleen strijdig is met de gewestplanbestemming en het landschappelijk waardevol karakter ervan, maar tevens dat, zelfs al zou men ervan uitgaan dat de minister zich beroept op de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 20 van het KB van 28 december 1972, het de bestreden vergunning ontbreekt aan enige concrete motivering m.b.t. de toepassing van deze uitzonderingsmaatregel en de verenigbaarheid met de omliggende gebieden en bebouwing. VII-36.959-17/31 En terwijl evenmin in de bestreden beslissing wordt aangegeven waaruit zou blijken dat de in te planten bufferzone verenigbaar is met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied. En terwijl uit de lezing van artikel 20 van het KB van 28 december 1972 overigens sowieso volgt dat deze bepaling enkel kan worden aangewend voor 'bouwwerken' en dus niet voor de inplanting van een bufferzone. En terwijl de overwegingen in het bestreden besluit dat volgens de bouwvergunning dd. 31 augustus 2005 de werken zich zullen beperken tot het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen aan deze vaststelling geen afbreuk doet, nu de exploitatie van de RWZI zich alleszins eveneens over de terreinen gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied zullen uitstrekken". 14. De verwerende partij betoogt in essentie dat de bouwplaats van de rioolwaterzuiveringsinstallatie gelegen is een bestemmingszone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; de beoogde bufferzone met streekeigen groen is voorzien in de bestemmingszone landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen heeft een omstandig en gunstig advies uitgebracht. Er werd trouwens op 31 augustus 2005 een stedenbouwkundige vergunning voor het project uitgereikt. Tenslotte beklemtoont de verwerende partij dat in het bestreden besluit zelf het landschappelijk waardevolle aspect van het gebied niet uit het oog werd verloren. 15. De tussenkomende partij benadrukt dat de rioolwaterzuiverings- installatie en de herbebossing voorzien zijn op percelen, gelegen in de bestemmingszone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Beoordeling 16. Het middel steunt op een verkeerde feitelijke grondslag. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de tweede verzoeker er ten onrechte van uit gaat dat de aanleg van het groenscherm zal uitgevoerd worden op percelen die gelegen zijn in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Alle werken, zowel wat de rioolwaterzuiveringsinstallatie zelf betreft als inzake de beoogde bufferzone met streekeigen groen, worden voorzien in het bestemmingsgebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Overigens wordt opgemerkt dat de aanleg van de compenserende bebossing niet wordt opgelegd door de milieuvergunning maar door de stedenbouwkundige vergunning uitgereikt op 31 augustus 2005. VII-36.959-18/31 Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 17. De tweede verzoeker roept in een tweede middel de schending in van de artikelen 9, 18 en 23, §§ 1 en 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 30, 30bis, § 1, eerste lid, en 52, 3/, van Vlarem I, van de algemene beginselen van milieubeleid, meer specifiek het preventiebeginsel vervat in artikel 1.2.1., § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tenslotte voert hij machtsoverschrijding aan. Hij ontwikkelt zijn middel als volgt: "Doordat de bestreden beslissing integraal de beslissing dd. 2 december 2004 van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant heeft bevestigd. En doordat het bestreden besluit zodoende aangaande de grieven van beroepers in verband met o.m. de te vrezen geluidshinder als bijzondere voorwaarde stelt dat 'binnen de drie maanden na opstart van de RWZI, dient de exploitant een volledig akoestisch onderzoek te laten uitvoeren overeenkomst(
- ig)bijlage 4.5.2. van Vlarem II'. En doordat op die manier door het bestreden besluit een exploitatie- voorwaarde wordt opgelegd die in werkelijkheid een voorwaarde is die enkel en alleen de exploitant verplicht om aan de vergunningverlenende overheid inlichtingen te verschaffen omtrent nog ongekende maar voor het verlenen van de vergunning relevante gegevens. Terwijl buiten het geval van een vergunning op proef, een vergunning niet zo mag worden opgesteld dat de overheid of de exploitant nog een beoordelings-marge behoudt m.b.t. het al dan niet verworven zijn van vergunning of m.b.t. de naleving van voorwaarden. En terwijl uit het bepaalde van artikel 30bis, §1, le lid Vlarem I-besluit volgt dat de vergunningsvoorwaarden die ertoe strekken om de afgeleide hinder van de inrichting te voorkomen in de beslissing moeten worden opgenomen, en niet naar een toekomstig ogenblik kunnen worden uitgesteld. En terwijl in casu nochtans aan de exploitant de gelegenheid wordt gegeven om slechts drie maanden ná het opstarten van de inrichting een akoestisch onderzoek uit te voeren. En terwijl daarenboven op grond van het in de aanhef van het middel aangehaald artikel 1.2.1. §2 van het decreet van 5 april 1995 en artikel 30bis § 1, le lid Vlarem 1-besluit verankerde preventiebeginsel pas met de exploitatie van een inrichting mag worden begonnen indien voldoende zekerheid bestaat dat dit kan gebeuren zonder dat schade of hinder aan mens of milieu wordt VII-36.959-19/31 veroorzaakt en dat de vergunningsbeslissing daartoe de nodige garanties moet bevatten. En terwijl het rechtszekerheidsbeginsel er zich tegen verzet dat belanghebbenden, zoals in casu beroepers als onmiddellijk betrokken buurtbewoners, op het ogenblik van de vergunningverlening in de onwetendheid worden gelaten over de maatregelen die de exploitant bij de exploitatie van de inrichting dient na te leven om de hinder voor de buurt te beperken. En terwijl het bestreden besluit dan ook de in de aanhef van het middel ingeroepen rechtsbepalingen schendt door geen effectieve, rechtens afdwingbare bijzondere voorwaarden op te leggen aan de exploitant (vgl. R.v.St., Monu, nr. 61.075 van 12 september 1996, R.v.St., Fraye, nr. 62.714 van 24 oktober 1996). En terwijl immers indien de minister nog onzeker was omtrent de gevolgen van een bepaald deel van de exploitatie van de RWZI, bij gebrek aan voldoende gegevens omtrent de geluidshinder, en die gegevens enkel door het in werking stellen van de inrichting konden worden bekomen, hij voor de inrichting enkel een proefvergunning kon verlenen. En terwijl de mogelijkheid die artikel 20 Milieuvergunningsdecreet biedt om bijzonder(
- e)voorwaarden op te leggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu in wezen niet is ingesteld om tegemoet te komen aan de onzekerheden die een vergunningsdossier oproept, laat staan om de leemten van een onvolledige of vage vergunningsaanvraag in extremis op te vullen (cf. R.v.St., gemeente Brecht, nr. 126.060 van 4 december 2003). En terwijl immers op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit de minister onmogelijk de uitslag kon weten van het nog uit te voeren akoestisch onderzoek binnen de drie maanden na het opstarten van de RWZI, waarvan de resultaten uiteraard van groot belang zijn voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting met de nabijgelegen woningen". 18. De verwerende partij werpt in essentie op dat in het bestreden besluit omstandig wordt gemotiveerd dat de exploitant in zijn aanvraag voldoende maatregelen heeft voorgesteld om de risico’s op overdreven geluidshinder binnen een aanvaardbaar niveau te houden en dat de bijkomende milieuvoorwaarde omtrent een akoestisch onderzoek wordt opgelegd om de omwonenden een extra zekerheid te geven omtrent de zeer gering geworden kans op geluidshinder; er worden ten andere, aldus de verwerende partij, strengere normen opgelegd dan het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) voorschrijft. 19. De tussenkomende partij betoogt dat in het bestreden besluit omstandig wordt gemotiveerd dat zij voldoende maatregelen heeft voorgesteld om de risico’s op overdreven geluidshinder binnen een aanvaardbaar niveau te houden; het opleggen van een akoestisch onderzoek is een exploitatievoorwaarde. VII-36.959-20/31 Beoordeling 20. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verplichting tot het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek niet opgelegd werd omdat de verwerende partij in onzekerheid verkeerde over de aanvaardbaarheid van de geluidshinder die door de exploitatie zou worden veroorzaakt; in het bestreden besluit wordt expliciet gesteld dat er, rekening houdend met de diverse hinderbeperkende maatregelen waarin door de aanvrager van de vergunning worden voorzien, kan worden vanuit gegaan dat er geen geluidshinder zal optreden en dat de effectiviteit van de voorgestelde hinderbeperkende maatregelen gebaseerd is op tientallen geluidsstudies die de aanvrager heeft laten uitvoeren op andere rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hieruit blijkt dat de verwerende partij over voldoende gegevens beschikte om het aspect geluidshinder te beoordelen. In het bestreden besluit heeft de verwerende partij tegelijk aangegeven dat de bijkomende voorwaarde tot het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek enkel wordt opgelegd om tegemoet te komen aan de "bezorgdheid" van de omwonenden en dat, afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek, eventueel bijkomende maatregelen kunnen worden genomen om de hinder voor de omwonenden verder in te perken. Uit dit motief blijkt niet dat de verwerende partij over onvoldoende gegevens beschikte om het aspect geluidshinder te beoordelen. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen 21. De tweede verzoeker roept in een derde middel de schending in van de artikelen 28, § 4, en 52, 3/, van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het redelijk- heids-, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. VII-36.959-21/31 Hij ontwikkelt zijn middel als volgt: Doordat beroepers niet werden uitgenodigd voor een hoorzitting door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, doch enkel de aanvrager van de milieuvergunning zelf (de N.V. AQUAFIN) alhoewel de raadsman van beroepers uitdrukkelijk in het beroepschrift bij de minister gevraagd had om gehoord te worden. Terwijl de Overheid aldus een onredelijke en ongemotiveerde toepassing heeft gemaakt van de bepaling van artikel 28 § 4 van VLAREM I, zeggende dat de aanvrager van een milieuvergunning door de gewestelijke milieuvergun- ningscommissie wordt gehoord en dat deze commissie ook andere partijen kan horen. En terwijl, wanneer derde belanghebbenden uitdrukkelijk vragen om in de loop van de beroepsprocedure gehoord te worden en op die manier aan de Overheid vragen dat deze gebruik zou maken van de mogelijkheid die haar wordt geboden door artikel 28 § 4 van VLAREM I, het redelijkheidsbeginsel (als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur) vereist dat de Overheid van deze mogelijkheid gebruik maakt. En terwijl, wanneer de Overheid verkiest geen gebruik te maken van deze mogelijkheid 'om reden van materiële aard' (cf. de brief dd. 16 februari 2005 aan de raadsman van beroepers) en zodoende een werkelijke ongelijkheid creëert tussen de beroepsindieners en de aanvrager, minstens haar beslissing om zo te handelen uitdrukkelijk dient te motiveren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. En terwijl het bestreden besluit op geen enkele wijze verantwoordt waarom de N.V. AQUAFIN wel werd uitgenodigd door de gewestelijke milieu-vergunningscommissie en de andere partijen, die daar nochtans uitdrukkelijk om hadden gevraagd in hun beroepsschrift, 'om reden van materiële aard' door deze commissie niet werden gehoord. En terwijl uit de bestreden beslissing precies blijkt dat het horen door de gewestelijke milieuvergunningscommissie van groot belang is voor de afloop van de beroepsprocedure, nu de talrijke en pertinente bezwaren van de niet-gehoorde beroepsindieners volkomen van de hand gewezen werden. En terwijl artikel 13 § 3 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zeggende dat de aanvrager van een milieuvergunning op zijn verzoek gehoord wordt door de gewestelijke milieuvergunningscommissie ongrondwettig is, inzoverre dit een ongelijkheid in het leven roept tussen de verschillende beroepsindieners, zonder dat een redelijke en objectieve verantwoording voorhanden is, door in de beroepsprocedure enerzijds het horen door de gewestelijke milieuvergunningscommissie van de aanvrager/ beroepsindiener verplicht te stellen en anderzijds - door er het stilzwijgen over te bewaren - het al dan niet horen van derde belanghebbenden/beroepsindieners over te laten aan de discretionaire beoordeling van de Overheid. 22. De verwerende partij merkt op dat de hoorplicht slechts voorzien is voor de aanvrager, niet voor de derde-belanghebbende. Dit vloeit voort uit het feit dat de aanvrager en de derde-belanghebbende elk een specifiek en afzonderlijk belang hebben. De tweede verzoeker is trouwens in de mogelijkheid geweest zijn bezwaren in te dienen en hij heeft er gebruik van gemaakt. VII-36.959-22/31 23. De tussenkomende partij merkt op dat er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel tussen de aanvrager die, indien hij er om verzoekt, moet gehoord worden en de derde-belanghebbende die kan gehoord worden aangezien deze laatste, middels zijn beroepschrift zijn bezwaren uitdrukkelijk heeft kunnen motiveren. De tussenkomende partij heeft ten andere zelf geen gebruik gemaakt van haar mogelijkheid om gehoord te worden. Beoordeling 24. Luidens artikel 28, § 4, van Vlarem I wordt de aanvrager van een milieuvergunning op zijn verzoek door de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie gehoord en kan deze commissie dan ook andere partijen horen. Het horen door deze commissie van andere personen dan de aanvrager, is bijgevolg facultatief. Artikel 28, § 4, van Vlarem I is dienvolgens niet geschonden. De tweede verzoeker heeft, overeenkomstig de door Vlarem I bepaalde procedureregeling, zowel naar aanleiding van het openbaar onderzoek tijdens de procedure in eerste aanleg als in zijn beroepschrift tegen de door de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant genomen beslissing, zijn bezwaren respectievelijk zijn middelen naar voor gebracht en deze laatste zijn aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie ter kennis gebracht. De aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn dan ook niet geschonden. Voorts wordt hierbij opgemerkt dat de rechten van de tweede verzoeker afdoende zijn gevrijwaard en dat zij hem op een vergelijkbare voet stellen met de aanvrager van de vergunning. In het bestreden besluit diende niet te worden gemotiveerd waarom de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet is ingegaan op de vraag van de beroepsindiener om te worden gehoord daar er geen verplichting is om omwonenden te horen. De in de brief van 16 februari 2005 opgegeven redenen van "materiële aard" zijn dan ook rechtens overbodig. Tenslotte wordt vastgesteld dat het middel, voor zover het de beweerde ongrondwettigheid van artikel 13, § 3, van het milieuvergunningsdecreet betreft, onontvankelijk is daar de Raad van State niet vermag een decreet te toetsen aan de Grondwet. Het derde middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. VII-36.959-23/31 D. Vierde middel Standpunt van de partijen 25. De tweede verzoeker roept in een vierde middel de schending in van de rubrieken 2.2.5. en 2.3.2. van bijlage 1 bij Vlarem I "zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006", van artikel 3 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 1, 3/, van Vlarem I, van artikel 5.2.1.4. van Vlarem II en van het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het materiële motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; voorts voert hij de ontstentenis aan van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en dit alles met toepassing van artikel 159 van de Grondwet. Hij ontwikkelt zijn middel als volgt: "Doordat de RWZI waarvoor de bestreden milieuvergunning werd afgeleverd, deels wordt ingeplant in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en dit op een afstand van slechts enkele meters van een natuurgebied en een landelijk woongebied. En doordat het bestreden besluit volledig is gebaseerd op de uitzondering die in het leven is geroepen bij wege van het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 houdende wijziging van o.a. bijlage 1 bij het Vlarem I-besluit, en meer bepaald de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2. Terwijl in het verleden de Raad van State steeds heeft geoordeeld dat een RWZI moet worden beschouwd als een inrichting voor het verwerken van afvalstoffen, (cf. R.v.St., nr. 78.964 van 25 februari 1999; R.v.St., Ovyn, nr. 103.898 van 21 februari 2002), zodat artikel 5.2.1.4 Vlarem II-besluit onverkort toepassing vindt en zodoende o.m. rekening dient gehouden te worden met de aanwezigheid in de omgeving en de afstand tot woonwijken, recreatiegebieden, wegen en waterwegen, waterrjke gebieden, industrie, landbouw- en woongebieden, groen- en parkgebieden, het culturele erfgoed, enz. En terwijl het zodoende duidelijk is dat de uitzondering ingevoerd in de indelingslijst van Vlarem I door het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 enkel en alleen werd ingevoerd 'pour les besoins de la cause', doch hieraan geen enkele milieu-technische of milieu-hygiënische wetmatigheid aan ten grondslag ligt. En terwijl deze wijziging aan de indelingslijst nochtans moet beantwoorden aan het rechtszekerheidsbeginsel en aan de regel van de voorspelbaarheid van de norm, die ten grondslag liggen aan de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen. En terwijl het uiteraard niet opgaat om, enkel en alleen om sanctionering door de Raad van State te vermijden, de indelingslijst te wijzigen, zonder dat dit milieu-technisch onderbouwd is. En terwijl de wijziging aan de rubrieken 2.2.5 en 2.3.2, ingevoerd bij het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006, als reglementaire norm dan ook buiten toepassing dient te worden verklaard, nu deze norm strijdt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het grondwettelijk legaliteitsbeginsel (art. 12, 2e lid Grondwet). VII-36.959-24/31 En terwijl uit de inplanting(s)plaats van de vergunde installatie blijkt dat deze een ongemeen ongunstige ligging heeft en er zodoende bij het bepalen van deze inplanting(s)plaats helemaal geen rekening werd gehouden met de aanwezigheid van en de afstand tot de in artikel 5.2.1.4. Vlarem II-besluit vermelde gebieden en woningen. En terwijl uit de toepassing van deze bepaling immers volgt dat een dergelijke inplanting(s)plaats niet kan worden vergund indien zo komt vast te staan dat de installatie op deze gebieden effecten zal ressorteren die ervoor nadelig zijn, of die met deze gebieden niet verenigbaar zijn. En terwijl in casu helemaal geen overweging wordt gewijd aan de nabije ligging bij o.m. een natuurgebied en een landelijk woongebied. En terwijl dit des te meer prangt, nu de zone voor openbaar nut, los van haar inkleuring op het gewestplan, zelf ook als een groengebied moet worden beschouwd dat aansluit bij een als zodanig ingekleurd natuurgebied". 26. De verwerende partij merkt op dat de wijziging van de indelingslijst bij besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 slechts ging om het expliciteren van een reeds lang voorheen bedoelde interpretatie; door de toevoeging aan de indelingslijst van de uitzondering met betrekking tot afvalwaterzuiveringsinstallaties en drinkwaterzuiveringsinstallaties is thans uitdrukkelijk in de regelgeving ingeschreven dat - daar waar slib wel degelijk een afvalstof is en blijft - deze installaties geen inrichting uitmaken voor de verwerking van afvalstoffen; te dezen diende dan ook niet getoetst te worden aan de regels van artikel 5.2.1.4., § 1, van Vlarem II. Voorts blijkt, aldus de verwerende partij, uit de motieven van het bestreden besluit dat de inrichting wel degelijk werd getoetst op haar hinderlijkheid ten aanzien van de hindergevoelige gebieden. 27. De tussenkomende partij voert in hoofdorde aan dat het middel onduidelijk geformuleerd is nu de tweede verzoeker enkel een omschrijving geeft van de overtreden rechtsregel maar in geen opzicht motiveert hoe de wijziging door het reeds vermelde besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 de door hem ingeroepen bepalingen en beginselen zou schenden. Ondergeschikt merkt zij op dat er geen schending is van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur noch van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel. VII-36.959-25/31 Beoordeling 28. Met het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 tot wijziging met betrekking tot afvalwaterzuiveringsinstallaties van Vlarem I, het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 1996 betreffende de bodemsanering en het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006), wordt in verscheidene rubrieken van de lijst van als hinderlijk beschouwde inrichtingen bij onder meer Vlarem I, in de rubriek "Afvalstoffen" een uitzondering ingelast waarin het volgende wordt bepaald: "Het afscheiden van vuil en van verontreinigende stoffen uit water, rioolwater en/of afvalwater door middel van vuilroosters, roostergoedpers, zandvangers, vetvangers, voorbezinktanks, beluchtingsbassins, nabezinktanks, voorindikkers, na-indikkers, centrifugeren en/of persen, en andere procesmatige onderdelen van afvalwaterzuiveringsinstallaties als bedoeld in rubriek 3.6 en van drinkwaterzuiveringsinstallaties, betreft geen inrichting voor de verwerking van afvalstoffen en is dus niet ingedeeld onder onderhavige rubriek 2". Die uitzondering in de indelingslijst doet geen afbreuk aan het beginsel van de rechtszekerheid en aan de "regel van de voorspelbaarheid van de norm"; de wijziging van de indelingslijst is afdoende duidelijk en heeft tot gevolg dat alle technische trappen van afvalwaterzuiveringsinstallaties voortaan enkel nog ingedeeld zijn onder rubriek 3.6. "Afvalwaterzuiveringsinstallaties, met inbegrip van het lozen van het effluentwater en het ontwateren van de bijhorende slibproductie". Overigens wordt er op gewezen dat het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 geen afbreuk doet aan het vergunningsplichtig zijn van de aangevraagde activiteit zodat deze hoe dan ook het voorwerp dient uit te maken van een milieuhygiënische beoordeling waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de ligging van de inrichting en de hinderlijkheid ervan voor mens en leefmilieu. Het argument van de tweede verzoeker dat de wijziging aan de indelingslijst door het besluit van de Vlaamse regering van 22 september 2006 louter zou zijn doorgevoerd om "sanctionering door de Raad van State te vermijden" is een loutere bewering; de overheid die bevoegd is om de indelingslijst van hinderlijke inrichtingen vast te stellen, is niet verplicht deze voor de toekomst ongewijzigd te laten. Het vierde middel is ongegrond. VII-36.959-26/31 E. Vijfde middel Standpunt van de partijen 29. De tweede verzoeker roept in een vijfde middel de schending in van de artikelen 14 en 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet) en van de artikelen 7, § 1, 1/, 7, § 2, 2/, 11, § 1, 1/ en 2/, en 11, § 2, 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het natuurbehouddecreet (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998). Hij ontwikkelt zijn middel als volgt: "Doordat, bij het bestreden besluit de milieuvergunning werd afgeleverd voor de exploitatie van een rioolwaterzuiveringsstation op twee percelen gelegen aan een holle weg (nl. de Flosstraat, zijnde een klein landschapselement) en waarvan één perceel gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waardoor de holle weg zal worden gewijzigd en waardoor de vegetatie op het talud van deze holle weg zal gewijzigd of verwijderd worden. Terwijl op grond van de zorgplicht (art. 14 van het Natuurbehouddecreet) iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, verplicht is om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of te herstellen. En terwijl het wijzigen van een holle weg verboden is op grond van art. 7, § 1, 1/ van het uitvoeringsbesluit van het Natuurbehouddecreet, behoudens wanneer de activiteiten tot wijziging van die holle weg worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de afdeling Natuur van AMINAL én voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van art. 16 van het Natuurbehouddecreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade. En terwijl uit de inmiddels verleende bouwvergunning, alsook uit de motivering van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar ('maximaal herstel') nochtans duidelijk valt af te leiden dat het wel degelijk de intentie is van de NV Aquafin om een deel van het talud van de holle weg met waardevolle biologische elementen te vernietigen. En terwijl de N.V. AQUAFIN bij de bevoegde Minister geen afwijkings- aanvraag heeft ingediend op de verbodsbepalingen van art. 7, conform art. 8 van het uitvoeringsbesluit. En terwijl het in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden verboden is om, zonder voorafgaandelijke en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen of van de bestendige deputatie van de provincieraad, 1/) houtachtige beplantingen op weg-, waterweg- of spoorwegbermen of op het talud van holle wegen te rooien of anderszins te verwijderen of te beschadigen, 2/) de vegetatie te wijzigen VII-36.959-27/31 horende bij kleine landschapselementen (zoals een holle weg) met inbegrip van het wijzigen van vegetatie (afbranden en vernietigen, beschadigen of doen afsterven van de vegetatie met mechanische of chemische middelen) van perceelsrand-begroeiingen en sloten, behoudens wanneer deze activiteiten tot wijziging van vegetatie worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van de afdeling Natuur van AMINAL én voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van art. 16 van het Natuurbehouddecreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade. En terwijl beroepers in casu van oordeel zijn dat schade aan de holle weg volkomen kan vermeden worden. En terwijl het bestreden besluit weliswaar werd genomen na advies van de afdeling Natuur van AMINAL, maar tegenpartij er geen zorg voor heeft gedragen, door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning, dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan, zodat niet is voldaan aan de bepalingen van art. 16 van het Natuurbehouddecreet. En terwijl dit duidelijk blijkt uit het feit dat reeds in de stedenbouwkundige vergunning de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar weliswaar stelt te streven naar een 'maximaal' herstel van de holle weg, maar voor het overige geen enkele garantie geeft dat dit herstel ook effectief kán en zál plaatsvinden. En terwijl de in de stedenbouwkundige vergunning geuite intentie - doch in de bestreden vergunning niet hernomen - intentie om de bestaande holle weg 'maximaal' te herstellen (dus nadat er - misschien wel onherstelbare - schade is aan aangebracht), op zich onvoldoende (en alleszins onvoldoende specifiek) is om te voldoen aan de aangehaalde decretale en reglementaire bepalingen". 30. De verwerende partij betoogt in essentie dat het wijzigen van een holle weg verboden is op grond van artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998; voor zover voldaan is aan de zorgplicht van artikel 14 van het natuurbehouddecreet geldt dit verbod niet wanneer de activiteiten tot wijziging van de holle weg uitgevoerd worden overeenkomstig een regelmatige bouwvergunning, na advies van de afdeling Natuur en voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het natuurbehouddecreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade. Volgens het advies van de afdeling Natuur wordt het kleine verlies aan natuur van een klein gedeelte van de holle weg ruimschoots gecompenseerd door de ecologische meerwaarde die zich spontaan zal ontwikkelen in de Voer nadat het rechtstreeks lozen van afvalwater is gestopt. De bouwvergunning dient de voorwaarden te bepalen inzake de wijze waarop de werken aan de holle weg slechts een minimale aantasting inhouden. De bevoegde minister dient in het kader van de verlening van de milieuvergunning wel te waken over de naleving van bepaalde natuurbehoudende VII-36.959-28/31 maatregelen zoals voorgesteld door de afdeling Natuur; uit het bestreden besluit blijkt dat de noodzakelijke aandacht is besteed aan het natuurbehouddecreet. 31. De tussenkomende partij wijst er onder meer op dat er geen werken plaatsvinden in de bestemmingszone landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In hoofdorde stelt de tussenkomende partij dat er geen wijzigingen aangebracht worden aan de holle weg. Subsidiair merkt zij op dat zij op basis van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 de mogelijkheid heeft om bij ministerieel besluit een ontheffing van het verbod tot wijziging van de holle weg te verkrijgen. In elk geval, zo vervolgt de tussenkomende partij, is te dezen voldaan aan artikel 16, § 1, en § 2, eerste lid, van het natuurbehouddecreet aangezien in het bestreden besluit zelf en in de bouwvergunning de nodige eisen werden gesteld om te voorkomen dat er vermijdbare schade aan de natuur wordt toegebracht. Beoordeling 32. Artikel 14, eerste lid, van het natuurbehouddecreet luidt als volgt: "Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de natuurelementen in de onmiddellijke omgeving daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen". De daarin bedoelde verplichting geldt niet voor de overheid die uitspraak moet doen over een milieuvergunningsaanvraag; artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet luidt immers: "In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen". De in die laatste bepaling bedoelde verplichting is onder meer ook van toepassing op de overheid die bevoegd is om over milieuvergunningsaanvragen uitspraak te doen. Het bestreden besluit bevestigt een in eerste aanleg opgelegde VII-36.959-29/31 bijzondere vergunningsvoorwaarde waarin wordt gesteld dat de negatieve impact op de holle weg tijdens de bouwfase van de rioolwaterzuiveringsinstallatie tot een minimum beperkt dient te blijven en de holle weg na de bouw optimaal hersteld dient te worden waarbij inzonderheid het wegdek in zijn oorspronkelijke staat hersteld moet worden. Hiermee komt het bestreden besluit tegemoet aan de zorgplicht vervat in voornoemd artikel 16. Voorts stelt het bestreden besluit vast dat de tussenkomende partij heeft aangegeven dat aan de vegetatie van de holle weg niet zal worden geraakt en dat in het kader van de stedenbouwkundige vergunning de heraanleg wordt voorgesteld van de gekapte bomen op een gedeelte van perceel 49h. Eveneens wordt melding gemaakt van het gunstig advies van de afdeling Natuur van 8 februari 2005 met als bijlage een tot de tussenkomende partij gericht schrijven van 4 juli 2001 waarin die afdeling concreet ingaat op de verplichtingen die voortvloeien uit het natuurbehouddecreet en zijn uitvoeringsbesluit van 23 juli 1998, meer bepaald wat betreft de afgraving en het herstel van een gedeelte van de holle weg. 33. Er wordt ook gewezen op het feit dat artikel 7, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 weliswaar een verbod instelt om holle wegen te wijzigen maar dat artikel 7, § 2, 2/, van dit besluit de overheid, die bevoegd is voor het uitreiken van een stedenbouwkundige vergunning, toelaat hiervan af te wijken bij het afleveren van deze vergunning, na advies van de afdeling Natuur. Zo ook bepaalt artikel 11, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 dat in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden een aantal activiteiten tot wijziging van kleine landschapselementen verboden zijn, behalve indien daarvoor een voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning is verkregen van het college van burgemeester en schepenen of van de deputatie van de provincie; luidens artikel 11, § 2, van ditzelfde besluit geldt deze vergunningsplicht niet wanneer de betrokken activiteiten worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd na advies van de afdeling Natuur. Te dezen heeft de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar op 31 augustus 2005 een stedenbouwkundige vergunning uitgereikt aan de tussenkomende partij voor het bouwen van de betrokken afvalwater- zuiveringsinstallatie, na advies van de afdeling Natuur, en is deze vergunning inmiddels definitief. 34. Het vijfde middel is ongegrond. VII-36.959-30/31 BESLISSING 1. Ten aanzien van de eerste verzoekster stelt de Raad van State de afstand van het geding vast. 2. De Raad van State verwerpt het beroep. 3. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 350 euro, elk voor de helft. De tweede verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-36.959-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.720 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.369 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div