← België

Arrest 197772 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 13/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.772 Rolnummer: A. 116902/IX-3227 Zaak: Arrest 197772 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 13/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.772 van 13 november 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 197.772 van 13 november 2009 in de zaak A. 116.902/IX-3227 In zake : 1. de VZW Federatie van Onafhankelijke Seniorenzorg 2. de VZW ’t Smeedeshof 3. de NV Speciale Woningbouw voor Bejaarden Home Laarsveld 4. de BVBA De Vlietoever bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc SCHUERMANS en Jan SURMONT, kantoor houdend te TURNHOUT de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick PEETERS kantoor houdend te BRUSSEL Terhulpsesteenweg 177 bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 15 februari 2002, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2001 houdende de toekenning van een subsidie aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn en verenigingen zonder winstoogmerk als tegemoetkoming in de vergoeding voor de verwerving van de eigendom van de serviceflatgebouwen die op hun grond zijn opgericht in het kader van een onroerende leasingovereenkomst met de BEVAK. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 178.740 van 21 januari 2008 werden de debatten heropend en werden aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen gesteld. Bij arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 heeft het Grondwettelijk Hof over deze prejudiciële vragen uitspraak gedaan. IX-3227-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 april 2009. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Caroline Wouters, die loco advocaten Luc Schuermans en Jan Surmont, verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Arne Vandaele, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Artikel 5, § 1, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, gecoördineerd op 18 december 1991, zoals gewijzigd bij decreten van 23 februari 1994 en 14 juli 1998 (hierna: de gecoördineerde decreten van 18 december 1991), luidt als volgt: “§ 1. Alleen lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en instellingen van openbaar nut in de zin van de wet van 27 juni 1921 kunnen subsidies krijgen voor het bouwen, het uitbreiden, het verbouwen en het inrichten van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen of voor de aankoop van gebouwen bestemd om als serviceflatgebouw, als woningcomplex met dienstverlening, of als rusthuis te worden ingericht of als tegemoetkoming in de kosten van huur, huurkoop, leasing of lening voor het aankopen, het bouwen, het inrichten en het in gebruik nemen van serviceflatgebouwen, woningcomplexen met dienstverlening en rusthuizen. Beide subsidies kunnen niet gecumuleerd worden.” IX-3227-2/13 3.2. Met een besluit van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma’s van serviceflats, heeft de Vlaamse regering een regeling uitgewerkt waarbij maatschappelijke rechten in een erkende vastgoed- beleggingsvennootschap met vast kapitaal (hierna: BEVAK), die actief is op het vlak van projecten voor het oprichten van serviceflatgebouwen, vrijgesteld kunnen worden van successierechten. 3.3. Daarbij aansluitend regelt een besluit van de Vlaamse regering van 3 mei 1995 “de tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap in de kosten voor het onderhoud en de kleine en grote herstellingen die door de OCMW’s en VZW’s verricht worden voor het in stand houden van de serviceflatgebouwen die op hun grond zijn opgericht in het kader van een erfpacht- en huur- of een gelijkaardige overeenkomst met de BEVAK”. Dit besluit is bij arrest nr. 106.999 van 27 mei 2002 door de Raad van State vernietigd, omdat het ten onrechte niet voor advies aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State was voorgelegd. 3.4. Met artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 (hierna: het decreet van 6 juli 2001) is voor de subsidiëring een nieuwe regeling uitgewerkt: een OCMW of een VZW ontvangt, volgens de regeling uitgewerkt door de Vlaamse regering, een jaarlijkse subsidie per flat in een serviceflatgebouw dat opgericht is in het kader van een onroerende leasingovereenkomst afgesloten met een BEVAK. Deze subsidie wordt verleend “als een tegemoetkoming in de vergoeding die het centrum of de vereniging bij het einde van de onroerende leasingovereenkomst aan de beleggingsvennootschap moet betalen voor het verwerven van de eigendom van de serviceflats in kwestie” (artikel 7, § 1). De kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap zijn ingeschreven om in 2001 aan een OCMW of een VZW een onderhoudssubsidie toe te kennen, worden aangewend voor het hoger vermelde doel (artikel 7, § 3). De onderhoudssubsidie die voor de jaren voorafgaand aan 2001 aan een OCMW of een VZW werd verleend, wordt geacht de in § 1 bedoelde subsidie te zijn en de Vlaamse regering bepaalt de nadere regels voor de uitwerking van deze bepaling (artikel 7, § 4). IX-3227-3/13 3.5. Het thans bestreden besluit van de Vlaamse regering van 30 november 2001, dat met ingang van 1 januari 2001 in werking is getreden, voert artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 uit. 3.6. Bij artikel 36 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 maart 2006 betreffende het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, betreffende de inwerkingtreding van regelgeving tot oprichting van agentschappen in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en betreffende de wijziging van regelgeving met betrekking tot dat beleidsdomein, zijn in artikel 1, 1/, van het bestreden besluit de woorden “de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap” vervangen door de woorden “het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid of het intern verzelfstandigd agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin”. Bij besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2008 is artikel 2 van het bestreden besluit vervangen door de volgende bepalingen: “Art. 2. Binnen de perken van de begroting kent de Vlaamse Gemeenschap gedurende een periode van maximaal achttien jaar aan een initiatiefnemer een jaarlijkse subsidie toe van 961,83 euro (negenhonderdéénenzestig euro drieëntachtig cent) per flat in een serviceflatgebouw dat opgericht is in het kader van een onroerende leasingovereenkomst tussen die initiatiefnemer en de BEVAK. De jaarlijkse subsidie, vermeld in het eerste lid, bedraagt echter 1140,43 euro (duizend honderd veertig euro drieënveertig cent) per flat als de onroerende leasingovereenkomst bij notariële akte is verleden vanaf 1 januari 2007.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 4.1. De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel de schending aan van het legaliteitsbeginsel en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook bevoegdheidsoverschrijding door de Vlaamse regering. Volgens de verzoekende partijen heeft het bestreden besluit geen wettelijke grondslag, aangezien het voorziet in een subsidie voor OCMW’s en VZW’s die een overeenkomst voor onroerende leasing hebben gesloten met een erkende BEVAK, als tegemoetkoming voor de kosten van aankoop van de serviceflatgebouwen die op hun grond zijn opgericht, terwijl artikel 5, § 1, van de gecoördineerde decreten van 18 december 1991 en IX-3227-4/13 artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001, waarin het bestreden besluit zijn rechtsgrond vindt, strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de Vlaamse regering haar bevoegdheid overschreden heeft. 4.2. In het arrest nr. 178.740 van 21 januari 2008 werd dit middel als volgt beoordeeld: “5. Artikel 5, § 1, van de gecoördineerde decreten van 18 december 1991 en artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 vormen de rechtsgrond van het bestreden besluit. Er is reden om aan het Grondwettelijk Hof de door de verzoekende partijen geformuleerde vraag te stellen over de schending door die bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.” Die prejudiciële vraag luidde: “Schenden artikel 5, § 1, van de decreten inzake voorzieningen voor bejaarden gecoördineerd op 18 december 1991 en artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate dat de daarin voorziene subsidie enkel kan worden toegekend aan OCMW’s en VZW’s die een overeenkomst van onroerende leasing afsluiten met een door de Vlaamse Regering erkende BEVAK ?” Bij arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 werd die vraag door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord. Het Hof oordeelde meer bepaald: “B.2. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de voormelde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden doordat de subsidie waarin zij voorzien enkel kan worden toegekend aan openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW’

  1. s)en verenigingen zonder winstoogmerk (vzw’
  2. s)die een overeenkomst van onroerende leasing afsluiten met een door de Vlaamse Regering erkende beleggingsvennootschap met vast kapitaal (bevak). Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter wordt het gelijkheidsbeginsel op dubbele wijze geschonden. In de eerste plaats hebben de in het geding zijnde bepalingen tot gevolg dat enkel OCMW’s en vzw’s recht hebben op een subsidie, terwijl burgerlijke en commerciële vennootschappen die een vergunning bezitten voor het oprichten van serviceflats geen aanspraak kunnen maken op die subsidie. Aangezien de eerste twee verzoekende partijen voor de verwijzende rechter vzw’s zijn en de derde en de vierde verzoekende partij voor de verwijzende rechter respectievelijk een naamloze vennootschap en een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zijn, beperkt het Hof zijn onderzoek tot de vergelijking van OCMW’s en vzw’s met de vermelde categorieën van vennootschappen. In de tweede plaats houden de bepalingen in dat vzw’s enkel een subsidie kunnen krijgen wanneer zij een onroerende leasingovereenkomst sluiten met IX-3227-5/13 een erkende bevak, terwijl zij geen subsidie kunnen krijgen wanneer zij een dergelijke overeenkomst sluiten met een andere financiële instelling. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter bestaat voor beide verschillen in behandeling geen objectieve en redelijke verantwoording. B.3. Inzake het subsidiëringbeleid heeft het Hof in zijn arrest nr. 42/2008 van 4 maart 2008 te kennen gegeven dat het slechts een marginale controle uitoefent. Subsidiëring strekt niet louter tot financiering van een particulier initiatief maar tot verwezenlijking van de maatschappelijke doelstelling die aan dat initiatief ten grondslag ligt. Het komt de decreetgever toe om, rekening houdend met dwingende budgettaire beperkingen, te beslissen of en onder welke voorwaarden hij bepaalde initiatieven of instellingen met overheidsmiddelen wil subsidiëren. Het komt het Hof niet toe het oordeel van de bevoegde wetgever te bekritiseren voor zover het niet strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn. B.4. In het voormelde arrest was het Hof van oordeel dat de maatregel om bepaalde vormen van huisvesting, verzorging en dienstverlening georganiseerd door een erkende inrichting alleen te subsidiëren wanneer het inrichtingen met voorzieningen voor bejaarden uitgebaat door lokale en provinciale besturen, verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen betreft, op een objectief criterium berust, namelijk het juridisch statuut van de uitbater van de inrichting, en pertinent is ten opzichte van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling om de problematiek van de vergrijzing van de bevolking op een efficiënte manier, binnen het kader van de budgettaire middelen, aan te pakken. De keuze om slechts die instellingen te subsidiëren en niet de inrichtingen uitgebaat door besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, werd verantwoord geacht door het feit dat de eerste worden beheerd zonder winstoogmerk en niet zijn gericht op de verrijking van de leden van de rechtspersoon. B.5. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter geldt de redenering van het voormelde arrest enkel ten aanzien van artikel 5, § 1, van de gecoördineerde decreten inzake voorzieningen voor bejaarden, doch kan zij niet ten aanzien van artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 worden toegepast, omdat de parlementaire voorbereiding van dat laatste decreet niet aan een budgettaire of andere reden refereert om het betwiste onderscheid te maken. Weliswaar zijn de redenen voor de handhaving van het verschil in behandeling in het voormelde artikel 7 niet vermeld in de parlementaire voorbereiding, maar die vaststelling sluit niet uit dat aan de handhaving daarvan dezelfde doelstelling als aan het voormelde artikel 5, § 1, ten grondslag ligt. Uit de ontstentenis van een uitdrukkelijke verwijzing naar budgettaire beperkingen kan uiteraard evenmin worden afgeleid dat de decreetgever de budgettaire gevolgen van een subsidiemaatregel niet in overweging dient te nemen. B.6. Het is derhalve niet kennelijk onredelijk dat de in het geding zijnde subsidie wordt voorbehouden aan rechtspersonen waarvan de activiteiten op het algemeen belang zijn gericht, die zonder winstoogmerk worden beheerd en die niet zijn gericht op de verrijking van de leden van de rechtspersoon. B.7. Het behoort eveneens tot de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever inzake het subsidiebeleid om vzw’s enkel voor subsidies in aanmerking te laten komen wanneer zij een onroerende leasingovereenkomst sluiten met een erkende bevak. IX-3227-6/13 Een dergelijke overeenkomst komt erop neer dat een OCMW of een vzw aan de bevak een exclusief opstalrecht voor een periode van dertig jaar verleent op een onroerend goed, uitsluitend voor de oprichting of herinrichting van serviceflats. De bevak treedt vervolgens als bouwheer op en wordt de juridische eigenaar van de gebouwen voor de periode van het opstalrecht. Na die periode keert de volledige eigendom van de opgerichte gebouwen terug naar het OCMW of de vzw, die voor de gebouwen dan een eindeopstalvergoeding moeten betalen, afhankelijk van de investeringswaarde van de afgewerkte serviceflat. De bevak geeft de serviceflats na hun oprichting voor een periode van 27 jaar aan het OCMW of de vzw in erfpacht tegen de maandelijkse betaling van een canon, ten bedrage van een vast percentage van de investeringswaarde. Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, is de erkenning van een bevak onderworpen aan bepaalde voorwaarden, met name dat zij uitsluitend het financieren en realiseren van projecten inzake het tot stand brengen van serviceflatgebouwen tot doel heeft en dat de ingezamelde gelden worden besteed aan projecten, verspreid over het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest (artikel 55bis, § 3, van het Wetboek der successierechten, zoals ingevoegd bij artikel 54 van het decreet van 21 december 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1995 en gewijzigd bij artikel 20, § 2, van het decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997). De voorwaarde om een onroerende leasingovereenkomst te sluiten met een erkende bevak maakt deel uit van het subsidiebeleid van de decreetgever en is niet van dien aard dat zij een categorie van vzw’s bij voorbaat van de subsidieregeling uitsluit. B.8. De decreetgever kon derhalve redelijkerwijs van mening zijn dat het afhankelijk maken van de subsidiëring van particuliere initiatieven inzake voorzieningen voor bejaarden van, enerzijds, het aannemen van een bepaalde rechtsvorm en, anderzijds, het sluiten van een bepaalde overeenkomst, de vereiste waarborgen kon bieden voor verwezenlijking van de maatschappelijke doelstelling die aan de subsidiëring van die particuliere initiatieven ten grondslag ligt. B.9. Zonder dat het nodig is de exceptie van onontvankelijkheid van de prejudiciële vraag, opgeworpen door de Vlaamse Regering, te onderzoeken, dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.” 4.3. De verzoekende partijen voeren in hun laatste memorie een aantal argumenten aan, waaruit volgens hen blijkt dat de overwegingen van het arrest nr. 42/2008 van 4 maart 2008, waarnaar het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 verwijst, niet zonder meer dienstig zijn om een antwoord te formuleren op de prejudiciële vragen die door de Raad van State bij arrest nr. 178.740 van 21 januari 2008 aan het Grondwettelijk Hof werden gesteld. Zij betogen vooreerst dat zij in de procedure voor het Grondwettelijk Hof hebben laten gelden dat het bestreden besluit naast artikel 5, § 1, IX-3227-7/13 van de gecoördineerde decreten van 18 december 1991 nog een tweede rechtsgrond heeft, namelijk artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 waarop de overwegingen van het arrest nr. 42/2008 niet zonder meer toepasbaar zijn. Zij stellen dat terwijl het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 42/2008 de grondwettigheid van artikel 5, § 1, van de gecoördineerde decreten van 18 december 1991 heeft verantwoord op grond van “dwingende budgettaire beperkingen”, te dezen moet worden vastgesteld dat in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 6 juli 2001 geen sprake is van dergelijke beperkingen, noch van enige andere reden om het aangeklaagde onderscheid te maken. Voorts voeren de verzoekende partijen aan dat uit de bewoordingen van artikel 7ter van het decreet van 23 februari 1994 inzake de infrastructuur voor persoonsgebonden aangelegenheden, zoals ingevoegd bij decreet van 2 juni 2006, evenals uit de parlementaire voorbereiding van dit decreet blijkt dat de decreetgever zelf het gemaakte onderscheid niet verzoenbaar heeft geacht met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partijen besluiten dat de redenering van het Grondwettelijk Hof erop neerkomt dat de decreetgever geen enkele verantwoording dient te geven voor de ongelijke behandeling die hij heeft ingesteld tussen OCMW’s en VZW’s enerzijds en burgerlijke en commerciële vennootschappen die een vergunning bezitten voor het oprichten van serviceflats anderzijds en dat de rechtzoekende het pertinente karakter van het gemaakte onderscheid niet kan toetsen bij gebrek aan een geformuleerde doelstelling. De verzoekende partijen zetten ten slotte in essentie dezelfde argumenten uiteen met betrekking tot de tweede “discriminatie” die zij aanvoeren, namelijk de onmogelijkheid voor VZW’s om een subsidie te verkrijgen indien zij een onroerende leasingovereenkomst hebben afgesloten met een financiële instelling die geen erkende BEVAK is. Zij voegen er nog aan toe dat, zelfs indien zou worden aangenomen dat het gemaakte onderscheid een budgettair doel heeft, de pertinentie van dat onderscheid ten aanzien van het gestelde doel niet kan worden ingezien. 4.4. Deze argumentatie van de verzoekende partijen in hun laatste memorie is louter kritiek op het arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 van het Grondwettelijk Hof. Wanneer echter het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat de wetskrachtige norm die hem ter toetsing werd voorgelegd geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inhoudt, is het verwijzend rechtscollege krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof IX-3227-8/13 (thans het Grondwettelijk Hof) ertoe gehouden zich te voegen naar dit oordeel. Derhalve komt het de Raad van State niet toe uitspraak te doen over de gegrondheid van de door de verzoekende partijen in hun laatste memorie ontwikkelde argumenten. 4.5. Uit het arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 van het Grondwettelijk Hof volgt dat het eerste middel niet gegrond is. B. Tweede middel 5.1. De verzoekende partijen voeren in het tweede middel de schending aan van het legaliteitsbeginsel, van artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001, van het verbod van retroactiviteit en van de beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partijen betogen dat artikel 7 van het bestreden besluit de krachtens het besluit van 3 mei 1995 toegekende subsidies gelijkstelt met de subsidies bedoeld in artikel 2 van het hier bestreden besluit, terwijl in artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 geen rechtsgrond kan worden gevonden om de nieuwe regeling retroactief toe te passen op subsidies die op grond van een onwettig besluit toegekend zijn. Volgens de verzoekende partijen is het de bedoeling om de onwettige regeling uit het verleden te omzeilen, maar artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 geldt enkel voor de toekomst. Het opnieuw invoeren van een onwettige regeling uit het verleden, via een nieuwe regeling die quasi identiek is, getuigt niet van behoorlijk bestuur en schendt minstens het niet-retroactiviteitsbeginsel. 5.2. Het tweede middel werd in het arrest nr. 178.740 van 21 januari 2008 als volgt besproken: “10. Het middel heeft betrekking op artikel 7 van het bestreden besluit. Het gegrond bevinden ervan kan enkel de nietigverklaring van die bepaling tot gevolg hebben. 11. Artikel 7 van het bestreden besluit luidt: ‘De subsidie die overeenkomstig het in artikel 6 vermelde besluit werd verleend voor de jaren die de datum van inwerkingtreding van dit besluit voorafgaan, wordt gelijkgesteld met een subsidie als bedoeld in dit besluit. De initiatiefnemer levert vóór 31 januari 2002 het bewijs dat hij voor de jaren, bedoeld in het eerste lid, op de in artikel 4, tweede lid, bedoelde rekening een bedrag heeft gestort dat minstens gelijk is aan de hem uitbetaalde subsidie voor die jaren.’ Deze bepaling vindt haar rechtsgrond in artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001, dat luidt : IX-3227-9/13 ‘De onderhoudssubsidie die, voor de jaren die 2001 voorafgaan, ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging zonder winstoogmerk werd verleend voor serviceflats die zijn opgericht in het kader van een overeenkomst als bedoeld in § 1, eerste lid, wordt geacht een subsidie te zijn als bedoeld in § 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels.’ 12. Artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001 vormt de rechtsgrond van artikel 7 van het bestreden besluit. Enkel het Grondwettelijk Hof is bevoegd om uit te maken of de decretale bepaling in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De ongrondwettigheid van artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001 heeft tot gevolg dat de bestreden bepaling geen rechtsgrond heeft. Er is reden om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen.” De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof luidde: “Schendt artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, lid 1, en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de mate daarin voorzien wordt dat de onderhoudssubsidie verleend voor 2001 wordt geacht een subsidie te zijn als bedoeld in artikel 7, § 1, van voormeld decreet ?” Bij arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 werd die prejudiciële vraag door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord. Het Hof oordeelde meer bepaald: “B.10. Met een besluit van 3 mei 1995 tot regeling van de vrijstelling inzake successierechten verbonden aan de maatschappelijke rechten in vennootschappen opgericht in het kader van de realisatie en/of financiering van investeringsprogramma’s van serviceflats, heeft de Vlaamse Regering een regeling uitgewerkt waarbij maatschappelijke rechten in een erkende bevak, die actief is op het vlak van projecten voor het oprichten van serviceflatgebouwen, vrijgesteld kunnen worden van successierechten. Daarbij aansluitend regelde een besluit van de Vlaamse Regering van 3 mei 1995 de tegemoetkoming van de Vlaamse Gemeenschap in de kosten voor het onderhoud en de kleine en grote herstellingen die door de OCMW’s en de vzw’s worden verricht voor het in stand houden van de serviceflatgebouwen die op hun grond zijn opgericht in het kader van een erfpacht - en huur - of een soortgelijke overeenkomst met de bevak. Dat besluit is bij arrest nr. 106.999 van 27 mei 2002 door de Raad van State vernietigd, omdat het ten onrechte niet aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State was voorgelegd. B.11. Met artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 is voor de subsidiëring een nieuwe regeling uitgewerkt: een OCMW of een vzw ontvangt, volgens de regeling uitgewerkt door de Vlaamse Regering, een jaarlijkse subsidie per flat in een serviceflatgebouw dat opgericht is in het kader van een IX-3227-10/13 leasingovereenkomst afgesloten met een bevak. Die subsidie wordt verleend «als een tegemoetkoming in de vergoeding die het centrum of de vereniging bij het einde van de onroerende leasingovereenkomst aan de beleggingsvennootschap moet betalen voor het verwerven van de eigendom van de serviceflats in kwestie» (artikel 7, § 1). De kredieten die in de uitgaven- begroting 2001 van de Vlaamse Gemeenschap zijn ingeschreven om in 2001 een onderhoudssubsidie toe te kennen, worden aangewend voor het bovenvermelde doel (artikel 7, § 3). De onderhoudssubsidie die voor de jaren voorafgaand aan 2001 aan een OCMW of een vzw zijn verleend, wordt geacht de in paragraaf 1 bedoelde subsidie te zijn en de Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de uitwerking van die bepaling vast (artikel 7, § 4). Een besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2001, waarvan voor de verwijzende rechter de vernietiging wordt gevorderd, voert artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 uit. B.12. Volgens de verzoekende partijen voor de verwijzende rechter heeft de decreetgever met artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001 de uitvoering van het voormelde vernietigingsarrest van de Raad van State onmogelijk gemaakt en heeft hij daardoor aan een categorie van burgers een fundamentele jurisdictionele waarborg ontnomen. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter derhalve van het Hof te vernemen of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt in zoverre zij bepaalt dat de onderhoudssubsidie verleend voor 2001 wordt geacht een subsidie te zijn als bedoeld in artikel 7, § 1, van voormelde decreet. B.13. Het loutere bestaan van een beroep voor de Raad van State verhindert niet dat de onregelmatigheden waardoor de bestreden handeling zou kunnen zijn aangetast, zouden kunnen worden verholpen, zelfs vóór de uitspraak over dat beroep. Zoals het Hof reeds herhaaldelijk heeft geoordeeld, kan de vernietiging van een besluit wegens de schending van een substantiële vormvereiste bij de aanneming ervan, niet tot gevolg hebben dat de decreetgever in de onmogelijkheid verkeert de hierdoor ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen (zie o.a. arrest nr. 64/2008 van 17 april 2008, B.29.4 en B.47.4). B.14. De rechtsonzekerheid heeft in het voorliggende geval betrekking op de juridische grondslag van de vóór 2001 verleende subsidies. Bij de aanpassing van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001 verwees de bevoegde minister naar artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001: « Het betreft eigenlijk een systeem van leasing waarbij de Vlaamse overheid jaarlijks, gedurende een periode van 18 jaar, een subsidie van 38.800 frank per serviceflat uitbetaalt aan het OCMW of de vzw die met Bevak een overeenkomst heeft. Het Rekenhof heeft hier herhaaldelijk opmerkingen over gemaakt omdat het oorspronkelijke decreet bepaalt dat het om een onderhoudstoelage ging. Het Rekenhof eiste dat de inrichtende besturen de onderhoudskosten moeten kunnen bewijzen, anders kan de overheid die niet uitbetalen. De eerste jaren na de bouw van de flats zijn er in de praktijk echter geen of weinig onderhoudskosten. Vandaar wordt in het programmadecreet een wijziging van de Bevak-regeling opgenomen. [...] De onderhoudssubsidie wordt IX-3227-11/13 vervangen door een investeringssubsidie die de initiatiefnemers, na kapitalisatie over 27 jaar, moet toelaten een einde-opstalvergoeding aan Bevak te betalen» (Parl. St., Vlaams Parlement, 2000-2001, stuk 19, nr. 7-J, p. 6). B.15. Artikel 7 van het decreet van 6 juli 2001 brengt de subsidieregeling derhalve in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling van de decreetgever. Om te vermijden dat de vóór 2001 verleende onderhoudssubsidies in geding zouden worden gebracht, vermocht de decreetgever in een uitdrukkelijke juridische grondslag voor die subsidies te voorzien. Zulks zou immers de door die subsidies nagestreefde doelstelling - het voorzien in aangepaste huisvesting voor bejaarden in het licht van de toenemende vergrijzing van de bevolking - ernstig in het gedrang kunnen brengen. De in het geding zijnde bepaling is derhalve ingegeven door een dwingend motief van algemeen belang en doet geen afbreuk aan de jurisdictionele waarborgen van een categorie van personen. B.16. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.” 5.3. In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen in het bijzonder aan dat artikel 7, § 4, van het decreet van 6 juli 2001 moet worden beschouwd als “een wetgevende validatie van een door de Raad van State vernietigde bestuurshandeling” en dat de terugwerkende kracht van normen strijdig is met het recht op een goede rechtsbedeling, indien de normsteller daarmee de uitkomst van een gerechtelijke procedure wil beïnvloeden. Zij stellen voorts dat de decreetgever heeft nagelaten om de doelstelling van deze decretale validatie aan te tonen, laat staan te verantwoorden waarom die doelstelling als een voldoende basis zou kunnen worden beschouwd om afbreuk te doen aan het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak. De verzoekende partijen stellen dat, aangezien een subsidieregeling werd ingevoerd die quasi identiek is aan de vorige onwettige regeling, met als enige doelstelling het omzeilen van de gevolgen van de vernietiging door de Raad van State van het besluit van 3 mei 1995, het Grondwettelijk Hof ten onrechte heeft besloten dat er geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voorhanden is. 5.4. Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds is opgemerkt, moet de Raad van State als rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof en komt het hem niet toe te oordelen over de argumenten die door de verzoekende partijen tegen dat arrest worden aangevoerd. IX-3227-12/13 5.5. Uit het arrest nr. 166/2008 van 27 november 2008 van het Grondwettelijk Hof volgt dat het tweede middel niet gegrond is. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, elk voor één vierde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Daniël Moons IX-3227-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.772 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.