← België

Arrest 197773 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 13/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.773 Rolnummer: A. 156157/XII-5817 Zaak: Arrest 197773 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 13/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.773 van 13 november 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.773 van 13 november 2009 in de zaak A. 156.157/XII-

  1. In zake : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN GAVERE, dat woonplaats kiest bij advocaat E. De Groote, kantoor houdende te Gent, Casinoplein 19 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Maatschappelijke Integratie, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. De Bock, kantoor houdende te 1050 Brussel, Waterloosesteenweg
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Gavere op 1 oktober 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “een beslissing van weigering tot opheffing van de 0% - maatregel [...] voor de periode 10 januari 2003 tot juni 2003, genomen door [de minister] van Maatschappelijke Integratie [...] welke beslissing aan de raadsman van de verzoekster ter kennis werd gebracht bij gewone brief van 3 augustus 2004 [...] en bevestigd bij gewone brief van 7 september 2004”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 augustus 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2009; XII-5817-1\14 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. De Grootte, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. De Schepper, die loco advocaat J.-F. De Bock verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Op 24 juni 2002 deelt de minister van Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Gavere mee dat “in toepassing van de omzendbrief van 24 juni 2002”, “art. 5§2 bis van de wet van 02.04.1965 [wordt] toegepast en [aldus] wordt de Staatstoelage vanaf de maand juni, teruggebracht naar 0%”. Als reden hiervoor verwijst de ministeriële brief naar het gegeven “dat u voor meer dan 50% van de u toegewezen asielzoekers een terugbetaling van 100% vraagt en dat meer dan 95% van de aan uw OCMW toegewezen asielzoekers niet verblijft op het grondgebied van uw gemeente wat beschouwd moet worden als een weerlegbare indicatie dat het OCMW direct of indirect asielzoekers aanzet elders te wonen”. Op 12 juli 2002 protesteert het OCMW schriftelijk bij de minister. Op 15 juli 2002 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van voornoemde brief en besluit hij, eensdeels, indien nodig een gerechtelijke procedure in te stellen bij de Raad van State en, anderdeels, over te gaan “tot het opstarten van een eigen lokaal opvanginitiatief”. Op 18 juli 2002 deelt de minister mee dat de “getroffen OCMW’s” hem een concreet voorstel mogen voorleggen “teneinde de opvang van asielzoekers op hun grondgebied boven de 5 % te verhogen of teneinde een substantieel lokaal opvanginitiatief voor asielzoekers op te richten”. Op basis van XII-5817-2\14 een schriftelijk dossier kan herstel van de terugbetaling dan in overweging worden genomen. 1.
  4. Het OCMW van Gavere dient op 7 augustus 2002 een dossier in “ter verantwoording van de terugbetaling van de maatschappelijke dienstverlening en de opheffing van de maatregelen voorzien in artikel 5§2 bis van de wet van 2 april 1965”. 1.
  5. Op 23 augustus 2002 vordert het OCMW van Lens de nietigverklaring van de omzendbrief van 24 juni 2002 waarvan sprake sub 1.
  6. Naar verwerende partij zelf verklaart in de memorie van antwoord, is deze annulatieprocedure de aanleiding voor de Belgische Staat om, bij wet van 24 december 2002, het artikel 5, § 2bis, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna ook : de wet van 2 april 1965) te vervangen als volgt : “In afwijking van § 1, 2/, neemt de Staat 0 % van de maatschappelijke dienstverlening ten laste binnen de beperkingen bepaald krachtens artikel 11, § 2, toegekend in geld of in natura aan de vreemdelingen die zich vluchteling verklaard hebben of die aangevraagd hebben om als vluchteling te worden erkend, wanneer het ontbreken van voldoende maatregelen door het O.C.M.W. om de opvang van deze vreemdelingen op het grondgebied van zijn gemeente te bevorderen tot gevolg heeft dat zij ertoe aangezet worden zich in een andere gemeente te vestigen. De modaliteiten die het mogelijk maken te evalueren wanneer er gebrek aan voldoende maatregelen voor de opvang van deze vreemdelingen bestaat evenals de aanvaardbare bewijzen om dit ontbreken van voldoende maatregelen te weerleggen, worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad”. Dit artikel is in werking getreden op 10 januari
  7. Het ter uitvoering genomen koninklijk besluit van 13 januari 2003 houdende vaststelling van de criteria voor het evalueren van het ontbreken van voldoende opvangmaatregelen genomen door het O.C.M.W. ten aanzien van vreemdelingen die zich vluchteling hebben verklaard of die aangevraagd hebben om als vluchteling te worden erkend en van de aanvaardbare bewijsmogelijkheden om dit ontbreken van voldoende maatregelen te weerleggen, bepaalt : XII-5817-3\14 “Artikel
  8. - Er ontbreken voldoende maatregelen genomen door het O.C.M.W. om de opvang te bevorderen van de vreemdelingen die zich vluchteling hebben verklaard of die aangevraagd hebben om als vluchteling te worden erkend, wanneer : 1) meer dan 95 % van deze vreemdelingen aan wie het maatschappelijke dienstverlening toekent en die aan zijn gemeente werden toegewezen bij toepassing van artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, op het grondgebied van een andere gemeente wonen; en 2) het O.C.M.W. niet behoort tot een gemeente waarin de bevoegde Minister of zijn vertegenwoordiger geen bijkomende kandidaat vluchtelingen in het wachtregister mag inschrijven krachtens de criteria inzake harmonieuze spreiding bedoeld in artikel 54, § 1, derde lid, 2/, van de voormelde wet van 15 december 1980; en 3) het O.C.M.W. geen structuur als lokaal opvanginitiatief heeft ingericht op grond van een overeenkomst gesloten tussen het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers, ter uitvoering van artikel 57ter , tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Art.
  9. - [§ 1.] Het O.C.M.W. levert het bewijs dat het voldoende maatregelen heeft genomen voor de opvang van de vreemdelingen die zich vluchteling hebben verklaard of die aangevraagd hebben om als vluchteling te worden erkend, wanneer het : - hetzij de ganse duur van de maand waarvoor de terugbetaling wordt gevraagd, ten minste 5 % van deze vreemdelingen opvangt die aan zijn gemeente werden toegewezen en aan wie het maatschappelijke dienstverlening toekent bij toepassing van artikel 54, § 1, van de voormelde wet van 15 december 1980; - hetzij vroeger dan de maand voor dewelke de terugbetaling wordt gevraagd, een overeenkomst heeft gesloten met het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers, ter uitvoering artikel 57ter , tweede lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; - hetzij aantoont dat het, voor de ganse periode waarvoor het de terugbetaling vraagt, behoort tot een gemeente waarin de bevoegde Minister of zijn vertegenwoordiger geen bijkomende kandidaat vluchtelingen in het wachtregister mag inschrijven krachtens de criteria inzake harmonieuze spreiding bedoeld in artikel 54, § 1, derde lid, 2/, van de voormelde wet van 15 december 1980; - hetzij een overtuigend dossier opmaakt, waarbij het aantoont dat het een geheel van relevante en duurzame maatregelen heeft genomen voor de organisatie en bevordering van de opvang van asielzoekers op zijn grondgebied. §
  10. De in de voorgaande paragraaf bedoelde bewijselementen worden door het O.C.M.W. geleverd samen met de maandelijkse staten van terugvordering die bij de Staat worden ingediend”. 1.
  11. Op 18 juni 2003 sluiten het OCMW en de Belgische Staat een overeenkomst voor de opvang van vijf asielzoekers in het lokaal opvanginitiatief (LOI). 1.
  12. Bij arrest nr. 121.072 van 27 juni 2003 vernietigt de Raad van State de omzendbrief van 24 juni 2002 betreffende de ten laste neming door de Staat van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan asielzoekers. XII-5817-4\14 1.
  13. In een brief van 18 juli 2003 aan de minister herinnert het OCMW aan een onderhoud op 28 april 2003 met een kabinetsmedewerker, aan de verbouwingswerken die sedert oktober 2002 van start waren gegaan aan het gebouw voor het LOI en aan de contacten met Fedasil. Gevraagd wordt of de terugbetaling voor de periode 1 juli 2002 - 1 mei 2003 toch nog gerealiseerd kan worden. Op 19 september 2003 wordt “voor de Minister” geantwoord dat de minister het verzoek “aan het evalueren is”, maar dat alleszins een uitbetaling zal volgen voor de periode juli 2002 tot 10 januari
  14. Door de vernietiging van de omzendbrief gaat immers de “0%-maatregel” maar in op 10 januari 2003, datum van inwerkingtreding van de programmawet van 24 december
  15. Het OCMW contacteert het kabinet van de bevoegde minister in de loop van de maanden november en december 2003 enkele keren per e-mail, per brief, en naar eigen zeggen ook telefonisch, om een concreet antwoord te mogen krijgen op zijn brief van 18 juli
  16. Op 14 juni 2004 richt het OCMW zich via zijn raadsman nogmaals tot de bevoegde minister met het verzoek “spoedig” een gemotiveerde beslissing te willen nemen. 1.
  17. Op 3 augustus 2004 antwoordt eindelijk de minister van Maatschappelijke Integratie. Hij wijst op het artikel 5, § 2bis, van de wet van 2 april 1965 en op het koninklijk besluit van 13 januari 2003 en stelt vast dat voor het OCMW van Gavere een overeenkomst met Fedasil tot oprichting van een LOI pas gesloten werd op 18 juni 2003 en hij besluit : “Aangezien er voor de periode van 10 januari 2003 (i.e. datum invoegetreding van de voormelde programmawet van 24 december 2002) tot juni 2003 nog geen effectieve overeenkomst betreffende de oprichting van een LOI bestond, kunnen mijn diensten de 0%-maatregel voor die periode niet opheffen”. Het OCMW reageert met een brief van 12 augustus 2004 waarin het stelt dat het niet opgaat louter en alleen op de datum van de ondertekening van de overeenkomst te steunen om enige tussenkomst tussen 10 januari 2003 en juni 2003 te weigeren. Gewezen wordt op de opstart van het LOI in samenspraak met Fedasil vanaf 1 oktober 2002, de verbouwingswerken die uitgevoerd moesten worden -en werden- en de goedkeuring ervan door Fedasil op 5 mei
  18. Het OCMW wijst er op dat artikel 2, § 1, vierde streepje, van het koninklijk besluit van XII-5817-5\14 13 januari 2003 aan het OCMW ook de mogelijkheid geeft aan de hand van een overtuigend dossier het bewijs te leveren dat voldoende maatregelen werden genomen. Op 7 september 2004 antwoordt de minister : “Wat het afsluiten van een overeenkomst betreft, wil ik er op wijzen dat dit voor de Staat impliceert dat dit op schriftelijke wijze dient te gebeuren, dat de wettelijke bepalingen van die overeenkomst er in worden vermeld en dat beide partijen - in deze de Staat en het OCMW van Gavere - deze overeenkomst dienen te ondertekenen. Voor het OCMW van Gavere werd een overeenkomst tot het oprichten van een LOI pas afgesloten op 18 juni
  19. Overeenkomstig artikel 2 van die overeenkomst neemt deze een aanvang op diezelfde datum. Ik ben dan ook van mening dat met deze datum van 18 juni 2003 wel degelijk rekening kan gehouden worden. Vooraleer een overeenkomst wordt afgesloten, zal er inderdaad in de meeste gevallen een proces van allerhande acties en maatregelen aan voorafgegaan zijn. Van belang is hier echter het resultaat, met name het afsluiten van een overeenkomst betreffende een LOI zodat ook daadwerkelijk met de opvang van kandidaat vluchtelingen kan begonnen worden. Vandaar dat artikel 2 van het voornoemde koninklijk besluit ook stelt dat de overeenkomst moet afgesloten zijn vóór de maand waarvoor er een terugbetaling gevraagd wordt. Wat de opmaak van een overtuigend dossier betreft, ben ik van mening dat enkel de acties die werden genomen met het oog op de inrichting van een LOI niet volstaan om gewag te maken van een geheel van relevante en duurzame maatregelen. Alle elementen die in uw fax worden aangehaald betreffen de facetten van één enkel element, namelijk de voorbereidende acties tot creatie van een LOI. Daarnaast wordt er geen enkel bijkomende maatregel aangehaald. Aangezien er voor de periode van 10 januari 2003 (i.e. datum invoegetreding van de voormelde programmawet van 24 december 2002) tot juni 2003 nog geen effectieve overeenkomst betreffende de oprichting van een LOI bestond en er m.i. geen sprake kan zijn van een geheel van relevante en duurzame maatregelen, kan ik mijn eerdere beslissing, om de 0%-maatregel voor de periode van 10 januari 2003 tot juni 2003 te behouden, enkel onderschrijven”. De gegrondheid van het beroep
  20. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker twee middelen aan. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  21. Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 2003 houdende vaststelling van de criteria voor het evalueren van het ontbreken van voldoende opvangmaatregelen genomen door het XII-5817-6\14 O.C.M.W. ten aanzien van vreemdelingen die zich vluchteling hebben verklaard of die aangevraagd hebben om als vluchteling te worden erkend en van de aanvaardbare bewijsmogelijkheden om dit ontbreken van voldoende maatregelen te weerleggen. Verzoeker licht het middel toe als volgt. Hij heeft “inderdaad” op 18 juni 2003 met de Belgische Staat een overeenkomst gesloten ter uitvoering van artikel 57ter, tweede lid, van de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Vanaf dat ogenblik wordt “ontegensprekelijk” het bewijs geleverd van voldoende maatregelen voor de opvang van vreemdelingen. Dit neemt evenwel niet weg dat er voor de voorafgaande periode nog andere bewijsmogelijkheden bestaan om aan te tonen dat er voldoende maatregelen werden genomen voor de opvang van vluchtelingen om aldus de opheffing van de 0%-maatregel te kunnen verkrijgen. De minister weigert echter de initiatieven en werkzaamheden in aanmerking te nemen die door verzoeker reeds sedert midden 2002 worden genomen ter bevordering van de opvangmogelijkheden van vluchtelingen op het grondgebied van de gemeente zelf. Nochtans is er wel degelijk sprake, reeds minstens vanaf september 2002, van een geheel van relevante en duurzame maatregelen die door het OCMW zijn genomen met het oog op de organisatie en bevordering van de opvang van asielzoekers op het grondgebied : de toepassing van de 0%-maatregel was reeds voor de omzendbrief van 24 juni 2002 op de agenda van de OCMW-raad geplaatst, op 15 juli 2002 werden deze initiatieven grondig besproken, zodra het gebouw voor het LOI vrij kwam werd contact genomen met Fedasil, de verantwoordelijke van Fedasil kwam reeds op 1 oktober 2002 ter plaatse, het OCMW “spaarde kosten noch moeite” om de zware verbouwingen die door Fedasil werden geëist op zo kort mogelijke termijn te realiseren. Verzoeker is van mening dat de door hem genomen initiatieven “typevoorbeelden” zijn van relevante en duurzame maatregelen, als bedoeld in het koninklijk besluit van 13 januari
  22. In de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie argumenteert verzoeker voorts dat het koninklijk besluit van 13 januari 2003 nergens vermeldt dat de relevante en duurzame maatregelen, geen maatregelen mogen inhouden tot oprichting van een LOI. Artikel 2, § 1, tweede streepje beoogt de situatie zodra er effectieve opvang is, na de totstandkoming van de overeenkomst en het vierde streepje beoogt de situatie van organisatie en bevordering van deze opvang en omvat dus de talrijke maatregelen die door verzoeker zijn genomen om XII-5817-7\14 tot de effectieve opvang te kunnen overgaan. Op 5 mei 2003 heeft de vertegenwoordiger van Fedasil de woning bezocht, toestemming gegeven voor het opstarten van een LOI en schriftelijk bevestigd dat “het OCMW van Gavere voldoende inspanningen [heeft] geleverd om tegemoet te komen een aantal asielzoekers op zijn grondgebied op te vangen”. Verzoeker wijst nogmaals op zijn inspanningen om, volgens de aanwijzingen van Fedasil, een modern en ruim opvangcentrum te creëren op het eigen grondgebied, waarvoor zelfs op eigen kosten een klusjesman is aangeworven, en kan niet aanvaarden dat de bestreden beslissing in overeenstemming zou zijn met de bedoeling van de wetgever - een sanctie invoeren voor OCMW’s die asielzoekers ertoe aanzetten om zich niet op hun grondgebied te vestigen. Ook als er nog geen effectieve opvang is, moet rekening worden gehouden met de maatregelen die het OCMW neemt om de opvang op het eigen grondgebied te bevorderen. Beoordeling
  23. Vóór de wijziging ervan bij de programmawet van 24 december 2002 werd de zogenaamde 0%-maatregel bij artikel 5, § 2bis, van de wet van 12 april 1965 opgelegd “wanneer een lid of een personeelslid van het centrum of de betrokken gemeente rechtstreeks of onrechtstreeks, hetzij door beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of macht, hetzij door niet op te treden of anderszins, kandidaat-vluchtelingen, waarvoor het centrum bevoegd is, systematisch ertoe aangezet of gedwongen heeft het grondgebied van de gemeente te verlaten of zich in een andere gemeente te vestigen”. Zoals de Raad van State reeds heeft opgemerkt in meervermeld arrest nr. 121.072 van 27 juni 2003, viel het onder die oude bepaling aan de Staat toe om geval per geval “het positief feit te bewijzen dat iemand, binnen het OCMW of binnen de gemeente, de voormelde vreemdeling er, op welke wijze ook, systematisch toe aangezet of gedwongen heeft zich in een andere gemeente te vestigen”. De wijziging van artikel 5, § 2bis, heeft tot gevolg dat voortaan voor de toepassing van de 0%-maatregel niet meer is vereist dat aan iemand intentioneel is toe te schrijven dat hij de vreemdeling “systematisch” tot vertrekken aanzet of dwingt. Het “aangezet worden zich in een andere gemeente te vestigen” wordt nu afgeleid uit het objectieve feit dat voldoende maatregelen van het OCMW XII-5817-8\14 ontbreken om de opvang van deze vreemdelingen op het grondgebied te bevorderen. Het ontbreken van voldoende maatregelen is dus de maatstaf, en anders dan wat verzoeker beweert moet daarbij niet (meer) beoordeeld worden of het OCMW daarbij al dan niet ook achterliggend de bedoeling had om effectief de vreemdelingen tot verhuizen aan te zetten. Wel staat de toepasselijke reglementering toe dat het OCMW het bewijs levert dat het toch voldoende opvangmaatregelen heeft genomen.
  24. Verzoeker erkent terecht dat hij voor die bewijsvoering niet eerder een beroep kan doen op artikel 2, § 1, tweede streepje, van het koninklijk besluit van 13 januari 2003 dan vanaf het ogenblik waarop de daar bedoelde overeenkomst effectief is gesloten. Verzoeker meent echter dat de minister heeft geweigerd rekening te houden met de elementen van het dossier die het voor het OCMW mogelijk maken zich te beroepen op artikel 2, § 1, vierde streepje, van hetzelfde koninklijk besluit. De Raad van State is evenwel van oordeel dat de minister wel degelijk met de argumenten van verzoeker rekening heeft gehouden, en dat hij ze op goede gronden heeft weerlegd. Artikel 2, § 1, vierde streepje, van het koninklijk besluit van 13 januari 2003 eist immers als bewijsvoering een dossier dat “overtuigend” aantoont dat het OCMW “een geheel van relevante en duurzame maatregelen heeft genomen voor de organisatie en bevordering van de opvang van asielzoekers op zijn grondgebied”. Zoals de minister terecht heeft tegengeworpen in zijn brief van 7 september 2004, is het “geheel van maatregelen” waarop verzoeker steunt -de selectie van een gebouw, de geschiktmakingswerken als opvangcentrum en de contacten daarbij met Fedasil- een reeks acties die finaal slechts is gericht op één welbepaalde opvangmaatregel, met name het realiseren van het bewijs bedoeld in het tweede streepje van artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 13 januari
  25. Het zijn, zoals de minister schrijft, “facetten van één enkel element”. Zoals verwerende partij het terecht ook opmerkt in de memorie van antwoord is dit ene element vóór 18 juni 2003, zolang dus de overeenkomst niet is gesloten, zelfs niet als een duurzame en relevante opvangmaatregel aan te merken omdat er tot dan noch in feite asielzoekers opvang kregen, noch in rechte zekerheid bestond of de opvang er wel degelijk zou komen. XII-5817-9\14 Het middel is ongegrond. XII-5817-10\14 Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  26. Als tweede middel voert verzoeker aan “extreem laattijdige beslissing van de Minister van Maatschappelijke integratie - rechtsverwerking en toepassing van artikel 10 van de Wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn”. Verzoeker wijst op het uitblijven van een beslissing van de minister, hoewel hij herhaaldelijk daarop heeft aangedrongen. In die omstandigheden beroept hij zich op rechtsverwerking; de houding van de minister moet volgens verzoeker worden gekwalificeerd als een impliciet instemmende beslissing met de vordering tot opheffing van de 0%-maatregel. Verzoeker wijst ook op artikel 10 van de wet van 2 april 1965 die de minister er toe verplicht binnen een termijn van veertig dagen te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving aan het OCMW zijn met redenen omklede beslissing kenbaar te maken wat de tenlastelegging van de steun betreft. Bij ontstentenis van een tijdig antwoord wordt de minister luidens dit artikel geacht deze last te aanvaarden. In de memorie van wederantwoord schetst verzoeker nogmaals in detail de historiek van de feiten sedert 7 augustus 2002 tot 7 september
  27. Verzoeker laakt dat verwerende partij pas twee jaar na het eerste verzoek tot opheffing van de 0%-maatregel een gemotiveerde weigeringsbeslissing ter kennis brengt, dat zij op kabinetsniveau mondelinge beloftes heeft gemaakt die niet zijn nagekomen en dat zij meer dan een jaar haar beslissing in beraad houdt waardoor bij verzoeker het rechtmatige vertrouwen is gewekt dat de maatregel ook voor de periode van 10 januari 2003 tot juni 2003 zou worden opgeheven. Met zijn laatste memorie legt verzoeker met betrekking tot het artikel 10 van de wet van 2 april 1965 stukken voor als bewijs van aangetekende verzending van de onkostenstaten voor februari tot mei
  28. Beoordeling
  29. Verzoeker verwijst naar de datum van 7 augustus 2002, de datum waarop hij een dossier bij de minister heeft ingediend om niet onderworpen te worden aan de 0%-maatregel. XII-5817-11\14 Dat dossier kan op dat ogenblik onmogelijk betrekking hebben op de toepassing van de 0%-maatregel vanaf 10 januari 2003, waaraan verzoeker is onderworpen toen de nieuwe regelgeving in voege is getreden. Meer nog, voor de aan 10 januari 2003 voorafgaande periode heeft verzoeker na de vernietiging van de omzendbrief ook genoegdoening gekregen en is de maatregel uiteindelijk niet toegepast. Het ligt voor de hand dat de vraag tot opheffing van de 0%-maatregel voor de periode vanaf 10 januari 2003 moet worden getoetst aan de nieuw tot stand gekomen regelgeving, zodat het tijdsverloop voordien, niet meer relevant is. Op 18 juni 2003 is dan de overeenkomst gesloten op grond waarvan de toepassing van de bewuste 0%-maatregel werd gestopt. Betwist bleef enkel een periode van ongeveer zes maanden, tussen januari 2003 en juni 2003, waarover eerst met de thans bestreden beslissing definitief opheldering is gebracht.
  30. Op 28 april 2003 tijdens een onderhoud op het kabinet en formeel met de brief van 18 juli 2003 dringt verzoeker er op aan dat de minister zou vaststellen dat de maatregel ten onrechte werd toegepast. Naderhand heeft het dan inderdaad enkele brieven, e-mails en andere contacten met het bevoegde kabinet gekost vooraleer verzoeker op 9 september 2003 vernam dat de minister het verzoek “aan het evalueren is” en vooraleer hij op 3 augustus 2004 dan uitsluitsel kreeg op zijn vraag om ook voor de periode na 10 januari 2003 tot juni 2003 de maatregel op te heffen. De Raad van State ziet evenwel niet in hoe verzoeker uit het stilzwijgen van de minister, tussen medio 2003 en medio 2004, in welke tijd dan nog drie verschillende ministers voor de materie bevoegd waren, een rechtmatige verwachting kan puren dat verwerende partij de maatregel die zij reeds had opgelegd toch nog zou opheffen. Uit geen enkel formeel stuk dat van verwerende partij uitgaat kan immers ook maar enige toezegging in die richting worden afgeleid. Verwerende partij is niet verder gegaan dan verzoeker uit te nodigen om een dossier in te dienen en om daarover op kabinetsniveau een gesprek te voeren. Verzoeker is schriftelijk slechts gemeld dat de minister de kwestie zou “evalueren”. Die “evaluatie” zou ten slotte slechts gunstig voor verzoekster kunnen en mogen uitvallen, voor zover haar dossier in te passen is in de voorwaarden die bij het XII-5817-12\14 koninklijk besluit van 13 januari 2003 werden opgesomd. Overigens heeft verzoeker zelf eerst in zijn brief van 12 augustus 2004 uitdrukkelijk een uitspraak op grond van artikel 2, § 1, vierde streepje, gevraagd. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
  31. Artikel 10 van de wet van 2 april 1965 moet worden gelezen in samenhang met artikel 9 van dezelfde wet. Het in artikel 10 ingeschreven vermoeden van instemming om de last van de steunverlening te aanvaarden heeft bijgevolg betrekking op de steun die is verleend door “het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn [dat], overeenkomstig artikel 4 of 5, gerechtigd is kosten van bijstand terug te vorderen”. Welnu, te dezen volgt uit artikel 5, § 2bis, van de wet van 2 april 1965 dat verzoeker ingevolge de 0%-maatregel niet gerechtigd is kosten van bijstand terug te vorderen. Dat zou het OCMW pas worden nadat zijn verzoek om op grond van artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 januari 2003 de maatregel op te heffen, was ingewilligd. Het middelonderdeel kan niet tot nietigverklaring leiden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  32. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-5817-13\14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5817-14\14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.