id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.780 Rolnummer: A. 123165/XII-3587 Zaak: Arrest 197780 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 13/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-23 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:50 Fiche Arrest nr 197.780 van 13 november 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 197.780 van 13 november 2009 in de zaak A. 123.165/XII-
- In zake: de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jérôme Sohier kantoor houdend te Brussel Emile De Motlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMS GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat B. Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 juni 2002, strekt tot de nietigverklaring van: “
- Het Ministerieel Besluit van 26 april 2002 houdende gedeeltelijke inwilliging van het beroep van de gemeente Sint-Genesius-Rode van 27 maart 2001 tegen het Besluit van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 7 maart 2001 houdende wijziging en definitieve vaststelling van de gemeenterekening 2000;
- De beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams- Brabant van 7 maart 2002 houdende definitieve vaststelling van de gemeenterekening 2000”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 184.350 van 19 juni 2008 worden de debatten heropend en wordt een aanvullend onderzoek bevolen. Auditeur Henri Colin heeft een aanvullend verslag opgesteld. XII-3587-1\8 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 maart
- Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Manuël De Keukelaere, die loco advocaat Jérôme Sohier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Henri Colin heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 26 juni 2001 stelt de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode de rekening 2000 vast. Bij besluit van 7 maart 2002 keurt de deputatie van de provincie- raad van Vlaams-Brabant de rekening goed, behoudens wat een bedrag van 53.896 frank betreft dat verband houdt met verkiezingsdrukwerk. Overwogen wordt dat wanneer de oproepingsbrieven voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 op een onwettige wijze verstuurd of afgegeven zijn, de gemaakte kosten eveneens onwettig zijn en uit de rekening verworpen dienen te worden. Naar verwerende partij in de memorie van antwoord verklaart, zonder dat het door verzoekster wordt tegengesproken, had de gemeente de oproepingsbrieven ten dele in het Frans verstuurd, zonder het verzoek af te wachten van de betrokken inwoner om een oproepingsbrief in het Frans te krijgen. XII-3587-2\8 De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid willigt op 26 april 2002 het beroep van verzoekster tegen het besluit van de deputatie gedeeltelijk in. Het door de deputatie verworpen bedrag wordt verminderd met 33.903 frank, namelijk in zoverre het bedrag andere uitgaven blijkt te betreffen dan met betrekking tot de oproepings- brieven. De rekening 2000 wordt dienovereenkomstig vastgesteld. IV. Onderzoek van de middelen A. Verwijzing naar het tussenarrest
- Verzoekster voert drie middelen aan. Bij arrest nr. 184.350 van 19 juni 2008 is het derde middel en, gedeeltelijk, het tweede middel, als niet gegrond verworpen. Hierna wordt bijgevolg nog alleen ingegaan op het eerste middel en op het tweede, in de mate dat er niet reeds uitspraak over gedaan werd. B. Eerste middel
- In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 25 en volgende van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken (hierna: bestuurstaalwet) en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat het bestreden besluit aan het artikel 25 dezelfde interpretatie geeft als in de omzendbrief-Peeters eraan gegeven wordt. Nochtans is deze interpretatie in strijd met de vaste rechtspraak van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. De omzendbrief-Peeters is het voorwerp van een annulatieberoep en is volgens het verslag van de auditeur-generaal onwettig. Bovendien heeft de omzendbrief een zuiver interpretatieve waarde. Hieruit volgt dat de toezichthoudende overheid geen blinde en automatische toepassing mag maken van de principes in de omzendbrief, noch louter de interpretatie van de omzendbrief overnemen, zonder ernaar te verwijzen.
- Het middel bekritiseert de volgende passus in de bestreden beslissing: “dat uit de parlementaire voorbereidingen van de S.W.T. blijkt dat de randgemeenten liggen in het ééntalig Nederlandse taalgebied en luidens artikel 4 van de Grondwet en de artikelen 2 en 3 van de S.W.T., de taal van het eentalig taalgebied voorrang heeft; dat het Nederlandse en Franse taalgebied XII-3587-3\8 taalhomogeen zijn; dat om die redenen de uitzonderingen op het taalgebruik (faciliteiten) strikt moeten toegepast worden; dat er dus een essentieel verschil is tussen het tweetalig gebied Brussel en de ééntalige gemeenten met faciliteiten; dat indien men in de gemeenten met faciliteiten dit beginsel zou betwisten, men de horizon openzet voor nieuwe verschuivingen van de taalgrens, hetgeen zou betekenen dat het verzoeningspact van de wet van 2 augustus 1963 betreffende het gebruik van de talen in bestuurszaken zou verloren gaan (parlementaire handelingen Kamer, dd. 27 juni 1963, 5 en 6; Parlementaire Handelingen, 24 juli 1963, 1503; Parlementaire Handelingen Senaat dd. 25 juli 1963, 1535) dat uit de parlementaire voorbereidingen van de S.W.T. eveneens duidelijk blijkt dat de in die wet opgenomen faciliteiten bedoeld waren om voor anderstaligen [...] de overgang te vergemakkelijken naar de Gemeenschap waartoe de gemeente, waarin ze woonden, voortaan zou behoren, met andere woorden bedoeld waren als integratiebevorderend instrument (Eindverslag Centru[m]-Harmel, Kamer van Volksvertegen- woordigers stuk 940, zitting 1[9]57-1958, 24 april 1958); dat, vanuit de geest waarin de taalwetten tot stand gekomen zijn, het taalgebruik van een particulier niet als een statische gegeven mag worden beschouwd, maar integendeel er moet worden van uitgegaan dat een Franstalig inwoner, die voorheen beroep gedaan heeft op deze faciliteiten, inmiddels de taal van het gebied voldoende kent en zich bijgevolg niet meer op de faciliteiten wenst te beroepen; dat, indien er in artikel 25 S.W.T. sprake is van de ‘door betrokkene gebruikte taal voor zover die taal het Nederlands of het Frans is’, dat artikel derhalve niet in die zin mag begrepen worden dat een particulier die ooit het gebruik van het Frans heeft gevraagd later zijn briefwisseling in het Frans krijgt toegestuurd, maar wel in die zin dat -vermits de door betrokkene gebruikt taal op het ogenblik van de aanschrijving niet gekend is- de briefwisseling steeds initieel in het Nederlands moeten worden opgesteld en verzonden, onverminderd de mogelijkheid van de particulier om, op uitdrukkelijk en telkenmale te herhalen verzoek, een Franstalig exemplaar te bekomen; dat het automatisch toezenden van een oproepingsbrief aan een Franstalige in het Frans in strijd is met de ratio legis van artikel 25 S.W.T.”. Zoals verzoekster terecht opmerkt, stemt de in deze passus gehanteerde interpretatie overeen met de interpretatie die wordt voorgestaan in de zogenaamde omzendbrief-Peeters van 16 december 1997 betreffende het taalgebruik in de gemeentebesturen van het Nederlandse taalgebied.
- Deze omzendbrief heeft effectief het voorwerp uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring - van vier annulatieberoepen zelfs. Ze zijn evenwel alle verworpen geworden, bij arresten nrs. 138.860 tot en met 138.863 van 23 december
- In deze arresten werd gewezen dat de bestreden omzendbrief de praktijk blijkt te willen keren die inhoudt dat besturen bestendig het Frans gebruiken ten opzichte van bepaalde rechtsonderhorigen zonder dat voor het gebruik van die taal een uitdrukkelijk verzoek is uitgebracht, dat, teneinde grondwetsconform te zijn, de interpretatie van de rechten van wie in de randgemeenten in het Frans wil XII-3587-4\8 worden bestuurd, moet stroken met de voorrangsstatus van het Nederlands in die gemeenten, dat een interpretatie die inhoudt dat de randgemeenten het Frans dienen te gebruiken van zodra de overheid de taal van de particulier kent en deze taal het Frans is, of nog, dat particulieren die eens het gebruik van het Frans hebben gevraagd later automatisch in het Frans worden aangeschreven, daar niet mee strookt, vermits die interpretatie en de daarop gestoelde bestuurspraktijk in wezen leiden tot een stelsel van tweetaligheid, waarbij de taalvoorkeur van personen zelfs in bestanden wordt vastgelegd, en dat, tegen de achtergrond van een noodzakelijk strikte interpretatie van het recht om het bestuur het Frans in plaats van het Nederlands te laten gebruiken in het betrokken ééntalig gebied, de interpretatie zoals uitgedrukt in de omzendbrief, dat het verzoek om het Frans te gebruiken uitdrukkelijk moet worden herhaald, wel degelijk verenigbaar is met de bestuurstaalwet. In tegenstelling tot wat verzoekster betoogt, is de interpretatie die de bestreden beslissing aan artikel 25 van de bestuurstaalwet geeft dan ook niet onwettig en is zij op dat vlak afdoende gemotiveerd, al wijkt die interpretatie af van “de vaste rechtspraak van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht”.
- In de laatste memorie insisteert verzoekster erop dat een bestuurlijke beslissing, gesteund op een interpretatie die afwijkt van de adviezen van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, onwettig is. Uiteengezet wordt dat de Vaste Commissie voor Taaltoezicht door de wetgever speciaal in het leven werd geroepen om de correcte naleving van de taalwetgeving te bewaken, dat het dan ook evident “lijkt” dat haar adviezen niet genegeerd mogen worden, en dat het enkele feit dat een administratieve overheid een interpretatie voorstelt die afwijkt van de adviezen van de Vaste Commissie een machtsoverschrijding uitmaakt. Dat geldt inzonderheid wanneer het om adviezen gaat die werden uitgesproken in het kader van artikel 61, § 7, van de bestuurstaalwet. Sinds de bijzondere wet van 16 juli 1993 beschikt de commissie inzake klachten door inwoners van de faciliteitengemeenten met betrekking tot hun relaties over een “beslissingsbevoegdheid”. Te dezen “bepalen de adviezen van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht dat, vanaf het ogenblik waarop de Franstalige kiezers van de randgemeenten aan de overheid hun keuze meedelen volgens dewelke zij deze oproepingsbrieven in het Frans willen ontvangen, deze verzendingen in het Frans automatisch gebeuren voor de volgende verkiezingen en niet meer onderworpen zijn XII-3587-5\8 aan een nieuwe aanvraag in die zin. Deze adviezen werden uitgesproken ten gevolge van klachten neergelegd door inwoners van de faciliteitengemeenten (cf. bv. advies nr 30.036 dd. 18 juni 1998, verslag VCT 1998, p. 55) op grond van haar nieuwe bevoegdheid sui generis betreffende de klachten neergelegd door inwoners van de faciliteitengemeenten betreffende hun betrekkingen met de overheden”.
- Nog maar kort geleden heeft de Raad van State, in het arrest nr. 184.353 van 19 juni 2008, geoordeeld dat de Vaste Commissie voor Taaltoezicht niet het enige administratieve orgaan is dat bevoegd is om de wetgeving betreffende het taalgebruik in bestuurszaken te interpreteren, dat alleen de wet een authentieke interpretatie kan geven en niet de commissie, en dat de exclusieve bevoegdheid van de federale overheid om het taalgebruik in de randgemeenten te regelen niet uitsluit dat het Vlaams Gewest artikel 25 van de bestuurstaalwet op een andere wijze dan een lid van de federale regering interpreteert. De Raad blijft ook voor de oplossing van de onderhavige zaak bij deze zienswijze. Verzoeksters verwijzing naar artikel 61, § 7, van de bestuurstaalwet kan daar niet van doen afzien. Overeenkomstig die bepaling kan de Vaste Commissie voor Taal- toezicht, wanneer een particulier die zijn woonplaats heeft in een van de gemeenten bedoeld in artikel 7 en 8 van de bestuurstaalwet bij haar een klacht indient met betrekking tot het taalgebruik van de administratieve overheden in hun betrekkingen met de particulieren en met het publiek betreffende sommige aangelegenheden, haar advies eventueel vergezeld doen gaan van een aanmaning en, indien de overheid de aanmaning niet in acht neemt, in plaats van de in gebreke gebleven overheid alle maatregelen nemen die nodig zijn om de naleving te verzekeren van de bestuurs- taalwet of de koninklijke besluiten die ermee in verband staan. Uit niets blijkt dat het bedrag dat door de bestreden beslissing uit de rekening 2000 van de gemeente wordt verworpen, verband houdt met kosten waartoe verzoekster gehouden was op grond van een optreden van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht ex artikel 61, § 7, van de bestuurstaalwet. Het enige advies van de commissie waarnaar verzoekster in dit verband in concreto verwijst -advies 30.036 van 18 juni 1998- betreft een advies waarbij een klacht tegen de Vlaamse Milieumaatschappij, vanwege een Nederlandstalige factuur, informatie- bericht en envelop aan een Franstalige uit Voeren, niet gegrond wordt verklaard. Als XII-3587-6\8 zodanig is dit advies, bij gebrek aan enig rechtstreeks verband met de bestreden uitspraak over het beroep van verzoekster inzake de goedkeuring van haar rekening, terzake niet dienstig.
- Het middel wordt verworpen. C. Tweede middel
- Een tweede middel leidt verzoekster onder meer af uit de schending van artikel 129, § 2, van de Grondwet en de bevoegdheidsverdelende bepalingen tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten, doordat het bestreden besluit doet gelden dat verzoekster een onjuiste interpretatie geeft aan de onderrichtingen van 24 juli 2000 van de federale minister van Binnenlandse Zaken inzake het taalgebruik van de oproepingsbrieven voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen. Evenwel is overeenkomstig artikel 129, § 2, van de Grondwet alleen de federale overheid bevoegd om het taalgebruik te regelen vermits verzoekster een randgemeente is. De interpretatie door verwerende partij van de onderrichtingen van de federale minister impliceert dat de bestendige deputatie de materie van het taalgebruik voor de oproepingsbrieven kan regelen, op basis van de omzendbrief-Peeters en schendt de bevoegdheidsverdelende bepalingen tussen de federale overheid en de gemeenschappen en de gewesten.
- Het middel gaat er van uit dat de onderrichtingen van 24 juli 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken “ondubbelzinnig bepalen dat de oproepingsbrieven op basis van de taalaanhorigheid dienen verzonden te worden”. Door dat niet bij te vallen -wat beweerdelijk “impliceert” dat de deputatie het taalgebruik voor de oproepingsbrieven kan regelen- schendt, volgens verzoekster, de bestreden beslissing de in het middel aangevoerde bepalingen. Het middel vertrekt aldus van een foutief uitgangspunt. Zoals in het tussenarrest nr. 184.350, sub nr. 9, overwogen, herhalen de betrokken instructies alleen maar wat de wetten op de talen in bestuurszaken vereisen met betrekking tot de zogenaamde randgemeenten en doen ze als zodanig niet kennen dat de oproepingsbrieven op basis van de taalaanhorigheid dienen verzonden te worden.
- Het middel wordt verworpen. XII-3587-7\8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 november 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-3587-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.780 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.350 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div